30 november 1999

Van onze partners in Kirkuk en Sulaymaniyah

 

door Yosé Höhne Sparborth 

Het Pausbezoek begin maart 2021 was een grote opsteker voor allen in Irak, met name degenen die zich al jaren inzetten voor het samenwerken tussen de diverse groepen werden er zeer door gesteund.

De Syrische monnik Jacques Mourad, die zowel de staatsgevangenis als gevangenschap bij ISIS overleefde, wordt verontwaardigd als je hem vraagt naar ‘vervolgde christenen’.
“Wij hebben hier in het Midden Oosten altijd goed samengeleefd,” zegt hij. “Egypte, ja, dáár hebben de Kopten het zwaar. Maar op de tijd van de Kruistochten na, werden de moslims enkel boos als er onder ons christenen waren die heulden met invasieve christelijke legers.”
Het filmpje dat hij Yosé vroeg te maken, was niet voor internet, wel om overal laten zien. U kunt Yosé er naar vragen, door een mailtje te sturen naar  Yosé Höhne Sparborth.

Inmiddels heeft Yosé heeft veel beeldmateriaal over het bisdom Kirkuk wél op YouTube staan. Dit deelt ze graag met u (links openen in een nieuw tabblad).

Allereerst de beelden over Iraakse bezoeken bij ons in Utrecht, en Utrechtse bezoeken in Irak. We bieden een beeld over de opvang van de grote stroom vluchtelingen in dit Irak van oorlogen. Indrukwekkend is het interreligieuze gezicht van het bisdom, waar je ook komt. Allen zetten daar de schouders onder. Het begint al in de kleuterschool!

Maar het is aartsbisschop Yousif Thomas Mirkis die er kort en bondig woorden aan geeft.
Verwijzend naar de 11 studentenhuizen die het bisdom gedurende 3 jaar huurde en waarvoor Utrecht 2 jaar collecteerde, spreekt hij over samenwerken. Sterk zijn z’n woorden over vrede en over hoop voor Irak. Toen de studenten in 2017 terug konden, heeft het bisdom nog een jaar lang Yezidistudenten  gesteund, die in een moeilijke situatie kwamen.

Het bisdom heeft naast deze “bisschop van hoop”  ook een actieve jongerengroep die mee betrokken is in programma’s voor gezinnen met gehandicapte kinderen. Verder geeft het bisdom hulp aan een ziekenhuis voor kankerpatiënten.

De zusters Dominicanessen geven leiding aan de scholen. Bij Sulaymaniyah nadert de bouw van een bejaardenhuis plus kleuterschool zijn einde: een samenwerking tussen gouverneur en het bisdom voor ouderen die alle kinderen in buitenlanden hebben wonen.

Het klooster Mariyam Al Adhra bood 3 jaar lang onderdak aan 258 ontheemden en startte met hen een toneelgroep waarin yezidi, moslims, christenen, Syriërs en Irakezen, Arabieren en Koerden samenwerken.

De ontheemden zijn voor een groot deel terug naar Caracosh. Iraaks televisie zond een reportage uit over moslims in Mosul  die hun christelijke buren weer verwelkomen. Aartsbisschop Mirkis zond de link de wereld over; het gaat om twee van “zijn” studenten uit zijn huizen. Overigens leven in Koerdistan nog duizenden vluchtelingen in kampen, waar maandelijks voedseluitdeling  is.

Sinds de ontheemden teruggingen, begon het klooster aan zijn echte programma: dialoogarbeid! Alle groepen die er leven mogelijkheden bieden elkaar te leren kennen en te respecteren.
Pater Jens die de salarissen betaalt, meende rond 2025 selfsupporting te zijn: de inkomsten komen van gasten en retraitegroepen.
COVID haalde een streep door die rekening: anderhalf jaar bleven alle gasten weg. Maar de samenkomsten gingen door, online.

Sinds najaar 2019 vlamt in Irak de hoop op dat de ellende een einde neemt. Men durft weer plannen te maken, zo kwam het ook tot het Pausbezoek.  In 2019 verzorgde de Jongerengroep daarom een extra feestelijke afsluiting van de maand oktober ().

 

Via de parochie Sint Martinus kunt u bisdom en klooster steunen.
Uw gift kunt u overmaken op het bankrekeningnummer NL33 ABNA 0234 1592 27 van de Samenwerkende parochies Utrecht o.v.v. “Irak”.



    uit liefde voor de Islam

    Zojuist in het Nederlands verschenen „Uit liefde voor de islam”, door Paolo Dall’Oglio (ISBN 9789085283836). Sinds 3 jaar is hij in handen van ISIS, zijn medebroeder Jacques Maurad was 6 maanden gevangen door ISIS. Yosé Höhne-Sparborth leest en bespreekt het boek vanuit haar jarenlange werken in Latijns Amerika, en haar 3 bezoeken aan Irak. Ze leefde mee in de kloostergemeenschap in Suleymania, waar vluchtelingen leren interreligieus samen te werken. Een gemeenschap gesticht vanuit dat Syrische klooster van Paolo dall’Oglio.

     

    „Uit liefde voor de islam” door Paolo Dall’Oglio

    In een tijd toen ik nog angst had voor alle Nederlanders, ontmoette ik de eerste moslims: aardige, bescheiden gastarbeiders. 1966: een gastarbeider had mijn zus en zwager om een kamer gevraagd: de mogelijkheid om Hallal te eten, te drinken, te slapen, te poepen en… te bidden natuurijk. Een gastarbeider die het pension niet meer vertrouwde nadat hij varkensbotten in het vuilnisvat had zien liggen. Moslims kwam ik sindsdien altijd weer tegen, overal.

    De laatsten: in het klooster Maria Alathra te Suleymania, Noord-Irak, april 2016, in een theatergroep voor trauma verwerking, vluchtelingen zoals de christenen ook, gevlucht voor bombardementen en voor Daesh (ISIS).

    Het klooster wordt geleid door Pater Jens Petzold en Zuster Friederike Gräf, beiden van de Kloostergemeenschap Al Khalil, van het Klooster Mar Moesa in Syrië. Mgr. Sako, inmiddels Patriarch Sako, had in 2010 de Syrische gemeenschap om enkele monniken gevraagd. 2012 begon deze Syrisch katholieke gemeenschap in Suleymania, in wat eerder een Chaldeeuws katholieke kerk was geweest. Nauwelijks op gang, zat het klooster boordevol vluchtelingen uit Caracosh. Mensen, gevlucht voor Daesh.

    In dit klooster hoorde ik van hun stichter Paolo Dall’Oglio die inmiddels al drie jaar in handen is van Daesh; van hun medebroeder Jacques Maurad die in 2014 ruim 6 maanden in handen van Daesh was maar door moslims werd bevrijd. In dit klooster gaf ik april 2016 op hun verzoek een avond les in trauma-theater, aan een groep Koerden uit de stad, Syrische moslimvluchtelingen, en Iraakse christenen en jezidi’s: vluchtelingen ook. De spiritualiteit van deze jonge kloosterorde is gastvrijheid en liefde voor de islam. Nu, april 2016, anderhalf jaar na haar vlucht, geeft Manar naailes aan moslimvrouwen uit de buurt. Ze heeft zich geopend voor deze kloosterlijke spiritualiteit en dat blijkt therapeutisch voor haar. Ik zie een vreugde in haar ogen, die er in december nog niet was. Ze treurt nog steeds om haar jongste broer die in handen van Daesh is. Maar ze kan weer leven. Vanuit deze jongste vriendschappen lees ik vol verwachting het boek dat pas is verschenen in het Nederlands: „Uit liefde voor de islam”, van Paolo Dall’Oglio.

     

    Voor kader in de kerken is het boek een must in onze tijd.

    Voor theologisch niet geschoolden zijn bepaalde stukken lastig lezen, door onaangenaam preciseren soms. Tegelijk kan elke pastor er prachtige tekststukken uit gebruiken om in zijn gemeenschap voor te lezen als bemoedigende uitnodiging tot dialoog met onze moslimburen. Dall’Oglio loopt alle vragen langs die er theologisch te stellen zijn bij een ontmoeting tussen christenen en moslims. Hij beantwoordt de vragen vanuit dogmatische teksten, vanuit zijn ervaringen in het Midden Oosten en in zijn gemeenschap, met een brede armzwaai verwijzend soms naar het verre Azië om voorbeelden te schetsen die mogelijk toelichten wat hij poogt te zeggen. Hij schrijft vanuit zijn kloosterpraktijk, als een katholiek theoloog die nauwgezet wil verantwoorden waarom die praktijk op die plek, en waarom dat kan en zelfs moet.

     

    Dall’Oglio, Jezuīet, stichtte een gemeenschap in een eeuwenoud klooster in de woestijn, om te leren vriend te zijn van de moslims. Zijn gemeenschap wil Kerk zijn van de islam. Hij gaat dan ook in op de vraag, of dat kan? Hij reflecteert op de Abramitische relaties, de vragen rond inculturatie, of christenen Mohammed als profeet kunnen erkennen, of de islam ook volgens christenen openbaring kan zijn, en hij sluit af met dood en verrijzenis. Toen hij de teksten schreef en besprak met de Franse journaliste Eglantine Gabaix-Hialé wist hij nog niet hoe dicht op de huid dit laatste ‚thema’ hem en zijn gemeenschap zou treffen. Syrië zou treffen, Irak. De wereldwijde moslimgemeenschappen. Mgr. Mirkis die nu de verantwoordelijke bisschop is voor dat klooster in Suleymania zegt het zo: „Wij in Irak en Syrië leven Goede Vrijdag en Pasen tegelijkertijd. Diep lijden, en ons oefenen in vergeven en verzoenen, opdat verrijzenis mogelijk is.”

     

    De gemeenschap van Paolo Dall’Oglio, van vrouwen en mannen, Syriërs en enkele andere nationaliteiten, praktiseren in hun gastvrijheid het samenleven, dialogeren, samen bidden van moslims en christenen in deze moslimomgeving. Toen zij daar begonnen in 1992, was Syrië nog een land zonder oorlog op eigen grond. Met een politiek leider die na 2003 wel actief meehielp de spanningen in Irak te schuren, want dat zou de Amerikanen bezighouden.

    In deze tijden van toenemende spanning nu - niet in de laatste plaats door ‚westers’ optreden in dat moslimgebied - zijn de drie kloosters van deze gemeenschap in dit gebied toevluchtsoorden voor vele ontheemden, moslims, christenen, jezidi’s. Hun klooster in Quarayatan werd door Daesh verwoest na de inname van Palmira.

    Hun praktijk, zoals ook de praktijk van de Chaldeeuws katholieken in het bisdom Kirkuk/Suleymania in Iraaks Koerdistan, is een oase in een wereld die op vele wijzen religieuze crises doorleeft. Moslimgemeenschappen in crisis door westers kolonialisme, westerse invasies, oliesjeiks als absolute heersers, verlichte moderne dictators, Al Quaida, en dan Daesh als dieptepunt. Christenen in crisis door te velen die de regio verlaten: emigranten, vluchtelingen, ouders die een zekere toekomst zoeken voor hun kinderen. Jezidi’s in crisis, omdat te veel mannen werden vermoord en te veel vrouwen tot seksslavin gemaakt door Daesh. Sjiieten in crisis omdat zij de eerste slachtoffers zijn van Daesh. Soennieten in crisis, omdat Daesh „hun religie heeft gekaapt en die tot vernietigingswapen gemaakt”. Dit in de woorden van bisschop Yousif Thomas Mirkis te Kirkuk.

     

    Tegen deze achtergronden lees ik het boek van Paolo Dall’Oglio. Met diepe vreugde soms. Herkenning in de overwegingen en de waarnemingen in ontmoetingen. Herkenning in de kritische vragen aan te agressieve ‚missionering’ door te Amerikaanse protestante christenen. Herkenning in vragen aan een eigen christendom dat te veel verliefd raakte op eigen macht. Herkenning in de wijze waarop christenen en moslims geschetst worden als concurrenten ook, juist in hun ambities om de hele wereld (religieus) te koloniseren.

    En dan plotseling verdwaald in de tekst. Ik heb het boek bijna uit als ik begrijp waaraan ik verdwaal. De tekst werd opgebouwd als rechtvaardiging tegenover vragen uit het Vaticaan, in 2005, al onder Paus Benedictus XVI, om de gemeenschap kerkelijk erkend te krijgen.

    De liefde voor de islam wordt  bepleit vanuit Vaticaanse documenten en met strak katholieke dogmatiek. Door de Europese Jezuīet die Paolo Dall’Oglio gebleven is. Mijn theologie rijpte in de krottenwijken en basisgroepen van Latijns-Amerikaanse landen van zwaar geweld: Nicaragua, El Salvador, Chili, Colombia: bakermat van de Bevrijdingstheologie. Dall’Oglio noemt het als terzijdes, de koloniale en neoliberale setting van de christelijke kerken: als hoge drempels in de dialoog met moslims.

    In de theologische argumentatie echter blijft het buiten beeld. Ratzinger had er niet veel mee op, met die Latijns-Amerikaanse theologie. Ratzinger was volbloed Europeaan, zijn theologie ook. Met hem is Dall’Oglio in dialoog vanuit zijn klooster Mar Moesa in Syrië. Een doorwrochte Europese dialoog die voortdurend poogt om de praktijk niet te verraden; die er een is van een dialogerende loyaliteit naar twee kanten: naar zijn Kerk, en naar de Oumma, de geloofsgemeenschap van moslims. Tot die loyaliteit hoort het stellen van scherpe, kritische vragen, daar waar de geloofsgemeenschap in haar theologische zelfverstaan de diepste aspiraties van God met ons mensen heeft verraden. Er klinkt veel verdediging van de dialogerende positie. Zijdelings ook richting protestanten.

    En dan breekt in zijn eigen woorden de hoop op een ware diepe dialoog toch door. Hij signaleert met vreugde dat in 2000 de Congregatie van de Geloofsleer stappen vooruit zet na het „Nostra Aetate” van Vaticanum II dat een eerste stap was om moslims te erkennen als geloofsgenoten. Met vreugde vooral begroet hij de boodschap van de bisschoppensynode uit 2008, „omwille van de verbazende frisheid die misschien aantoont dat er een lente op komst is.” (p.150)

    Dall’Oglio heeft ook een zeer nuchtere reden om deze intense weg van dialoog te gaan: „De harmonisatie van de christelijke en de islamitische hoop is vermoedelijk een voorwaarde opdat de hele mensheid de toekomst hoopvol zou kunnen bekijken” (p. 125). Hij heeft gelijk gekregen. Precies daarom moet iedere christen met theologische aspiraties dit boek lezen. Omwille van  onze toekomst.

     

    Dall’Oglio heeft vermoedelijk geen weet van de lente die inderdaad doorbreekt in het Vaticaan, door een Latijns-Amerikaanse paus die de verkokerde Europese ratio doorbreekt. „Laudato si” is een „geschrift waarin de paus zelf de bevrijdingstheologie binnenhaalt”, aldus de vreugde in Irak. 

    Zijn medebroeders en -zusters hopen van harte dat Dall’Oglio ooit nog zal weten van deze lente in de rk kerk. De Wereldraad heeft ook een geschrift uitgegeven van dialoog: „Samen voor het leven”. Moge een dialoog met dit christendom in lentestemming hem nog gegeven worden…YHS

    |@|

    Kirkuk-Utrecht: interreligieuze praktijken

    Er zijn al langdurige contacten  van Yosé Höhne Sparborth met Bisschop Mirkis in Irak.

    Zo langzamerhand gaat er een project ontstaan waarin ook Utrecht deelneemt. En dus Kerk en Vrede. 

    Er is een plek waar we verhalen en artikelen plaatsen over de Stedenband zelf; maar ook over thema's met wat breder bereik. 

    Links naar filpmjes

    |@|

    Yosé in Irak 2021/22

    Yosé Höhne Sparborth verblijft momenteel voor de duur van 8 maanden in Irak. In haar berichten doet zij verslag van wat zij daar meemaakt.

    Eerste Bericht uit Sulaymaniyah, november 2021                Yosé Höhne Sparborth 

    Sinds negen dagen in het klooster Maryam Al-Adhra. Stad Sulaymaniyah,  in het noordoosten van Koerdisch Irak. Dicht bij Iran. Ook hier was ik al vele malen, bij elk bezoek sinds 2014 een week tot enkele weken. 

    Mijn aanvliegroute was toch Kirkuk, door Pater Yousif Thomas Mirkis die ik in 2002 leerde kennen in Bagdad en die in 2014 aartsbisschop werd van Kirkuk/Sulaymaniyah. Een ‘dinky toy’ bisdom in een ‘dinky toy’ kerk met een ‘dinky toy’ patriarch. Ik citeer diezelfde bisschop. Wie wil weten hoe gezond zelfspot kan werken, kan goed bij deze mens terecht. Altijd met een grote vriendelijke oprechte glimlach bij dit soort bespiegelingen. Zijn bouwwoede noemt hij lachend een afwijking; de warme humor in zijn zelfspot - die vooral vaak over een collectief gaat - heeft sterke pastorale impact. Het werkt verbindend en relativerend en kennelijk ook bijzonder animerend. In ieder geval: toen in 2014 zijn 7000 volwassen leden ineens 4000 christelijke IDP’s moesten onderbrengen, voeden, bezighouden en daarnaast nog eens 750 studenten-vluchtelingen van alle entiteiten in deze regio, heeft hij werkelijk iedereen aan de arbeid gekregen. Zelf liet ik af en toe zachtjes horen bij alles wat “de bisschop doet”, dat zijn rechterhand Abuna Kais toch wel zeer veel arbeid verzet om alle bouwwerken ook onder controle te laten verrijzen. 

    De bisschop reist rond met zijn chauffeur in zijn auto, alles en iedereen bezoeken, en ik zou bijna zeggen: hij spreekt, en het komt wel in orde. In die auto mocht ik altijd mee als ik er was en zo heb ik veel gezien en gehoord in de afgelopen jaren. Thuis, in het bisschopshuis zeg maar, heerst volkomen rust. Dagritme van een klooster, alles precies op tijd. Tijdens de maaltijd komen enkele mensen soms zomaar binnenlopen om  bepaalde zaken snel te regelen; in zijn ontvangstzaal worden de echte gasten ontvangen: gouverneur, andere bisschop, verdwaalde buitenlanders, imam van de buurmoskee. De gelovigen kunnen hem elke dag na de Viering aanspreken over al wat hen bezighoudt: op het kerkplein blijft hij hangen zolang er mensen zijn; hij gaat nagenoeg als laatste terug naar zijn huis.

    In dit klooster te Sulaymaniyah is alles anders dan het in dat bisschopshuis is. Het is zelfs anders dan vóór Covid. Ik moet dus feitelijk opnieuw ontdekken hoe hier de gang van zaken is. Bisschop Yousif Thomas heette me per email welkom en wenste me een goed ritme. Ritme? Wat is dat? In dit klooster? Zuster Friederike begon voluit te lachen toen ik die goede wens meedeelde. De grootste verschillen voor mij: hier dendert de hele wereld binnen; er wordt wel zo ongeveer om 14.00 uur geluncht, maar het kan ook 15.00 uur worden. Wie er kookt? Wel, wie aanvechting heeft… Wat we koken? Wel, eens kijken wat er nog is. Bij het ontbijt zijn er gebakken eieren, die ik nu toch ook maar eet al vind ik het vroeg op de maag. Want verder is het eten simpel en zonder vlees dus mijn vegetarische gewoonte kan ik aanhouden; groente is niet het begeerde eten voor Arabieren en Koerden die hier binnen schuifelen, dus het beetje dat geboden wordt kan ik rustig genieten. In deze cultuur van gastvrijheid wordt altijd te veel gekookt, en ik kan best vier dagen hetzelfde eten. Geen punt, ik begon óók mijn bewuste leven als vluchteling en ongewenst vreemdeling, dus spatjes in dezen heb ik niet. Maar er zijn hier ook meerderen die bepalen wat nog eetbaar is en wat niet, en iets te vaak is de vuilbak het einde. De “staf” is uitgebreid na Covid, er zijn nu drie mannen die hier de hele dag vol genoegen leven en allemaal praktische taken hebben, al is de coördinatie voor mij nog duister. Ik poog enige pootjes uit te steken, maar moet nog aftasten op de gezichten of ik dan niet iemand in zijn identiteit raak. Die 3 mannen spreken zeer beknopt Engels, mijn Arabisch is voorlopig nog beknopter, dus ik oefen mij zeer in het lezen van de gezichten. Gaat geloof ik redelijk goed tot nu toe. Mohannad, een jonge man die is toegevoegd aan die staf, loopt hier dagelijks twaalf uur rond, ook al krijgt hij maar betaald voor 6 uur. Hij ontfermt zich ook als een grote broer over de zwerm buurkinderen die hier dagelijks rondstruinen. Een viertal katten lopen in de buurt rond op zoek naar eten, en de liefste van hen, de echt gedomesticeerde, hebben ze eergisteren kleertjes aangetrokken. Sindsdien hebben we haar nog niet teruggezien. Zelf heb ik nu maar op me genomen om de kleine etensresten die voor een kattenbekje zijn, voor die dieren te redden voordat iemand dat alvast in de afvalbak dumpt. Volgens mij is dat hier de beste manier van integreren: goed rondkijken en dan eigen taakje zoeken. Vanaf woensdag ga ik trouwens meedoen in een echte groep Arabisch les. 

    De eerste morgen na aankomst had ik binnen vier uur al gecommuniceerd in het Nederlands, Engels, Spaans en Duits: met een aantal ‘voorbijgangers’. In de middag kwam er nog Frans bij, al ben ik dan meteen beperkter in mogelijkheden. Ideologie gaat nog wel, maar de praktische zaken… Gelukkig zijn degenen die dergelijke taal hanteren zelf ook gasten, meer dan ik nu, dus praktischer dan thee of koffie aanbieden hoeft niet echt. Pardon ik vergeet de suiker. Gistermorgen, zondag 7 november, zijn er ineens 3 Italianen met wie ik Spaans kan communiceren, en een van de mannen schonk hen koffie in: van die hele kleine kopjes met drie slokken sterke koffie. De Italiaanse dame vroeg om suiker, maar de suikerbak was leeg. Ook de grote bak. Zuster Friederike wees me de weg naar de grote voorraadkamer, een grote blauwe suikerton, en daar zat onder in de bodem nog een laagje suiker, 2/3 kilo. Wel, dat gaat voor deze dag genoeg zijn, maar er moet dringend gekocht worden. Veel suiker met zeer zwarte thee, dat is de lievelingsdrank hier door de dag heen.

    Ikzelf praktiseer “stabilitas loci”; ik blijf aan huis. De binnenstad van Sulaymaniyah is nog zo’n oude stad, veel kleine smalle stegen en veel bocht. Mijn Arabisch is echt nog te zwak om de weg terug te kunnen vragen of het antwoord te verstaan. Maar de hele wereld schuift hier dagelijks binnen, dus genoeg vertier. Sinds twee dagen logeert een Koerd uit Dohuk (noord-west Koerdisch Irak) hier. Als ik het goed begreep, om even te schuilen. De man is acteur, maar ook schuchter. En wat hij zeker niet verwacht had: het algemene communiceren gaat hier in Arabisch, met dan die Europese waaier van talen die ikzelf redelijk aankan. Hij spreekt niets behalve zijn moeders taal. De eenzaamheid groeit op zijn gezicht, hij kwam heel open binnen. Als een verdwaalde ziel nu in zijn eigen Koerdistan. Ik heb Zuster Friederike gesuggereerd om iemand die Koerdisch kan, hem te vertellen dat hij wat assertiever zelf aan het voedsel en drank zoeken moet, gewoon de kasten opentrekken. Om niet sprakeloos af te wachten wanneer er wat gaat gebeuren. En ik kon hem de video’s laten zien die ik maakte op mijn ene auto-tocht door Dohuk: hij kwam even thuis. Was heel blij.

    Zuster Friederike en ik staan nieuwe gasten te woord, zoeken de contactmogelijkheden, verbinden personen via ons eigen diverse aanbod. Haar grote voordeel: ze spreekt intussen redelijk Arabisch. Pater Jens Petzold spreekt uitstekend Arabisch, heet welkom als er een groep buitenlanders komt, spreekt een groep toe die een week lang cursus krijgt - verleden week een cursus alternatief toerisme: waaraan simpele gezinnen kunnen verdienen, niet de grote internationale boys. Maar hij zit verder het liefst in zijn kantoor: geld zoeken, geld boekhouden, bouwplannen maken, renoveren. Is hij goed in, zelfde afwijking als bisschop Yousif Thomas (ik citeer weer). Maar hij zal niet losse mensen met elkaar verbinden. Iedereen mag altijd komen, maar moet wel zelf de weg zoeken. Friederike is daarin sterk. Haar nadeel hier: ze is een vrouw. En Pater Jens is geheel haar broer in het kleine contact, maar voor de gemeenschap is hij de directeur die alle grote zaken regelt. Dat versterkt haar positie niet tegenover de mannen die zeer van deze cultuur zijn. Ook daarin is Mohannad een goede aanvulling: een jonge man die ver weg is geraakt van de mannen die menen dat alleen zij de goede beslissingen kunnen nemen. Hij poogt zelfs mij aan te moedigen in mijn pogingen wat Arabisch te stotteren; in de kerk weet ik ijverig mee te bidden in het Arabisch.

    Maar, mijn weg weer zoeken is al bijzaak aan het worden. We hebben de eerste trainingen gepland. We: Zuster Friederike en ik, zij heeft al veel traumawerk-capaciteit opgebouwd in de psychologie, mijn inbreng wordt een aanvulling voor haar. Pater Jens is de man van zorgen voor geld voor een tolk (lukt nog niet zo; wordt een dure zaak), data bepalen, propaganda maken. Friederike sprak enkele vrouwen in deze dagelijkse wereld aan, en dat leverde meteen een correctie. Mannen kun je een heel weekend uitnodigen. Vrouwen niet, die kunnen elke dag 3 uur uittrekken, want thuis moet er eten op tafel komen. We gaan dus gevarieerd aanbieden, vooral gevarieerd in tijdsopbouw. Zo leer ik de cultuur wat beter kennen van de binnenzijde. Wat hier door de kloostertuin en kloostergang loopt, lijkt redelijk geëmancipeerd, en collegiaal met de mannen docenten. Maar zo vallen ze dan toch door de mand. 

    Er is een waaier aan aanbod, dit jaar 2021 ging het inmiddels om ruim 1000 deelnemenden aan cursussen, op vier plekken: klooster, en bij drie vluchtelingenkampen. De alfabetisering van Yezidi is het project waar ik op weg naar mijn afscheid in Nederland voor bedelde. Dat zit nu wel rond geloof ik voor volgend jaar. De cijfers krijg ik binnenkort. Voor de eerste groep komt zelfs een vervolg. Er wordt hier veel Koerdisch en Arabisch gedoceerd, Engels ook. Wiskunde, Bouwkunde, Theater, Bedrijfskunde. Allemaal in twee niveaus, en het theater is tevens traumawerk. Toen ik aankwam 30 oktober, was de groep net drie dagen langs vluchtelingenkampen getrokken. De twee Duitse regisseurs die hen jaarlijks een maand komen trainen heb ik nog kunnen uitzwaaien. 

    Tja, mijn aanbod: rebalancing leren doen en traumawerk via lichaamsarbeid, moet dus nog in de tijdsspannen gegoten worden die het haalbaar maken. Dat moet nog worden uitgevonden. En wat ik niet helemaal had bedacht: Koerdische en Arabische deelname moet gesepareerd worden aangeboden; deels ook mannen en vruwen, maar dat had ik al bedacht. Nog niet helder is waar we Arabisch gaan aanbieden: via de bisschop in Kirkuk, via de Dominicanessen in Erbil, of beide. Ergens volgende week komt bisschop Yousif Thomas naar Sulaymaniyah, dus ik moet zorgen dat hij even tijd heeft voor overleg. Hij beschikt over goede vertaling uit het Engels, de Dominicanessen ook. Nu mijn Engels nog… Het halve bisdom is Koerdischtalig, een Koerd is hier in Sulaymaniyah parochiepriester, een van de gehuwde priesters. Maar faciliteren in Koerdisch is toch niet heel vanzelfsprekend, tenzij Koerden het doen. Om mij dan te vertalen, daartoe moet nu toch een echte tolk worden gezocht. Dat gaat geld kosten. Nog geen idee dus hoe de komende maanden er voor mij gaan uitzien. 

     

    Dit land heeft me wel geleerd om dat gelaten tegemoet te gaan. Zoeken naar de mogelijkheden, de problemen overwegen en waar iets kan snel regelen. Gewoon doen. En dus bijtijds voorbereid zijn. Ik heb besloten alle trainingen voor te bereiden in de vorm van donderdagavond en vrijdag de hele dag (is hier de “zondag”). En dat kan ik dan naar believen ombouwen naar vier middagen, of twee van die “weekenden” samentrekken tot drie dagen… Voor Colombia en Chili was het in drie maal 6 dagen opgebouwd voor de hele rit: train de trainer): net als El Salvador en Nicaragua toch ook landen die weten van geweld, oorlog, onderdrukking. Hier ziet het er echter weer heel anders uit. Dat ga ik nu vooral pogen nog scherper te krijgen. Irak heb ik ongeveer in beeld. Koerdisch Irak is toch weer een heel ander land, andere geschiedenis van trauma. 

    Het zijn duidelijk twee werelden, merk ik in alles. En tegelijk is er een samen aanpakken als er iets aan te pakken valt waar je blij van wordt. Met Pater Jens kreeg ik overigens onverwacht een forse aanvaring, hij schreeuwde me toe, ik schreeuwde dom genoeg terug; soeverein en rustig reageren  was natuurlijk beter geweest. 

    Dat ging over hoe geschiedenis speelt bij deze mensen, en of je daar wel of niet rekening mee moet houden als je met hen samenwerkt. Hij is van mening dat je de geschiedenis achter je moet laten, niet zeuren, toekomst oppakken. We bezochten een prachtige tentoonstelling van een schilder die in grote doeken met veel bruine en witte en daartussenin varianten en heel weinig mens of mensenhoofd of dier in die doeken geweldige impressies gaf van de jongste geschiedenis van dit Koerdistan de laatste jaren onder Saddam. Jens vond het te somber. Ik was zeer onder de indruk hoe je zonder sensatie, in kleurimpressie en een aanduiding van mens, geschiedenis weergeeft. Zonder slachtofferschap, sec. Zo zag dat er uit. Veel diepe gaten in de aarde. In de trauma-arbeid ga ik denk ik ook de geschiedenis uitgraven van vóór 1991, althans voor de Arabieren: een modern land, om trots op te zijn ondanks Saddam. En voor Koerden én Arabieren: er waren genoeg gelegenheden, maar ze hebben het verdomd om er een echte burgeroorlog van te maken, al dreigde dat in 2006-2007 even. Ik heb al de ervaring dat die herinnering ophalen veel kracht geeft.  Het belang van geschiedenis: de goede herinneringen geven kracht, de smartelijke herinneringen kun je transformeren in wijsheid voor je verder levensweg, als je er eerlijk naar kijkt; dat geldt voor enkelingen en dat geldt voor collectieven. Wel, ik zit geloof ik midden in de voorbereidingen voor mijn arbeid. Met een van de jongeren uit Kirkuk heb ik al persoonlijk gewerkt, en dat ging precies hierover, plus de variant: als je ouders in oorlog zijn, moet je niet denken dat jij van beiden een helft hebt en dus zelf in oorlog bent; dan moet je weten dat je een eigen mens bent, een eigen leven, daarvoor gaan want niemand anders kan jouw leven maken, zelfs niet je ruziënde ouders. En dan onderscheiden tussen de goede en de smartelijke herinneringen, en in zo’n particulier geval vooral: wat kun jij niet veranderen, wat wel. Het ene moet je accepteren óf emigreren; het andere kun je overwegen, wat daarin je bijdrage tot verandering kan zijn. En als het niet onder jouw bevoegdheid of kunnen valt, tja, dan kennelijk onder iemand anders zijn vermogen. Dat scherp uit elkaar houden lijkt in particuliere relaties een stuk ingewikkelder dan in de grote samenleving. Misschien is dat wel wat mij het meeste bevalt in de rk kerk sinds we weer een Paus hebben die de wereld echt kent. Pas bij heldere structuren kun je ook werkelijk democratisch zijn, al blijkt dat een forse klus als niet iedereen meedoet. Bij onheldere structuren bepalen de grootste schreeuwers. Of ontstaan er in 500 jaar ook 500 christelijke kerken…

    Het gebouw waar 2014 13 families ingepropt zaten, heeft er zojuist een etage bijgekregen, en de voorgevel is opgeknapt. Beneden blijft leslokaal. 1ste etage was bibliotheek, wordt kantoor: ruimte voor de vijf (deels betaalde) medewerkers die de lessen coördineren en deels geven, de boekhouding verzorgen, overleg plegen en de roosters maken. Nu zitten de vier vrouwen en twee mannen samen met Pater Jens aan twee bureaus en een eettafel, en dat aan de gang waar alle bezoek binnenstuift: glazen wanden scheiden ons. Hier je concentreren is best een prestatie. En de nieuwe etage erbovenop, dat wordt de bibliotheek. Met dakterras uiteraard, waar wederom grote zonnepanelen. Men hoopt volgende week te verhuizen naar die nieuwe ruimte. 

    De kapel is al in de opknap-fase, het bladderende stucwerk is afgekrabd. Yousif is de vierde man in vaste dienst: hij is de aannemer die alle bouwwerk coördineert en bewaakt. Een zeer aardig mens, alleen al voor hem poog ik wat Arabisch te leren stotteren.

    Mijn jongste ontdekking: het klooster is een zelfstandige stichting aan het formeren, zodat mochten deze ene Pater en Zuster naar hun thuisbasis Mar Musa in Syrië terugkeren op enig moment, de opgebouwde ontmoetingsplek en dialoogplek kan voortgaan en verdere initiatieven ontwikkelen die gevraagd zijn in deze situaties.

    En dan logeren sinds enige maanden al twee zusters uit India hier in het klooster. Ze leven wel zeer een eigen leven, moeten hard leren om zowel Arabisch als Koerdisch te kunnen spreken, krijgen nu rijlessen in het Koerdisch in deze stad met dit krankzinnige verkeer… 

    Over een maand - hopen ze - betrekken ze hun nieuwe woning, in het Mercy House. Dat is een groot huis dat bisschop Yousif liet bouwen op terrein dat de regering van Sulaymaniyah hem gaf. Het eerste “bejaardenhuis” in deze regio. Bisschop Yousif Thomas ontdekte dat er toenemend ouderen komen die alle kinderen in buitenlanden hebben. Er is een etage voor Alzheimerpatiënten, en een etage voor somatische patiënten. Tevens is er een kleuterschool inbegrepen, kinderen uit de omringende woonwijk, “omdat ouderen graag naar kinderen kijken”. Op het dakterras kunnen ze elkaar door een glazen afscheiding zien, en de deur kan ook open. Daar zijn tevens kleine tuintjes op heuphoogte, voor de ouderen die wat willen tuinieren. 

    Door Covid is de bouw vertraagd. De zusters zullen de eerste bewoners zijn, zij zullen het huis gaan leiden. Bewoners zullen zowel moslims als christenen zijn en alle soorten entiteiten in deze regio die aanvragen. In het ritme van financieringshulp worden de kamers langzaam alle bemeubeld. De planning ken ik niet. 

    Vier jaar geleden werd begonnen met de bouw. De architect uit de Elzas die het ontwierp, legde vanuit zijn organisatie de eerste $ 900.000 dollar in. Met de bouw was in totaal  $ 2.500.000 gemoeid. Ongeveer zes weken geleden werd het hoogste punt bereikt. 

     

    |@|

    Yosé in Irak 2020/21 nr 2

    Een geconcentreerde zondagmorgen, 

    14 november, Sulaymaniyah, Koerdisch Irak.

     

    Op deze zondagmorgen komen zoveel aspecten samen, dat ik het tot een bericht wil verwerken hoe zo’n leven er hier in deze regio uitziet met al zijn gefragmenteerde aspecten. 

     

    Het begint gisteren, een overvolle zaterdag. Van 8.00-11.00 uur Arabisch les voor een Koerd die al een tijdje bezig is, Zr Friederike, en ik. Zij blijkt na 10 jaar in deze regio veel slechter Arabisch te spreken dan ik dacht. Geeft dat deze burgeres nou moed, of niet? De les is in Engels, mijn vierde taal, dus ik sta al op mijn tenen. Maar wat de lerares ons leert aan grammatica , weet ik deels inmiddels uit een kinderlesboek dat ik vond in Lombok. Goede repetitie. Af en toe legt de lerares ineens uit in het Arabisch, en dan ben ik verloren. Moet ze bij mij niet doen. Na drie uur op mijn tenen lopen als “peuter in deze lagere schoolklas Arabisch” kom ik in “het kloosterlijke dagverblijf” in een laatste gesprek met een vertrekkende gast. Hij spreekt goed Engels, komt uit Mosul, is hier met zijn vrouw en haar zus en twee broers, allen omdat die vrouw een schoonheidsoperatie aan haar neus heeft ondergaan: de “hele” familie was dus mee!

    De familie vertrekt over een uur. Gister werd hij als moslim laaiend enthousiast toen hij hoorde dat ik één belangrijke Soera uit mijn hoofd kan citeren. We spreken even over Afghanistan. Hij: “Bijna alle Irakezen denken dat de Taliban terroristen zijn. Wat met Kabul gebeurde was een ramp. Die rare oorlog van 20 jaar was ook een ramp. En dat allemaal vanwege die Twin Towers! Krijgt een volk dat er niets mee te maken had een strafexpeditie van twintig jaar over zich heen! En die Amerikanen hebben hier bij ons toch helemaal niks te zoeken?” De komende maanden zal ik verkennen hoe in dit Irak - dat weet heeft van het geweld dat Amerikanen en EU noemen “democratie brengen” - de visies op dat “Afghanistan-avontuur zijn”.

    Dan moet ik snel mijn eigen training voorbereiden: de derde en laatste dag 8 vrouwen leren een “rebalancing” te doen bij iemand (‘massage’). Twee dagen vertaalde een van de deelneemsters, nou dat werd niks; zij begreep de ‘techniek’ het minste. Dus er is iemand bijgehaald die enkel vertaalt, daar krijgt ze geld voor. Ik spreek in mijn Engels, de vertaalster vertaalt naar Arabisch, en dan wordt in twee varianten Koerdisch doorvertaald. De basiskunst bij deze vorm van rebalancing is een diepe eigen concentratie, ik gebruik dus zeer precies zo weinig mogelijk woorden. De Arabische vertaling wordt bijna een boek, daarna een Koerdische kakofonie. Moet ik opnieuw een concentratieoefening doen om de mensen in de basisconditie terug te krijgen. Na drie korte instructies (nou ja, die dus boeken tot worden…) grijp ik in, instrueer de tolk nog eens; dan gaat het beter. Met argusogen volg ik de vier die oefenen op hun “slachtoffer”. Want als je dit niet goed doet, kun je de ander wel schade toebrengen. De tolk moet helpen corrigeren… met volle overtuiging praat ze in op de dame die zo veel te veel haar best deed, dus eerst die stem dimmen - concentratie voor de anderen gaat slecht bij harde geluiden om je heen en mijn mooie zachte muziek verdwijnt zo ook in het niets. Een uur verder zijn we waar ik na 15 minuten had willen zijn. En dan was bij het voorbereiden de tijd al op verzoek zo veel mogelijk gecomprimeerd “want vrouwen kunnen niet langer dan drie uur weg zijn van huis, ze moeten voor de maaltijd zorgen”. Dat machismo ziet er in Latijns Amerika toch een stuk anders uit dan hier… 

    We ronden af, nodigen uit voor twee weekenden om de taal van je eigen lichaam te begrijpen en jezelf in balans te brengen. (Het woord trauma vermijden we, dan blijft iedereen weg want hier heeft niemand een trauma.) Er is meteen verjaardagstaart, een deelneemster zit nog binnen het octaaf van haar feest en wil taart delen. Dan gaan we als kleine communiteit met haar en een goede Koerdische relatie van een NGO ijs eten. Als we terugkomen, blijkt de keuken een absoluut drama: iedereen heeft zijn vuile spullen broederlijk geplaatst naast wat er al stond, en ook niet enigszins geordend: pannen, glazen, kopjes, borden, alles dooreen. Tja, ritme en orde in dit klooster… het is de donkere achterkant van deze fantastische plek, waar werkelijk de hele wereld doorheen loopt, binnenloopt en rondhangt. Dat rondhangen is nu erg zichtbaar in de keuken. Zr. Friederike en ik stropen de mouwen op en werken totdat de keuken weer goed genoeg voelt om morgen het ontbijt te maken. Want dat zal vroeg zijn. Op mijn kamer realiseer ik me dat er geen verwarming is, hier is de winter wel fors koud, maar ook kort. Daar bouw je niet overal een verwarming voor in. Ik kruip dus onder de dekens met mijn Arabisch.

     

    Zondagmorgen 7.00 uur de Eucharistieviering. In dit Midden-Oosten is zondag “de westerse maandag”; iedereen weer aan het werk. Dus vroeg Eucharistieviering; dit benoemde eens  in een gesprek met mij een priester in Erbil als christenvervolging: dat men niet de zondag tot vaste vrije dag had gemaakt naast de vrijdag. Ik zeg tegen Pater Jens, 6.50 uur a.m.: “Nu voel ik me toch ook een vervolgde christen. Ik ben nog kapot van gisteren, kan ik niet eens uitslapen.” Hij lacht en zegt: “In Caracosh hebben ze de Viering om 6.00 uur a.m.” (Caracosh is DE christelijke stad van Irak). We blijken alleen te zijn met de twee Indische zusters, Zr. Friederike, Pater Jens en ik. De kinderen en jongeren zijn al naar school. De paar christenen die rond het klooster wonen zijn er niet. De grote christelijke (Chaldeeuwse) gemeenschap woont in de modernere wijken, waar ook de parochiekerk is. Pater Jens begint de Viering dus in het Engels. De vaste teksten zijn hier tweetalig in de boekjes, want vrijdags is er om 10.30 uur een Engelse Chaldeeuwse Viering in dit klooster, voor Engelstalige gastarbeiders uit India en omgeving. 

    Pater Jens celebreert en wij vier vrouwen worden toegebeden, het is helemaal wat ik eens formuleerde en bisschop Yousif Thomas beaamde: “Feitelijk is de Eucharistieviering het celebreren van de uitsluiting van vrouwen.” Pater Jens staat er namelijk ook nog eens in uitwaaierend gouden gewaad, achter een tafel  armen wijd uitgespreid (in de week is het bedoeïnenstijl, allen die kunnen zitten in een kring op de grond, in iedere geval ook de priester),… Een van de twee Indische zusters naast me spreek de teksten van de Diaken.

    Dan komen toch vijf omwonenden binnen, en Pater Jens gaat onmiddellijk voort in het Arabisch. 

    Onder hen de man die soms de diaken-tekst spreekt; hij neemt onmiddellijk die rol over van de zuster, zonder enig overleg. Die Indische zuster is klein maar dapper, een klein stuk verder pakt zij - in het Arabisch! - de diaken-rol terug.

    Door de week zijn deze Vieringen in de avond om 18.00 uur, in de kring op de grond zittend dus, en dan mogen meestal een van de oudere kinderen de diaken-tekst doen.

    Het Evangelie moet de Priester lezen. Nou spreekt Jens vloeiend Arabisch (Libanees Arabisch), maar dat lezen gaat zééér langzaam. Want Arabisch hardop lezen is lastig: de klanken die ze uitspreken schrijven ze niet en de letters die ze schrijven spreken ze niet uit…

    Wanneer de Viering op haar hoogtepunt is, heeft onze mannelijke gezel het ineens koud, staat op en steekt een gaskachel aan - een niet te beschrijven exemplaar dat meer op een straatlantaarn lijkt. Pater Jens kijkt met een gemengde gezichtsuitdrukking op en houdt in met gebed, totdat het storende lawaai voorbij is… Nu is deze man ook niet zomaar iemand. Hij is een Koerdische christen die ook vloeiend Arabisch spreekt en enig Engels: hij kan met iedereen communiceren die hier rondloopt. Hij begeleidt ons vreemdelingen naar de politie als we een langere verblijfsvergunning nodig hebben; hij bemiddelt regelmatig contacten in stad en omgeving…

     

    Normaal gesproken zijn de dagelijkse vieringen, zowel hier als in Kirkuk en Erbil - de momenten die een basis legden voor mijn sobere Arabisch: mijn ogen kunnen de tekst volgen, ik hoor de klanken, de belangrijkste drie gebeden kan ik meebidden inmiddels. Alleen, daarmee vraag je niet de weg in de stad, maak je geen afspraak, bied je niemand koffie aan, kun je niet samen koken… vandaar nu toch die Arabische lessen. Op deze zondagmorgen echter werkt zelfs het opnemen van de Arabische klanken niet. De Indische zuster naast mij spreekt dapper en vol enthousiasme haar Arabisch met zeer speciaal accent, Pater Jens met volle stem zijn Libanees Arabisch met Duits accent, achter mij een Syrische vluchteling met haar accent, naast mij de Koerdische man. Een kakofonie aan klanken waarin het Arabisch dat ik in Kirkuk en Erbil altijd zo muziekaal om me heen hoor, geheel verloren gaat. Zal ik volgende week zondagmorgen dan toch maar gewoon gaan uitslapen? Ik die hier verder dagelijks in de Viering ben… God zal me groot gelijk geven vermoed ik. De Indische zusters zullen geschokt zijn…

     

    Jawel dus, ik herhaal het nog maar eens: hier weet men van vluchtelingen opvangen! De kringen van Kerk en Vrede sturen me net een tekst toe over mensenoffers. Een korte maar sterke reflectie van ds. Anne Kooi, over de wijze waarop Belarus vluchtelingen als instrument gebruikt om de EU dwars te zitten, Polen zelf dat gevecht met Belarus wil doen en het grensgebied maakt tot een bizarre variatie op de Middellandse Zee. (samengevat in mijn woorden): Daar in die koude bossen wordt de absolute onmenselijkheid en het dieptepunt in “Humanitaire Europese Waarden” zeer zichtbaar; in de Middellandse Zee gebeurt het verdrinken voornamelijk geruisloos, we krijgen doorgaans hooguit de getallen te horen, al zijn ook die geen nieuws meer. De Polen-Belarus grens geeft beeld en dat kan nieuws blijven. Handig, want Belarus is een vijand.

    Niet alles wat hier in het klooster binnenloopt kwam vrijwillig naar deze regio. Er zijn de Syrische vluchtelingen. Er zijn de IDP’s (mensen die gedwongen zijn hun woonplaats te ontvluchten, terwijl ze wel in hun eigen land blijven) die uit Mosul en omgeving verdreven werden, en niets hebben om terug te keren dus hier bleven hangen. Alle Koerdische steden zijn omgeven door diverse grote vluchtelingenkampen, nog steeds. Kirkuk bouwde al een hele grote nieuwe buitenwijk erbij, bijna een stad, waarvoor bisschop Mirkis werd gevraagd een grote school op te richten. Die is klaar, daar werken ook drie Indische zusters. De eigen Iraakse Dominicanessen hebben hun handen vol aan de eigen scholen en huizen, zeker in en rond Mosul waar alles herbouwd moest worden. Irakezen sturen hun kinderen liever naar rk scholen dan naar de staatsscholen: doorgaans zijn er dan ook 70-80% moslimleerlingen, de leraressen zijn grotendeels moslima, er is altijd ook een lokaal voor Koranles, en de leraressen geven veel extra tijd om tegen Kerstmis voor alle kinderen een kerstcadeau te hebben, want Baba Noël komt wel langs…

    Ik herhaal (voor diverse lezers): in 1991 telde Koerdistan 3 miljoen inwoners, 2018 waren het er 9 miljoen. En die werden allemaal opgevangen, zo goed mogelijk. Allemaal! Jaren Tachtig gebeurden in Koerdistan vreselijke dingen onder Saddam Hoessein. Daarom werd Koerdistan vanaf 1990 onder bewaking van de VN een “autonome regio” binnen Irak, gespaard dan ook in die 13 jaar vreselijke boycot van Irak. Veel Irakezen vluchtten in die jaren naar het Koerdische deel, slechts een klein deel trok naar Europa. Ze werden opgevangen, ook al waren onder hen ook daders van de grote agressies tegen de Koerden. Immers, Saddam Hoessein deed zijn karweien nooit alleen - maar ook: elke weigeraar werd onmiddellijk gedood. Koerdistan heeft de Irakezen die de honger van de boycot vanaf 1992 ontvluchtten opgevangen. Koerdistan heeft de Syriërs opgevangen vanaf 2011. Koerdistan heeft de vluchtenden voor ISIS opgevangen, 2014, zo’n 2 miljoen ongeveer. Ze doen het, en ze doen het goed! Europa zou daar verdomde veel van kunnen leren, vergeef me het woord op deze zondagmorgen. 

    Om deze reden ben ik zeer van dit volk gaan houden. Als zelf vluchteling uit de DDR weet ik zeer goed hoe politiek zich altijd van vluchtelingen bedient. Dat nu heb ik hier nog niet zien gebeuren. Er wordt opgevangen, zo goed mogelijk. Punt. De christelijke families om dit klooster heen kwamen allen uit dat ISIS-gebied en zijn gebleven toen de rest van de 258 IDP’s die hier 3 jaar in dit klooster werden opgevangen, weer terugkeerden naar huis. Ook onze Koerd kwam van elders, voor ISIS op de loop.

    Twee anekdotes uit dat eerste jaar (excuus, voor sommigen een herhaling): als de vluchtelingen hier in Sulaymaniyah naar de winkel gingen iets kopen en ze spraken Arabisch, dan schoten de prijzen onmiddellijk omhoog; ontdekte de verkoper dat ze christenen waren, dan ging de prijs meteen terug naar het gewone bedrag! Dé tegenstelling is Koerd-Arabier, niet christen-moslim.

    En het “Kerstverhaal”: 23 december 2014 kwam bij het avondeten Abu Doreit binnenlopen bij het avondeten in het bisschopshuis: “Er staan een paar christelijke families voor de poort van de stad, de officier wil ze niet binnenlaten, want er zijn al zo veel vluchtelingen bij de stad. Ze zijn gevlucht uit Mosul.” Bisschop Mirkis stuurde onmiddellijk een auto met eten en dekens voor de nacht. De volgende morgen ging hij naar de gouverneur en een uur later ging een parochiaan met een brief van de gouverneur naar de stadsgrens, om ze binnen te laten. Zegt de officier: “Ik weiger. Ik heb hier al 3 weken 2000 moslims die gevlucht zijn, die mogen ook niet meer binnen, er zijn er te veel. Als die binnen mogen, dan laat ik jullie christenen ook door!” Bisschop telefoneert naar de gouverneur, er komt een nieuwe brief, de man gaat ermee naar de stadsgrens en jawel, allemaal mogen ze de stad in! In het bisschopshuis vierden we het als een mooi Kerstverhaal! Maar lieve lezeressen/lezers, weet wel goed: Kirkuk, 1,5 miljoen inwoners, ving 3 jaar lang 700.000 IDP’s op naast reeds al die Syriërs. Dat bedoel ik dus! Jawel, daarom houd ik van dit volk. Misschien vraag ik toch nog eens echt politiek asiel hier aan, als de EU zo schandalig met vluchtelingen blijft spelen. 

     

    Irak. Deze zondagmorgen en ook dat “Kerstverhaal” maken een beetje duidelijk wat Irak is. Sinds pakweg 20.000 jaar voor Christus gingen volkeren trekken tussen Afrika, Azië en Europa. Irak is zogezegd het verkeerscircuit in die trek: tussen woestijnen en bergen die men door moet, hier een vruchtbaar gebied tussen twee rivieren: Eufraat en Tigris. Al die honderden eeuwen door bleven er altijd resten volk hangen als de grote groep verder trok, om welke reden ook. Formeel telt Irak 12 entiteiten. Die dus weigerden om die burgeroorlog te voeren die de VS in 2003 en ISIS in 2014 voor hen in petto had. In 2017, na het Koerdische referendum, weigerden zelfs het Iraakse leger en de Koerden op elkaar te schieten, toen dat even dreigde. 

    Irak is nóg complexer. Voordat in 1917 een Fransman en een Engelsman samen besloten dat ze als oorlogsbuit van de Eerste Wereldoorlog dit Midden-Oosten onder elkaar gingen verdelen, en aan de borreltafel die strepen dwars door dit gebied trokken, werden dus die 12 entiteiten tot “Irak” verklaard, en werd er een potentaat als zetbaas aangesteld. Wel, en dan nu het Arabisch, dat ik maar niet geleerd krijg. Er is Libanees Arabisch, Syrisch Arabisch, Marokkaans Arabisch, Egyptisch Arabisch, Libisch Arabisch… 

    Er is geen Irakees Arabisch. Hier was tot 1917 elke stad haar eigen staat/volk. Elke stad heeft nog steeds haar eigen grens met bewaking. Hier is dus Mosuls Arabisch, Bagdads Arabisch, Kirkuks Arabisch, Basra’s Arabisch, Najaf Arabisch… Zowel met eigen woorden, alsook eigen klankkleur. De kloostergasten willen me helpen met dagelijks Arabisch, dus ik ken nu drie namen voor “raam”; vier wijzen van smakelijk eten wensen. Ik staak. Ik wil enkel nog formeel Arabisch leren, anders wordt het nooit wat! Ik ben gewaarschuwd: ze vinden je wel een aanstellerige dame als je dat formele Arabisch gaat praten! Nou, verder dan stotteren ga ik niet meer komen in dit leven, dus ze gaan hun gang maar als ze me willen uitlachen. Ik weet ook weer, waarom ik eigenlijk terugging naar Nederland telkens: om Arabisch te leren.
    Dus indien iemand onder mijn lezeressen/lezers het plan heeft Arabisch te leren - zeer aan te bevelen - doe het in Nederland, tot je het redelijk goed spreekt. Als je genoeg spreekt en ze verstaan je, gaan ze je niet bij elk woord verbeteren, want al die varianten Arabisch verstaat iedereen, en het hoort bij deze regio. Maar als ze menen dat je hulp nodig hebt om het te leren, dan ben je in de aap gelogeerd: iedereen wordt je leermeester en elke “leermeester” leert je een ander vocabulair en een andere uitspraak en elk woord dat je poogt te stotteren wordt onmiddellijk van behulpzaam commentaar voorzien. Hierbij speelt ook een rol, dat er weinig ervaring meer is met buitenlanders, behalve dan in dit klooster. Want iedereen blijft weg uit Irak. Niemand komt eens kijken, om het in de woorden van Palestijnse christenen te zeggen. En in de woorden van Gied ten Berge: niemand begint aan het pelgrimeren met een missie: naar de plek des onheils gaan en zien hoe men daar overleeft.  

    Kortom: met mijn Arabisch komt het nooit meer echt goed. Bidden als de beste, maar dat dagelijkse leven…Ik zal mijn best blijven doen, al zijn mijn hersens me aan het vertellen dat ze wat slijtage voelen; al struikelt mijn stotterende mond tussen de dialecten die me worden opgedrongen. 

     

    Een yogagroep vraagt om de cursus rebalancing. Vrijdag aanstaande. Oké. Ik vind dat ze iets mogen betalen aan het klooster. Zegt Jens: dan komt er niemand. Dat is hier niet de gewoonte. De NGO’s hebben de mensen verpest. Alle vorming bieden ze gratis aan, of ze geven geld toe als de mensen komen. Er is dus geen besef van de waarde. Wauw! In Latijns Amerika werkte ik bij de armste bevolkingsgroepen. De strategie van Bartolemé de las Casas: de prijs melden, en aangeven dat wie arm is, kan onderhandelen. Wie niets kan betalen, krijgt het verzoek voor een karwei: een keer schoonmaken, koken…ruilsysteem dus. Hier is het niks betalen, heeft dus geen waarde…En dat in dit oliegebied. De Koerdische partij van Barzani is de rijkste partij wereldwijd. Hoe hebben die klojo’s dat bij elkaar gejat?

     

    We hebben zojuist middageten genoten. Dat gaat hier altijd razend snel; het is geen ontmoeting. Bij het ontbijt wordt het overleg gepleegd dat nodig is. Bij feestbezoek is de cultuur in deze regio: snel iedereen veel eten geven, daarna gezellig uitzakken bij thee, en dat kan uren duren. En zojuist bij dit middageten, hoor ik bij toeval dat ik over anderhalf uur klaar moet zijn om mee te gaan naar de Eucharistieviering in de parochiekerk, vanwege de moeder van de gehuwde priester die daar pastoor is; zijn moeder overleed deze week. In deze cultuur: wie de dode of de familie kent, is erbij! Wel vraag ik aan Jens sinds wanneer hij dat weet. Zegt hij: sinds twee dagen. Zeg ik: “Dus, ik had vanmorgen gewoon kunnen uitslapen!” Ineens begrijpt Jens dat hij iets had moeten communiceren. Hij accepteert dat ik hem tien dagen penitentie opleg. Is hij nou helemaal belazerd!? Oké ik ga mijn zwarte pak aandoen met een zwarte trui.

    De moeder van Abuna Aymen was 75 jaar. Ze woonde in Kirkuk. Ze kreeg een hartstilstand, werd naar het ziekenhuis gebracht, daar was iemand die niet helemaal goed wist hoe de apparatuur bediend moest worden; voordat een deskundige op dit terrein was gearriveerd was de moeder dood. Onderweg vertelt Jens: “Kirkuk heeft een enorm gebrek aan artsen. 2003 gooide Saddam de gevangenissen open voordat hij omviel, de jaren erna waren er vaak ontvoeringen om losgeld te eisen. Met name artsen vielen in de prijzen. Veel artsen hebben het land verlaten, in Kirkuk was de dreiging het sterkst, als dé oliestad wordt het verdacht van veel rijken. Voordat de kaalslag uit die jaren is ingehaald in de ziekenhuizen, dat gaat nog lang duren.

     

    Een laatste reflectie, allemaal van deze zondag tussen ontbijt en middageten. De Indische Zuster Anna kookt van 15 kruiden een verkoudheidsdrank voor Jens en Friederike. Dé remedie. Ik vertel van Nicaragua, dat leefde ook ruim tien jaar onder een zware boycot. Het leidde ertoe, dat de Indianenkennis over geneeskrachtige kruiden gemeengoed werd en basis bleef van de medische wereld. Een zeer heilzame kennis. Zegt Jens dat dat ook zo ging in Cuba. In Irak werkte de boycot niet zo: die oude kruidenkennis leeft vooral bij de Soefi, en die werden onder Saddam zwaar vervolgd, werden dus vermoord of vluchtten weg. Mét hen verdween die kennis. Irak had dus in die 13 jaar boycot echt helemaal geen medicijnen. En als reactie is er nu een wijd verspreide liefde voor de chemie. Terwijl de Europese medische kennis gebouwd werd op de kennis uit deze regio… Jawel, die Eurosapiens heeft de wereld behoorlijk weten te onderontwikkelen.

     

    |@|