5 januari 2035

Preekschetsen


We zijn met deze Preekschetsen begonnen in de tijd van de eerste golfoorlog.
Als  een handreiking aan voorgangers in erediensten. Hoofdzakelijk gericht op de verkondiging.
We volgen het Oecumenisch Leesrooster van de Raad van kerken Nederland.
Bijdragen zijn van verschillende hand.
We proberen ons vooral te beperken tot tips om de teksten te sonderen op 'maatschappelijk engagement in het algemeen en Gerechtigheid en Vrede in het bijzonder.' Opdat de lastige vragen geen kans krijgen uit het vizier te raken.

 

Elders op de site ook liturgisch materiaal voor speciale projecten



    1 oktober 2017

    2e zondag van de herfst 1 oktober 2017

    Ezechiël 18: 1- 4 en 25-32 Fil. 2:1-13 Matt. 21: 23-32

    Ezechiël, profeet van de wederopbouw na de Babylonische ballingschap, bedient zich van tegenstellingen om zijn boodschap over te brengen, of liever: de boodschap van JHWH (vgl. vs 1).

    Hij zet in met een kennelijk bekend volksgezegde, dat inhoudt dat de zonden der vaderen direct op de kinderen van invloed is: het falen van de ouders bederft de kinderen. De generatievloek, het ‘zo vader zo zoon’ of het ‘zo moeder zo dochter’ in negatieve zin samengevat. Consequentie van een dergelijke opvatting is dat een mens wordt getekend door zijn voorgeslacht. Zijn we werkelijk zo beschaafd geworden dat we dat nooit doen? Of is Ezechiëls weerlegging van die volkswijsheid (want daar kunnen we het vervolg op zijn citaat wellicht bij onder brengen) allang achterhaald?

    Ook toen wisten ze natuurlijk wel iets van erfelijkheid, puur op ervaring, ook toen waren er families waarbinnen patronen zich herhaalden. Ezechiël lijkt met zijn (zeer krasse) uitspraken zich af te zetten tegen vooroordeel en aannames. Een mens is meer dan zijn afkomst, hij is een individu dat eigen keuzes kan maken. We hebben kennis van goed en kwaad tenslotte. Afkomst en omgeving zijn zo bezien ook geen excuus voor verwerpelijke gewoontepatronen. (vgl. Ex. 34:7)

    Wanneer we de uitspraken van Ezechiël doorwerken, dan zouden we de conclusie kunnen trekken dat kinderen niet alleen niet mogen worden afgerekend op een verwerpelijke levensstijl van de ouders, maar ook dat ze niet naar de ogen gezien zullen worden om voortreffelijke verrichtingen van dezen.

    Wellicht zijn wij mensen, nauwelijks in staat ons te onttrekken aan het effect van iemands afkomst, maar bij de Eeuwige ligt dat duidelijk anders.

    Ezechiël gebruikt gespierde taal, daar is hij een profeet voor; in alledaagse bewoordingen zouden zijn uitspraken nooit uitgestegen zijn boven de waan van de dag en dat is nou juist wat een profeet beoogt: met zijn uitspraken uitstijgen boven de waan van de dag. Zonder dat bereik je de massa niet – een principe dat ook door de commercie gehanteerd wordt. Alleen: Ezechiël probeert er een zinnige inhoud mee over te brengen en daarvan kunnen we de commercie toch nauwelijks betichten.

    Ook in de verzen 26/27 zet hij twee mogelijkheden lijnrecht tegenover elkaar: in de tegenstelling beoogt hij zijn woorden kracht bij te zetten. Nog groter dan de wanhoop over een verachtelijke levenswandel is de vreugde om degene die tot inkeer komt en die, wie weet met hoeveel zelfoverwinning, zich op zijn schreden keert.

    Ook Mattheus gebruikt gespierde taal: ook zijn redevoeringen zijn geredigeerd met oog op gemeentevorming en een groot publiek. We ontmoeten hier Jezus tijdens een dispuut met ambts- en gezagsdragers van de tempel. Die stonden in hoog aanzien bij grote delen van de bevolking en ze zullen door deze vergelijkbaar naar de mond gesproken zijn en ontzien. Jezus spiegelt ze een exempel voor dat mogelijk ook bij hen vaste denkpatronen doorbreekt: de priesters waren immers traditioneel afkomstig uit een select aantal families, de ‘priesterkaste’. Zet Jezus hier kanttekeningen bij de vanzelfsprekendheid hiervan? Omdat je familie dat nou eenmaal is, krijg ook jij de reputatie van rechtschapenheid en geschiktheid in de schoot geworpen? Dat zou op niet veel minder duiden dan een aanzet tot paleisrevolutie. Mattheus zou niet zo lang na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in het jaar 70 zijn vorm hebben gekregen – ik sluit invloed hiervan niet uit.

    Ook bij Mattheus geldt: de keuze, inkeer en bezinning of opportunisme en verval, ze is aan ons en we zijn zelf verantwoordelijk, zelfs wanneer de omstandigheden de mens maken.

    Geen makkelijke boodschap in een tijd waarin alles zo langzamerhand wordt toegeschreven aan onze genen. Aan de andere kant: vooral onder extreme omstandigheden handelen we niet zelden volslagen anders dan we gewend zijn te doen – juist omdat we, creatieve geesten als dat we toch ook zijn, plotseling tot nieuwe inzichten kunnen komen.

    Paulus ten slotte uit een lofzang op de Christus die als geen ander ons kan brengen tot inzicht en inkeer, te leven in Zijn geest. (Kleine meditatie met doxologie tot slot?)

    Geen gemakkelijke kost in een tijd van hedonisme en determinisme, maar laten we ons best doen. 

    6 augustus 2017

    7e zondag van de zomer 6 augustus 2017

    Neh. 9:15-20    Math 14:13-20

    Inleiding:

    Als historische context voor het boek Nehemia kunnen we de wederopbouw van Jeruzalem zien, na de grote, de Babylonische Ballingschap. Nehemia spreekt in die zin tot ontredderde mensen: enerzijds hebben ze in ballingschap nauwelijks wortel geschoten, anderzijds zijn ze binnen drie generaties teruggekeerd.

    In 539 verslaat de Perzische koning Kores (Cyrus) de Babyloniërs. Hij laat de ballingen uit Juda de keus: blijven of teruggaan naar Jeruzalem. Een deel zal in Babylon blijven of elders in het dan Perzische gebied zijn bestaan opbouwen, een kleine rest keert terug.

    Aan Nehemia de opdracht “de boel bij elkaar te houden”.

    Nehemia wordt verweten dat hij endogamie afdwingt bij de Judeeërs. Aan de andere kant: de geschiedenis laat zien dat er na een fase van oorlog, revolutie of ontreddering vaak de neiging bestaat tot herbronning, tot sluiting van de gelederen en tot nostalgie. Werd in onze Lage Landen na de Napoleontische tijd niet ook een ‘Antirevolutionaire’ partij opgericht?

    Analyse

    Nehemia 9 kan herkend worden als gebed, als belijdenis en schuldbekentenis. Gods genade is in alles herkenbaar, maar het hardnekkig volk (v. 16, 17, 29) hoort niet naar de geboden. Niet horen naar de geboden betekent zoveel als “doen wat goed is in zijn ogen”, oftewel worden als Farao, als Achaz en al die anderen. Zodra men onder het gezag van de overheerser uit is, doet zich een disciplinair en leidersprobleem voor. Een parallel wordt aangevoerd: Nehemia verwijst naar het Gouden Kalf en naar de Exodus, de bevrijding uit slavernij - analoog aan de bevrijding uit ballingschap - naar de onrust en de onzekerheid die blijkbaar standaard optreedt in dergelijke omstandigheden. Maar God heeft hen niet verlaten. De rookkolom en de vuurkolom zijn hen tot gids gebleven, de rots heeft hen gelaafd (vgl Ex, 17) en ook in de woestijn zijn ze niet verhongerd (Ex 16). Bovenal: Gods geest houdt nimmer op hen te leren, op te voeden, zo u wilt.

    “Uw goeden Geest” als leidsman, tot lering of wijsheid – de enige plek in het OT waar deze term ook voorkomt is de 143e Psalm, waar we deze smeekbede vinden “10 Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land”

    In Neh 8:13 lezen we En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen van het ganse volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet

    ‘Verstand te bekomen’(SV), ‘zij verstonden’ (WB), ‘Inzicht krijgen’ (NB) – ‘begrijpen’ (NBG ’51) – de gebruikte term is hier ū·lə·haś·kîl, hetgeen zoveel betekent als doorgronden, inzicht verwerven, leren. Ezra ‘onderwijst’ het hardnekkige volk. Geen kadaverdiscipline dus, maar onderwijs, uitleg, onderricht en inzicht verschaffen. Geen faraonische toestanden derhalve, maar inzicht in en kennisname van de Thora, als enige richtlijn, leidende tot een menswaardige samenleving.

    Opmerkelijke woorden in een tijd dat er geen vakgebieden bestonden als sociologie en psychologie, de traditie het voornaamste leermiddel was en verhoudingen doorgaans hiërarchisch en gebaseerd op fysiek overwicht.

    Aanwijzingen voor de overdenking.

    Waar in Neh 8: 15 e.v. het ‘hardnekkige volk’ contrasteert met Gods genade, daar is bij Mattheus sprake van een vergelijkbaar contrast tussen de onzekerheden van de “scharen” en Jezus’ vertrouwen op Gods genade. Waar bij Nehemia verwezen wordt naar het brood en de kwakkels in de woestijn, tot verzadiging van allen, daar zien we hier het volk gespijzigd met brood en vis, basisvoedsel tot verzadiging. We kunnen er allerlei symboliek in ziet: brood staat immers voor het graan dat in de aarde sterft (Joh. 12:24) en we kunnen de vis verbinden met het ichthusteken oftewel met Christus die zich aan ons uitdeelt.

    We kunnen misschien ook inspiratie opdoen uit berichtgeving over wat gebeuren kan wanneer wij zelf de voedselproductie explosief gaan opvoeren. Enerzijds zullen wel moeten, wil voedsel voor zoveel mensen bereikbaar en betaalbaar blijven, anderzijds zullen we alert moeten blijven op uitwassen in de voedingsmiddelenindustrie.

    Gods zegen kent geen uitwassen. Die omringt ons ondanks onze stommiteiten en “hardnekkige” oude patronen, machtsspelletjes en tekortkomingen. Gods zegen omringt ons met basisvoorwaarden, de goede schepping, met manna in de woestijn en water uit de rots. Aan ons de opdracht om te leren (vgl. Neh. 8:13) en vooral ook om te leren hoe te delen (Mat. 14:19).


     


     


     


     


     

    30 juli 2017

    6e zondag van de zomer 30 juli 2017

    1 Koningen 3,5-15 (en Johannes 2, 1-12)

    De perikoop over Salomo wordt bij vers 12 afgebroken. Het verdient aanbeveling om toch even door te lezen tot vers 15. Daar lezen we dan: „En Salomon ontwaakt, en zie het was een droom”.

    Dat kleine zinnetje zet de interpretatie van het hele verhaal op zijn kop. En dergelijke kleine zinnetjes worden bijna altijd weggelaten in de brokstukken die het leesrooster vullen. Jammer, heel jammer. Om de reden van dat ene zinnetje heb ik ook dit maal een andere evangelielezing erbij genomen, een die ook zo’n zinnetje heeft.

    We weten inmiddels dat de boeken koningen geschreven werden in de late koningentijd, door hofschrijvers. Stefan Heim heeft ooit op prachtige wijze beschreven hoe het die hofschrijvers verging, in „Der König Davidbericht”, 1972. In dat boek beschrijft hij de worsteling van de hofschrijver met de opdracht: Vertel de geschiedenis van Koning David, als uitverkorene van de Heer. De hofschrijver wil best beschrijven hoe fantastisch David was, hij wil de herinnering best zo veel mogelijk verfraaien, máár… er is ook zoiets als het geheugen van de mensen. Dus als je wilt dat de verfraaide herinnering aankomt, dan moet het geschetste beeld toch enige vorm van geloofwaardigheid hebben. Het boek van Stefan Heim gaat over die discussie tussen hofschrijver en koning Salomon. En als ik me goed herinner, loopt het met de hofschrijver slecht af.

    Stefan Heim schreef dit prachtige boek als persiflage op de perscensuur in de DDR. Het maakt echter subliem helder wat gebeurde in de tijden van het ontstaan van de geschriften. Wie dat helder heeft, beseft hoe belangrijk sommige kleine zinnetjes zijn in deze geschriften.

     

    Die zin dus, „en zie het was een droom”. Laten we er maar van uitgaan dat hooggeplaatste mensen ook grote dromen hebben. En dat wij kleine mensjes ons tegen die dromen maar beter kunnen indekken. Vlak voordat deze droom van Salomon wordt verteld, maakt de heilige schrijver dat ook al helder. Hoofdstuk 2 vertelt, hoe Salomon 5 mannelijke familieleden laat vermoorden. En die serie wordt afgesloten met de zin: „En het koninkrijk was in de hand van Salomon bevestigd”. of, volgens de Statenvertaling: Alzo werd het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomon. Alzo. Na vijf moorden op mannelijke familieleden.

    Die droom van Salomon is ook absoluut niet onschuldig. Hij verlangt niet minder dan de macht van her rechtspreken, dat is de macht over leven en dood in zijn tijd. Volgens Deuteronomium komt de macht van de rechtspraak toe aan de oudsten, en de koning - zo ze al een koning willen - dient onder de wet te staan. Daar werd dus al een scheiding van machten voorgestaan.

    Rond Salomon zijn er nog een paar van die aardige zinnen te vinden. De hofschrijver heeft zijn best gedaan om ons te waarschuwen, zou je kunnen zeggen. Alleen moeten we het wel willen zien. „Klein is de zin en weinigen die hem zien”, zou je kunnen zeggen met een variant om Mattheus. De hofschrijver dus, die ons van die kleine zinnetjes nalaat.

    1 Koningen 6-7 laat ons ook zoiets lezen. 6,38 meldt, dat Salomon het huis des Heren in 7 jaar voltooide. Volgt direct 7,1: Maar over zijn eigen huis bouwde Salomon dertien jaar. Voor liefhebbers geeft de Heilige Schrijver ook de maten.

    het Huis des Heren: zestig el lang, twintig el breed, dertig el hoog ((1 kon, 6,2). hij bouwde namelijk het huis Woud van de Libanon (zijn eigen huis dus) honderd el lang, vijftig el breed, en dertig el hoog. (1 kon, 7, 2)

    Salomon verheerlijkte vooral toch een beetje zichzelf?

    De overweging kan gaan over het verschil tussen dromen van machtige mensen (rijk, dominant, machtig, man) en dromen van kleine mensen. Dromen van mensen die de macht hebben hun dromen door te zetten… Maar de overweging kan ook toewerken naar ons eigen vermogen om kritisch te onderscheiden. Thomas van Aquino sprak over deugden, en gaf aan dat machtige mensen andere deugden behoeven dan kleinen. Machtigen dienen bescheiden te zijn, kleine mensen dienen moedig te zijn. En zo kan ik vragend komen bij mezelf. In welke relaties ben ik de dominante, en wat doe ik dan met mijn dromen, of geef ik ruimte aan de dromen van anderen? En waar ik geen macht heb, heb ik daar moed om vragen te stellen bij dromen?

    Of nog anders: wiens dromen steunen we? Wiens dromen bevragen we kritisch? Voor wiens dromen zijn we op de hoede?

    Als we goed beseffen dat de Heilige Schrijvers ons deze kleine zinnetjes meegeven, staan we als Gods gemeente tevens voor de vraag, of we elkaar helpen om scherp te worden in het vermogen om te onderscheiden.

     

    Met de door mij gekozen tekst van Johannes bij deze Salomontekst, kun je op een andere wijze werken, maar het principe is vergelijkbaar. Johannes meldt in zijn evangelie als een rode draad, welke mensen in Jezus geloven, en welke ophouden te geloven.

    In hoofdstuk 2 wordt gemeld dat de leerlingen geloven. De moeder en broers van Jezus zijn aanwezig, maar ze worden niet als gelovigen vermeld. De moeder dwingt Hem zo ongeveer tot het doen van een wonder, maar dat is dus niet wat Johannes geloven noemt. In hoofdstuk 7 willen zijn broers dat hij wonderen verricht, en dan zegt de Schrijver „want zelfs zijn broers geloofden niet in Hem”. In Zijn wonderen geloven is voor Johannes niet alleen nog niet zoiets als geloven, het is zelfs het tegendeel van geloven.

    In hoofdstuk 16, vers 31-32 zeggen dan de leerlingen: zie, nu geloven wij. En dan zegt Jezus volgens Johannes: Geloof je nu? het uur komt en het is er nu, dat je me alleen zult laten.”

    En dan, als Jezus in Zijn uur gekomen is, aan het kruis gehangen, dan is er Zijn moeder. dan is zij dus gelovige, volgens Johannes.

     

    Wij weten ons kinderen van de God die neerdaalde om slaven te bevrijden. Dat mag ons vrijmoedig maken in het wantrouwen van dromen van machtigen. En in Jezus voetspoor leven, zal ons allereerst brengen bij hen die overleven in uitsluiting, in onderdrukking om wille van het Rijk der Hemelen. De Heilige Schrijvers deden hun best ons in dat spoor te houden. de kleine zinnetjes zijn dan zogezegd de krenten in de pap. - Yosé Höhne-Sparborth

     

    2 juli 2017

    2e zondag van de zomer, 2 juli 2017

    Jer. 29: 1-4-14. Mat 10: 34-42

    En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.” (Jer. 29:7 SV)

    Voor deze zondag lijken een Oudtestamentische en een Nieuwtestamentische tekst elkaar tegen te spreken.

    In het 29e hoofdstuk van Jeremia vinden we de brief die door hem zou zijn gedicteerd aan Baruch, zijn schrijver. Tijd van handeling: laatste deel zesde eeuw vóór het begin van onze jaartelling. Een groot deel van de Joodse bevolking van het Zuidrijk is weggevoerd door Nebukadnezar en de tempel en Jeruzalem zijn met de grond gelijk gemaakt. Jeremia lijkt hier in te gaan tegen het verlangen naar terugkeer, maar dat valt te bezien: de Godsspraak die is verwerkt in het 10e vers spoort aan tot geduld: er zal een generatie overheen gaan voordat de eerste aanzet tot herstel plaatsvindt. Het 11e vers vermeldt de toezegging dat de beproeving niet tevergeefs zal zijn. Ondertussen is er nog een oproep en wel, (letterlijk) in vredesnaam niet bij de pakken neer te zitten, de draad op te nemen en het leven te leven zoals het bedoeld is. Er zou te verwijzen zijn naar het gegeven dat het koninkrijk, het wereldlijk koninkrijk weliswaar teloor is gegaan maar dat de gemeenschap altijd een koning zal hebben: JHWH - en dat Zijn wetten overal ter wereld kunnen worden nageleefd.

    Precies honderd jaar geleden schreef Stefan Zweig zijn toneelstuk Jeremias, een soort enscenering van de positie die het Joodse volk tijdens de Grote Ballingschap heeft ingenomen. Was het een nederlaag te worden weggevoerd? Of zou uiteindelijk de betekenis van de aanwezigheid van de Joodse gemeenschap in Babel een heel andere zijn dan alleen een fysieke verplaatsing met uitsluitend traumatische gevolgen? Zweig beraadt zich in dit stuk op zijn Joodse wortels en identiteit.

    John H. Yoder komt zestig jaar later tot de conclusie dat de betekenis van de ballingschap wel eens een heel positieve zou kunnen zijn: juist in Babel is de eerste aanzet gegeven tot de ontwikkeling van de schiftcultuur en de verspreiding ervan. Tegen de stroom in, zou men kunnen concluderen.

    Matth 10 bevat één van de grote redevoeringen die de kern vormen van het Mattheusevangelie.

    In de verzen 34 e.v. vinden we ook een oproep om tegen de stroom in te roeien: denk niet dat het gemakkelijk is om te kiezen voor een leven in Zijn geest. Niet alleen anno nu roept de keuze daarvoor weerstand op (‘geloven doe je maar achter de voordeur’); het is nooit anders geweest. In de tijd dat de kerk een vanzelfsprekende plaats in de samenleving had, was de wereld niet veel vreedzamer dan nu. Er is veel onrecht geschied onder het motto “Dieu le veult”. Dat neemt niet weg dat de raison d’être van de kerk of gemeente gelegen is in het vredesgetuigenis. Talloos zijn ook de individuen die boven zichzelf uitstegen omdat ze die keuze hadden gemaakt en ernaar handelden. Helaas roept - gek genoeg - onbaatzuchtige naastenliefde weerstand en wantrouwen op, anders gezegd: wie Christus wil volgen komt nogal eens op Golgotha terecht.

    Vs. 34 benadrukt een ander aspect van de consequenties van de “Imitatio Christi”. De parallelformuleringen van de verzen 37 en 38 moeten niet verkeerd worden verstaan: het gaat niet om óf-óf, maar om een manier waarop: wie de naaste liefheeft zonder meer doet iets, maar wie zijn naaste liefheeft in Zijn geest doet veel meer. Misschien is een verwijzing naar Math. 18:21-22 niet verkeerd . Tenslotte is bloedverwantschap en sentiment geen garantie voor recht en naastenliefde, getuige vele familievetes en ander ongenoegen. De logica van vs. 39 kan gezien worden als een oproep tot vernieuwing: wie krampachtig vast houdt aan een “zo doen we het nou eenmaal” leert nooit iets van meerdere kanten te bekijken ; het kan ons doen afstompen in een leven van gemiste kansen. De verzen 41-42 vormen het slot van deze “uitzendingsrede”.

    Liedsuggestie: Ld 823, 941, 313


     

    Geraadpleegd:

    POT/ Selms, dr. A. van, Jeremia deel II, Callenbach, Nijkerk, 1974

    http://www.gutenberg.org/files/40564/40564-h/40564-h.htm

    https://books.google.nl/books?id=7shypLnPOMoC&pg=PR4&dq=%22For+the+nations%22++John+H+Yoder&hl=nl&sa=X&redir_esc=y#v=onepage&q=65&f=false

    PNT/ Nielsen, dr. J.T, Het Evangelie naar Mattheus I, Callenbach Nijkerk, 5e druk 1993.  

    27 juni 2017

    pinksteren 4 juni 2017

    Preekschets voor 4 Juni 2017, Pinksteren. 

    Ez 11: 17:20 Hand. 2: 1-24. Joh 14:23-29

    Naast de beroemde tekst uit de Handelingen der Apostelen  (Hand 2:1-24) staan er op het oecumenisch leesrooster twee teksten  die op nadrukkelijke wijze de gebroken wereld weergeven.  De eerste (Ez. 11:17-24) is ontleend aan de verscheurde realiteit van de grote ballingschap: enerzijds is er de dagelijkse werkelijkheid “in den vreemde”, waar de ballingen zich als tweederangs burgers zich staande moeten houden , anderzijds is daar de heimwee naar het land, goed en wijd (Ex: 3:8), zoals beloofd aan de Joodse families   die uittogen uit Egypte, uit slavernij.

    Bij aanvang van het elfde hoofdstuk van Ezechiël  gewaagt deze van zijn ‘verheffing’ boven de waan van de dag; aan Ezechiël werd op grond van het beeld wat hij daarbij oproept het vermogen tot bilocatie toegekend.  Ook in onze onttoverde wereld tijd kunnen we vaststellen dat hij kans zag zich te verheffen boven de waan van de dag en dat hij in twee werelden leefde.  Ez 11:1 zou kunnen worden begrepen als    “een wind  droeg me”  - het “ruach”- de adem Gods  -  en dan is het meteen Pinksteren.

    De tekst van Ezechiël is ontstaan na de verwoesting van Jeruzalem; de tekst uit het Johannesevangelie is ontstaan na de verwoesting van de Tweede Tempel.   De gebrokenheid wordt daarmee nog eens onderstreept.

    Ezechiël 11:16 heft aan met een opdracht voor E., vehikel van de Godsspraak te zijn. V. 17 gaat daarop door.

    V.17:  houdt een belofte in: al zijn de nakomelingen van Abraham en Sarah verdeeld onder de volken, verlaten heeft JHWH ze niet; ook het beloofde land blijft het land van belofte.

    V.18: En ZIJ zullen daarhenen komen -  d.w.z. de ballingen zullen komen in het land Israël, maar het ware overblijfsel van Israël zal niet te vinden zijn in Jeruzalem, maar in Babel  (vgl. Jer. 29:1 e.v.).  Uiteindelijk zal de  gemeenschap in Babel een bestemming vinden, resulterend in de nog altijd gezaghebbende Babylonische Talmoed. Geen gemeenschap dus die zich beroept op hout en steen, maar op woord en geschrift. De teruggekeerden zullen het land reinigen van afgoderij en uitwassen.

    V.19b  - Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven; hier wordt  een ommekeer voorzegd van een omslag in denken en handelen, niet naar de dode letter maar naar de geest die leven geeft (vgl. 2 Kor 3:6, Heb. 3:3)

    V. 20b: en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn – hierin kunnen we een verwijzing zien naar een ‘nieuw verbond’  en een nieuw leven.

     

    Joh.  14: 23b: Ook uit deze regels spreekt de verbondsgedachte; bij Johannes stelt Jezus zich uitdrukkelijk als ‘tussenbeide’  op, als ‘middelaar’ om maar een traditionele term te gebruiken.     

    V. 26: Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.  De Trooster, de Παράκλητος  en de  Πνεύμα το Άγιον, de Heilige Geest vallen hier samen – daar zullen we het mee moeten doen, interpretatie is alles wat ons te doen staat , aangeraakt door het vuur van Pinksteren.

     

    Aanwijzingen voor de overdenking:

    26 Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.

    Pinksteren – de vijftigste dag na de opstanding;  voor menig gewaardeerd medemens een soort blinde vlek op de kaart van feestdagen door het jaar.   Een feest  waarvan de aanleiding over ons wordt uitgestort, maar waar weinig of geen uiterlijke aandacht aan wordt besteed  door de wereld om ons heen. Gelukkig maar – dan raakt het niet ondergesneeuwd door handelsbelangen.   De flora die uitbundig bloeiend in de bermen wordt aangeduid met de naam Pinksterbloem is wel lief en wordt gelukkig nog steeds niet op commerciële basis geteeld.

    Pinksterfeest heeft – net als Pasen -  een joods equivalent, het Sjavoeot   of Wekenfeest  (feestrol: Ruth) - we zouden wat aandacht kunnen besteden aan het gegeven dat we voortdurend onderweg zijn, gelijk eerst Naomi en Elimelech  met hun zonen en later  Naomi/Mara  en Ruth. Ballingschap en (r)emigratie  zijn van alle tijden.  In onrust en onrecht is de wereld weinig opgeschoten sinds de wereld van het Oude en Nieuwe Testament – we beschikken hooguit over andere technische middelen.  Nog steeds zijn er ballingen die proberen hun nieuwe bestaan  zo goed mogelijk in te vullen, een plek te vinden en hun leven vorm te geven.  Wie ervaart nooit een gevoel van ballingschap, buitengesloten worden of ontheemd te zijn?  Hoe houden we het vol, is geestkracht daarbij een bepalende factor?

    De teksten overziend valt op dat de “wind” of  Geest Gods  centraal staat in de tekstkeuze.  Zonder die Geest Gods is volgens het Goede Boek niets mogelijk, blijft alles zoals het is, woest en ledig (vgl Gen.1:2)  Aangeraakt worden door Gods Geest kan voor ons mensen ook gezien worden als keuze (we kunnen ons tenslotte al dan niet aan laten raken) omdat we vrije mensen zijn; de omgeving kan het wel ons mogelijk maken ons te laten aanraken, door voorbeeld of opvoeding.  Die keuze is uiteindelijk aan  ons  zelf- (Joh. 14:24) – Jezus lijkt hier niet te oordelen maar veeleer die keuze aan te roeren en  vóór te leggen.  Op het moment dat hij deze woorden tot zijn leerlingen spreekt  is Hij hun leraar geweest,  straks  zullen ze, puttend uit Zijn voorbeeld, op eigen benen verder moeten. Alleen de Trooster, de Geest des Heeren zal hen kunnen helpen.  Kunnen ze dat?  Ze zullen wel moeten, elke dag weer, opboksend tegen de natuurlijke drang van zelfbehoud en eigenbelang, elk mens eigen.  Uiteindelijk konden ze niet anders, toen de geest (des Heeren)  over ze vaardig werd.

    Wat schieten we er mee op wanneer we die keuze maken? Of wanneer we het gevoel hebben niet anders te kunnen?  En kunnen we in de ander  én in onszelf  onderscheiden waar  naastenliefde overgaat in fanatisme of alleen een sausje is dat eigenbelang onzichtbaar moet maken?  Geestkracht, ons laten inspireren zo u wilt, speelt een grote rol  in het overleven, in het creëren van  mogelijkheden, in de wil er met elkaar iets van te maken.  Geestkracht en creativiteit , of, anders gezegd, scheppingsdrang, liggen dicht naast elkaar (alweer: Gen. 1:2). Een (zelf)kritische geest is  óók onontbeerlijk.  En die Trooster? Hebben we die bij onze onbeholpen pogingen er met elkaar iets van te maken, niet ook  en juist hard nodig? 

    23 april 2017

    Beloken Pasen 23 april 2017

    ZONDAG 23 APRIL BELOKEN PASEN

    Genesis 8 vers 6-16 Psalm 16 Johannes 20, résumé en 19-23  I Petrus 1 vers 3-9

    De veertigdagentijd is voorbij, de luiken van Pasen gaan dicht. Een vreemde etymologie die iets met be-luiken en ont-luiken te maken heeft. “Gij laat mijn ziel niet over aan de hel” zegt de dichter van Psalm 16 die wij vandaag ook op het rooster tegenkomen. Het pad naar het leven ligt weer open. Maria van Magdala heeft de Heer met eigen ogen gezien, haar beminde Jezus. Het licht kwam terug op haar pad.

    In Genesis gaat het over Noach, zijn vrouw, zijn zonen en de vrouwen van zijn zonen. Zo was nu eenmaal de hiërarchie in oude tijden. Dit verhaal wordt in allerlei versies over de hele wereld verteld, en we weten nu dat er heel wat grote vloedgolven over de aarde zijn gegaan, zeker in het Midden-Oosten. Hier gaat het over een God die het niet kan aanzien als alles en iedereen door het water wordt meegesleurd. Hij raadt Noach aan een veilige ark te bouwen voor mens en dier, en zo kan er een rest overleven na de watersnood. De mens wordt niet overgelaten aan de hel die over hem komt, en ook niet aan de hel die hij zelf creëert. Het zijn mooie verhalen, en het zijn moeilijke verhalen. Want wie zijn wij in al dat natuurgeweld? Er zijn machten in de hemel, en anders wel in de aarde, in dieren en mensen die vernietigend kunnen worden. JHVH voelt uiteindelijk het leed in zijn eigen lichaam en laat mens en wereld opnieuw beginnen. Ik kan me heel goed voorstellen dat de moderne westerling vaak zegt: “Dan maar geen God!” of hebben wij soms geen moeite met een God die handelt en dan later weer spijt krijgt als er te veel leed uit volgt? Dit is gevoelige materie, maar we kunnen er niet omheen. Met een beroep op het beeld van God dat we hier tegenkomen zijn al heel wat mensen en volkeren aan de haal gegaan: we spelen maar al te graag zelf voor een godje dat naar willekeur mag handelen.

    En dan worden we telkens opnieuw geraakt door Jezus die mensen confronteert met de goedheid van God zoals hij die zelf belichaamt. Hij troost, geneest en spreekt woorden die door de eeuwen hun kracht niet verliezen – of je nu gelooft dat hij God is, of de nieuwe mens. Hij kan ‘toornig’ worden om dienst aan ongenadige machten, om wreedheid, hij verzamelt rafelig volk om zich heen. Hij ontfermt zich over zwakke mensen en neemt tenslotte de woede op zich die daaruit voortkomt. Want, met of zonder geloof in de God van Israël, sluiten machthebbers een verbond om hem uit de weg te ruimen. En zo zijn ze het er even over eens dat het zó niet kan als Jezus het vertoont. Hij vlucht niet maar hij lijdt vrijwillig, en daar hebben ze niet van terug. Wij wel?

    Jezus werd gemarteld en omgebracht - niet als eerste en niet als laatste. Het verhaal eindigt daar niet mee: zijn volgeling Maria van Magdala gaat op de eerste dag na de Sabbat, de rustdag naar het graf en vindt daar alleen nog de windsels. Ook andere leerlingen komen om dat te zien. Ze menen dat hij is weggehaald door een onverlaat. Maria ontmoet engelen die haar vragen waarom ze zo huilt, en dan staat ineens Jezus zelf achter haar. Hij roept haar naam: Mirjam, Maria! “Mijn kleine rabbi…”stamelt ze. “Ik heb de Heer gezien!” vertelt ze aan de leerlingen die nu ook komen opdagen. Later op de dag, als ze allemaal angstig bij elkaar zijn met alle deuren dicht, dan is Hij ineens in hun midden, met een vredesgroet. Hij zegt: “Ik zend jullie uit, zoals de Vader mij zelf uitzond!” Hij spreekt van een volmacht die van hem op hen zal overgaan.

    Dit is een verhaal dat in het Engels een “stunning story” zou heten. In het Nederlands weet ik geen betere woorden. Het beweegt je, maar wat moeten wij ervan maken?

    Misschien dit: de zwakke krachten winnen aan het einde. Want Jezus is nooit meer weggeweest en hij heeft over de hele wereld mensen geïnspireerd. Omdat in Hem zichtbaar wordt wat de zwakke krachten tot stand kunnen brengen. Er is een mogelijkheid voor ons als mensen om niet telkens weer onheil over ons zelf en onze kinderen uit te roepen. Het omarmen van mensen die niet tellen is nu juist de weg naar samenleven op aarde. En zo kunnen we nog veel meer invullen. Ook in onze tijd hebben mensen dat gedaan, en zijn daarbij net als Jezus tot het uiterste gegaan. Hij belichaamt de kracht van God die in zwakheid volbracht wordt. Gemakkelijker wordt het daardoor niet. Maar zoals Elia na een moordpartij op priesters van de God Baal in de stilte JHVH ontmoette en daarmee iets van de zachte krachten begon te begrijpen, zo was er ook voor Jezus’ leerlingen een beslissend moment.

    Aan onze lezingen is nog de eerste Petrusbrief toegevoegd. Voor hem wordt de geschiedenis van Jezus het verhaal van een levende hoop. Hij noemt dat “de redding van de zielen”. Jezus blijft tastbaar nabij.

    Zo kenden vredestichters de eeuwen door die ontmoeting met de God van de zwakke krachten. En dat bezielde ze met moed. Zo’n beslissend moment kunnen ook wij misschien meemaken, en dat zal dan ook onze voeten zetten op de weg van de vrede.

    Janna F. Postma

     


     


     


     

    19 maart 2017

    3e zondag van de veertigdagentijd 19 maart 2017

    Enige gedachten bij: Ex.17.1-17, Ps 95, 1Kor.10,1-13, Joh.4.5-26(42). Voor zondag 19 maart 2017, derde zondag in de 40 dagen tijd. Kerk en Vrede.

    Leader: Jezus(Judeër) heeft, een evenwichtige dialoog met een Samaritaanse vrouw. Joden minachten Samaritanen. Als de vrouw haar stads genoten gaat roepen, staat er: een mens en haar mensen.  Door contacten kunnen grenzen van vooronderstellingen en tegenstellingen wegvallen. Ook vandaag.

    Inleiding:

    Bij het lezen van Johannes evangelie is het raadzaam niet alleen de verhalen te her vertellen. Maar  te realiseren dat Johannes gecodeerd schrijft over de opdracht van Jezus, zijn messiaanse programma, dat zichtbaar moet worden voor de Johanitische gemeenten. Dit doet Johannes, aan het eind van de eerste eeuw door o.a. te vertellen over Jezus tekenen en werken (1-11,54). Jeruzalem is gevallen, veel navolgers van Jezus zijn gevlucht, o.a. naar Samaria en Syrië. De gemeenten waar Johannes contact mee heeft. Deze volgelingen vroegen zich af: was deze Jezus werkelijk de messias

    Veel verhalen over individuele mensen kunnen gecodeerd gelezen worden als voorbeelden van worstelingen en vragen in deze nieuwe groeperingen in de gewelddadige politieke situatie van de onderdrukking door de Romeinen. Teksten, symbolen, uit het eerste testament spelen een rol om aan te geven dat Jezus het vlees geworden woord van God is. Messiaanse gemeenten ontstaan door 'omwegen'. Het doel is dat alle volken er deel vanuit zullen maken. Zoals reeds in de profeten aangeduid als Gods plan.

    Johannes vertelt een verhaal over een ontmoeting van Jezus met een Samaritaanse vrouw in Sichar bij de oude waterput van Jacob/Jozef.  En de reactie van de bewoners op haar verhaal.

    Een van deze gemeenten bevindt zich in Samaria (Hand.8). Judeërs/ joden minachten de Samaritanen, omdat zij niet op de juiste manier God zouden dienen. Voor de Samaritanen staat alleen de Tora centraal. Na de, in die tijd  ongebruikelijke, dialoog van Jezus (Jood) met een Samaritaanse vrouw vallen, na haar inzicht dat Jezus de beloofde Messias is de scheidingslijnen tussen deze volken weg. De vrouw spreekt tegen haar mensen van de mens Jezus.

     

    Ex.17.1-17.

    Context: Deel uitmaken, bewust zijn van Gods plan: bevrijd worden van onderdrukkende goden en machten, gedachten, en vooroordelen. Dat vindt niet zomaar plaats. Het verhaal van de uittocht uit Egypte is een startpunt.  Bevrijding uit dit slavenhuis wil niet zeggen dat het volk op slag veranderd is. Rondom de Horeb/ Sinaï worden allerlei gebeurtenissen beschreven: Gemor over honger--> manna, oorlog, dorst. Allerlei verhalen rondom de gave van de 10 woorden van bevrijding en de oproep/opdracht deze in praktijk te brengen.

    1-17. In de pleisterplaats Refidim wordt gemurmureerd vanwege dorst.  Het volk maakt Mozes verwijten, en vraagt zich af: of de Heer in hun midden is of niet. Dit is een vraag die gesteld wordt aan goden. Zo wordt God op de proef gesteld. Mozes noemt deze plaats Massa en Meriba, vanwege de verwijten aan hem en het op de proef stellen van God. Het volk moest nog leren dat zij zelf verantwoordelijk is voor eigen handelen. De dorst kan dan ook opgevat worden als de dorst naar  God en gerechtigheid doen. Mozes krijgt de opdracht, met de oudsten uit het volk, voorop te gaan en op aanwijzing van God op een rots te slaan. Toen stroomde er levend water uit (direct vanuit de aarde, als oerelement van de schepping). Bronnen van levend water zijn in het eerste testament een symbool voor God (Jer.2.13) en van navolging van de Tora. Navolging is als boom, gepland in stromend water (Ps.1).

    Ps 95.

    God als rots en redding.  Luister vandaag naar zijn stem. Wees niet koppig als bij Meriba en Massa.

    1Kor.10,1-13,

    God als geestelijke rots, is overgegaan op Christus. Dus rebelleer niet tegen wat verboden is, omdat het afgoden dienst is. En zodanig God verzoeken, zoals het volk in de woestijn.

    Joh.4.5-26(42).

    Context: Na de bruiloft te Kana, (een bruiloft waar reinigingswatervaten en rol spelen en de bruid ontbreekt!) gaat Jezus naar Jeruzalem om Pesach te vieren. Er volgen aanduidingen, wat het betekend om te leven als beeld van God, in navolging van Jezus. Zoals in het gesprek met Nicodemus,: geboren worden uit  water en geest (3.5). Als de grond Jezus te heet onder de voeten wordt, gaat hij terug naar Galilea. Na twee dagen verblijf in Sichar, gaat Jezus verder naar Galilea. In Kana verricht hij zijn tweede teken: de genezing van de zoon van een hoveling uit Kafernaüm.

    5-26(42).

    In het verhaal van de Samaritaanse vrouw klinkt heel de geschiedenis van het 10 stammen rijk mee.

    Nadat Assyrië velen uit het tien stammenrijk in ballingschap weggevoerd had, plaatste de koning van Assur andere mensen, uit vijf verschillende steden daarin terug. Zij namen alle vijf hun eigen goden mee (2kon.17.24-41). De overgebleven bewoners mochten hun eigen God behouden. Er heerste in Samaria, vanaf die dag, een mix van godsdienstigheid. In Ez. 37 wordt met een ritueel, voor geheel Israël een messiaanse toekomst voorzegd. In 108 v. chr. werd het heiligdom van de God van Israël verwoest. Onder Romeins beheer was een nieuw heiligdom gebouwd, waarin de keizer vereerd moest worden.

    4. Het valt op Jezus 'moest'. Moest geeft een zekere noodzaak aan. Moest (10x in Joh. ev.) duidt op de weg die Jezus moest gaan, tot het uur gekomen zou zijn, waarop de mensenzoon verhoogd moest worden.

    5-6. Jezus verlaat Jeruzalem en maakt op weg naar Galilea geen omweg. Vele Judeërs liepen van wegge hun vooroordeel over de Samaritanen, als een volk dat God niet op de juiste wijze diende, veelal 50 km om. Jezus gaat door Samaria. Het hele volk Israël is Gods volk, 10 en 2 stammen, daarom maakt Jezus geen omweg. In Sichar rust Jezus, rond het middag uur,  uit bij een historische waterput, de Jacobs bron  aan de voet van de berg Geraziem. Deze waterput had Jacob al aan zijn zoon Jozef  gegeven. Op deze berg wordt de God van Israël gediend.  Jezus was alleen. Zijn leerlingen waren naar de stad om eten te kopen (8).

    In het begin van dit verhaal zijn er verwijzingen naar Genesis: Samaria, Sichar, de bron van Jakob, Jozef. De vrouw bij de bron in Johannes, doet denken aan verhalen over Rebekka (gen 24) en Rachel (de moeder van Jozef (= Samaria. Gen. 29).  Hagar (Gen 16.10,21,19) ( Mozes Ex.2.15 ontmoeting met de 7 dochters van Reüel. Exodus 17, rondom de berg Sinaï, Massa en Meriba. 

    7-12 Jezus is vermoeid en gaat, rond het middaguur, bij de bron zitten. Dan komt er een vrouw, alleen, om water te putten. Jezus spreekt de vrouw aan. Twee ongewone zaken: een Samaritaanse vrouw, die alleen komt putten op het heetst van de dag en aangesproken wordt door een joodse man.

    – Waarom alleen. Daarvoor zijn heel veel speculaties bedacht. In het verhaal lijkt het niet te gaan om een uitgestoten vrouw, die apart water gaat putten. Het accent ligt op een vruchtbare ontmoeting waarbij de toekomst wordt opengebroken.  De toekomst wordt in het eerste testament vaak opengebroken bij een bron.

    – Een andere verwijzing: Het verbond met God/de Ene wordt vaak voorgesteld als het huwelijk tussen man en vrouw. (Hooglied, klaagliederen). Als dat verbond geschonden wordt spreekt men van hoereren van de vrouw. De vereerde god wordt een Baäl/afgod (mal.2.11,  Herstel:Hos 2.18-19).

    – In het Johannes evangelie wordt over vrouwen verteld, die op een gelijkwaardige met Jezus spreken.

    – De vrouw (13x), die Jezus ontmoet heeft geen naam, zoals ook zijn moeder als vrouw en andere vrouwen worden aangeduid (22x).

    Jezus vraagt de vrouw om water. De vrouw reageert verbaasd: 'Hoe kunt u, als Jood, mij, een Samaritaanse, om drinken vragen. Joden gaan immers niet met Samaritanen om!

    – Als we het gesprek van Jezus met deze Samaritaanse vrouw in schema zouden weergeven zouden we zien dat hier een gelijkwaardige dialoog plaatsvindt.

    Jezus wijst haar op de gave van God en bedekt op zijn missie met de verwijzing dat zij hem zou kunnen vragen om levend water.

    – De vrager wordt gever!

    De vrouw begrijpt deze verwijzing (nog) niet. Zij stelt een materiële vraag. U heeft geen emmer en kunt u meer dan Jakob, onze voorvader. Hij en zijn vee hebben hier nog uitgedronken.

    13-15 Jezus stipt aan dat het water uit de punt weer dorst geeft. Maar  dat het levend water dat hij kan bieden anders werkt. De vrouw vraagt om dit water, omdat zij dan niet meer hoeft te komen putten.

    16-19 Jezus gaat ook hier niet op in. Hij stelt, 'deze dochter van Jacob', (geen 'hoer' !) een andere, een gewetens vraag: wie dien je, wie is heerser. Het wordt een politiek gesprek. Dat gaat over haar denken en handelen. Jezus, zet haar daardoor waarschijnlijk op een tweede spoor van de dubbel bodem in dit gesprek: Levend water, de 6e man is uw man niet. (de romeinse keizer die vereerd moest worden).

    De 6e man denken aan een verwijzing naar verbond met God/de Ene dat vaak wordt voorgesteld als het huwelijk tussen man en vrouw. (Hooglied, klaagliederen). Als dat verbond geschonden wordt spreekt men van hoereren van de vrouw. De vereerde god wordt een Baäl/afgod (mal.2.11,  Herstel:Hos 2.18-19).

    20 – 26

    De  vrouw gaat Jezus zien als een profeet. Een Profeet, die verwijst naar de geschiedenis van de toekomst belofte voor heel Israël. De vrouw gaat nog even door op het verschil tussen Samaria en Judea en de wijze van de juiste aanbidding. Jezus geeft aan dat  er een tijd/een uur komt dat dit zal veranderen (→ het uur van verheerlijking). Aanbidden zal worden: God aanbidden in Geest/ geestkracht en Waarheid / waarachtigheid (een duidelijk na paasschaal verhaal. zie Hand.8). De plaats doet er dan niet meer toe. De vrouw zegt dat zij dat weet, als de messias zal komen. Jezus zegt dat ben ik. (Ex 3, Ik ben die ik ben klinkt hier mee, zie verderop de invulling met de Ik ben woorden). Een doorbraak ervaring bij de vrouw.

    27- 30. Als de leerlingen terugkomen loopt zij weg en laat haar kruik staan. Zij gaat terug naar  de stad en zegt tegen de mensen daar, kom mee, er is iemand (NBV)/een mens (St.V./NB) die alles van mij weet, zou dat niet de messias zijn? Toen gingen de mensen de stad uit naar hem toe.

    Opmerkelijk is hier, dat er niet meer gesproken wordt over een Jood/ Judeër of over Samaritanen. Maar over een mens en mensen. In de messiaanse gemeente vallen scheidingen van afkomst weg.

    39 – 42. De mensen gaan naar Jezus en vragen hem te blijven. Zij komen in eerste instantie naar Jezus vanuit de getuigenis van de vrouw.  Later belijden ze hun geloof, omdat ze Jezus zelf gehoord  en ervaren hebben. Jezus blijft twee dagen in Sichar.

    31-38. De leerlingen zijn verbaast dat Jezus met een vrouw spreekt, maar zeggen niets. (De vrouw sprak haar verbazing uit!) Deze verzen zijn een gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen. Ten Eerste, wat Jezus tot voedsel is: de wil te doen van hem die mij gezonden heeft. Jezus roeping is als zijn voedsel. Ten tweede over de oogst (de tora en de profeten) die binnengehaald kan worden, terwijl zij niet gezaaid hebben. Het bewust worden van de vrouw, over wat zij overgeleverd gekregen had  over komst van de messias en de reactie van de bewoners van Sichar getuigen hiervan.

    Context.

    Jezus reist dan door naar Galilea. In Kana wordt een tweede teken beschreven: de genezing van de zoon van de hoveling uit Kafernaüm

    Kunnen mensen bronnen van 'levend water' zijn voor elkaar?

    Al met al lijkt het verhaal van de ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw een duidelijk gecodeerd verhaal om de Johannes gemeenten, aan het eind van de eerste eeuw in een tijd van onzekerheid en vervolgingen te bemoedigen. Zowel de leerlingen als de inwoners van Sichar krijgen inzichten in de messiaanse tijd.

    Het gaat over de ontdekkingen en vragen van volgelingen, die iets trachten te begrijpen van Jezus voorbeeld, tot in het uiterste van de dood. Hij schenkt voorbeelden van een wereldorde, die anders zou kunnen functioneren dan de wereldorde van de Romeinen. Een wereld orde waar mensen tot mens zijn voor elkaar.  'Levend water' komt voort uit Gods  bron. Een geschenk, om Gods volk, zijn gemeente weer te bepalen bij het doel van de Schepping: beeld van God te zijn, bevrijde mensen in eigen context.

    Tempel, synagoge of kerkgebouw zijn niet van belang. Het gaat om bidden en handelen vanuit Geestkracht  en Waarachtigheid, zoals Jezus daarin  is voorgegaan. Dit geldt eveneens voor onszelf en geloofsgemeenschappen.

    – Het is de derde zondag van de 40 dagen tijd. Een tijd van bezinning op wegen hoe zelf en als gemeente om te gaan met wat we lezen in de Schrift en de krant en wat te horen en te zien is om ons heen. Het is vaak niet te overzien.  Er reizen vragen: hoe te reageren op de uitslag van de verkiezingen van afgelopen week en de gehele toestand in de wereld. De politieke situatie in ons land en in de wereld. Deze is evenals die voor de mensen van Samaria, een bron van scheiding. Kan deze, mede met onze inzet, opgeheven worden? De macht van de machthebbers maakt vaak onmachtig. Centrale vragen kunnen zijn: wie dien ik, wie is heerser, waardoor wordt ik beheerst in privé en in het maatschappelijk handelen, waarin kan ik, wil ik keuzes maken over grenzen heen om mens te worden. Net als aan de 'dochter van Jakob' politieke vragen dus. Door het gesprek kwam deze vrouw tot een dieper inzicht, waarin vooronderstelde haat en afkomst weg vielen. Dank zij de herinnering aan wat haar overgeleverd was. Dat zij ging delen met de mensen in haar stad.

    Het is het mogelijk te kijken en te luisteren naar de reacties in onze omgeving en een dialoog aan te gaan met onbekenden. Dat kan leiden tot mogelijkheden om elkaar tot  recht te laten komen in eigen omgeving. Dit kan door een ander in haar/zijn kracht te zetten, of zelf in je kracht gezet worden.  Delen wordt dan vermenigvuldigen, zij worden wij. Een proces van menswording. Daarom zijn we weer op weg naar Pasen.

    Opkomen tegen geweld, voor gerechtigheid en een vredige samenleving is een oproep aan gelovigen als beelden van God. In de opinie van de samenleving voor velen een ongewoon tafereel.  Christen hebben daartoe de Geest ontvangen om in het krachtveld van deze Geest mee te werken aan recht en gerechtigheid door de maatschappelijke waarheid zichtbaar trachten te maken. Dit alles in het rijk van God dat is en komende is.

     

    Als inspiratie voor bezinning in deze 40 dagen tijd is er materiaal van verschillende organisatie. Kijk op 40 dagen tijd 2017 of vasten actie 2017 met als thema: 'Ik  ben omdat wij zijn'. Er zijn veel initiatieven, ver weg e  dicht bij, die ook na de 40 dagen tijd nog inspiratie kunnen geven.

     

    Héleen Broekema (TWG).

    Dat onze liefde groot mag zijn,

    groot genoeg om over grenzen heen

    de vreemdelingen onze hand te reiken.

    Dat onze liefde wijd mag zijn

    wijd genoeg om over grenzen heen

    de vijandschap en haat te overbruggen

     

    Dat onze liefde warm mag zijn

    warm genoeg om in de koude nacht

    de dagen met wat vrede toe te dekken.

     

    Dat onze liefde diep mag zijn

    diep genoeg geworteld in de ziel

    om in de droge tijden stand te houden.

     

    Kees Pannekoek.

    12 maart 2017

    2e zondag 40dagentijd 12 maart 2017

    Bij deze zondag ontbreekt de reguliere preekschets.

    Misschien is het goed om te verwijzen naar een ander deel van de website, waar we materiaal voor de vastentijd hebben geplaatst. 

    Het komt uit de bron van  Konferentie Nederlandse Religieuzen en Catholic Worker Amsterdam

    5 maart 2017

    Invocabit eerste zondag van de veertigdagentijd 5 maart 2017

    Gen. 2:15-3-9  Rom. 5:12-21. Mat 4:1-4

    Voor deze zondag is een selectie van teksten gemaakt waar we verschillende kanten mee uit kunnen. We kunnen de nadruk leggen op de mens die eeuwig en altijd zal zondigen omdat dat nou eenmaal in hem zit, of omdat hij daartoe is voorbeschikt, wie zal het zeggen – daar is in het verleden al diep over nagedacht, door kerkvader Augustinus en in onze lage landen door Arminius en Gomarus en door Maccovius  en door nog veel meer geleerden en dat betekent dat er ongelofelijk veel over geschreven is; wie hier over graag zijn of haar huiswerk grondig maakt kan zijn hart ophalen.

    We kunnen ook uitgaan van de klassiek liturgische jaarindeling , en ons richten op het  ‘Invocabit’, de “roeping”, ontleend aan ps. 91:15 invocabit me et exaudiam eum (Vulg.) Hij (de mens) zal Mij aanroepen, en Ik (JHWH) zal hem verhoren (SV).

    Hoe zat het ook alweer met die zondeval? Is dit verhaal nog wel “van deze tijd” in een wereld die geen enkel taboe meer erkent, behalve dan wellicht het taboe?

    Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. We zien de mens, pas geboren, in een omgeving waarin het  hem/haar aan niets ontbreekt.  Hem/haar  - want van “hij”  of “zij” is nog helemaal geen sprake. Er wordt ook niet zozeer  een aanwijsbaar botje  genaamd “ribbe” van de mens afgenomen  maar veeleer een “zijde”  -  uit die zijde formeert JHWH een vrouw , de “wederhelft” zal man zijn.

    Wanneer we proberen er zo tegenaan te kijken, dan zijn we meteen af van  het aloude misverstand van de masculiene voorsprong.

    De mens is geschapen, pas geboren zo u wilt en het zal hem aan niets ontbreken: zijn natje en droogje, een veilige plek om op te groeien, een zorgenvrij bestaan waarin alles is zoals het zijn moet, zonder verantwoordelijkheden. Kan het zo blijven? Nee – want die mens groeit op en gaat zijn omgeving verkennen. Hoe verkent een pasgeborene zijn omgeving? Op de tast, door alles wat hij te pakken krijgt in zijn mond te stoppen.  Juist ja, die appel. Opgroeien betekent zoveel als kennis verwerven van goed en kwaad, of we dat nou leuk vinden of niet. “Mag niet!” –  iedereen die ooit met opgroeiende kinderen te maken heeft gehad weet dat juist in deze fase zo’n  verbod eer prikkelt dan dat het iets uithaalt. Elke nieuw verworven kennis brengt verantwoordelijkheid met zich mee, verlies van argeloosheid zo u wilt en op enig moment gaat de badkamerdeur op slot.  Eenmaal de kinderjaren ontwassen rijst de vraag: wie ben je, waar sta je, wie zul je zijn, voor God, voor je medemens, voor jezelf. 

    Ik heb altijd een beetje moeite met een strikt biologisch-materialistische opvatting van de religieuze volksliteratuur; de orale traditie van waaruit de verhalen zijn opgetekend  was weliswaar aan strikte regels gebonden voor  de wijze waarop ze tot de verbeelding moest spreken, maar we kunnen het waarheidsgehalte van de traditie niet  toetsen  aan archeologie of met de koolstof-14 methode. Veeleer hebben we hier te maken met de waarheid van de wijsheid, de onontkoombaarheid  en van de herkenbaarheid.

    Ondertussen was die zo juist verschenen  mens niet alleen: geen mens is zo alleen of hij staat in relatie – in een verbond zo u wilt -  met zijn oorsprong, tot zijn omgeving, tot  zichzelf – vanuit die relatie  zal hij zijn omgeving benoemen, onder woorden brengen,  met de mens wordt ook de taal geschapen en de tijd.  Een mens is nooit ‘alleen’  in de zin van ‘verstoken van relaties’.  De omgeving, onze gedachten, merktekens in de tijd – er is altijd sprake van  een vorm van verbondenheid.   Een mens kan wel eenzaam zijn – desnoods in een stad of huis vol met mensen. In eenzaamheid zal hij verkommeren, waangedachten ontwikkelen, zwak of wanhopig worden, Maar ook: in eenzaamheid zal hij juist zichzelf leren kennen en opnieuw “uitvinden” .

    Aanwijzingen voor de overdenking:

    “De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat” (Mat. 4:4)

    Waartoe zijn we geroepen?  Zullen we  een ‘consument’ zijn die leeft van wat hij in zijn mond stopt (de Duitser spreekt van de “Bauchdiener” , mooi woord, nietwaar?) en wiens streven niet  veel verder reikt dan de goederen waarmee hij zich omringt? 

    Juist nu – in de  aanloop naar de verkiezingen – worden we weer overspoeld met woorden, met leuzen, met  kreten zo u wilt.  Wij, mensen, leven niet als de dieren: louter op instinct en ervaring. We zijn “talige”, creatieve  mensen – we zijn “beest met geest”, om maar te spreken met De Schoolmeester, oftewel Gerrit van der Linde (1808-1858) uniek dichter van kolderieke “knittelverzen”.   Met onze kennis van goed en kwaad hebben we ook verantwoordelijkheid verworven, we kunnen niet alleen keuzes maken, we moeten dat ook voortdurend.  We leven bovendien ‘in de tijd’: alles wat we doen en laten komt voort uit de herinnering aan gisteren en heeft gevolgen voor de dag van morgen. Alleen: als denkende en verantwoordelijke wezens  mogen – nee: zúllen we ook af en toe een pas op de plaats maken en ons doen en laten overdenken. We kunnen niet alleen maar voorthollen zonder bezinning of bezieling, we zullen van tijd tot tijd even moeten uitblazen en op verhaal komen. De veertigdagentijd is bij uitstek de fase in het jaar die zich daarvoor leent: overdenken,  bezinnen, dingen op een rijtje zetten en dan, parallel aan het lenteseizoen – met een schone lei overnieuw beginnen. (Zou  dat iets te maken kunnen hebben  met de  genade  waar Paulus over spreekt? Wat ervaren wij als genade? Troostende gedachten? Alles waar we op mogen hopen? Ook dat is  (innerlijke) dialoog  - en iets om eventueel een beetje uit te werken)

    Waartoe zijn we geroepen?  Wie zullen we zijn, waartoe zijn we op aarde – voor mijn part – Adam waar ben je, wíe ben je?   In een wereld waarin we voortdurend onze eigen keuzes denken te kunnen maken – hoewel?  Is alles wat ons overkomt nou werkelijk ons eigen bedenksel?  Mooi moment voor een korte ingelaste  meditatie - , in een wereld waarin iedereen zichzelf zo’n beetje als het middelpunt van het heelal  beschouwt,  ook in die wereld kunnen we niet zonder dialoog met de omgeving, met de medemens,  met  soms demonische  krachten in en om ons heen. Volmaakt wordt het nooit – we zullen nooit veel meer kunnen doen dan ons best, maar hoe dan ook  - we zullen verantwoordelijke mensen moeten zijn in navolging van Hem die ons allen voorging.

     

    19 februari 2017

    7e zondag na Epifanie 19 februari 2017

    Enige gedachten bij: Ex.22.20-26,Ps 71.17-24, Mat 5.33-45 (1 kor.3.16-23)

    De Bergrede schrijft niet voor hoe de 'Mozaische' wetten uit te werken. Dan zou deze manier van handelen gezien kunnen worden als nieuwe wettelijke voorschriften. Het gaat om: anders, bevrijdend,  handelen in een bepaalde context of pogingen daartoe.

    Inleiding:

    Wetten zijn geschreven om een maatschappij in te kaderen of voor vergelding, zoals bijv.de Hammurabi.  De 10 woorden zijn leefregels voor  bevrijde mensen.

    Zij zijn ontstaan in een context waarin de Israëlieten in de verdrukking leefden te midden van andere volken en hun goden, zich afvroegen: 'wie is onze God, de Ene. Wie is z/hij anders dan de goden rondom ons en wie zijn wij als zijn volk. Daarover nadenkend maakten zij hun eigen visie vanuit wat hen overgeleverd was. Joden leren zelf: ''Iedereen heeft besef van de 7 Noachitische wetten, maar God leerde ons deze aan te vullen en te verbijzonderen tot 613. Dit is niet moeilijk, omdat God ons waardig keurt zijn volk te zijn''. Door deze eigen leefregels te hebben, hebben joden door de eeuwen heen hun identiteit behouden.

    De Bergrede is geen tweede wet. Het gaat hier niet om het naleven, van een wettisch dogmatische nieuwe godsleer. Jezus leert zijn leerlingen, met als achtergrond de 'Mozaische wetten, wat het inhoud te zien wat er gebeurt en daar  liefdevol op een andere manier op in te gaan.  Mens te zijn als beeld van God, die alle mensen ziet en het doet regenen over goede en kwaden. Zodoende mee te werken aan een andere / rechtvaardigere samenleving, leefbaar voor alle mensen ongeacht afkomst, ras, klasse, zieken, weduwe, vreemdeling, nationaliteit of mensen behorende tot de romeinse bezetter.  Na de Bergrede verteld Matteüs, hoe Jezus daarin is voorgegaan. Dat zijn levenswijze een bedreiging was voor de heersende machten, de Romeinen, zowel als de tempelleraren. En dat Jezus dat met zijn dood heeft moeten bekopen.

    Ex.22.20-26.

    Context: In Exodus 20 staan de tien woorden beschreven, als 10 leefregels voor het volk. Daar wordt verteld dat deze in de woestijn gegeven zijn, na de bevrijding uit Egypte.  Het zijn bevrijdende leefregels, in tegenstelling tot de volken. Vele van de 613 geboden zijn uitgewerkt in een gesettelde situatie met akkerbouw, veeteelt.

    20 - 26 In deze verzen gaat het over voorschriften t.a.z.v. vreemdelingen, weduwen, en armen. Aan de armen geen rente vragen en zijn mantel, die hij gegeven heeft als onderpand, voor de nacht teruggeven, omdat dit tevens zijn deken is.

    Context: o.a. God niet lasteren, de leiders van het volk niet vervloeken, de eerste opbrengst van de wijn en de eerst geboren zoon aan God afstaan, evenals die van runderen schapen en geiten. Leef als mensen die aan God gewijd zijn. Eet geen vlees dat door een roofdier is gedood, geef dat aan de honden. Zo gaan de voorschriften nog enkele hoofdstukken door ten aanzien van gedrag en de inrichting van een heiligdom.

    Ps 71.17-24,

    Gebed van iemand op leeftijd, die God altijd als een schuilplaats ervaren heeft. God heeft hem nooit beschaamd. Nu heeft deze mens in haar/zijn zwakheid/ouderdom tegenstanders. De smeekbede: laat mij nu niet in de steek. Ik kan me niet meer verdedigen. Wel kan ik herleven door u te loven. Gij heb mij mijn hele leven onderwezen in rechtvaardigheid t.o. tegenstanders. Deze mens kan ook bezien worden als het volk Israël.

    1 kor.3.16-23

    Paulus schrijft aan deze gemeente: Weet u niet, dat gij een tempel van God bent/zijt en dat de Geest van God in (uw midden NBV) u woont? (ST./NB).

    Mat. 5.33-45

    Context: In hoofdstuk 4 beschrijft Matteüs Jezus' woestijn ervaring. Daarna wijkt Jezus uit naar Galilea, omdat hij hoorde dat Johannes gevangen genomen was; en gaat wonen in Kafarnaüm. Daar begint hij met zijn verkondiging: komt tot inkeer, want het koninkrijk van de  hemel is nabij. Hij geeft onderricht in de synagoge en verzamelt leerlingen. Mensen, van ver over de grenzen komen naar hem luisteren. Vanwege de volksmassa neemt Jezus zijn leerlingen mee een berg op. En onderricht hen met de woorden van de Bergrede: Gelukkig ….. Daarna verduidelijkt hij de rol, die hij verwacht van zijn leerlingen. En welke consequenties dat heeft voor hun levenshouding: een liefde volle benadering van mensen en daardoor te laten zien wat het inhoudt te trachten te leven als beelden van God. Hetgeen hen niet geliefd zal maken, omdat zij Jezus volgen. Ondanks dat zullen zij zich verheugen zout en licht zijn. Zo te leven wil niet zeggen de 'Mozaische' wetten afschaffen, maar  interpreteren in eigen context en zodoende bevrijdend te handelen d.w.z. meer doen dan gewoon is, en zo anderen voor te leven. Opdat dezen ook mensen liefde vol benaderen, zoals Jezus en God.,

    33-45.

    • Geen valse eed → helemaal niet zweren. (33-36)
    • Laat je ja, ja zijn en je nee, nee. Wat je daar aan gevoegd komt voort uit het kwaad.
    • Oog om oog, tang om tand → linkerwang, rechterwang.
    • Wordt je onderkleed af genomen → geef dan ook je bovenkleed.
    • Gedwongen worden één mijl te lopen → loop dan twee mijl.
    • Geef wie je iets vraagt en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.
    • Je naaste liefhebben en je vijand haten → heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen.

    45. Als jullie zo handelen, zijn jullie werkelijk kinderen van jullie vader in de hemel. Hij laat de zon opgaan en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

    Context:

    Doe niet zoals iedereen, doe meer dan gewoon, normaal is. Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse vader volmaakt is. (Het woord volmaakt slaat terug op de aanduiding van Gods handelen in vers 45. Het is één van de eigenschappen van God!). In hoofdstuk 6 gaat Jezus door zijn leerlingen te instrueren. In hoofdstuk 25: De 7 werken van Barmhartigheid, worden nogmaals  voorbeelden gegeven van een volmaakte levenshouding.

    Jezus en zijn leerlingen.

    Jezus verlaat de massa en neemt tijd voor zijn leerlingen. Hij gaat met hen een berg op .  Dit doet denken aan Mozes, die de berg op ging om de leefregels van God, samenhangend met het verbond, te ontvangen.  Die leefregels zijn er. Wat betekent het nu, in de context van de leerlingen, om hen te laten horen wat het betekent leerling te zijn, in het nieuwe verbond van God met mensen. Dat tot stand gekomen is door Jezus in verbinding met de Vader. Opdat de wereld zou zien en ervaren dat het anders kan, anders zou moeten, om bevrijdend met elkaar te leven ook in een onvrije, door romeinen overheerste situatie. Matteüs schrijft dit op voor de volgelingen van Jezus, die in verwarring raakten, tijdens de vervolgingen, na de val van Jeruzalem. Zij vroegen zich af: Is onze Jezus werkelijk de beloofde Messias. Leerling zijn slaat dus op volgeling/gemeente zijn. In verhalen laat Matteüs zien dat Jezus tijd neemt voor mensen die een beroep op hem doen, ook al is hij met iets anders bezig. En dat hij tijd neemt met zijn leerlingen voor bezinning, vorming en toerusting.

    Jezus begon met gelukkig zijn, dit is een verwijzing naar mensen, die leven met de Tora. (ps.1, ps 71 e.a). Het gaat over anders reageren dan 'normaal' is, een andere benadering in belangrijke situaties. Gewoon leven zoals ieder mens, de goede en de kwaden in de beoordeling van de omgeving, is niet genoeg om zichtbaar te maken dat zij beeld van God trachten te zijn op hun levensweg. Het levensgeheim waardoor mensen niet alleen gelukkig zijn, maar ook vrij door eigen handelen en de uitstraling daarvan naar de ander, ondanks knechtende omstandigheden. Als anderen het opmerken zullen ze er verbaast over zijn. En zien dat er andere mogelijkheden zijn, economisch en politiek door er anders over te gaan denken en te benoemen wat gehoord en gezien wordt als rechtvaardig of onrechtvaardig.

     

    Leerling zijn in 2017.

    Veel mensen, ook christenen, nemen wel de tijd om veel met hun mail, twitter en facebook te communiceren, waar door zij minder aandacht besteden aan hun omgeving, maar daarin ook geen bevrediging vinden. Velen gaan op zoek naar geluk. Yoga, meditatie, mindfullnes (houdt in: wezen bewust leren omgaan met wat je doet, eet, denkt, afvragen waartoe dient dit, wie is er mee gebaat wat ik doe of wordt gedaan, wie ondervindt er schade van). Oude bezinningsmethode, die al jaren ook in Nederland beoefend worden,  worden nu commercieel aangeboden als vindplaatsen voor eigen van geluk. Terwijl deze vormen van concentratie ontwikkeld zijn als instrumenten om een tijd voor bezinning, op lijf en geest, te nemen met het oog op mee te werken aan vrede en welzijn in een samenleving. Te vergelijken met wat de functie zou moeten zijn van 'stille tijd': meditatie, bidden, bijbel lezen, sabbats-/zondagsrust. Met daarbij tijd nemen voor  vieringen, vorming en toerusting in de geloofsgemeenschap, met het oog op het dienen en omzien naar elkaar. Omzien niet alleen in eigen groepering, maar ook en juist in de samenleving. Daar mensen proberen te ontmoeten, die onbekend of onbemind zijn. Een luisterend oor hebben, niet direct zelf een oplossing aandragen vanuit eigen normen, waarden of (voor)oordelen. Maar samen met mensen of een groep een eindje oplopen en trachten mensen weer in hun kracht te zetten, door met hen te delen. Om samen onrechtvaardige zaken aan het licht te brengen, te protesteren of veranderingen te bewerkstelligen, daarvoor zijn mensen nodig die opstaan en daar de tijd voor nemen.

     

    Er staan spannende verkiezingen voor de deur. Ze vallen in de 40dagen tijd, een tijd van bezinning. Het vorig kabinet had als motto: 'bruggebouwen'. In afgelopen periode is de kloof tussen rijk en arm in de wereld zichtbaarder geworden. Als gevolg van neoliberale opvattingen moeten mensen voor zichzelf zorgen en gelukkig worden. Lukt dat niet  mensen  dan worden ze aangemerkt als loesers. De laatste jaren worden vluchtelingen en andere buitenlanders als bedreiging gezien of ervaren., er heerst onvrede. Dit is, in heel de wereld, een voedingsbodem voor populisten, die mensen deze angsten aan praten, maar geen oplossingen bieden. Toen Obama gekozen werd 8 jaar geleden was men in de wereld enthousiast. Al in een vroeg stadium kreeg hij de nobel prijs voor de vrede. Na 8 jaar ups en downs en veel tegenwerking van de Republikeinen is nu Trump aan het roer, wat zal hij de wereld brengen?

    Hoe reageren wij zelf daar op en als geloofsgemeenschap als we zien dat mensen tussen de raderen belanden of  de angst daartoe hebben? Is meer dan het gewone mogelijk, als het gaat om toename van arm gemaakte of angstige mensen. Er zijn steeds meer mensen die van voedselbanken gebruik moeten maken, vluchtelingen die letterlijk en figuurlijk in de kou zitten, omdat de toelating tot Europa, zoals afgesproken, stagneert. Oorlog, met als gevolg: internationale onvrede, bedreigingen opvoering van defensie en wapenwedloop. Waardoor rechtvaardige oorlog wordt gesteld boven het werken aan rechtvaardige vrede. Is er maar te doen dan het gewone?

    Er zijn groepen nodig om veranderingen te creëren. Van ouds zijn geloofsgemeenschappen groepen geweest, die veranderingen opgang gebracht hebben, in hun historische situatie.

    Geloofsgemeenschappen, hoe divers ook, hebben Volmacht daartoe ontvangen door de Geest,die in hen woont, al lijken zij onmachtig. Er is in geloofsgemeenschappen een potentieel aan mensen met gave en mogelijkheden om inhoud van problemen te analyseren, en aan de orde te stellen. En er zijn mensen die praktisch mee willen en kunnen werken. Beide zijn nodig en kunnen elkaar aanvullen. Via vorming en toerustingsmogelijkheden kunnen zij een andere gezicht laten zien van christen zijn in de samenleving. Anders dan de gewone, doorsnee, opvattingen. Zij kunnen andere aspecten naar voren brengen. Een levenshouding waarin gestreefd wordt naar acceptatie en rechtvaardigere verhoudingen, een rechtvaardige vreedzame samenleving waar mensen tot hun recht komen. Zij kunnen daarbij ook anderen uitnodigen mee te denken en doen of zich bij andere aan sluiten. Geloofsgemeenschappen zouden de eerste moeten zijn, die in het krachtveld van de Geest, trachten  op te staan en mee te werken aan een rechtvaardiger samenleving in het Rijk van God dat is en komende is.

    Héleen Broekema (TWG) 13.01.2017

    Doe meer dan het gewone neem de tijd.

    Tien richtlijnen voor de tijd.

    Ik ben de Here, je God, die je uit dat leven gehaald heb, waarin de tijd alleen maar gevuld werd met geweld, onderdrukking, wanhopig bezig zijn.

     

    • Vul je tijd niet in, door zo bezig te gaan, dat je weer terecht komt in een bestaan dat uitzichtloos is voor jezelf en anderen.
    • Maak geen kniebuiging voor iets of iemand, die je wil doen geloven dat het er in deze wereld alleen op aan komt om tijd te maken voor jezelf.
    • Laat in je doen en laten zien dat Mijn tijd voor jullie een gevulde tijd is, een tijd vol liefde, ontfeming, vergeving en heling.
    • Neem de tijd om je kindeen het verhaal te vertellen en voor te leven van Mijn bevrijding uit alles wat doodt, teneer drukt, chaos veroorzaakt.
    • Ik ben de God, die al mijn tijd geeft om bezig te zijn met jullie leven. Maak ook tijd om naar dat verhaal te luisteren en je erdoor te laten inspireren.
    • Ga zo met je tijd om, dat je doen en je laten erop gericht is dat een ander het weer ziet zitten. Verder kan, ademen kan, leven kan.
    • Laat de ander merken, door de tijd die je voor haar/hem maakt, dat z/hij waardevol is; dat met elkaar het leven pa echt leven wordt.
    • Neem er eens tijd voor om je af te vragen hoe je het zelf zou vinden, als de ander zich meer achtte dan jou en jouw leven wilde bepalen.
    • Verdoe je kostbare tijd niet met het negatieve van een ander naar voren te halen. Probeer daarentegen juist het positieve van een ander te laten zien.
    • Vul je tijd niet, om datgene naar je toe te halen wat je nog mist. Wie zo leeft en zijn dagen dagen doorbrengt zal altijd diep ongelukkig blijven.

    Geinspireerd op de tekst van een onbekende schijf(st)er

    5 februari 2017

    5e zondag na Epifanie 5 februari 2017

    Preekschets voor zondag 5 februari 2017, vijfde zondag na Epifanie.

    Jesaja 43,9-12 Psalm 112 (1Korintiërs 2,1-5) Matteüs 5,13-16

    Jesaja 40-55 - “ Deutero-Jesaja”- bevat woorden van een onbekende profeet die zou zijn opgetreden tijdens de periode van de Babylonische Ballingschap. De Godsspraak in de verzen 9-12 heeft een aantal vertaalkeuzes opgeleverd. Zo geeft de Naardense Bijbel hier voor v. 9: Al zijn alle volkeren samen vergaderd en zullen de natiën zich verzamelen, wie onder hen zal deze dingen melden, de eerste dingen doen horen?- kunnen zij hun getuigen opgeven om hen te rechtvaardigen en horen die genoeg om te zeggen ‘dit is wáár’?

    NBV vertaalt: 9 Alle volken zullen zich verzamelen, alle naties komen bijeen. Wie van hun goden heeft aangekondigd wat eertijds nog te gebeuren stond? Laten zij getuigen leveren om hun gelijk te bewijzen, opdat ieder die hen hoort zal zeggen: ‘Het is zo!’

    Grote verschillen, kortom. Hoe dan ook, alle vertalingen baseren zich hier op een tekst die ontstaan zou zijn tijdens die ballingschap (583 v. Chr – ca 520) De Babylonische suprematie over het gebied werd doorbroken door de Perzische koning Kores (of Cyrus II de Grote, 559-530 v. Chr.) die in 539 Babylon veroverde. Het ‘decreet van Kores’ in 538 zou terugkeer naar Jeruzalem mogelijk hebben gemaakt (vgl. Ezra 5: 13). In Babylon zou een grote verscheidenheid aan stamgoden en mysteriereligies hebben bestaan en de hier voorgestelde Jesaja teksten nemen daartegen duidelijk stelling.

    Werd Kores gezien als de redder van Israël? En heeft de “knecht” in v. 10 betrekking op de profeet? We zullen het nooit helemaal precies kunnen zeggen. Voor onze protestantse voorouders en de geestelijk vaders van de SV was het glashelder: zij lazen de ‘gansche Heilige Schrift’ vanuit een christocentristisch standpunt, moeizaam verworven vanuit het Middeleeuwse presentiemodel; voor hen kon die ‘knecht’ niemand anders dan Christus zijn.

    De tekst uit Mattheus ligt in het verlengde van de Bergrede die vorige week centraal stond in de prediking. Daar waar de Bergrede vooral een opbeurend en troostend karakter heeft, daar steekt de tekst uit de verzen 13-16 de toehoorders een hart onder de riem. Niet wegkruipen in een hoekje, geen duistere cultus bedrijven, maar zichtbare navolging, tot verlichting van alles en allen.

    Suggesties voor de overweging:

    Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal [het] gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.” (Mat. 5:16)

    We kunnen niet om de politiek-historische context heen, wanneer we deze teksten als uitgangspunt voor onze prediking nemen. Deutero-Jesaja treedt op in een wereld die beheerst wordt door militair geweld en politieke belangenafweging, de context van het Nieuwe Testament is die van de “Pax Romana”: de ijzeren greep van het Romeinse Rijk. Beide werelden geven blijk van grote culturele verscheidenheid en ook van onverschilligheid ten aanzien van alles wat kwetsbaar is. Een vergelijking met onze eigen tijd is dan ook moeiteloos te maken.

    Koning Kores – oftewel Cyrus II de Grote, heerste aan het einde van de zesde eeuw vóór het begin van onze jaartelling over Perzië. Hij stuurt troepen naar Babylonië – en na maandenlange belegering lukt het hem de zwakke opvolgers van Nebukadnezar van de troon te vegen – en Babylonië in te lijven.

    De ballingen van Babylon, de nazaten van de Israëlieten die door Nebukadnezar zijn weggevoerd krijgen weer een nieuw regime te verduren – nieuwe bezetting, weer een andere dictator. Het was onrustig in het gebied dat wij het “Midden-Oosten” plegen te noemen. Toen ook al. Maakt het veel uit voor de nakomelingen van Abraham en Saraï – dat er weer eens een andere despoot de lakens uitdeelt?

    Wel iets. Cyrus de Grote – of Kores, zoals ons OT hem noemt, moet een fabelachtig organisator geweest zijn. En een bijzonder praktische man. Cyrus weet in elk geval te zorgen voor een beetje rust – en dat is al een heleboel – en hij is zeer vaardig in de onderhandeling wanneer hij ergens voordeel ruikt.

    Wat heb je aan een grote hoeveelheid ontevreden immigranten die een halve eeuw eerder tegen hun zin het land zijn binnen gevoerd, en die begrijpelijkerwijs nog steeds hun grieven daarover hebben? Een deel van hen heeft zich zo goed en zo kwaad als het ging aangepast, maar de algemene stemming zal niet bijzonder positief geweest zijn. Aan zulke mensen heb je weinig – ze vormen waarschijnlijk een mogelijke bron van onrust en opstand. Je kunt ze veel beter te vriend houden, dan zul je meer plezier van ze hebben. Daarom zegt Cyrus de Israëlieten toe dat ze terug kunnen keren naar Jeruzalem, wanneer ze dat willen. Hij tekent er zelfs een verdrag voor – wie weg wil die mag, er hoeven zich voor deze Farao niet eerst tien plagen voor te doen, en wie wil blijven die mag dat ook. Koning Cyrus laat de ballingen de keus - degenen die om welke redenen dan ook in Babylon blijven hebben betere leefomstandigheden gekregen.

    Nu was koning Cyrus niet alleen maar aardig voor de joodse ballingen die terug wilden naar Jeruzalem. Cyrus had er alle belang bij dat er tussen zijn Perzische rijk en erfvijand en concurrent Egypte een flinke buffer zat – en wanneer nu de voormalige joodse ballingen terug in Jeruzalem weer iets moois zouden opbouwen, en wanneer die voormalige joodse ballingen hem, Cyrus een warm hart toedroegen, dan was er veel gewonnen. Zo werkt politiek. Zo werkt de wereld, onverschillig of het nu de wereld van Cyrus ofwel de Romeinse keizers is, dan wel de “Pax Americana” van onze dagen. “Bevriende staatshoofden” worden niet te vriend gehouden omdat ze het goede nastreven en de kwetsbare medemens in bescherming nemen, maar omdat er grote strategische of commerciële belangen meespelen. Zelfs de tempel in Jerusalem mag weer herbouwd worden, uiteraard onder wakend oog van Cyrus. Een corrupt of dictatoriaal regime houdt doorgaans de religieuze centra nauwlettend in het oog; men denke aan de kerken in Duitsland in de jaren dertig.

    We zouden aandacht kunnen besteden aan de wérkelijke opdracht van de kerk: in woord en daad spreekbuis zijn van het Messiaanse tegenverhaal, in navolging van de Mattheustekst, niet om der wille van het eigen vuurvast gelijk, maar tot heil van de wereld waarin we leven.

    Een kerk die onder wakend oog van een abject regime of van een gewelddadige bezetter, of een kerk die genegeerd door de onverschillige massa, uitsluitend nog in stilte haar rituelen uitvoert zonder maatschappelijk engagement, zo’n kerk heeft geen functie meer. Zonder engagement is Gods gemeente nog slechts een vorm van heemschut, een verkwijnend museum.

    En wanneer we die werkelijke opdracht van de kerk op aansprekende wijze over het voetlicht hebben kunnen krijgen, dan kunnen we misschien weer eens met een gerust hart LvK 474 op de liturgie zetten.

    Geraadpleegd o.a. Israel in Exile: The History and Literature of the Sixth Century B.C.E., Rainer Albertz

     

    29 januari 2017

    4e zondag na Epifanie 29 januari 2017

    Sefanja 2:3; 3:9-13.

    Moeilijk blijft het als de roostermakers hier een tekst en daar een stukje op de lezenaar leggen. Misschien mag het omdat het tekstverband met de tussenliggende woorden vaak niet zo dwingend is. Lastig. Het is ook niet zo makkelijk uit te leggen aan de aanwezigen welke betekenis dat voor de uitleg en verkondiging heeft. Ik laat het meestal weg.

    Dat er een nederig volk ter sprake komt, 'zoeken naar rechtvaardigheid' ook komen we straks tegen in de zgn Zaligsprekingen. En meer overeenkomsten zijn wel te vinden. Ook hoor je hier en daar sommige van de Tien Geboden door klinken.
    De zaligsprekingen liggen in lijn daarmee. De oude discussie 'dat ze er in de plaats van zijn gekomen' lijkt me niet meer nodig. Maar het geeft aan hoe serieus je deze 'goede wensen' van Jezus moet nemen; welk gewicht ze horen te krijgen.

    Mat 5: 1-12

    Dat en dat, zegt Jezus, daar kun je GELUKKIG mee thuis komen. De zaligsprekingen – blijf ik ze maar noemen – zijn ‘het allerbeste’ dat Hij ons maar kan wensen. Een alles vervullend verlangen naar vrede.

    Als je vergaat van de dorst naar gerechtigheid, – DAAR zit veel heil in.

    Het allerbeste is dat je arm van geest bent.
    Alleen maar weten van menselijke maat: dat is ‘arm van geest’ in een notendop.

    Dat je barmhartig zult zijn.

    En nederig van hart zult zijn.

    En super zalig is bij Hem als je een vredestichter bent.

    Jezus noemt ook nog als beste wensen : dat je vervolgd wordt vanwege de gerechtigheid. Dat mensen de pest aan je hebben omdat jij bezig bent met dingen van gerechtigheid.

    Dat zijn de ‘allerbeste wensen’ van Jezus.
     

    Hier de zware lading van Jezus, die onze nieuwjaarswensen vaak ontberen.
    Zijn zaligsprekingen maken ons niet blij, maar zijn vaak ons PROBLEEM geworden. We horen nauwelijks meer wat er zo goed en fijn aan is.

    1. Je moet goed beseffen WIE het zegt: Jezus!! Dus niet zo maar iemand.

    2. De zaligsprekingen zijn behalve een GOED, ZALIG BEGIN ook TAAKstellend. Die vredestichters gaan een WEG. Het is een vak dat je nog onder de knie moet krijgen!!! Je kent het beeld van de zaden en de vruchten wel.

    3. De zaligsprekingen zijn INCLUSIEF allerlei lijden. Jezus staat Zelf model voor de Zalige manier van leven. Dat het zeer doet, wil niet zeggen, dat je verkeerd zit; ONZALIG bent. Het kost ontzettend veel energie en doorzetting en lijden om niet af te haken..

    4. Het hele pakket zaligsprekingen niet al te individueel opvatten. Jezus spreekt ons niet per persoon ZALIG, maar SAMEN. Niet op elke stap van de weg maar als totale weg. Als geheel zijn we meer zalig dan hoofd voor hoofd. Samen zijn we een bedreigde, maar zalige diersoort.

    5. En er is een Tafel van SAMEN.

    6. De zaligsprekingen hebben een collectieve inslag, zie KERKINACTIE. Dat is ZALIG werk van ons samen. ((Ook ongegeneerd samen met mensen die zich in de kerk niet thuis voelen))

    7. Kerkinactie loopt vaak achter de barre feiten van oorlog en ellende aan; dat is dan niet anders. Voor een deel is het dweilen met de kraan open. Laat de kerk die verlegenheid ook maar thematiseren.

    8. We blijven de motor van onze onzalige wereldsamenleving die verarming aanjaagt en gelooft in geweld aan de orde stellen.

    9. Heel wat beminde twijfelaars en afhakers van kerk en geloven, blijven vaak de smaak van deze zaligsprekingen nog proeven. En ze lezen ze bij bruiloften en begrafenissen.
     

     

    jan anne bos

    22 januari 2017

    3e zondag na Epifanie 22 januari 2017

    Psalm 139 

    “Als ik wakker word, dan ben ik nog bij U”

    Het mooiste lied van vertrouwen dat er maar te vinden is in de Schriften.
    Hij, de Eeuwige, kent mij en doorziet mij. Al zou ik in de hemel zijn, Hij is daar.
    Kies ik mijn bed in de hel, ook daar is Hij.
    Het is ook de psalm van de golem, het “vormeloos begin.” (vers 16)
    De Golem zal later een grote rol spelen in de Joodse gedachtenwereld, en recenter ook in Tolkiens “In de ban van de Ring.” De golem, dat is de mens in aanleg, die goed kan worden of slecht. Tolkien voert een mens op die verkeerd kiest en terugvalt in de vormloosheid, en zo het kwaad omhelst: Golem verwordt tot Smeagoll.

    Een psalm om rustig voor jezelf te lezen. Op een congres van vroedvrouwen werd hij ooit gebruikt als thema voor de aansluitende dienst (waar ik mocht voorgaan).

    Jesaja 49 vers 1-7 (de “tweede” Jesaja)

    Ook de profeet Jesaja kijkt er op terug hoe hij gevormd werd door zijn God, vanaf de moederschoot geroepen bij zijn naam. Hij kreeg een bijzondere opdracht, en die was niet zachtaardig: hij werd een zwaard in de schaduw van Gods hand, een pijl uit Zijn koker. De stammen van Jakob moet hij laten opstaan om terug te keren naar hun land. Zij zullen een licht worden voor de volkeren: het heil zal reiken tot de einden van de aarde!

    Bij Israël zie je, de hele geschiedenis door, die verscheurdheid tussen zelfhandhaving en lichtende aanwezigheid tussen de volkeren. Zoals je die ook ziet bij de latere volgelingen van Jezus, die zich naar hem “Christenen” noemen. Onderling verdeeld, zoeken ze, wij dus, maar al te vaak hun heil in zelfhandhaving, particularisme. Daarbij hoort de afsluiting voor het bestaansrecht van de ander, en het terugvallen op de voorrang van het zwaard.

    Mattheüs 4,12-22     

    Jezus, een zoon van Israël, gaat de omgekeerde weg. De Boze wijst hem de route van het privilege en de macht, die hij met zijn bijzondere, goddelijke karakter zal kunnen kiezen. Iedereen zal voor hem juichen als hij de Boze eert en met list de weg van de macht en de intriges gaat. Jezus kiest er voor God alleen te vereren en zich op de minste van de mensen te richten. Johannes de Doper is hem voorgegaan, en Jezus kiest zijn weg in het besef dat ook hij kan worden “overgeleverd.” In Galilea begint zijn missie, aan de rand van het machtsgebied van Herodes. Daarmee vervult hij een profetie van Jesaja: “De gemeenschap die leeft in de marge zal een groot licht zien!” Hij roept twee eenvoudige vissers op om hem te volgen, en zij gaan, ze laten hun netten liggen. Er volgen er nog twee, en ook zij laten hun schip en hun zekerheid achter. De rest van het verhaal kennen wij: Jezus wordt veroordeeld, zijn volgelingen worden verstrooid. En toch winnen de zachte krachten het in de nieuwe gemeenschap die ontstaat. Met die zachte krachten worstelen ook wij in onze kerken, al eeuwenlang. In ons hart weten we dat die zullen winnen, ook als ons dat zekerheden kost – en onze privileges.

    1 Korintiërs 1,1-9 

    Hier zijn we al weer jaren verder. Met Jezus is schijnbaar afgerekend, maar er ontstaat een sterke beweging uit de geest die hem dreef. Jezus is de Zoon van God, zo duiden zij hem aan. Zij weten zich geroepen om in die Geest verder te gaan. Paulus heeft de weg gevonden van vervolger tot volgeling van Jezus en zijn mensen. Hij schrijft hier een brief aan de pas gevormde gemeente in Korinthe, vol superlatieven over genade, vrede en rijkdom. De grenzen tussen Jood en “Heiden” zijn doorbroken. In de gemeenschap met de Zoon zullen de mensen één worden. Paulus weet van verdeeldheid, waarbij de een de naam van Paulus wil dragen, de ander van Apollos of van Kefas (Petrus), of van Christus. Paulus zet daar de naam van Jezus Christus tegenover, “onze Heer.” Hem kun je niet in stukken delen. 

    Wat is er intussen niet gebeurd met volgelingen van Jezus en hun onderlinge strijd, met hun kruistochten naar buiten toe. Wij wensen elkaar de vrede van Christus toe in de kerk, en dat heeft consequenties voor onze opstelling onder de mensen!

    Janna F. Postma

     

     

    15 januari 2017

    2e zondag na Epifanie 15 januari 2017

    Enige gedachten bij: Jes.62.1-5, Ps 96, (rom 4.1-12), Joh. (1.29) 2.1-11. Voor 15 januari, de 2e zondag na Epifanie.

    Niet vanuit economie of politiek, maar vanuit de periferie, de gemeente, moet liefde en gerechtigheid, in woord en daad, openbaar worden. Dit als een afspiegeling van de liefde en gerechtigheid van God naar andere mensen, Jezus is daarin voorgegaan.

    Inleiding.   Jesaja 61.10 – 63.9 zijn troost verzen voor de verdrukten. Ze gaan over vernieuwing van het verbond met alle generaties uit verleden, heden en toekomst.

    Johannes schrijft vanuit het verstaan van zijn lezers van de Hebreeuwse bijbel. De beschrijving moet gezien worden als verzetslitteratuur, met codering. Het evangelie moet dan ook niet gelezen worden als 'anti – joods', maar als bevrijdend voor wie Jezus navolgen als het vlees geworden woord. De Johannes' gemeente was een gemeente in de verdrukking. De vragen waren, na de val van Jeruzalem, vele: 'Was deze Jezus, de Messias die wij verwachten'. Tijd en plaats zijn in de verhalen, die door Johannes aan Jezus worden toegeschreven, van groot belang.

    Het eerste gedeelte van het evangelie bestaat uit de tekenen en werken van Jezus. Die tonen aan dat Jezus een licht uitstraalt van liefde en gerechtigheid, zoals de beschreven eigenschappen van God. Deze vat Johannes daarna samen in de: 'Ik ben woorden'.  Daarna volgen instructies voor de leerlingen / de gemeente, en de voorbereiding op zijn dood.

    Ps 96, Laat het uw leidraad zijn van dag tot dag Gods heil, de glorie van zijn Naam te verkondigen.

    Jesaja62.1-5 Jesaja krijgt de boodschap niet te zwijgen, maar te verkondigen, dat de ENE (61.11)  gerechtigheid en lofzang zal doen ontspruiten, bij alle volken. God, en daarom ook de schrijver mag niet zwijgen omwille van Sion/Jeruzalem.  Ook de wachters (62.6), die aangesteld zijn op de muren van Jeruzalem, mogen niet zwijgen, totdat er gerechtigheid gedaan wordt die, als een fakkel, licht zal verspreiden.  Zodat de gerechtigheid van de Heer, de ENE (NB) zichtbaar zal zijn voor alle koningen en heidenen. Als de trouweloosheid verdwijnt, zal ook de troosteloosheid verdwijnen. Dan zal het volk een nieuwe naam krijgen, die de ENE zal bepalen. Het zal weer de kroon op de schepping worden. Hoop voor de toekomst in relatie met God door gerechtigheid te doen. Hoop op een land waar mensen bevrijd kunnen wonen. (in tegenstelling tot Babylon). Dan zal God vrolijk zijn (STV)/ zich verheugen(NBV) /verrukt zijn (NB) over zijn volk, zoals een bruidegom over zijn bruid. Sion wordt ook elders betitelt als de bruid van God. Het bruiloftsverhaal te Kana, zoals Johannes dit ziet, doet denken aan deze woorden uit Jesaja.

    Joh. (1.29) 2.1-11.

    Context: Johannes begint zijn beschrijving van zijn goede boodschap, voor de Johannes gemeente, niet met een aantonen dat Jezus uit het geslacht van David komt, noch met zijn doop. 

    Hij begint met: In het begin was het Woord. Twee verwijzingen in de eerste zin: In het begin, zo begint Gen. 1. Het woord (dabar = woord en daad) komt uit de Tenach. Het begin wordt ingedeeld in dagen. Jezus wordt voorgesteld als de verpersoonlijking van de woord/daden van God.

     Johannes de Doper, profileert zich duidelijk als voorloper: 'Ik ben het niet, na mij komt de komende....' (Dit t.o. De latere 'Ik Ben' woorden). De nadruk in dit eerste hoofdstuk ligt op inleiding, tijd, plaats en ontmoetingen aan de overzijde van de Jordaan.   

    Tijd: Johannes deelt hoofdstuk één in, in 5 dagen. Hoofdstuk 2 begint met: op de derde dag was er een bruiloft in Kana. Totaal 8 dagen, een 'messiaanse week'.  In het joodse denken speelt de achtste dag een grote rol. Het is de dag van de messiaanse werkelijkheid, die uitgaat boven de tijdrekening en daarmee hier wordt aangekondigd. Een overschrijding van de volheid. Op de derde dag is,er een bruiloft  (2.1). Dit heeft Jezus gedaan als eerste teken (2.11). Een teken dat meer symboliseert dan het gewone.

    Plaats: Het eerste en tweede teken spelen zich af in Kana, in Galilea. Galilea is in de ogen van de leiders in Jeruzalem, het volk van heidenen (gojim) of zij de de Tora niet kennen. Kana komt slechts 1x in de Tenach voor bij een gebiedsindeling(Jozua 19,28), als plaats in de periferie. Kana wordt  door Joannes 2x gebruikt (2.1, 4.46) om het belang van Jezus voor de periferie (ook de volken) aan te geven. Uitstraling  van Gods liefde en solidariteit is niet te verwachten van politieke - of kerkelijke leiders maar vanuit de woorden en daden van gelovigen (de gemeenten), in navolging van Jezus. Wat er verteld wordt is van belang, maar heeft een diepere lading.

    Wie spreekt/ handelt t.o.z.v. Wie, hoe en waarom?

    • Moeder is aanwezig zij is onderdeel van het gezelschap. Zij ziet dat de wijn op is. Moeder staat hier voor het symbool van dat Israël dat ziet dat er iets niet volledig is in de verhouding God – Israel. Zij attendeert Jezus op dit gebrek (aan wijn) en bemiddelt in dit gezelschap . Zij geeft de bediende instructie te doen wat Jezus vraagt.
    • Jezus en zijn leerlingen zijn genodigd zij vertegenwoordigen de messiaanse gemeenschap. Jezus antwoordt haar: (dat de wijn op is) 'betekent dat iets tussen u en mij'? Dat wil zeggen wat u vertegenwoordigd en wat ik vertegenwoordig is niet hetzelfde. Jezus taak is voorbeelden van bevrijdend licht te brengen in de wereld door zijn woorden en daden. Een lichtend voorbeeld van  een nieuwe interpretatie van de Tora. Johannes zal dit verhelderen door tekenen en werken van Jezus te beschrijven. Jezus vervolgt: 'vrouw, (niet moeder), mijn uur is nog niet gekomen' (2.4). Doordat Jezus toch in actie komt op dit bruiloftsfeest wordt aangegeven dat dit uur er aan zal komen. Jezus zijn uur is pas gekomen, als zijn zending voltooid zal worden (12.23) Het antwoord van Jezus geeft een kritische spanning aan tussen de realiteit van het gezelschap/de samenleving en de praktijk zoals die zou moeten zijn in de messiaanse Johannes gemeente. Jezus geeft opdracht de water vaten te vullen, tot aan de rand.
    • Leerlingen. Kunnen Jezus glorie zien en zodoende leren tot geloof te komen (2.11)
    • Watervaten: De 6 vatten (bijna een volmaakt getal) voor het reinigingsritueel, volgens de Tora, waren niet vol. Dit reinigingswater van de Judeers (2.6), is symbool van de reiniging door de Tora, (zoals ook doopwater).Het navolgen van de Tora functioneerde dus niet volledig. Judeers zijn, in het Johannes evangelie, de tegenstanders van Jezus, die het met hem oneens zijn over zijn woorden en daden en zich daardoor bedreigd voelen.  De vatten moeten weer tot de rand toe bijgevuld worden (2.7). De naleving van de Tora is gedeeltelijk uit het zicht en moet weer volop zichtbaar gaan functioneren. Het water moet weer levend water worden, ter leniging van het gebrek: wijn.
    • Wijn: De navolging van de Tora zal weer waarachtig moeten worden, in navolging van de goede wijn van de ware wijnstok. (15.1-5 Johannes schrijft slecht 2x over wijn) . Toen in een wereld van oorlog en onderdrukking (door de Romeinen). Omdat getoond wordt dat het anders kan, dat meer dan het gewone mogelijk is en leerlingen daarin geloven. (2.11)
    • De bedienden:  (In de Griekse tekst staat niet bedienden of slaven maar: diakonos, zij die dienstbaar zijn en Jezus volgen 12,26). Deze diakenen moeten de vaten tot de rand toe met water vullen. De diakenen krijgen de opdracht wat in de vaten zit te brengen naar de ceremonie meest, die proeft het en het blijkt wijn te zijn. De diakens maken nu, evenals in de gemeente, deel uit het geheim. Zij ervoeren hun taak (in de gemeenten) dat de Tora volledig uitgevoerd moet worden, zodat gebreken gelenigd kunnen worden. Jezus staat te midden van hen, maar wordt nog niet herkent.
    • De ceremonie meester: Is verbaast over het beleid van de bruidegom, die de goede wijn bewaart heeft tot de derde dag. – De dag waarop het water van het land gescheiden werd en groene planten en vruchten ontstonden die zaad voortbrachten! 
    • De Bruidegom: De reactie van de bruidegom, die geroepen werd door de ceremoniemeester lezen we niet. Omdat het hier gaat om, de slechts gedeeltelijke relatie met de Andere Bruidegom, God. De relatie van de Ene met Israël en de volken als zijn (volledige) bruid. 
    • De bruid  deze is nog afwezig. Het leerproces van de bruid zal in eerste instantie tot doel hebben, het herstel van Sion / Israël (jes. 62) en dan met de volken. Een leerproces tot op vandaag.

    Tot op vandaag.

    Kana, als een eerste teken om te leren dat wat in de Tora beschreven is, weer een creatieve rol zou moeten spelen in de messiaanse (Johannes) gemeente. Dat blijkt een lange leerschool te zijn, voor alle geloofsgemeenschappen, tot op heden.

    Voor een geloofsgemeenschap ook nu betekent dat, dat het niet gaat om geloven in dogma's, maar in woord en daad om te zien naar elkaar en naar mensen die op haar weg komen. Niet zwijgen waar het gaat om onrechtvaardigheden en liefdeloosheid. In onze samenleving bijvoorbeeld daar waar:

    • op de neoliberale markt  gezegd wordt dat iedereen het eigen geluk zelf moet zoeken en anders aangemerkt wordt als een mislukkeling,
    • mensen het gevoel hebben niet gehoord te worden,
    • ongenoegen, door crisis, oorlogen, angst en onzekerheid, op buitenlanders, joden en vluchtelingen afgewenteld wordt, 
    • door het populisme angsten en nationale gevoelens  aangewakkerd worden,
    • de  wapenhandel floreert, onveiligheid gepromoot word, met als gevolg dat de defensie begroting opgevoerd zou moeten worden!

    Een geloofsgemeenschap in deze tijd zal kunnen trachten, samen met anderen waar mogelijk, niet te zwijgen over het onrecht. Maar creatief  het zaad van liefde en gerechtigheid, dat in hen is, te zaaien.  Zoals Jezus heeft voorgeleefd.  Zijn leerlingen heeft hij opgeroepen dat trachten te doen in het koninkrijk van God dat is en komende is, gesteund door het krachtveld van de Geest. Het is nooit te laat om daar mee te beginnen.

    Héleen  Broekema 12.01.17

     

    Laten we ermee beginnen....

    Een jongeman had een droom.

    Hij kwam in een winkel.

    Achter de toonbank stond een engel.

    Haastig vroeg hij hem:

    'Wat verkoopt u zoal meneer?'

    'Alles wat je maar wil'.

    De jongeman zei toen:

    'Dan wou ik graag:

    het einde van de oorlog op aarde,

    betere kansen voor de mensen aan de rand,

    opruiming van de krotenwijken in Latijns-Amerika,

    arbeid voor alle werkzoekenden,

    vormingsmogelijkheden voor jongeren,

    en.....'

    Maar de engel viel hem in de rede:

    'Verontschuldig me, jongeman,

    je hebt me verkeerd begrepen.

    We verkopen geen vruchten,

    We verkopen enkel zaad'.

    8 januari 2017

    Driekoningen, 8 januari 2017

    Jesaja 60,1-6 Psalm 72  Efeziërs 3,1-12  Matteüs 2,1-12

    11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.

    Wat is het toch een heerlijk verhaal, dat van die Wijzen uit het Oosten. De μάγοι, de ‘magiërs’, de geleerden van hun tijd, astrologen – wie zal zeggen welke status ze gehad kunnen hebben in een omgeving waar het hemelgewelf naarstig werd bestudeerd, hetzij om te kunnen navigeren tijdens nachtelijke tochten wanneer het overdag te heet was om te reizen, hetzij om te speuren naar tekenen voor de toekomst. De traditie is nogal aan de loop gegaan met de paar regeltjes die alléén Mattheus aan hen wijdt: van de ‘wijzen’ zonder getalsaanduiding heeft ze drie koningen gemaakt (de traditie denkt graag in drieslag en ook: ze hebben drie ‘gaven’ bij zich), ze heeft ze namen gegeven (Caspar, Balthasar en Melchior) en leeftijden (in de vroegst Christelijke traditie staan ze voor jeugd, volwassenheid en ouderdom) en zelfs een kleurtje – waarmee ze vertegenwoordigers geworden zijn van de drie dan bekende leefgebieden: het oosten (bruin), het westen (blank) en het zuiden (zwart). Het staat allemaal nergens, maar de volksfantasie heeft het er van gemaakt en het verhaal daarmee een onschatbare iconische waarde geschonken. Heerlijk zo’n verhaal, waarin nou eens niet de verondersteld historische lading de betekenis zal bepalen, maar puur de kerygmatische.

    Sterrenkijkers zijn ze, sterrenwichelaars zo u wilt, gewend om omhoog te kijken. Maar nu hebben ze iets gezien wat in hoge mate hun aandacht heeft getrokken, daar, in het oosten in de woestijn waar de lucht kurkdroog is en dus vaak ook glashelder.

    In het tweede vers vinden we de term “προσκυνήσωμεν “ die enerzijds kan verwijzen naar een ceremoniële handkus waarmee men hooggeplaatsten eer of hulde kan bewijzen, anderzijds naar “ter aarde werpen” of neerbuigen in onderwerping; we mogen daarbij denken aan een prosternatie zoals die in andere geloofsculturen te doen gebruikelijk is. Wanneer de Wijzen aankondigen dat ze een nieuwgeboren koning willen aanbidden, dan reageert Herodes nogal gestoken, want de machtigste man van het land is HIJ en hij duldt geen concurrentie. Zou Herodes beseffen dat maar weinig mensen bestand zijn tegen de macht van pasgeboren onschuld? Dat het kind in de kribbe gebruikelijke kennis en geleerdheid tot dwaasheid kan maken, alleen al door te ZIJN, en dat het Wijzen, die gewend zijn vér omhoog te kijken, kan dwingen omlaag te kijken naar het wonder van het alledaagse? En dat dat kind in die kribbe tijgers kan veranderen in lammeren?

    En dan die geschenken of gaven: ook die zijn, net als het verhaal, uit het jaar nul, van lang vóórdat er kraamcadeautjes werden gegeven. We kunnen daarbij invullen dat deze drie “Wijzen” zijn die geschenken meenemen: ze schenken Hem macht (goud), een verbond met de hemel (wierook) en ze verwijzen met de balsemhars naar Zijn toekomstig lijden. Het kan. Maar misschien kan er nog iets:

    θησαυρούς (openmaken, openleggen) kan vertaald worden als “schatten”, als schatkistjes die voor het Kind in de kribbe worden opengemaakt, blootgelegd zo u wilt. Goud kan dan verwijzen naar ons aardse slijk en naar onze machtswellust, balsemhars kan ook worden uitgelegd als verwijzend naar algemeen menselijk lijden en wierook staat dan voor de verbinding met de hemel of het transcendente, kortom, de θησαυρούς kunnen verwijzen naar alles waar we allemaal zo druk mee zijn, zo dat we meestal het belangrijkste vergeten: de barmhartigheid en de trouw (vgl Mt 9:13). En juist die drie θησαυρούς , die voornaamste drie aardse besognes leggen de ‘Wijzen’ aan de voeten c.q. in de handen van het kind in de kribbe.

    En die ster? Sterrenkundigen uit alle windstreken en tijden hebben er zich het hoofd over gebroken, wat voor een ster dat zou kunnen zijn: een supernova, de komeet van Halley?

    Of zouden we in dit fantastische verhaal, letterlijk fantastisch omdat het zo de fantasie, de verbeelding heeft geprikkeld door de eeuwen heen, zouden we dan die ster niet gewoon mogen interpreteren als DE ster, oftewel de ster van David?

    In de antieke vóórmiddeleeuwse wereld nam het hoogfeest van Driekoningen een veel grotere plaats in dan bij ons; de θησαυρούς brachten ook nog wat liefdadigheid van de westerse kerk op gang waarmee deze in de eerste week van januari de allerarmsten een beetje ondersteunde, van waaruit weer tradities zijn ontstaan van bedelaarsfeesten en lampionoptochten (Tilburg), kortom, stof genoeg voor een diepzinnige en toch vrolijke overweging

    Liedsuggesties: Ps. 72, Ld 918, Ld 515 e.v.

    25 december 2016

    Kerstmis 25 december 2016

    Psalm 98 Jesaja 52,7-­‐10  Hebreeën 1,1-12 Johannes 1,1-14


    Kerstmis op een zondag. Wie moet voorgaan dit jaar kan het misschien wat beter overzien. Of heeft juist een zo compact programma dat alles over elkaar heen valt.

    Thema’s uit onze lezingen: Blijdschap en zingen, verwachting die vervuld wordt. God heeft gesproken tegen de mensen vóór ons, en nu horen en zien wij ook een voorbode van vrede en de heelheid. Hij komt, die we verwachten. Want het komt van een mens van God, het komt van de mensen die zijn boodschap konden bevatten en in praktijk brengen. Hier in het noorden hebben we de verwachting van Jesaja, de jubel van de Psalmen, het Woord dat mens werd in een pasgeboren kind – dat alles hebben we gekoppeld aan het feest van de Zonnewende. Zinvol of niet zinvol, het zit gewoon in ons, zoals het verhaal van de geboorte van de kinderen in ons eigen midden. En dan zijn we nu bij de Schriften.

    Psalm 98 is, samen met Psalm 96, het nieuwe lied dat wij zingen over Hem die eindelijk eens recht zal spreken en het ook zal uitvoeren. We mogen elkaar toezingen zodat we niet opgeven dat recht ook te doen. Vandaag mogen we daarbij zingen en dansen en spelen op de harp en de trompetten. De rivieren klappen in de handen, de bergen wiebelen van vreugde. Want er zal recht gedaan worden aan mens en schepping. Het begint in Israël, en het gaat verder de wereld door. `

    Jesaja 52

    Word wakker en laat je troosten, zegt de profeet tegen Jeruzalem. Heerlijk zijn de voeten van de vreugdebode op de bergen: zij brengen een boodschap van vrede en heil. De verste uithoeken van de aarde zullen het zien! Dit is het einde van een tijd van belegering, vluchten en meegenomen worden. En dan leven onder het juk van een buurvolk dat dol is op veroveren van grondgebied en daarbij terloops de mensen opruimt. De profeet kijkt nog even naar het verleden, hoe het volk Israël gebukt ging onder het juk in Egypte en geterroriseerd werd door de Assyriërs. “Ik liet het toe,” laat de profeet God zeggen. (We noemen hem Deuterojesaja of zelfs Tritojesaja – we weten zijn naam niet meer. Zijn woorden zijn toegevoegd aan het boek van de “eerste” Jesaja. Hij ziet de deportatie van zijn volk als een consequentie van de onderlinge omgang en doortrapte diplomatie – net niet doortrapt genoeg, en zo volgde er deportatie naar het gebied van de Babyloniërs. Toch zag ook deze Jesaja het heil weer verschijnen aan de horizon: er zal een bijna goddelijk kind geboren worden, en dat brengt heil -heelheid. Nu is het dan zo ver, doe je mooiste kleren aan, je mag terug naar waar je volk vandaan kwam! Hebt u ooit van de zingende ruïnes van Jeruzalem gehoord? Hier zijn ze, in de visie van de anonieme profeet. Ga dan op weg, want Hij zelf zal voor je uit gaan en je achterhoede beschermen. Reinig je, en dat betekent iets geestelijks in de taal van die tijd. Laat Babylon en zijn goden achter, en richt je op de Ene. Je bent een heilig volk, van Hem, en je hoort niet bij dat hele Pantheon van machten die zich nooit uitspreken over hun bedoelingen. Dit Israël is een volk van goddelijke en menselijke woorden. Wij weten dat er niet lang geleden opnieuw een terugkeer heeft plaatsgevonden. Andere volkeren hebben daarvoor betaald, en of dat nu de bedoeling was van de Ene? Voor ons gaat het er om dat we ons inleven in mensen, en blijven zien wat de bijzondere missie is van Israël. De Ene is barmhartig, en wij geloven dat Hij er is voor alle mensen. Dat maakt het soms lastig om te spreken over het heil van God voor Israël en het heil voor de volkeren. Van beide is sprake in het boek Jesaja!

    Johannes 1

    De lezingen uit het N.T., de geschriften van het vroege Christendom, zijn op deze Kerstdag uit de brief aan de Hebreeën en de brief en het evangelie van Johannes. Johannes was de “discipel die Jezus liefhad.” We weten niet zeker of deze Johannes dezelfde was. Hij is behoorlijk geleerd met zijn Christologie van het Woord, de “Logos” in het Grieks. Hij spreekt de taal van Christenen die georiënteerd zijn op de Grieken. Voor Johannes is Christus het Woord dat al bij de Schepping aanwezig was bij God. Hij was -en is- het Licht. Hij was zelf betrokken bij de schepping van de wereld, de kosmos, maar de wereld verwierp Hem. Zijn eigen volk zag niets in zijn aardse missie van aanvaarding tussen God en alle mensen die in hem geloven. Dit is een heel poëtisch begin van het vierde Evangelie. Je moet het eigenlijk hardop lezen of van binnen horen, voordat je er een Christologie aan ontleent. Het gaat over God, die als mens in ons midden wil wonen en ons als Zijn kinderen wil zien.

    De brief aan de Hebreeën is door een anonieme auteur geschreven, en is gericht aan Hebreeuwse, dus Joodse Christenen die er over denken terug te keren naar hun oorspronkelijke godsdienst. De strekking komt aardig overeen met het eerste hoofdstuk uit het Johannes-Evangelie. Maar de auteur (Paulus?) is een geleerde Jood, die argumenteert en op grond van de Joodse geschriften, het zogenaamde “Oude Testament.” Hij beroept zich ook op de latere leer van de engelenmachten, en hij argumenteert voor het Zoonschap van Christus, die meer is dan de engelen. Hij is de Zoon van God zelf.

    Als u nog inspirerend wilt preken zondag, dan hebt u hier veel keuze!

    Janna F. Postma


     

    18 december 2016

    4e advent 18 december 2016

    Enige gedachten bij: Jes. 7.1-17, Mat.1.18-25, Rom1.1-7, Ps 24 voor zondag 18 dec. 2016, 4e Advent, Kerk en Vrede.

    Leader

    De vierde adventskaars, de herderskaars, wordt aangestoken. Jezus als voorbeeld voor de goede herder, zoals zijn Vader. Wat zegt dat ons, wat doet dat met ons in onze levenspraktijk?

    Inleiding.

    Jes. 7 is het begin van de liederen van het einde van de tijden. In 7-66 wordt in deze 'Liederen van het einde van de tijd' het eind van de tijd steeds anders aangeduid. Na de verwachting van een derde tempel krijgt het, in de joodse traditie, uiteindelijk de betekenis van de verlossing van de hele wereld.

    Matteüs gebruikt de voorspelling over de zwangere jonge vrouw (7.14) om aan te duiden dat Maria, de moeder van Jezus, deze jonge vrouw/maagd zou zijn. Daarmee wil hij aantonen, dat, in de lijn van het joodse volk vanuit de Tenach, Jezus de beloofde Messias is.

    In de Romeinen lezing (Rom.1.1-7) getuigt Paulus van zijn opdracht in navolging van Jezus, als zoon van God, op een zelfde wijze. Zijn opdracht is dit in gehoorzaamheid en geloof te verkondigen, ook aan de geroepenen in Rome. Die hij aanspoort in navolging van Jezus te leven.

    In Ps. 24 wordt de dynamiek bezongen, voor toen en in de toekomst, te zoeken naar de wederzijdse herkenning en erkenning tussen Israëls God en de mensen die hem zoeken. Niet iedereen mag zijn hoogte bestijgen, alleen mensen zuiver van handen. Dat zijn geen mensen die naar wapens grijpen of het leven van elkaar tot een hel maken. Het gaat om integere mensen toen in hun wereld en nu in de onze. Onze wereld is een dorp geworden met schending van mensenrechten, oorlogen, economisch onrecht en ander geweld.

    De vierde adventskaars, de herderskaars, wordt aangestoken. Jezus als voorbeeld voor de goede herder. Wat zegt dat ons, wat doet dat met ons.

    Jes. 7.1-17,

    In 734 voert Rezin, de Koning van Aram/(As)Syrië samen met Pekach de koning van Israël oorlog tegen Juda en belegerd Jeruzalem (o.a.2 kon.16.5-9 ev. Achaz deed niet wat goed was in de ogen van de Heer). Jesaja krijgt de opdracht, van God, samen met zijn zoon, de afvallige Koning Achaz buiten de stad te ontmoeten. En hem te zeggen: het hoofd koel te houden, omdat wat de belagers bedacht hebben niet zal gebeuren. Achaz twijfelt aan deze boodschap. Hij mag God om een teken vragen, maar wil God niet verzoeken/ op de proef stellen. De Heer geeft dan zelf een teken aan het huis van David: 'De jonge vrouw (ha álmah) is (NBV/zal worden(NB/StV) zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen'. Maar voordat dit plaats vindt zal het land begroeid zijn met doornen en distels. De naam Immanuel (God met ons) kan aangeven dat ondanks de duistere toekomst God zijn volk niet zal vergeten. De zoon van Jesaja wat dus getuige van de belofte voor zijn nageslacht. Matteüs gebruikt deze belofte in zijn overzicht van de afstamming van Jezus. (1-17).

    Mat.1.18-25,

    Om Jezus te plaatsen in het kader van de Tenach laat Matteüs het verhaal over het verlossend werk van Jezus Messias vooraf gaan door Jezus' wordingsgeschiedenis. Een geslachtsregister, zoals achteraf vaak gebeurt en gebeurde bij mensen van betekenis. In 1.18 Jezus wordt beschreven dat Jezus ontvangen is door de heilige geest. De zending van Jezus de Messias is in de geest van de Vader, in de geest van een nieuwe schepping. Deze Jezus is de vervulling, zegt Matteüs, van de vrouw (niet de maagd) die zwanger zal worden en een zoon baren en hem de naam Immanuel, God met ons, gegeven (Jes. 7.14). Matteüs grijpt in het geboorte verhaal van Jezus terug op de belofte aan Achaz. In 18-25 wordt gesproken over wie dit kind Jezus is en wat Hem te doen staat: zijn volk redden en bevrijden van de zonden. God zal daarin openbaar worden. Hoe Jezus te werk gaat en zijn leerlingen voorbereid naar zijn voorbeeld, in de geest van zijn Vader, zijn werk voort te zetten beschrijft Matteüs in de rest van zijn evangelie.(3.1- 28.20).

    Jezus leefde voor, hoe mensen recht gedaan kon worden, hoe mensen door mensen kunnen ervaren dat God met hen is. Hij was geen populist, die zich conformeerde met de wil van het volk of de leidinggevende in de tempel of synagoge. Hij moest dat zelf met de dood bekopen, omdat mensen andere verwachtingen hadden van een langverwachte Davids zoon, die zou immers verlossen van de Romeinen. Zijn verlossing was van een geheel andere aard. Hij werd aangemerkt als zondebok. Dat werd voor christenen niet het einde maar een nieuwe begin. De verlossing voor alle mensen. Door zijn voorbeeld van opstaan tegen onrecht is hij geworden tot de opgestane, die zijn leerlingen deed opstaan om in de geest van zijn Vader, verder te werken. Saulus zag dat aanvankelijk, zoals zovele, niet zitten. Als Paulus werd hij een getuige en ervoer dat als genade. Waardoor hij ook weer de Romeinse gemeente op kon roepen vol te houden door te geloven en daardoor hun leven in te richten in gehoorzaamheid.

    Jezus vraagt geen grootse dingen,

    Hij laat voor velen weer licht schijnen in hun wereld van ellende of vraagtekens bij de zingeving van hun leven. Jezus onderwijst daarin, in woord en daad, zijn leerlingen. In de toelichting op de Bergrede staat o.a. 'Zo moeten jullie je licht laten schijnen voor de mensen, opdat zij jullie goede daden/werken zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel (mat. 5.16). Helende woorden en gedachten kunnen functioneren als handen en voeten van God op aarde. Bijna aan het eind van zijn Evangelie laat Matteüs Jezus nog eens samenvatten: het zit in kleine dingen ten opzichte van de naaste die op je weg komt. In het bijzonder de naaste in situaties waarin we zelf dromen nooit terecht hopen te komen. En waar vaak vooroordelen over zijn. We zijn meestal niet op de hoogte hoeveel barmhartigheid, naast alle ellende, ook onderling geschied tussen gevangene, daklozen, vluchtelingen ect. Jezus roept op tot verantwoordelijkheid, te zien wat in de naaste omgeving nodig is. Deze samenvatting staat in hoofdstuk 25, aangeduid als werken van barmhartigheid. Het gaat er dus om: als herder opmerkzaam te zijn op wat verloren dreigt te gaan in onze wereld, maar vooral in onze omgeving, waar mensen zich soms voelen alsof of werkelijk door raderen vermalen te worden.

    Advent,

    de vierde adventskaars is aangestoken. Jezus als voorbeeld voor een goede herder, zoals zijn Vader. Wat zegt dat ons, wat doet dat met ons. In onze levenspraktijk?

    Hoe bereiden we ons voor op Kerst 2016 in een wereld die tastbaar of versluierd in oorlog is. Waar, evenals de situatie in de lezingen van Jesaja en Matteüs, velen onder lijden. Angst voor terrorisme, angst van mensen die dagelijks gebombardeerd kunnen worden, angst van vluchtelingen. Zij wagen hun leven op zee, staan voor gesloten grenzen, hebben vaak geen opvang en bouwen zelf tentenkampen om bij elkaar te schuilen.

    Kerst: vrede op aarde.

    Vrede wordt verkocht als: geluk zoeken door jezelf en tot rust komen in een door techniek bepaalde 24 uur economie. Vrede met jezelf, gezelligheid in eigen huis. Enigszins leven in vrede en harmonie met je zelf, is niets mis mee. Dan kan je ook pas liefde en aandacht schenken aan anderen Het is de nieuwe religie van de markt en minder moraal die het verkoopt als het ultieme privé.

    Bij ons thuis hing vroeger een spreuk: vrede is geen afwezigheid van oorlog, maar aanwezigheid van God. Dit zou ook uitgelegd kunnen worden als een passief ondergaan van het lot, jouw toegewezen door God. Toch weten christenen dat zij niet overgelaten zijn aan het lot. Immanuel God met ons wil ook zeggen dat mensen in het scheppingsverhaal en in de samenvatting van de Tora, de 10 woorden, geroepen zijn tot verantwoordelijkheid ten opzichte van hun naaste, vreemdeling, de samenleving en de aarde. Dat hun 'deur' niet dicht, maar open zou moeten zijn voor de ander en wat er speelt in eigen context. Dit als gevolg van de problematiek in de wereld, die een dorp geworden is. Dit om dat het niet gaat om het kindje teer, maar om de gekruisigde, de opgestane. Die zijn leerlingen is voorgegaan en hen oproept, in het krachtveld van de Geest van de Vader, in eigen context en naar eigen vermogen te zien waar onrecht en geweld plaats vindt, dat tot onvrede leid en waarom dat zo zou kunnen zijn.

    In onze wereld gebeuren dingen die niet zouden mogen gebeuren. We kijken er vaak naar en voelen ons onmachtig. En toch....

    Zou het mogelijk zijn om ons te verdiepen in de achtergronden cq oorzaken van onrecht en onvrede, die we waarnemen of horen door de verhalen van mensen of uit de media. Ons bewust te worden van onze roeping en verantwoordelijkheid. Daarin keuzes te maken in wat naar eigen vermogen mogelijk is. En zodoende onze roeping als leerlingen van Jezus een beetje waar te maken? Gebed en geld voor noden dichtbij en ver weg zijn van belang. Barmhartigheid is meer. Het vraagt in eerste instantie om verdraagzaamheid, solidariteit, omzien naar elkaar. De voorbeelden die Jezus zijn leerlingen geeft zijn in eigen context en kleinschalig diaconaal. Daarnaast is het belangrijk dat we missionair zijn, open naar de samenleving. Ons licht laten schijnen, door te luisteren naar de verhalen van mensen die aangeven geen vrede te hebben met hun situatie, zich door de politiek in de steek gelaten voelen of die door maatschappelijke omstandigheden zoals: discriminatie, schulden, armoede, werkloosheid, dakloosheid, op de vlucht economisch of door oorlogsomstandigheden. Ons licht opsteken door naast directe hulp, samen te zoeken naar oorzaken en wegen tot verandering. Benoemen en aanklagen waardoor het onrecht, de onvrede, het geweld plaats vindt.

    Door zo in het leven te staan is Kerst een feest van viering en bezinning in het bewust zijn dat er andere mogelijkheden zijn dan de doorsnee praktijk en opvattingen. Dat we kunnen trachten messiaanse gemeente te zijn in het rijk van God, dat is en komende is.

    Héleen Broekema

    Die ons voor het Licht gemaakt hebt dat wij leven:

    Spreek licht, wees hier aanwezig in uw Naam.

    Ik zal er zijn

    11 december 2016

    3e zondag advent 11 december 2016

    Zondag Gaudete

    Jesaja 35,1-10  Psalm 146 Jakobus 5,7-10 Matteüs 11,2-11

    Bij het maken van deze schets staat Math. 11:3 centraal:  En (Johannes) zeide tot hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen? Ik hanteer bij voorkeur brontaalgetrouwe vertalingen (SV)

    In Mattheus 11 vinden we (v.2) Johannes in de gevangenis. Zijn gevangenschap mondt uit in executie. Echter, geen kerker zo donker of zo massief gebouwd, kan hem beletten te spreken of vragen te stellen.

    Johannes is onzeker ; onzekerheid over verwachtingen of twijfel over de manier waarop dromen werkelijkheid worden is niet ongewoon in de literatuur van Israël. We vinden soortgelijke onzekerheden bij Elia (1 Kon. 19) en ook bij David (1 Sam:25:23 e.v.). Johannes heeft nog geen van zijn verwachtingen ten aanzien van Jezus uit zien komen, en daarom stuurt hij twee van zijn vrienden naar Jezus toe. Jezus’ beantwoordt hun vragen met een wedervraag: kunnen jullie vertellen wat je ziet; misschien is het niet wat je verwacht, maar dat betekent niet dat er geen tekenen zijn.

    In de verzen die volgen vraagt Jezus aan zijn gehoor om niet te kijken met de ogen van een bevooroordeelde; wanneer verwachtingspatronen te veel ingevuld zijn komen ze nooit uit. Jezus wijst de vrienden van Johannes op een paar tekenen uit de directe, zichtbare omgeving: doven die zijn gaan horen, blinden die ziende zijn geworden, zoals ooit voorzegd door Jesaja (Jes 29: 18). Wanneer je echter buigende rietstengels verwacht in de woestijn, wanneer je daar kostbaar geklede mensen wilt ontmoeten, uitgedost alsof ze naar een galafeest aan het hof gaan, dan kom je altijd bedrogen uit. De toon is hier bijna spottend; we moeten voorzichtig zijn met het verbinden van allerlei diepzinnige betekenissen: de taal van OT en NT kan ook puur functioneel zijn. Taal kan illustratieve beelden oproepen, en dat lijkt hier precies Jezus’ bedoeling. In vers 11 kondigt Jezus zowel het einde van de profetie van Israël aan als ook het naderend koninkrijk.

    Het twaalfde vers is niet opgenomen in de lezing, wellicht omdat het als ietwat pessimistisch kan worden ervaren op deze “lichte” adventszondag. Het getuigt echter wel van reëel inzicht in de dagelijkse werkelijkheid: er is veel scepsis ten aanzien van dat koninkrijk.

    Aanwijzingen voor de overdenking:

    Op deze derde adventszondag is de toon licht, de vreugde om het komende licht staat centraal. De vragen komen van Johannes, de antwoorden van Jezus. De profetie eindigt hier en de vervulling van de belofte is aanstaande: het aangekondigde licht. Deze zondag vervult een scharnierfunctie in de adventstijd: weliswaar zal het eerst donkerder worden voordat het licht verschijnt, maar de belofte van licht en leven is onmiskenbaar. Johannes, in misschien zijn donkerste uur, stuurt er zijn vrienden voor op uit. Hij doopte met water; zal de wereld ooit de doop met het vuur van de geest gewaarworden?

    Ook Johannes heeft de woorden van Jesaja gekend. Jesaja, die niet ophoudt ons moed in te spreken, juist in tijden van rampspoed en onderdrukking. Dwars door de ellende, aangericht door Tiglat Pileser, Nebukadnezar, Herodes en al die andere tirannen en dictators zijn de woorden van Jesaja steeds weer ongeschonden komen bovendrijven. Johannes heeft er zich aan vastgehouden, in Christus worden ze vervuld en ze houden niet op ons moed in te spreken. We zouden een tussentijdse meditatie kunnen wijden aan de kracht van het Woord, sterker dan die van wapens en laarzengestamp, het woord dat zich niets aantrekt van kerker, prikkeldraad of boekverbranding. We zouden kunnen afsluiten met Jacobus’ oproep om geduld.

    Geraadpleegde bronnen:

    Beknopt Commentaar op de Bijbel in de Nieuwe vertaling, 2e druk, Uitg. Kok, Kampen, 1985

    Exegese van het Nieuwe Testament, Gordon D Fee, 2e druk, Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 2007

    https://www.biblegateway.com/resources/commentaries/IVP-NT/Matt/Questions-Man-God

    27 november 2016

    1e advent 27 november 2016

    (Gebruikte vertaling: Naardense Bijbel.)

    Psalm 122

    Jeruzalem, waarheen alle stammen opklimmen, … daar staan de tronen van het recht…vraag voor Jeruzalem vrede! Stad van Vrede: dat is de betekenis van Yerushalayim. Hoe kunnen we daarover anders schrijven dan met een brok in de keel. Shalom, de belofte voor Jeruzalem. Deze belofte zweeft nog steeds boven de stad. In het Omniversum in Den Haag bekeek ik een film over Jeruzalem. Wat je ziet is hoe mensen van heel verschillende afkomst samen door de straten lopen. Het leven gaat door, ook al is er geen vrede. Uit de eerste hand hoorde ik later hoe veelkleurig Tel Aviv is en hoe daar meer vormen van vreedzaam samenleven bestaan dan in Jeruzalem. Maar je hoeft alleen het nieuws te volgen om te zien hoe kwetsbaar ook die vrede is. En als je op een kaart naar de muur kijkt, besef je hoe zeer mensen zich aan beide kanten bedreigd voelen. De macht ligt in Israël/Palestina, bij het volk dat ons nog steeds zo inspireert door de geschriften die het heeft nagelaten. En door de verhalen over het optreden van Jezus en zijn volgelingen. Maar waar is nú de vreugde van de opgang naar Jeruzalem gebleven, voor alle bevolkingsgroepen die in dit land wonen? Het onderstaande bericht gaat niet over Jeruzalem maar over Bethlehem, aan de muur. Ik wilde het u toch niet onthouden. Het komt van Fernando Enns, hoogleraar voor vredestheologie en ethiek aan de VU, en luidt -ingekort- als volgt:

    „De internationale Stuurgroep van de Wereldraad van Kerken kwam in het afgelopen jaar bij elkaar in Bethlehem, Palestina. Bij een acht meter hoge muur, tweemaal zo hoog als vroeger de Berlijnse muur. Gebouwd als meer dan een provocatie, ook om de veiligheid van de Israëlische burgers te vergroten. Voor de Palestijnen die we hier treffen is het een collectieve gevangenis. We ontmoeten elkaar in het centrum voor conflictoplossing (Conflict Resolution). Deze mensen zijn bezig met alternatieven voor gewelddadig verzet, proberen het gemeenschapsgevoel te versterken en getraumatiseerde kinderen bij te staan. Onder de druk van de situatie ontstaan ook onderlinge conflicten, die men probeert te beslechten. “Overleven als mensheid door alternatieven te vinden voor geweld,” dat is hun richtlijn, ontleend aan M.L. King. Wij nemen buiten plaats aan een rijk gedekte tafel, om persoonlijke getuigenissen met elkaar te delen. We zitten nog maar net, of er daalt een wolk traangas op ons neer. Toeval? Hier kunnen we niet blijven, we moeten naar de krappe ruimte binnen. De Lutherse bisschop Yunan spreekt daar over een mogelijke gezamenlijke toekomst van Israëli’s en Palestijnen: “Ik ben niet optimistisch. Maar als Christenen kunnen we de hoop nooit opgeven!”

    Jesaja 2:2-4/ Micha 4

    En het zal geschieden in het laatste van de dagen… geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.’

    Een woord dat “aanschouwd” wordt door de profeet Jesaja: de geschiedenis zal voltooid worden als de Sionsberg tot middelpunt van de aarde wordt. Iedereen wil er wel heen klimmen. De wereld van de volkeren ziet deze stad op de berg als een plaats waar onderwezen wordt hoe je met elkaar kunt leven. Het is als een nieuwe schepping door de Ene, naast wie de goden verbleken en de Chaos wegvalt. De Ene zal zelf geschillen beslechten en recht brengen tussen de volkeren en gemeenschappen. Het voeren van oorlog wordt daarmee ondenkbaar. Zwaarden en speren worden gerecycled tot landbouwwerktuigen. De profeet Micha voegt nog meer toe: “Iedereen zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom – en niemand die hen opschrikt!”

    Mattheüs 24, en dan wel in z’n geheel

    Een beschrijving, door zijn volgelingen opgetekend uit de mond van Jezus, over het einde van de tijd waarin grote rampen zullen geschieden: “De gruwel der verwoesting.” Als dat voorbij is, dan zal de Mensenzoon komen op de wolken. Iets om een keer door te lezen en na te denken over natuurrampen, en over onheil dat we zelf met onze oorlogen, kernbommen en verwoesting van de schepping aangericht hebben: dit komt tegenwoordig niet meer zomaar over ons. Behalve bij een overstroming, een vulkaanuitbarsting of een tsunami. Het roept voor mij te veel vragen op, ook over de redding van de uitverkorenen. Valt dit samen met de Apocalyps, het boek van de Openbaringen, te lezen als een oordeel van Godswege - of is het een samenvatting van wat natuur en mens kunnen aanrichten? Het roept de vraag op naar Gods “goede schepping,” die ook rampen voortbrengt. Tenslotte herken ik er toekomstverwachtingen en praktijken van de Dopers in Münster in, en van de huidige Daesh in het Midden-Oosten – en van de represailles tegen hen. Te hoog gegrepen misschien om hier een zinvolle preek over te houden?

    Romeinen 13:8-14

    Deze keer wordt het gedeelte over het gezag, dat gehoorzaamheid en tol eist, overgeslagen. En dan zien we pas wat een juweeltje Romeinen 13 is: “Blijf aan niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben!” Het gaat helemaal niet om de overheid zelf: daaraan moet je je vrijwillig onderschikken, want zij staat als een soort “liturg” (Naardense Bijbel) in dienst van God.

    Het gaat er om dat je niemand iets schuldig blijft dan elkaar lief te hebben: daarmee vervul je de wet. Dat zou nog weleens moeilijker kunnen zijn dan je de politie van het lijf houden en je belasting op tijd te voldoen, denk ik daar dan bij. Alle fatsoensnormen staan hier onder het teken van “je naaste liefhebben als jezelf.” Liefhebben vervult de Wet. En wij maar denken: “Houd je aan de regels, dan kun je in je vrije tijd liefhebben of liefde bedrijven.” Over dat laatste heeft Paulus trouwens ook het één en ander te zeggen:” Houd je bij je eigen partner” – zo zouden wij dat vertalen. Hij heeft het dan ook nog over moorden, stelen, willen hebben wat de ander heeft. Dat laatste is mogelijk erger dan wij denken. En wijd verbreid is het zeker: drijft onze economie er misschien op? In slaap sukkelen terwijl het heil dichtbij is en de dag nadert, dat is niet de bedoeling: word wakker en wandel in goede vorm, met het licht als wapenrusting! De rest, over de beest uithangen en ruzie maken, dat overdenkt u maar zelf. Het slotakkoord: Bekleed je met de Heer Jezus Christus – dat stelt al je begeerten in de schaduw!

    Janna F. Postma

    20 november 2016

    Laatste zondag Kerkelijk Jaar 20 november 2016

    Enige gedachten bij: Maleachi3,19-24, Openb. 3,7b-12, Ps. 46, Lucas 21,5-19. voor zondag 20 november 2016, 10de van de herfst, Kerk en Vrede.

    De laatste zondag van het kerkelijk jaar. Joden en Christendom hebben geen cyclische denkwijzen. Zij herinneren zich in het heden, de belofte van het verleden, op een betere toekomst. De komst van de Messias of de Wederkomst. Voor een rechtvaardige toekomst hebben mensen zelf verantwoordelijkheid. (Vandaar de tweede afbeelding)

    Inleiding

    Op de laatste zondag van het kerkelijk jaar wordt de belofte van de Wederkomst centraal gesteld. Op deze derde zondag van de voleinding worden in veel protestantse kerken de overledenen van het afgelopen jaar herdacht. In de katholieke kerk wordt het hoogfeest van Christus Koning gevierd. De titel "koning" wordt in het Nieuwe Testament meermaals in verband gebracht met Jezus. De term Christus Koning verwijst naar één van de drie Messiaanse functies van Jezus: Koning, Priester en Profeet. Op het kruis hing boven het hoofd van Jezus het opschrift INRI, "Jezus van Nazareth, koning der Joden". Bij zijn geboorte vroegen de drie koningen ook naar koning der Joden. Ook op andere plaatsen wordt deze term vermeld. Dit vanuit de verwachting dat Pasen niet het laatste is.

    In de Tenach wordt beschreven dat er eens een dag zal zijn, dat er scheiding zal komen tussen hen die God gehoorzamen en dat niet doen. Voordat deze dag van de Heer aanbreekt, zal eerst Elia terugkomen (mal.3) om verzoening tot stand trachten te brengen. Jaren later zullen de volgelingen van Jezus deze belofte als voltooid zien in de komst van Jezus. De verwachting op een snelle wederkomst van Jezus, blijkt niet bewaarheid. De tijden zijn ellendig: oorlog, geweld en vervolgingen. In zulke tijden worden, niet alleen in jodendom en christendom, oude apocalyptieke verlossingsverhalen opnieuw, in een eigen context, verteld. In het nieuwe testament wordt het beeld van verschijning op de wolken hernomen. Zolang dit niet plaatsvindt houden zijn navolgers, zijn herinnering levend. Daarom begint volgende week de adventstijd.

    Van bovenstaande zou afgeleid kunnen worden, dat christenen cyclisch denken. Dat is niet het geval. Bij zowel joden als christenen speelt in het heden de belofte, vanuit het verleden, op een betere toekomst, een toekomstige nieuwe, rechtvaardige, wereld. Dat gaat niet vanzelf. Er is geen betere toekomst zonder eigen verantwoordelijkheid. Ieder schepsel als beeld van God heeft haar/zijn eigen verantwoordelijkheid om mee te werken aan verandering, zodat alle mensen tot hun recht komen. De joden hebben daarvoor de Tora als richtlijn. De christen de samenvatting daarvan in de 10 woorden, zoals Jezus deze heeft voorgeleefd. Beide verwachten een vredige nieuwe wereld. De joden zien uit naar de komst van de beloofde Messias. Christen zien Jezus als de beloofde Messias en zien uit naar zijn wederkomst. In eigen context terug grijpen op verhalen uit het verleden met betrekking tot de toekomst daarvan getuigen de lezingen.

    Maleachi 3,19-24. De laatste teksten van de 12 kleine profeten in het eerste testament Mal 3.19-24 NBV /4.1-6 StV sluit af met een toekomst perspectief voor hen die ontzag zijn blijven houden in de NAAM. De zon der gerechtigheid zal over hen opgaan. Huppelend als kalveren, die op stal hebben gestaan, zullen de gelovige naar buiten komen. (vandaar de afbeelding!) Daarna volgt een perspectief op een wraak tegen de ongelovigen. Jullie zullen de wettelozen vertrappen, zegt de Heer van de hemelse machten. Er wordt ook aangedrongen de wetten van Mozes te houden. De vraag kan gesteld worden: Hoe kunnen mensen, die de wetten van Mozes houden, met hun geweten overeen komen om de wetteloze te vertrappen. Dat staat dwars op gij zult niet moorden. In het nieuwe testament wordt deze scheiding over gelaten aan degene die op de troon zit. (openb.).

    Lucas

    In Lucas 20 en 21 worden de leerlingen vlak voor het laatste Pesach maal met Jezus, nog eens geconfronteerd met de werkelijkheid: – een dispuut met de Sadduceeën, die niet geloven in de opstanding van de doden. – Farizeeën die rondgaan in prachtige gewaden, maar de huizen van de weduwen opeten. Jezus, waarschuwt nogmaals voor misleiding door mensen die zeggen: ‘ik ben het’ of 'de tijd is gekomen'. Volg hen niet. En dan de weduwe, die haar laatste leeftocht in het offerblok doet. De leerlingen worden tot op het laatst toegerust om te zien wat er zich voordoet in hun omgeving, en hun verantwoordelijkheid in de toekomst. Ook in onmacht situaties.

    Naar aanleiding van de pracht van de tempel, die vernietigd zal worden, stellen de leerlingen Jezus de vraag. Wanneer dit zal gebeuren.

    In 21.5-19 legt Lucas Jezus de situatie in de mond, zoals de volgelingen van Jezus dat ervaren hebben, die het voorspel en de val van Jeruzalem in 70 hebben meegemaakt. Voorspellingen in de trant van Maleachi 3, worden herhaald:

    Gezinnen zullen uit elkaar gaan, omdat de één Jezus na wil volgen en de ander niet. Men zal zijn leer haten. Zij zullen vervolgd en gevangen genomen worden en uitgeleverd aan de synagoge. – Saulus c.s. en hun vervolgingen waren zeer heftig -. Dan volgt er een ondersteuning. Deze lijkt een beetje op God, die een burcht is voor de zijne (Ps.46). Als jullie voorgeleid worden of gevangen gezet bereid dan je verdediging niet voor, ik zal jullie wijsheid geven en de woorden in jullie mond leggen. Geen haar zal jullie gekrenkt worden. Zo worden de leerlingen geïnstrueerd wat zij wel en niet zouden moeten doen in onmacht situaties. Jezus' advies is: Red je leven door standvastigheid. Standvastigheid betekent niet alleen: geloof in mij en God. Maar ook wees standvastig in jullie daden, zoals ik jullie dat heb voorgeleefd en onderwezen. Lucas beschrijft in 21.27 dat de leerlingen de Mensenzoon op een wolk zullen zien komen en dat dan de verlossing nabij is. Hij grijpt ook hier terug op overgeleverde teksten in de Tenach.

    Ongeveer 20 jaar later worden, in de openbaring/apocalyps, visioenen van een zekere Johannes, gevangen op Patmos beschreven. Eerst krijgt hij de opdracht brieven te schrijven, aan zeven (vol getal!) gemeenten, o.a. Filadelfia (Openb/Apok 3.7-12). Filadelfia is een voorbeeld waarin de gemeente op een goede weg is. Het zijn in wezen zeven voorbeelden hoe wel en niet te leven tot de spoedige wederkomst van de mensenzoon. Dan volgen visioenen over wat er zal geschieden van uit de wolken. En schetsen van een toekomstige nieuwe hemel en nieuwe aarde. Het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God uit de hemel zal neerdalen.

    Apocalyptiek

    Apocalyptiek is de onthulling door visioenen van goddelijke geheimen. Veel volken kennen apocalyptische verhalen, maar openbaringen over een eindtijd zijn zeldzaam. In het jodendom beleeft de apolyptiek haar bloeiperiode in de 2e eeuw voor Christus: Henoch, 4 Ezra, de syrische Baruch – apocalyps e.a. Er zijn al teksten te vinden bij de profeten Jesaja, Ezechiel, Joël en Zacharia en Daniël. De evangelisten maken daar gebruik van.

    Teruggrijpen op apocalyptische verhalen gebeurt in verschillende tijdperken waar het economisch en politiek slecht gaat: als mensen zich achtergesteld voelen, in de vreemde verblijven, geen mogelijkheden hebben of vervolgd worden door oorlog en geweld. Dan wordt gefantaseerd over een betere toekomst. ,

    In de loop van de geschiedenis ontstonden, geïnspireerd door apocalyptiek, verschillende bewegingen die, soms als een soort sekte, zich isoleerden, om op een door hen berekende datum samen de komst van de nieuwe aarde af te wachten. Andere proberen door gebed en goede werken – zoals vroeger vele kloosters – een afspiegeling te vormen van de 'Stad Gods'. Steeds weer zijn er groeperingen die uitgaande van uit de context gelichte teksten, onder de vlag 'God met ons', hun ongenoegen omzetten in een belangenstrijd die, als gestoeld op de ware godsdienst, verkocht wordt. Ga maar na wat bijvoorbeeld op scholen geleerd werd/wordt over kruistochten, de tachtig jarige oorlog of 30 jarige oorlog. Die werden voorgespiegeld als: 'heilige oorlogen'. Terwijl het in wezen ging om economische en politieke belangen van partijen of naties. De werkelijke wortels en de oorzaken van de strijd werden voor een groot publiek meestal verzwegen.

    Om de strijd te legitimeren werden zondebokken gecreëerd. Zo voorbeeld: de uitzetting van de joden einde 15de eeuw uit Spanje en later uit Portugal, omdat de katholieke hun geld en land nodig hadden. Zij gingen als vluchtelingen naar Amerika (Columbus, maar o.a. ook naar Nederland). Terwijl mensen voordien als joden, moslims en katholieken samenleefden. Dat is nu nog te zien in de cultuur uitingen die bewaard gebleven zijn.

    Ook nu zijn er plaatsen waar, ondanks de verwoestingen en de strijd, die daar plaats vindt, mensen van verschillende religies samen leven en aan anderen onderdak bieden. Het zijn mensen die visioenen hebben voor veranderingen in hun context en trachten niet te vluchten, maar door hun daden zich geweldloos verzeten. En op deze wijze mensen stimuleren mee te werken aan verandering in hun situatie.

    Ook de IS zoekt naar verandering, en propageert bevrijding van uit het visioen dat samenleven in een kalifaat, zoals daar in de Koran over geschreven zou worden, een beter leven zal geven. Hun strijd gaat met veel geweld gepaard tegen anderen die niet hun ideologie beamen. Evenals veel andere, stammen en groepjes in verschillende landen in het Midden – Oosten, die een bevrijdingsstrijd voeren om veranderingen te bewerkstelligen. Zij willen onder de druk van het Westen uit komen. Het Westen heeft daar, al meer dan een eeuw, grote economische en politieke belangen, die mede de samenlevingen hebben bepaald. Rusland en Amerika verdedigen daar, met in hun kielzog Europese landen, steeds duidelijker hun belangen onder het mom dat ze beide IS bestrijden, bestrijden zij ook elkaar. Een strijd ver weg, maar met steeds meer tentakels in onze samenleving.

    Onmacht, of ondanks alles standvastigheid?

    Het Midden-Oosten is ver weg, Het uitwaaierende terrorisme is bedreigend. Er is een gewapende strijd met enorm veel burgerdoden. Na de stroom van vorig jaar worden nu vluchtelingen zoveel mogelijk buiten de grenzen gehouden. Vluchtelingen blijven zich verzamelen in overvolle kampen. Van afspraken daarover in Europa is ook nog niets gekomen. Populisme en nationalisme steken de kop op. Het lijkt nu al of de verkiezingsstrijd in Nederland er door bepaald zal worden. Dit geeft onmacht gevoelens. De wereld politiek en economie zijn vaak moeilijk te begrijpen. Er gebeuren in Nederland veel dingen die te maken hebben met het wereld gebeuren. Het geheel maakt angstig en vaak onmachtig. Terug trekken op eigen gebied is een reflex. Onmacht en angst gevoelens zijn legitiem.

    Gelovigen kunnen zich afvragen: Kan ik angst en onmacht onder ogen zien en benoemen? Waar ligt mijn verantwoordelijkheid? Zouden we als leden van een geloofsgemeenschap deze onmacht kunnen delen en omzetten in gebed. Of misschien een bijdrage leveren tot verandering van een bepaalde situatie? Zijn er mogelijkheden in eigen context?

    De uitdagingen in de eerste decennia van deze eeuw zijn groot, met oog op wat de toekomst voor veranderingen nog zal brengen. In het verleden was er een duidelijk verhaal. Mensen werd per zuil precies voorgehouden wat zij wel en niet konden of mochten doen. De verzuiling is doorbroken. Het lijkt er nu op of mensen alleen als individuen leven met parallelle interesses. Een vraag doet zich daardoor voor: hoe kunnen mensen samenleven zonder een eenduidig verhaal.

    In de Lucas tekst als in de brief aan de gemeente van Filadelfia staan bemoedigende woorden. Mensen die dit weekend deze teksten horen, beluisteren deze in verschillende geloofsgemeenschappen. Bij velen is misschien nog de ervaring hoe de zuilen doorbroken zijn en langzamerhand er een oecumene op gang kwam. Mensen van verschillende nominaties leerden elkaar kennen en vooroordelen werden doorbroken. Samenwerkingen kwamen tot stand. Deze ervaringen kunnen misschien helpen om in eigen context mogelijkheden te bezien of en hoe er ontmoetingen tot stand kunnen komen, tussen verschillende culturele en religieuze groeperingen, waarin geluisterd wordt naar elkaar. Vandaaruit is het misschien ook mogelijk enkele knelpunten te signaleren en samen te bezien hoe deze aan te pakken, met het oog op veranderingen of verbeteringen. Veranderingen komen niet uit de lucht komen vallen. Ze gebeuren alleen ten goede of ten kwade via de inzet van mensen die mensenrechten al of niet respecteren. Het is een uitdaging vanuit standvastigheid zich, ook in tijden van angst, onmacht en beproeving, gedragen te weten door Jacob's God (Ps 46), en van daaruit te mogen handelen.

    Héleen Broekema (TWG) 

    Stem als een zee

    Stem als een zee van mensen

    om mij door mij heen.

    Stem die van een drenkeling,

    van dat stuk wrakhout,

    dat een mens blijkt

    als hij mij aankijkt.

     

    Stem die mij roept: wie ben je,

    mens waar is je broer/zuster (hb)?

    Stem die mijn vliezen breekt

    en mij bevrijdt, die

    vuur uit steen slaat,

    jij die mij ik maakt.

     

    Stem die geen naam heeft, nog niet,

    mensen zonder stem.

    Stem als een specht die klopt

    aan mijn gehoorbeen.

    Woord dat aanhoudt.

    God die mij vasthoudt.

    Huub Oosterhuis.

     

     

     

     

     

     

     

    6 november 2016

    8e zondag van de herfst 6 nov 2016

    Preekschets voor zondag 6 november 2016, 

    Jesaja 1,18-26 2Tessalonicenzen 2,13-3,5 Lucas 19,41-48

    1 Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia, koningen van Juda, zo vangt het eerste hoofdstuk van Jesaja aan. De eerste deel van dit boek grijpt daarmee terug op de achtste eeuw vóór Christus, de tijd van de eerste (Assyrische) ballingschap: in 722 valt het Noordrijk in handen van de Assyrische koningen. De Godsspraak richt zich tot de hemelen en de aarde (v2) en spreekt zich uit over afvalligheid: JHWH weent over Jeruzalem. Na de aanklachten in de verzen 1 vv spoort JHWH vanaf het 16e vers de afvalligen aan: je kunt er iets aan doen door rechtvaardig te handelen. Hier wordt de tegenstelling geschetst tussen enerzijds Jeruzalem zoals het reilt en zeilt en anderzijds Sion, oftewel Jeruzalem zoals het zou moeten zijn. De tekst voor deze zondag, de verzen 18-26 behelst een oproep tot (cultische) reiniging en vernieuwing. Daarmee is de toon gezet voor Lk 19,41-48. Reiniging en herstel, als voorwaarde voor vernieuwing.

    In Lk 19:41 weent Jezus over Jeruzalem, over wat er in Zijn ogen van over is. De tempelcultus is een belangrijke economische factor geworden in de stad. De handel in offerdieren bloeit. 42 En (Jezus) zeide: Och, of gij ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. (NBG’51) Willibrord geeft: Zag u op deze dag maar de weg naar de vrede; maar die is verborgen voor uw ogen. Jeruzalem zou een stad van de vrede moeten zijn maar is het niet. De Naardens Bijbel vertaalt hier: en (Jezus) zegt: áls je maar herkent op deze dag, ja jíj!, wat tot vrede is!- nú wordt dat nog verborgen voor je ogen:

    Met de verzen hierna kunnen we een paar kanten uit: we kunnen er strikt Schriftuurlijk tegenaan kijken.

    43 Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen 44 En u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.

    Waar het Lukasevangelie zijn vorm gekregen zou hebben aan het einde van de eerste eeuw na Christus, daar moeten we bedenken dat dit zou zijn ontstaan na de val van de tempel (70 AD). Het geschrift is dus ontstaan met de kennis van de afloop. Dat neemt niet weg dat de nadruk ligt op vernieuwing:

    45 En Hij ging de tempel binnen en begon de kooplieden uit te drijven,

    46 En Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: En mijn huis zal een bedehuis zijn, maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt.

    47 a)En Hij leerde dagelijks in de tempel.

    De tempel krijgt, na de “reiniging” weer een waardige functie: die van leerhuis. Corruptie is echter wraakzuchtig: b)De overpriesters en schriftgeleerden, evenals de voornaamsten van het volk, zochten gelegenheid Hem om te brengen

    In deze fase van het kerkelijk jaar ligt een verwijzing naar de tijd van de voleinding en naar de komst van het Licht voor de hand. We kunnen ook een vertaalslag maken naar de wereld van alledag: die van de klokkenluider die misstanden aankaart en wie vervolgens het leven onmogelijk gemaakt wordt, of zijn carrière gebroken. Een historische verwijzing is – zeker nu – ook mogelijk: ook de reformatoren in de 16e eeuw zullen zich ‘tempelreinigers’ hebben gevoeld.

    Vrede en winstbejag sluiten elkaar kennelijk uit: daar waar alles wordt afgemeten aan de maat van het geld en het rendementsbeginsel, daar waar geldelijke winst en dito verlies de norm worden, daar waar aldus ontstane grote inkomensverschillen tot scheve verhoudingen leiden, daar is de vrede ver te zoeken.

    Eerst zal iets moeten worden afgebroken, rechtgezet en beëindigd, pas dan kan alles nieuw worden.

    Aanwijzingen voor de overweging:

    Afvalligheid en verwatering zijn kennelijk van alle tijden, net als corruptieschandalen en uitbuiting van mensen en middelen. Aan de ene kant kunnen we daar moedeloos van worden, aan de andere kant zit er ook iets troostrijks in de woorden uit Jesaja: er is ruimte voor nieuwe kansen. De Lukastekst sluit daar op aan. De laatste gewaagt ook van de dubbelheid in ons, mensen. Aan de ene kant weten we heel goed waar we voor zouden moeten staan, aan de andere kant willen we ook maar al te graag zichtbaar profijt van onze inspanningen zien. Aan de ene kant willen we ons stellen in dienst van Hem die ons allen voorging, aan de andere kant: de schoorsteen moet ook roken. De oproep tot standvastigheid die we in 2 Tess 2: 13 – 3-5 vinden is daarom niet onterecht. Een beetje relativeringsvermogen bij de ‘landing’ lijkt me in een overweging op deze teksten ook wel op zijn plaats: elke menselijke inspanning, hoe idealistisch ook gesteld in dienst van de medemens en van een hoger doel, kan verworden tot een machtsbolwerk waarbinnen spelletjes worden gespeeld en winstoogmerk de overhand krijgt. Elk vuur, hoe heilig ook, kan verworden tot een uitslaande brand.

    Liedsuggesties: Ps 17, ps 122, ps 138, Ldb 912, 836, LvK 478, 436. 

    30 oktober 2016

    7e zondag van de herfst 30 oktober 2016

    OPROEP: LAAT AUB EENS HOREN WAT U AAN DEZE PREEKSCHETSEN HEBT OF ZIJN ER ANDERE SUGGESTIES. (per maand scoren we hier 300 hits mee. a.debruijn@kerkenvrede.nl)

    genesis 12:1-8 lucas 19:1-10

    Morgen start Refo500 met veel bezinning over ‘Waar blijft de (al dan niet geslaagde reformatie van) de kerk’? Er is een hele estafette en een heel jaar van aandacht en zeker ook Lutherliederen zingen.  
    Neem er een refobiertje bij. Geef de kinderen uit de nevendienst een Playmobiel-Luther. (www.refo500.nl)

    Maar vraag vooral: Welluku kerk? Laten we afspreken dat het nu alleen maar meer kan gaan over een kerk die zegendrager is, en er niet is als zelfstandig item, dat eigen belangen heeft te verdedigen of te vernieuwen.

    Dat principe/criterium zegendrager komt bij Abraham vandaan.

    Vooral hieruit meenemen dat de andere volken (in hem) gezegend zullen zijn. Dat daar die zegen (van o.a. een eigen land voor zijn nakomelingen) voor is. En daarvoor alleen.

    In de sector ‘vrede en gerechtigheid’ waar deze preekschetsen vooral de vinger bij plegen te leggen, ligt dan de thematiek van: “Wat doet Israël in dat land met/voor/tegen Palestijnen” voor de hand. Of heb je die net voluit aan de orde gehad op Israëlzondag?

    Maar je mag niet blijven steken in: “Dat kunnen de Joden c.q. de staat Israël in hun zak steken.

    Je kunt het laatste woord van elke dienst “Zegen” uitdiepen voor ieder die die ontvangt.

    ‘Geroepen’ is ook een belangrijk woord: Abraham uit zijn land. Zacheus uit zijn boom. Klinkt wel een beetje verwant. Abraham is een geslaagd herdersvorst; Zacheus is een succesvol belastingpachter, maar hij is vooral een ‘zoon van Abraham’. Dat zit hem wat Zacheus betreft in zijn houding tov zijn slachtoffers: mensen recht doen. En het keert zich in zijn geval ook tegen hemzelf. het was ZIJN eigenste onrecht dat rechtgezet moest worden.

    De pointe van de beide lezingen lijkt me lucas 19:10, dat de Zoon des mensen gekomen is om het verlorene te zoeken. Lukas kaart dat ook aan in de gelijkenissen van het verloren schaap etc. Die gelijkenissen werden uitgelokt door de minachtende praat van met name schriftgeleerden e.a. over tollenaars en hoeren. Het valt me op dat dat hier niet vermeld worden; maar ‘zij allen’. Heeft dat betekenis?  

    Jezus gaat niet rechtstreeks in debat met de omstanders. Lukas vertelt het zo, dat Zacheus Jezus’ antwoord is.

    Iets anders : is spreken van zondige mensen passé? Of kan je sowieso alleen nog spreken met of als zondige mensen. En hoe gaat ‘intrek nemen bij zondige mensen’ in zijn werk bij de navolgers van Jezus? (of is dat gezocht?)
    Had de reformatie op dat punt iets te bieden of heeft ze het op dat punt laten afweten? Luther was geen Moeder Theresa in sloppen wijken, maar eigenaar van een bedrijf dat zijn echtgenote tot bloei wist te brengen. Is het ergens bekend hoe Luther omgegaan is met het intrekken van zijn gelofte van armoede als monnik? Ik heb het niet voor jullie opgezocht.

    jan anne bos

    23 oktober 2016

    6e zondag van de herfst 23 oktober 2016

    Preekvoorbereiding voor zondag 23 oktober

    Bijbellezingen: Jeremia 14,7-10. 19-22                            2 Timoteus 4, 6-8. 16-18                            Lucas 18, 9-14

    Deze preekschets beperkt zich tot Lucas 18, 9-14

    In haar simpele zwart-wit schildering lijkt deze gelijkenis probleemloos te zijn: Voor ons is deze Farizeeër een hypocriet en de tollenaar beschouwen we als iemand die wel minder goed bekend staat, maar desondanks een beste man is. Onze sympathie gaat dan ook bewust of onbewust naar hem uit en in ons hart denken we wellicht::Ik ben toch maar blij, dat ik niet ben als die Farizeeër. Als dit zo is, dan heeft Jezus met deze parabel bij ons precies in de roos geschoten. Zolang we niet het gevoel hebben dat we in vele opzichten op deze Farizeeer lijken, is er met het verstaan van de parabel iets mis, En zo biedt dit simpele en overbekende verhaal misschien toch stof tot nadenken

    Laten we om te beginnen vaststellen dat deze Farizeeër niet schijnheilig is. Dat staat nergens. Wel is het zo, dat Jezus de Farizeeën vaak ‘huichelaars’ noemt zodat , Farizeeën en hypocriet praktisch synoniem zijn geworden. Maar we moeten constateren dat deze Farizeeer zelfs meer doet dan nodig is om tegenover God veilig te staan: Israel kende  geen wekelijkse vastendagen en daarom vastte Jezus dan ook niet ( Marc. 2, 18). Maar de Farizeeën  deden dit wel om te boeten voor de zonden van het volk. Tienden hoefde men alleen te geven van olie, koren en wijn( Deut. 14, 22 vv). De Farizeeën hadden dit uitgebreid tot alle keukenkruiden: munt, wijnruit enz. ( Luc. 11, 42; Mat.22, 23). En om er zeker van te zijn dat wat zij op de markt kochten, ook werkelijk ‘vertiend’ was, betaalden zij nogmaals tienden van wat ze in bezit kregen (vgl. Luc. 18, 12), Maar in deze behoefte om voor God als gerechtvaardige te gelden, zit hun fout!. Daarmee begaat de Farizeeër de oerzonde, die eigenlijk de enige zonde is die de naam van zonde verdient. En dus is hij bij al zijn trouw aan de wet toch een zondaar en is zijn ‘heiligheid’ maar schijn.
    De diepere achtergrond van deze religieuze houding is zijn geldingsdrang, waar geen enkele mens helemaal vrij van is. Ieder mens heeft er behoefte aan, in de ogen van zijn medemens iets te betekenen. Het kleinste kind vraagt zijn ouders al: ben ik lief”. Op heel jonge leeftijd uit zich dus al een mate van geldingsdrang en behoefte aan erkenning.. Dat we deze behoefte hebben is normaal, daar zit niets verkeerds in. Verkeerd is alleen dat wij deze achting af willen dwingen. Wie dat probeert zal tot de ontdekking komen dat hij juist het tegenovergestelde bereikt. Wie de ander klem wil rijden door uitsloverij, zal bemerken dat hij daardoor afkeer in plaats van liefde oogst. Want nogmaals in dit allerbelangrijkste aspect van ons leven kunnen we alleen maar ontvangen en hebben we niets in te brengen
    Niemand zal zo iemand de heftig begeerde achting geven, en dus is hij wel gedwongen er zelf voor te zorgen. En dat doet de Farizeeër in deze parabel. Hij schreeuwt zijn kwaliteiten van de daken en hij verheft zich door de ander neer te drukken. Zo dwingt hij als het ware een zekere achting af Ook al staat het er niet zo nadrukkelijk, het is duidelijk dat de tollenaar zich in de nabijheid van deze heiligheidsexpert nog nietswaardiger voelt. Hij durft zijn ogen niet op te slaan naar de hemel, lezen we. Maar dat komt omdat hij gedwongen is zijn ogen neer te slaan voor deze mens.
    Bovenstaande lijkt wellicht een psychologisering van de tekst, maar is dit niet. Wanneer wij proberen in de ogen van de ander een waarde te zijn, dan is dat omdat wij voor onszelf de behoefte  voelen aan bevestiging. Jezus heeft eens gezegd dat het eerste en tweede gebod even groot zijn (Mat, 22,39). Dat wil zeggen dat het object van onze mensenliefde en liefde tot God hetzelfde is. Maar liefhebben is iets van onszelf. Liefde betekent overgave van jezelf, jezelf loslaten. Daarom zijn beide geboden gelijk. En zo is het ook in deze parabel. Wie de achting van zijn medemens zoekt, is in feite uit op zelfbevestiging .En de Farizeeër die zich tegenover God wil laten gelden doet hetzelfde. Het eerste vers van de parabel is letterlijk ‘ Hij vertelde  tegen sommigen, die op zichzelf vertrouwden omdat zij rechtvaardigen waren…’ Het gebed van de Farizeeër is eigenlijk een gesprek met zichzelf: hij bad bij zichzelf ‘ Anders gezegd: hij koestert zich in het licht van zijn zelf verworven gerechtigheid om  op die manier zeker te worden van zichzelf
    In vers 14 wordt een typisch paulijns woord gebruikt; de tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis, dat wordt van de Farizeeër niet gezegd. Lucas gebruikt dit zelfde woord nog een keer in Handelingen 13,38 in een toespraak die Lucas Paulus in de mond legt. De betekenis is daar zoals uit het parallel lisme blijkt . ‘vergiffenis  van zonden krijgen. Maar dat is niet precies wat Paulus onder rechtvaardiging verstaat Wanneer hij in Romeinen 4,5 zegt dat God de zondaar ( lett. De goddeloze) rechtvaardigt, dan bedoelt Paulus daar niet mee dat God de zonden vergeeft Het gaat God niet zo zeer om de zondige daden van de mens. Die werden ook in het Oude Testament vergeven: daarvoor had men zoenoffers en de Grote Verzoendag. Nee, het gaat Paulus om de zondige aanleg , ons zondig zijn, waaruit die zondige daden voort komen. En dit zondig zijn blijft uiteraard ook na de vergeving. Wat wel kan veranderen is onze ‘zondige relatie’, de verstoorde verhouding tot God. Als de mens zijn zondig zijn tegenover God erkent -Paulus noemt dat ‘geloof=’ aanvaardt God hem in zijn zondigheid. Deze gelovige erkenning van zondig zijn vinden we in de houding van de tollenaar.( God wees mij zondaar genadig). De Farizeeer hoort tot de gezonden die geen geneesheer nodig hebben ( Marc 2, 17). Hij heeft zijn zonden goedgemaakt door extra prestaties waartoe hij niet verplicht was. Daarom weigert hij zich als zondaar te beschouwen. Maar onze menselijke ervaring leert dat iemand die in alle onderdelen perfect is, toch over de hele lijn fout kan zitten. Zo maakt een volmaakte man of vrouw het leven van de partner tot een hel, omdat hij of zij juist door die perfectie de ander de grond in drukt.
    Het is niet duidelijk of Jezus het woord rechtvaardiging gebruikt heeft. Maar Hij heeft de zondige mens rechtvaardig gemaakt door zijn houding tegenover hem. Jezus is bij de zondige mensheid gaan staan. Hij wilde erbij horen en Hij werd dan ook als een misdadiger aan het kruis geslagen. Maar juist daardoor heeft Hij de mensheid tot zich opgeheven en gemaakt tot wat Hij zelf was. De Heilige en Gerechte ( Hand. 3, 14).  Hij kwam tot ons in de gestalte van een zondig, zwak mens ( Rom.8,3), die het opnam voor de zondige mensheid en tot de booswichten gerekend wilde worden  (Luc. 22, 37).

    9 oktober 2016

    4e van de herfst

    Leader. Mensen/ bevolkingsgroepen worden vaak verguisd. Niet door eigen ervaring van de ander, maar vanuit een vooroordeel. Onbekend, maakt onbemind. Door contacten veranderen meestal meningen. Als dat zo is wordt  hen dat vaak ook weer niet in dank afgenomen. Geloven houdt in opstaan tegen humane misstanden.

     2 Kon.17 (5-7), 24,29-34, Ps. 113, (2Tim2.8-12), Luc 17.11-19. voor zondag 9 oktober 2016, 4e van de herfst.

    Inleiding.

    In de lezingen van vandaag zijn er 10 mensen, die Jezus om genezing vragen. Jezus geneest hen. Zend hen naar de priester om dit te controleren. Slechts één komt terug, een Samaritaan, niet om Jezus, maar om God te bedanken. Jezus zegt hem ook niet voor hem te knielen, maar op te staan en vanuit zijn geloof verder zijn nieuwe weg te gaan.

    Lucas beschrijft opstaan en het verheerlijken/ loven van God vaker, dan de andere evangelisten. Deze blijde boodschap van Jezus de beloofde Messias, de bevrijder van mensen in naam van God, is bedoeld als tegen evangelie. De romeinse heersers, spraken een evangelie, een soort troonrede uit, als zij aan de macht kwamen. Het evangelie over Jezus, beschrijft in de lijn van de Tora, de Profeten en de Psalmen, achteraf wat Jezus gedaan, voorgeleefd, heeft, in naam van God. God wordt daarvoor verheerlijkt/ geloofd/gedankt.

    Paulus schrijft aan Timoteüs, dat hij de blijde boodschap moet doorgeven, omdat Jezus is opgestaan.

    2 Kon.17 (5-7), 24,29-34,
    Een uitleg waarom de Samaritanen verguisd waren in de ogen van de Judeers. Nadat koning Salamanasar van Assyrië vele bewoners van het Noordrijk als ballingen had weggevoerd, ten tijde van Hosea (750-722), stuurde hij mensen uit Babel en andere steden naar het Noordrijk. Dezen namen hun eigen goden mee. Die goden werden op den duur ook vereerd door de overgeblevene. Zij die God trouw bleven, vereerden de God van Jakob in Sichem en op de berg Gerizzim, ook nog ten tijde van Jezus. Deze wijze van God vereren was in de ogen van de Judeers ketters, cultisch onrein.

    Ps. 113. 
    Een lofprijzing over Gods goddelijke handelen ten aanzien van berooiden, hooggeplaatsten en de onvruchtbare vrouw, die hij kinderen schenkt. Het is de eerst Halleel psalm. Deze wordt gezongen als mensen opgaan naar Jeruzalem, om de bevrijding uit Egypte te vieren.

    2Tim2.8-12
    'Paulus' steekt Timoteüs een hart onder de riem, Jezus Christus, als nageslacht van David, die uit de dood is opgewekt te blijven verkondigen. De boodschap is betrouwbaar als wij volharden. Ook al zou dit, zoals bij Paulus, gevangenschap ten gevolge zou hebben.

    Luc 17.11-19. 
    Grote context: Vanaf 9.51 beschrijft Lucas dat Jezus op weg gaat naar Jeruzalem. Onderweg tracht Jezus zijn leerlingen voor te bereiden op zijn lijden, hun toekomstige taak en leert hen bidden. Er zijn vele ontmoetingen met de menigte. Waarin hij zieken geneest en demonen worden uitgedreven. Maar ook confrontaties met Farizeeën en Schriftgeleerden.

    Kleine Context: De leerlingen vragen om meer geloof. Jezus zegt dat geloof als een mosterdzaadje voldoende is. Hij illustreert de verhouding tot God, als een heer die van zijn dienstknecht/slaaf verwacht dat hij, ook als hij moe is, zijn taken/ zijn plichten vervult. Hij hoeft daarvoor geen dankbaarheid te tonen. Zo ook zullen zij, bij wat zij op aarde als beelden van God  t.o.z.v. hun naaste doen, niet direct Gods dankbaarheid ervaren.  De taak van de leerlingen is op te staan vanuit hun geloof in God, zoals Jezus hen is voorgegaan. En als handen en voeten van God hem daardoor te verheerlijken.

    In 11-17 wordt geïllustreerd dat niet voor alles wat Jezus doet geloof en dankbaarheid getoond wordt. Op weg naar Jeruzalem trekt Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. Vlak voor een dorp komen 10 mensen met huisvraat, een onreine ziekte volgens de Tora, hem tegemoet. Ze blijven, volgens voorschrift op afstand staan. Ze roepen tot Jezus, meester heb medelijden met ons (NBV)/ ontferm u over ons (SV.)

    Als Jezus hen, volgens de Tora, naar de priester stuurt, zijn ze inmiddels genezen. Toen hij zag dat hij genezen was keerde één van hen terug, Hij loofde/ verheerlijkte God. Hij viel aan Jezus voeten neer om hem ook te bedanken. Jezus, vroeg waar de 9 anderen waren. Wilde zij niet terug komen, om God eer te bewijzen. Degene die terugkwam was een Samaritaan. Hij kreeg de opdracht: op te staan. Zijn geloof had hem gered/behouden.

    Na een Kyrie volgt een Gloria

    Kyrie:De NBV vertaalt: meester, heb medelijden met ons. In de SV wordt vertaald: ontferm u….., Dat is ons bekend als een Kyrie bede. Ontfermen heeft m.i een andere gevoelswaarde dan medelijden!

    Ontfermen is het lot van iemand aantrekken. Het is een eigenschap van God. Medelijden is een gevoel van smart, iemand zielig vinden en daarvan uit eventueel hulp verlenen.

    Gloria: de NBV vertaalt: hij loofde God. Loven …… De SV vertaalt met verheerlijkten God. In de psalmen komen we dit ook tegen. Loven heeft voor ons misschien een wat andere gevoelswaarde dan verheerlijken. Hier gaat het duidelijk om God te danken voor wat de man ervaren heeft.

    Lucas gebruikt 6x : Hij/zij verheerlijkte God, in tegenstelling tot Marcus en Matteüs 3x. Lucas brengt dit in verband met opstaan, als reactie van mensen, op wat Jezus als bevrijder te weeg brengt. Beginnend bij de herders

    20.2: NBV: de herders gingen terug terwijl zij God loofden en prijsden/ verheerlijkten SV./NBG

    5.25,26: NBV man en draagbed..sta op en loop…Hij vertrok naar huis terwijl hij God loofde/ verheerlijkte SV./NBG.

    7.16: NBV: De dode jongeman krijgt bevel op te staan. ..Alleen waren vervuld van ontzag en loofden/ verheerlijkten God.     

    13.13: NBV De vrouw die op de sabbat genezen werd ging recht opstaan en loofde/ verheerlijkte (SV/NBG. God.        

     17.15, loofde/ verheerlijkte SV/NBG God, 18 wilde niemand eer bewijzen dan deze vreemdeling vraagt Jezus.....  19. Sta op en ga.      

    18.43: Genezing van een blinde: Hij volgde Jezus, terwijl hij God loofde/SV. De menigte bracht God hulde.

    23.47:De centurio, nadat Jezus de laatste adem had uitgeblazen, zag wat er gebeurt was en loofde/ verheerlijkte SV/ NBG. God, met de woorden, werkelijk deze mens was een rechtvaardige.

    Opstaan.

    Van de herders tot de hoofdman beschrijft Lucas dat niet Jezus, maar God verheerlijkt wordt . Jezus  zegt dat die ervaringen die gepaard gaan met verheerlijken (loven),  opstaan tot gevolg moet hebben. Niet zomaar opstaan, maar vanuit het geloof dat er veranderingen in het leven kunnen gebeuren.

    Veranderingen als mensen proberen aan datgene wat onrecht is iets te doen of er met anderen over te praten. En zodoende te bezien hoe mee te werken aan veranderingen. Het gaat er niet om te bidden, in een Kyrie, ontferm u over ons, en zelf geen pogingen te doen om op te staan tegen onrechtvaardigheden in eigen omgeving en/of wereldwijd. Dit in navolging van Jezus. Jezus, is opgestaan tegen heersende opvattingen in. Dat heeft hij met zijn dood moeten bekopen. De gevestigde geestelijken in Jeruzalem, zagen zijn nieuwe weg als een bedreiging voor hun eigen macht en uitleg van de Tora.

    Het Gloria verwijst naar het feit, dat ook als er van alles gedaan is dat niet veel lijkt uit te halen, toch zaken te hernemen. Terug te gaan, steeds weer te herinneren aan Gods beloften en op te staan, te doen wat op onze weg komt. Ook al is er twijfel en ons geloof kleiner dan een mosterd zaadje. Van God hebben we een hart gekregen en een geweten. Als we ons geweten volgen weten we, dat het anders kan, anders zou moeten, om te beginnen in onze omgeving. Als we om ons heen kijken zien we dat er veranderingen nodig zijn: in het milieu, mensen en dieren tussen de raderen komen van de maatschappij en klem raken door armoede, oorlogsgeweld, economisch politieke prioriteiten,  zowel dichtbij als verder  weg.

    We kunnen niet alles aanpakken. Zullen moeten kiezen, vanuit eigen gaven en mogelijkheden.

    Dat is niet eenvoudig. 9 op de 10 keer falen we daarin. We mogen toch iedere keer weer trachten opnieuw te beginnen, naar het voorbeeld van Jezus. Licht te laten schijnen, dat we niet onder de 'korenmaat' plaatsen, en God daarmee te denken/te loven/te verheerlijken.

     

    Héleen Broekema (TWG)

    5. sept.2016

     

     

    Wij die zo vaak de belofte vergeten.

     

    Wij die zo vaak de belofte vergeten.

    God, ontferm u over ons

    Wij die de naam van de naaste niet weten,

    God, ontferm u over ons

    't lied van de hoop is al gaande versleten,

    God ontferm u over ons

     

    Angst die ons dof en krachteloos maakt,

    Christus, denk aan ons.

    Knagend verdriet dat ons wezen raakt,

    Christus, denk aan ons.

    Vriendschap door ons te bitter gemaakt,

    Christus denk aan ons.

     

    Iedere dag dat we U niet vertrouwen,

    God, ontferm u over ons.

    Vesting van eigen gelijk die we bouwen,

    God, ontferm u over ons.

    Pijn om het als U mens uit te houden,

    God, ontferm u over ons.

     

    Gonny Luijpers.

    2 oktober 2016

    27e zondag na Pinksteren, 20e na Trinitatis, de derde zondag van de herfst 2 oktober 2016

    Preekschets voor zondag 2 oktober 2016

    Habakuk 3:1-3,16-19

    Lucas 17:1-10

    Het oecumenisch leesrooster loopt hier gelijk aan het dienstboek van de PKN. Zelfs de liturgische kalender van de rooms-katholieke kerk geeft nagenoeg dezelfde teksten, zij het dat ze bij de evangelietekst een paar verzen later begint en dat ze een andere psalm aanbeveelt, maar verder lezen en horen we deze zondag zeer oecumenisch. In beide teksten kunnen we iets vinden over “loon naar werken” of over verwachtingspatronen. Zijn we niet altijd geneigd onze inspanningen te zien als investeringen in opbrengst? Voor wat hoort wat? Do ut des? Ik geef opdat ik ontvang. Beide teksten lijken haaks te staan op die menselijke neiging.

    Ik beperk me bij deze schets tot de tekst uit Habakuk : alle roosters geven de eerste drie verzen van het derde hoofdstuk als inleiding en gaan daarna verder met v. 16-19

    De vertalingen van vooral het tweede vers en de woordvolgorde (die ook mede de interpretatie bepaalt) lopen nogal uiteen: NBG’51 geeft: gedenk in de toorn aan ontfermen! Ze volgt daarmee min of meer de Statenvertaling, ontdaan van de typische, ietwat archaïsch aandoende tweedenaamvalsvormen die wij alleen nog uit staande uitdrukkingen kennen: desnoods, desgevraagd, in naam der wet enz. De Naardense geeft: “wil in toorn ontferming gedenken”, KJV : “in wrath remember mercy”. De brontaalgetrouwe vertalingen hanteren de termen ‘gramschap’ of ‘toorn’ ; alleen de NBV komt opeens tevoorschijn met ‘tumult’. Het lijkt er op dat de vertalers anno nu moeite hebben met de gedachte aan de ‘toorn’ of het ‘oordeel’ des Heeren. ‘Tumult’ associeert mij eerlijk gezegd in de eerste plaats met straatoproer of met voetbalrellen.

    Het dunne boekje Habakuk bevat slechts drie hoofdstukjes. Habakuk wordt gerekend tot “De twaalf” – de twaalf “kleine” profeten waarmee ons Oude Testament besluit. Met opzet zet ik “kleine” tussen aanhalingstekens, want ze bestrijken weliswaar geen scala aan onderwerpen, maar doen wel prangende uitspraken over details. Habakuk 3 is een wonderschone bede met welke de profeet zich afzet tegen het “do ut des” van zijn dagen, het “voor wat hoort wat” waarmee we constant geneigd zijn verwachtingen te scheppen die al dan niet worden gehonoreerd – een patroon waarmee we voortdurend gespitst zijn op resultaat en rendement, en dat ons voortdrijft en in onbalans houdt - zijnde een bron van teleurstellingen en verbolgenheden. Ziedaar het effect van het “profijtbeginsel” op de samenleving, met alle ontwrichtende en gewelddadige effecten van dien.

    Over de persoon Habakuk weten we zo goed als niets. Het laatste vers van het derde hoofdstuk wekt de suggestie als zou hij hebben beschikt over een “neginoth” , een snaarinstrument. Alleen tempeldienaren, de kaste der Levieten, mochten een snaarinstrument bespelen; hij zou dus priester geweest zijn. Andere veronderstellingen gaan er van uit dat Habakuk een schuilnaam zou zijn voor een koningszoon en dat hij in Ninivé zou zijn vastgehouden om politieke redenen. Weer andere bronnen vermoeden dat hij een tijdgenoot zou zijn van Jeremia of van koning Josia (d. 609 v.Chr.) i Hoe dan ook, Habakuk heeft geleefd in een turbulent tijdperk , gekenmerkt door politieke verwikkelingen en ook door een bonte verscheidenheid aan culturen, elk met hun eigen stads- of stamgod. Kamos, Baäl, Isjtar - die allen dienden “voor eigen gebruik” van de ingezetenen of aanhangers, en dat met behulp van een uitgebreide offercultus. Do ut des. Ik offer iets om er iets anders voor terug te krijgen. Voor wat hoort wat. In het eerste hoofdstuk beklaagt Habakuk zich over zijn gewelddadig tijdperk en klinkt er ook een beschuldiging door in de richting van JWHW – verwant aan het “Vanwaar het kwaad?” van kerkvader Augustinus en al die anderen die zich gebogen hebben over die eeuwige vraag.

    Habakuk lijkt zich met het tweede vers uit zijn derde hoofdstuk te verzetten tegen alle offercultus en profijtbeginsel. Geen: ik heb toch iets gegeven en nou wil ik iets terug (veiligheid, overwinning, opbrengst) maar een smeekbede: “Here, met vreze voor uw werk vervuld; roep het in het leven in de loop der jaren, maak het openbaar in de loop der jaren; gedenk in de toorn aan ontfermen!” (NBG’51) Willibrord vertaalt: HEER, ik heb uw tijding vernomen, vol ontzag ben ik, HEER, voor uw werken. Laat die herleven in onze tijd, maak ze ons in deze tijd bekend; denk in uw woede aan uw barmhartigheid. (Hab. 3:2) kortom, over de woordkeus zijn de vertalers het niet helemaal eens, maar de strekking is duidelijk: Habakuk roept JHWH aan “met vreze voor uw werk vervuld” – als de “Schincker alles goets”ii, om maar met Vondel te spreken.

    De kern van het gebed van Habakuk is naar ik meen gelegen in de verzen 17 en 18: 17 Al zou de vijgeboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn,18 Nochtans zal ik juichen in de Here, jubelen in de God van mijn heil. (Hab.3:17-18)

    Habakuk doorbreekt hiermee het “do ut des’ – het ‘voor wat hoort wat’ van de offercultussen om hem heen en ook van de alledaagse werkelijkheid en hij erkent daarmee JHWH als schepper van het Al, zonder wie geen leven zou zijn.

    Suggesties voor de overweging:

    Lucas 17:1-10 lijkt een soort uitwerking te bevatten van het gebed van Habakuk, en dat allemaal met een open oog voor onze zwakheden: we zijn nou eenmaal niet wijzer. We zullen elkaar doorlopend moeten vergeven om de vrede te bewaren. Vergeving doorbreekt het actie-reactie patroon van mistasten en vergelding, van weerstand die weerstand oproept, van bloedwraak en vendetta. Berouw komt na de zonde, maar laat op het berouw dan ook de vergeving volgen, niet af en toe, maar altijd (zeven maal zeven = altijd). Jezus draait rollen om, in een poging zijn leerlingen te laten komen tot enig doorleefd inzicht: stel dat je knecht heeft gedaan wat hij moest doen, dan ga je hem ook niet uitgebreid bewieroken? Je knecht zal doen waartoe hij is aangezocht, en de beloning heeft hij al in de vorm van zijn “bezorgende omgeving”. Een goede knecht investeert niet doch dient, in de volle overtuiging dat hij daartoe geroepen is.

    We zullen van goeden huize moeten komen om een dergelijk onmodieus onderwerp over het voetlicht te krijgen, maar wie niet waagt, die niet wint. We kunnen bij het uitwerken van de teksten ook de nadruk leggen op dankbaarheid voor de vanzelfsprekendheid waarmee we mogen wonen in de schepping, en voor Gods genade ondanks alle verdeeldheid. Hij verlangt daartoe van ons geen ander offer dan dat van de naastenliefde.

    Liedsuggesties: NLb 910 (LvK 448) NLb 156, NLb 869 (LvK 431) LvK 432.

    i http://www.jewishencyclopedia.com/articles/6975-habakkuk

    ii Uit: Joost van den Vondel, Kinder-lyck, http://www.dbnl.org/tekst/vond001dewe03_01/vond001dewe03_01_0070.php

    Geraadpleegd: Beknopt commentaar op de Bijbel in de Nieuwe Vertaling o.r.v. Prof.dr. W.H. Gispen e.a., uitg. J.H.Kok – Kampen 1985, tweede druk.  

    25 september 2016

    2e zondag van de herfst 25 september 2016

    Bijbellezingen: Amos 6,1-10                            1 Timoteüs 6,11b-19                            Lucas 16, 19-31; de preekschets gaat over dit evangeliegedeelte.

    Het opschrift boven de passage uit Lucas luidt in de Willibrordvertaling: “Lazarus en de rijke”; in  de Canisius-bijbel heette het nog: “Lazarus en de rijke vrek”. De NBG-vertaling gebruikt als opschrift boven vers 19 en volgende: ‘’de rijke man en de arme Lazarus”. De NBV-vertaling zet boven heel hoofdstuk 16: “Rijkdom en gerechtigheid”.
    Nergens blijkt uit de verzen vanaf vers 19 dat de rijke man een vrek was. Integendeel: hij liet iedere dag een feest geven en hij droeg koninklijke gewaden.
    Hoe komt het toch dat de traditie altijd weer de rijke tot een moreel slecht mens wil maken? Ook de samenstellers van de lezingen voor deze zondag hebben in deze richting gedacht, want als parallel kozen ze een aantal verzen uit Amos 6, een deel dat inderdaad over een moreel slechte rijkaard gaat.
    Ik zou nog meer vertalingen kunnen citeren, maar die citaten voegen niet veel toe aan het feit dat de traditie de rijke tot een moreel verwerpelijk mens maakt. Daar gaat het in de verzen die wij in deze preekschets bespreken niet over. Het opschrift in de NBV-vertaling is het meest juiste (vgl. vers 25).

    Het thema van de ongerechtigheid in de verhouding tussen de rijke en de arme haalt Lucas met bijzonder veel nadruk naar voren. Reden is dat Lucas vurig verlangt dat armoede en ontrechting van de armen niet voor altijd zullen duren, vanwege het perspectief van gerechtigheid dat hij in de woorden en daden van Jezus en zijn opwekking uit de doden ziet oprijzen. Zie onder andere de lofzangen van Maria en Zacharias, de woorden in de synagoge van Nazareth (4,18), de zaligsprekingen (6, 20-26), de gelijkenissen van de barmhartige Samaritaan en de rijke dwaas, de vertellingen over de rijke jongeling en Zacheüs, de vertellingen hoe je met je bezit moet omgaan (Luc. 9, 46-50 en Luc. 14, 12-24). En de thematiek van het wel of niet praktiseren van gerechtigheid die in heel hoofdstuk 16 aan de orde is. Opvallend is dat Lucas de rijke niet bij name noemt en de arme Lazarus (dat betekent ‘God helpt’) wel. Het niet noemen van de naam van de rijke duidt erop dat de schrijver van dit evangelie hem een ‘quantité négligeable’ vindt; het noemen van zijn naam zou nog te veel eer zijn!
    Lucas laat Jezus de rijke en Lazarus alleen in hun uiterlijk bestaan schetsen: de rijke geniet van zijn rijkdom en toont die in zijn kleding (linnen en purper geldt als luxe) en de grote mate van vrolijkheid die zijn leven kenmerkt (van eufrainoo, zich verheugen, dat ook in de gelijkenis van de twee zonen voor de feestmaaltijden wordt gebruikt, zie 15: 23, 24,29 32). Kortom: een succesvol leven. Er wordt niets gezegd over de vraag hoe hij zo rijk is geworden. De rijke staat in schril contrast met Lazarus, die  daartegenover wordt geschilderd in zijn uiterlijk bestaan als afhankelijk van anderen (neergeworpen; verlangend naar wat van de tafel overblijft), niet gezond (vol zweren, gelikt door de –onreine- honden) en sociaal geïsoleerd  (hij heeft geen deel aan de maaltijd, ligt voor de deur). We horen niet waarom en hoe hij in deze situatie terecht gekomen is. Ook over zijn moreel gehalte wordt niets gezegd. Het beeld dat Lucas schetst laat ook zien dat er geen relatie, contact tussen de rijke en de arme is. De kloof die de rijke later, als hij gestorven is , ervaart, bestaat dus nu al in deze schildering van beider aardse leven. De rijke duldt de arme wel bij zijn deur, maar ziet hem niet en wil hem ook niet kennen, laat staan dat hij zich om hem bekommert. In zijn boek Het gelaat schrijft de Franse filosoof Levinas dat het primair het gelaat van de ander die je ontmoet, is dat een appèl doet op je verantwoordelijkheid. De zonde van de rijke is dat hij de arme niet ziet. Pas na beider heengaan ziet de rijke de arme aan het hart van Abraham liggen en begint hij een dialoog met Abraham.

    Zoals ik hier boven al vermeldde betekent de naam Lazarus: ‘ God helpt’. Wat wil deze naam in deze context zeggen? Je kan er een dubbele betekenis in zien: God helpt deze arme, Hij ziet naar hem om. De andere duiding is dat de naam niet alleen verwijst naar de hulp die de arme krijgt, maar ook verwijst naar de betekenis die Lazarus voor de rijke zal krijgen; hem te helpen te leren dat een ptoochos naar God verwijst en zijn hulp nodig heeft.

    Na de beschrijving van de situatie vertelt Lucas verder vanaf  vers 22 over wat er ‘geschiedt’. Vers 22 begint met egeneto, wat betekent:  ‘het geschiedde’. Als Lucas dit woord gebruikt, duidt dat er meestal op dat het van Godswege geschiedt! Lucas stelt zich voor en beschrijft in beelden wat dan met beiden gebeurt. Wellicht maakt hij gebruik van andere verhalen. Er wordt wel verwezen naar een aantal aspecten vergelijkbaar in een Egyptisch verhaal; ook naar rabbijnse vertellingen. Lucas vertelt dat Lazarus sterft en niet begraven wordt (dat lijkt een nadere aanduiding van zijn existentiële verlatenheid: er is zelfs niemand om hem te begraven).  Dan stelt de schrijver het zich voor dat Lazarus door de engelen wordt weggedragen naar Abrahams schoot (kolpos kun je beter vertalen met boezem, borst.)
    Strack/Billerbeck schrijven dat naar een algemeen verbreide mening het de doodsengel is die in het stervensuur de ziel van de mens opeist om die te halen. Over ‘Abrahams schoot’ zeggen zij: het is een concretere uitdrukkingswijze van ‘tot uw vaderen gaan’ (Gen. 15, 15). Abraham komt in het evangelie van Lucas vaker voor als de stamvader van Israël, aan wie God zijn belofte heeft gedaan. Overigens wordt Abraham in Genesis als een rijke boer geschetst. Dit verhaal is dus geen kritiek op bezit, op het rijk zijn, wel, zoals zal blijken op de wijze van omgaan met je rijkdom.
     

    De rijke wordt na zijn dood wel begraven. In tegenstelling met de  voorstelling in veel commentaren staat er niets over de mogelijke luxe van zijn begrafenis. Lucas stelt zich de consequenties van zijn voorbijzien van de arme, van zijn in gebreke blijven om recht te doen als volgt voor: in het dodenrijk  (de Hades) lijdt de rijke letterlijk pijn en hij ondergaat de Tantalus, dat wil zeggen de kwelling dorstig het water in de buurt niet te kunnen bereiken. Hij wordt verder geconfronteerd met het beeld van Lazarus (die hij nu wel ziet en aanspreekt) aan Abrahams boezem. En met een onoverbrugbare kloof. Je zou kunnen zeggen: de rijke ervaart wat Lazarus eerst ondervond: neergeworpen zijn op een plaats waar je niet weg kunt, gepijnigd (door zweren, respectievelijk vuur), hongerig en dorstend, in volstrekt sociaal  isolement verkeren. Wat de rijke ondergaat is niet zozeer als straf bedoeld, maar wil een louterende werking hebben op hem. Hij wordt onderricht door een vergelijkbare ervaring van to kaka te ondergaan als Lazarus eerst. En door te zien hoe Lazarus  to agatha (het goede) beleeft, zoals hij eerst. En over het hoofd van deze rijke heen worden de hoorders onderricht (de Farizeeën en de eerste lezers van het evangelie eens en de hoorders nu).

    Dat onderricht geschiedt in het vertellen van de ervaring van de rijke, maar ook in de woorden van Abraham. Ondanks de niet te overbruggen kloof is er wel communicatie mogelijk. Abraham noemt de rijke zelfs ‘kind’. De rijke wordt blijkbaar niet afgeschreven. Ook al gaat Abraham op geen van zijn drie verzoeken in. Het eerste – om een natte vinger - dus niet, om te ervaren wat hij een ander heeft aangedaan.
    Het tweede verzoek wordt om andere redenen afgewezen. Er hoeft volgens Abraham geen boodschapper naar het huis van zijn vader te gaan om zijn vijf broers (vgl. de vijf boeken van de Tora!) te waarschuwen, omdat de richtlijnen hoe als rijke om te gaan met de armen in je land in wet en profeten voldoende zijn uiteen gezet: ‘ Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en arm in uw land’ (Deut. 15,11). Er is dus niets nieuws te vertellen. Het gaat er om te horen en te handelen naar de vertrouwde woorden van Tenach, zoals ook deze rijke wist wat hem te doen stond in zijn leven: omzien naar wie een appèl op je doet, delen van je rijkdom, recht doen.
    Het laatste verzoek van de rijke ligt in zijn verwachting van de bijzondere overtuigingskracht van het wonder dat er iemand tot je komt die uit de doden is opgestaan. Het zal de ervaring van Lucas zijn geweest van de geringe overtuigingskracht van de opwekking van Jezus uit de doden voor wie niet geraakt worden door de woorden van de Tenach, waar Jezus in zijn leven naar verwees en gestalte aan gaf. Denk aan het verhaal van de Emmaüsgangers.

    Aanwijzingen voor de preek. Je zal er als voorganger rekening mee moeten houden dat dit verhaal op het eerste gehoor naar de letter verstaan wordt als een verhaal over het hiernamaals. Het kan dan schrik aanjagen: is er toch sprake van  hemel en hel? Kun je als rijke niet zalig worden? Moet je bang zijn voor het oordeel? Of woede: met dit verhaal zijn eeuwenlang de armen eronder gehouden; zij zouden hun compensatie wel in de hemel krijgen.
    Daarom zal uitgelegd moeten worden dat het hier niet om een beschrijving van het hiernamaals gaat, ook niet om berusting in schrijnende maatschappelijke tegenstellingen. Wat we wel horen is een geïnspireerde vertelling van Lucas, die iets te verkondigen heeft. De kern van de verkondiging is de oproep gehoor te geven aan het appèl dat uitgaat van het aangezicht van de ander die jou nodig heeft (denk bijvoorbeeld aan de vele Syrische vluchtelingen). Ingaan op dat appèl doet de ander recht. Maar het wekt ook jou en mij op tot menselijkheid, brengt ons tot onze bestemming. De rijke ervaart door de arme Gods hulp daartoe. Recht doen, tot humaniteit komen is volgens dit verhaal van je rijkdom willen delen, om niet, zonder er belang bij te hebben, liever gezegd: om de ander, om diens belang te dienen. Vanuit dit perspectief kan het verhaal naverteld worden. Zie daarvoor de uitleg.

    In dit verhaal wordt de hoorder vooral in de rijke mens aangesproken. Om in onze levenssituatie
    recht te doen aan de arme. De voorganger zal inhoud moeten geven aan zijn/ haar rijkdom en die van de hoorders waarvan het belangrijk is die met de ander te delen die deze niet heeft. Dan gaat het om materiële rijkdom, persoonlijk. Maar ook als rijke laag van de bevolking of als inwoner van een rijk land in deze wereld. De wijze van delen met de arme mag kritisch doordacht worden, als politiek en maatschappelijk vraagstuk, maar ook in je persoonlijk handelen. Concrete vormen van ‘delen wereldwijd’ kunnen genoemd worden. Overigens kan rijkdom die je bezit ook minder materieel van aard zijn en valt die te delen met de ander: kennis, rechtspositie, gezondheid (door inzet voor goede zorg).

    Door de arme die onder het gehoor is (in materiële zin, maar ook in het gevoel van niet-bezittend zijn in geestelijke zin) mag de naamgeving van  de arme in het verhaal en van de troost die deze ervaart als troost gehoord worden.

    Lies van der Zee

     

    11 september 2016

    13e zondag van de zomer 11 september 2016

    De volgende zondag begint de Vredesweek, met het thema: Vrede verbindt. In de teksten van deze zondag wordt er ook geschreven over onvrede en vrede, verbindingen, die verbroken worden, maar ook weer hersteld.

     Ex. 32.7-14, Ps 51, Luc 15.1-10, 1. Tim1.12-17 

    Inleiding.

    In Exodus is het Mozes, de herder van zijn volk, die pleit bij God voor hun beider ‘schapen’ die verloren dreigen te gaan. God is woedend over het negatieve feest dat het volk viert voor hun gouden kalf, als gesneden beeld. Hij wil de banden met het volk verbreken. Mozes pleit voor herziening van Gods woede. Zo weet hij de verbinding te herstellen.

    In Lucas 15 vertelt Jezus drie gelijkenissen/parabels tegen de ‘herders’ van Israël, de Farizeeën en de Schriftgeleerden. Het zou hun taak zijn het verlorene te zoeken. Zij doen het tegendeel door hun gedrag o.a. door (voor)oordelen te hebben ten aanzien van tollenaars en zondaars. En te schimpen op het feit dat Jezus toestaat om hen op te zoeken en naar hen te luisteren en zelfs met hen te eten. Jezus, illustreert hoe mensen, een herder( een man) en een vrouw, op zoek gaan naar wat verloren is. En als het gevonden is, de blijdschap delen met anderen in hun buurt. Een feest van oprechte liefde en vreugde voor wat verloren was en opnieuw verbonden.

    Ex 32.7-14.

    Context: In hoofdstuk 20 wordt de samenvatting van de Tora beschreven en toegelicht. In hoofdstuk 24, vindt de verbondsluiting plaats. Mozes krijgt de opdracht van God op de berg te komen om de bezegeling ervan in ontvangst te nemen. 24.8 meldt dat Mozes daar 40 dagen en nachten verbleef. Wat daarna beschreven wordt zijn de voorschriften die God geeft om een woning voor hem op aarde te maken. In hoofdstuk 32 wordt verteld dat het volk ongeduldig wordt. Wie is die God van deze berg, die hen met behulp van Mozes uit Egypte bevrijd heeft. Waar blijft die Mozes. Ze eisen van Aaron een god te maken met potentie, een stierkalf. Aaron zwicht voor hun aandringen. Maakt, met hun goud, een kalf. Waar brandoffers en vredesoffers voor worden gebracht en een uitbundig feest volgt. In 24.5 waren brandoffers en stieren offers gebracht als vredesoffer voor de Heer! Hoe snel kunnen mensen soms van gedachten en handelingen veranderen!

    7-14.God ziet wat op aarde gebeurt. Hij is woedend , staakt zijn voorschriften en plannen voor zijn woningbouw op aarde. De tekst valt in drie stukjes uiteen, waarin Mozes verbindingen tracht te maken.

    7.8: God beveelt Mozes af te dalen, omdat Mozes zijn volk dat hij uit Egypte geleid heeft zich, al zo snel, misdraagt. De woede van God uit zich in het taalgebruik. Jouw volk, (niet: mijn het volk) dat jij uit Egypte geleid heb, misdraagt zich! (NBG)/ het verdorven heeft (NBV). Mijn woede zal hen verdelgen. Mijn brandende toorn zal hun verteren. Daal af/ga terug. Weg wezen dus!. Onder zo’n volk wil ik niet wonen.

    9-10:. God is klaar met zijn inspanningen voor dit hardnekkige volk. Dat zich inlaat met een hardnekkig stierkalf, als haar god. Mozes zelf is nog in zijn gratie: jij, u/jou zal ik maken tot een groot volk. Mozes zegt niet oké, daalt niet af, maar gaat een dialoog aan met God.

    11-14 Hij komt voor het volk op, zoals Abraham voor Sodom. En herinnert God aan zijn belofte aan Abraham, Isaak en Israël (niet Jacob!).Uw eigen volk verdelgen, dat u met grote kracht /macht en met sterke hand hebt doen uittrekken? Wat zouden de Egyptenaren daar van vinden? Hij roept God op om berouw te hebben en zich te bekeren van zijn voornemen. En af te zien onheil over uw volk te brengen. Dan heeft God berouw over kwaad/onheil dat hij in petto had voor zijn volk. God wil toch weer verder met zijn volk dat dreigde verloren te gaan. Mozes heeft de verbinding tussen God en zijn volk hersteld.

    Context:15-34.10

    Dan pas gehoorzaamt Mozes aan Gods opdracht. Hij keert zich om en gaat de berg af. Hoe diplomatiek hij was in zijn pleidooi voor het volk bij God, zo woedend wordt hij, als hij het feestende volk ziet. Hij uit zijn woede door het stuk gooien van de stenen platen met de tekst van de 10 woorden. In het verloop van de teksten zien we dat de dialoog tussen Mozes en Aaron (op aarde) omgekeerd verloopt als de dialoog tussen Mozes en God. Bovendien dat Mozes het volk met geweld straft. In 34 10 gaat het opnieuw over het feit dat God een verbond wil sluiten met het volk en volgen er verdere voorschriften.

    Het intermezzo verhaal over het Gouden Kalf zou kunnen verwijzen naar de Gouden klaveren dienst onder Jerobeam in het Noordrijk.

    Stierkalf verering.

    Het verhaal betreffende de verering van het ‘gouden kalf’ is terecht gekomen bij de hoofdstukken over de gave van de tien woorden en de verbondsluiting. Het illustreert hoe moeilijk het is de voorschriften van de Tora te houden. Een voortdurend proces om God te dienen, te midden van alle twijfel en onzekerheden en verleidingen in het leven van alle dag te midden van de volken.

    Een stierkalf verering, het symbool van potentie en macht, vond in veel omringende volken plaats. Er vond een stierkalf verering plaats in de JHWH cultus van Bethel en Dan (Noordrijk), tijdens koning Jerobeam (1 kon 12, 26vv, Hos.13.2vv).

    Ps 51 : David vraagt vergiffenis na zijn misstap met Batseba.

    1. Tim.1.12-17.

    Paulus heeft een andere verbinding gemaakt met Jezus, van vervolging naar vrede, zo schrijft hij aan Timoteüs. Hij vertrouwt hem toe ook de opdracht van Jezus door te geven. En de heilige geest die in hen woont te bewaren als het goede dat ook Timoteüs is toevertrouwd.

    Luc 15.1-10,

    Lucas 15 is eigenlijk een drieluik van gelijkenissen/ parabels als antwoord op het morren van Farizeeën en Schriftgeleerden. Zij morden onderling, omdat Jezus omging met tollenaars en zondaars en zelfs met hen at. Jezus, antwoordt met drie verhalen: het verloren schaap, de verloren munt en de jongste zoon. Verbroken verbindingen worden er weer hersteld. De nieuwe verbindingen worden feestelijk gevierd.

    Lucas beschrijft: zoals deze vreugde op de aarde er ook vreugde in de hemel zal zijn, als verbroken verbindingen met God weer hersteld worden. In de Tenach gebeurde het herstel van verbroken verbindingen met het volk vele keren. God bleef als een herder, ook als mensen andere wegen gingen, dan Godsweg. Lucas beschrijft zijn evangelie als blijde boodschap, dat deze Jezus, de Messias is die, in de lijn van de profeten, de weg weer opnieuw voorgeleefd heeft. Ook in de gelezen gelijkenissen/ parabels laat hij zien dat: (voor)oordelen afstand, onvrede of zelfs een vijandige houding veroorzaken, tegenover anderen. Hoe mensen als beeld van God 'herder' voor elkaar kunnen zijn door te zoeken wat verloren dreigt te gaan. Door zijn leefwijze gaf hij voorbeelden dat alle mensen schepselen van God zijn, welke cultuur, ras, beroep, geaardheid of geloof zijn hebben

    Lucas schrijft in zijn goede boodschap, dat als Jezus houding nagevolgd wordt, in een nieuwe - of hervonden praktijk van leven, er verbindingen gemaakt kunnen worden, die onderlinge vrede kunnen bevorderen. Het zal dan feest zijn, zowel op aarde als in de hemel.
    Verbindingen maken door te luisteren naar onvrede, dialoog aan te gaan en samen te zoeken naar wat verloren dreigt te gaan. Dat draagt bij om wegen te banen naar vrede,

    Na Jezus komst is het er nog niet veel beter op geworden. (Voor)oordelen hebben alle mensen, en afgoden verering overkomt, onbewust, iedereen. Er wordt vertrouwen gesteld in zaken/afgoden zoals: superioriteit van het blanke ras, het superioriteits-idee van de macht van het westen, de Markt, het consumisme, de wapenhandel. Het zijn symbolen van macht en potentie, die 'aanbeden worden' als het hoogste goed, als gouden kalveren die, noch door politici, noch door anderen, weerstaan worden. Rondom deze zaken wordt geofferd en feesten gevierd.

    Allerlei zaken spelen een rol, waar geen overzicht op te krijgen is. Onbehagen in de samenleving kan verloren voelen tot gevolg hebben. Er is nationaal en internationaal individualisme en gebrek aan zingeving. Mensen worden bang voor de ander of zoeken zingeving in extreme opvattingen. Hetgeen zich kan uiten in: angsten en vooroordelen, ten aanzien van buitenlanders, vluchtelingen, economische en politieke ontwikkelingen of extremisme/ terrorisme. Sommige media en politieke partijen spelen op deze negatieve gevoelens in. Zij stellen oplossingen voor die niet reëel zijn zoals: grenzen sluiten, stimuleren nationale gevoelens. In Nederland en de wereld is er een veelvuldig toenamen van racisme, antisemitisme, anti-Islam, schending van oorlogsrecht, mensenrechten, mensenhandel etc. Bovendien wordt de kloof tussen rijk en arm, werkenden en werklozen steeds groter.

    De andere kant is dat er zijn overal in de wereld, vrouwen en mannen zich inzetten om te zoeken wat verloren dreigt te gaan. Door contact te zoeken met mensen, wereldwijd maar ook dichtbij in eigen omgeving, die zich verloren voelen. Door contacten, door te luisteren is er pas een oordeel te vormen over wat mensen bezighoud. Als mensen buiten gesloten dreigen te worden dan moet samen verbindingen gezocht worden om tot andere verhoudingen te komen.

    In veel geloofsgemeenschappen is de collectieve belangstelling voor politiek en sociale aanpak van maatschappelijke problemen getaand. Individuele leden zijn actief, maar niet altijd is er belangstelling voor hun ervaringen. Contacten met onbekenden worden niet in dank afgenomen. Want onbekend maakt onbemind. Verbindingen maken, door luisteren, gesprek en dialoog, opent de ogen voor de ander.

    De man en vrouw die opzoek gingen naar wat verloren was, in de gelijkenissen/parabels, hielden hun vreugde/hun vredesgevoel over het gevondene niet voor zich zelf, maar deelden het met hun omgeving.

    In onze geloofsgemeenschap kunnen we ons afvragen: hoe staan wij als gelovigen in het leven. Hoe trachten wij door onze levenswijzen, vanuit onze gaven en mogelijkheden mee te werken aan het zoeken wat verloren dreigt te gaan. Hoe maken we dat zichtbaar in de samenleving en door het te delen met elkaar, ook in de geloofsgemeenschap.

    Als geloofsgemeenschap weten dat:

    • het anders kan, anders zou moeten,

    • bij verbindingen maken met 'vredes' intenties, het resultaat niet het eerste is dat telt,

    • het in eerste instantie gaat om het gevoel dat de ander krijgt als er aan haar/hem aandacht wordt besteed, men zich welkom voelt en er geluisterd wordt.

    Feest in de hemel, daar weten we niets over zeggen. Wel kunnen we samen in onze geloofsgemeenschappen delen en vieren wat we met elkaar trachten te doen of na (moeten) te laten, met al onze tekortkomingen, gesterkt door de nagedachtenis aan Jezus door middel van het delen van brood en wijn. En bidden om kracht voor de wereld, onszelf en elkaar. We mogen dit doen in het krachtveld van de Geest, in Gods rijk, dat is en komende is.

    Héleen Broekema

    onderstaande gebedstekst kan gebruikt worden als inspiratie voor een gebed:

    Wat zijn wij voor een mensen?

    Wat hebben wij gedaan?

    Wij waren niet zachtmoedig,

    maar vol van toorn en strijdlust,

    van een gelijk – willen - hebben zonder weerga,

    en bezeten van de wens,

    dat allen zouden moeten zijn als wij.

    Heer, erbarm u en vergeef ons onze schuld.

     

    In plaats van honger en dorst te lijden naar gerechtigheid,

    hebben wij hele volken laten omkomen

    in hun smachten naar gerechtigheid.

    Heer, erbarm u en vergeef ons onze schuld.

     

    Wij hebben niet de vrede gesticht,

    maar oorlog gevoerd en vijandschap gekweekt,

    waar broeder/(zuster)schap had kunnen wezen.

    Heer, erbarm u en vergeef ons onze schuld.

     

    Wij hebben onze vijanden niet liefgehad,

    maar ze met haat vervolgd,

    ze gefolterd en doodgeslagen.

    Heer, erbarm u en vergeef ons onze schuld'.

    ….....

    ….....

    Uit: Dorothee Sölle – Fulbert Steffensky, Politiek Avondgebed, Baarn 1969.

     

     

    ,

     

    28 augustus 2016

    11e zondag van de zomer 28 augustus 2016

    Preekvoorbereiding voor zondag 28 augustus Bijbellezing: Deuteronomium 24, 17/22 Hebreeen 13, 1/6
    Lucas 14, 7/14

    In deze preekschets ga ik in op de bovenstaande evangelielezing.

    De evangelielezing wordt genoemd in de klassieke lezingen van de kerk voor de zestiende zondag na Pinksteren. Ook als je een zogenaamde vredesdienst wilt houden op deze zondag, is het raadzaam niet een toepasselijk stukje bijbellezing voor een vredesdienst te kiezen. Maar al te gauw lees je dan voor uit de bijbel, opdat de gemeente het dan ook nog eens van een ander hoort. De schriftlezing is er niet om dienstbaar te worden aan wat de prediker toch al kwijt wilde.
    Ik betreur het dan ook ten zeerste dat de samenstellers van het oecumenisch preekrooster de te behandelen perikoop beperken tot de verzen 7 tot en met 14 van deze perikoop. Wat hun beweegredenen daarvoor zijn, is mij niet duidelijk.
    Duidelijk is wel dat bovenstaande perikoop gekenmerkt wordt door het begrip geroepene (kaleo). Daarom pleit ik er ook voor het begrip genodigde te vervangen door het begrip geroepene. Zo blijven we bij de grondtekst en deze vertaling maakt ons duidelijk wie zich als een geroepene gedraagt en wie niet. Dat Jezus hier niet achteloos een betoog houdt, komt al in vers 1 ter sprake. De Farizeeën letten nauwkeurig op hem. Houdt Jezus zich wel aan de joodse wet?

    Uitleg: De ontmoeting tussen Jezus en de waterzuchtige is door de tafelgenoten naar alle waarschijnlijkheid in scène gezet om Jezus te testen.
    Paratereo. (goed in de gaten houden!) komt, behalve hier, ook voor in Lucas 6,7 en 20,20. Daar staat bij dat men Jezus goed in de gaten moet houden om bewijsmateriaal tegen hem te verzamelen.
    Tegenover het gemene en berekenende (een ziek mens gebruiken als testcase) stelt Jezus in  nuchterheid (in de woorden van vers 5) en onbevangenheid (verzen 8-10) zijn reactie. De etiquette van het voordringen vereist immers dat dit heel subtiel toegaat. Daar is hier geen sprake van. Jezus gaat over dit zieke mens onmiddellijk praten en dat hoort niet. Terecht zegt S.F. H. J. Berkelbach van Sprenkel ( in Het evangelie van Lucas) dat ons in vers 10 geen verkapte bescheidenheid wordt aangepraat. Geen ‘gaat u voor, nee na u .’: wie oprukt naar boven, streeft naar Gods plaats (Gen. 3) en zal vernederd worden.
    Tapeinoo- vernederen komt bij Lucas voor in 3:5 en in 18, 4, waar dezelfde zin staat als hier in 14, 11
    In de woorden tapeinos en tapeinosos komt het voor in de lofzang van Maria (Luc. 1,48;52). In 
    Lucas 3 , 4-6 maakt de evangelist duidelijk dar er bij de ‘vernederden’ iets anders gebeurt dan een plaatsverwisseling tussen vernederden en verhoogden, want dan zouden er opnieuw verhoogden en vernederden zijn. Waar het om gaat is dit: als de hogen omlaag komen en de lagen omhoog, dan ontstaat een nieuwe situatie, namelijk dat zij elkaar recht in de ogen kunnen zien.

    Last, but not least het derde Stichwort in deze perikoop: kaleo –‘roepen’. De keklemenoi worden in de gangbare vertalingen ‘genodigden' genoemd. De reden is dat het zo mooi is dat dit onze roeping is: naar het feest komen!. We zouden er veel bij winnen, als wij onze roeping zouden leren verstaan als een uitnodiging (om zo onze kramp kwijt te raken) en indien wij de vrijblijvendheid laten corrigeren door het geroepen zijn.

    Aanwijzingen voor de preek. Je kunt, als het in de kerk gaat over de vrede, die met het geroepen zijn in verband brengen; dat is een gegeven. Maar laat het daarbij niet blijven; het genoemde hoort niet alleen een interne discussie op te leveren. Uitspraken over de vrede hebben politieke gevolgen en daarvan dienen we ons bewust te zijn, maar we zijn geroepen deze discussie aan te gaan.

    Gang van de preek. Lucas 14, 1-14 vertelt ons over de omgang met mensen met elkaar. Het begint met een heel negatief voorbeeld daarvan: Jezus’ disgenoten gebruiken een ziek mens om Jezus te betrappen op het niet naleven van de wet. Jezus ontmaskert hen, heel nuchter en onbevangen.
    Het nuchter en onbevangen de ander tegemoet treden is ook het enige waardoor niet alles en iedereen geblokkeerd raakt
    Twee tegenovergestelde levenswijzen staan tegenover elkaar. Jezus roept ons op tot een andere levensstijl dan de gebruikelijke.
    Voor ons betekent dit, dat we niet meer handelen, spreken en leven vanuit een voortdurend wantrouwen. Als Jezus’ volgelingen willen we ons eigen vooroordeel (bij voorbeeld tegen asielzoekers) over andersdenkenden en anders levenden niet meer laten bevestigen, maar we willen de ander met een geopend hart onbevooroordeeld tegemoet treden. Alleen dan worden verschillen van inzicht productief: je kunt alleen dan doordringen tot de ander, wanneer je de ander tot jezelf toelaat.
    ‘Wie zich vernedert, zal verhoogd worden.’. Als we zien hoe Jezus aan het kruis het leven liet en zo dus de laagste plaats innam, dan beneemt ons dat alle geloof in grootheid en/of hoogheid. We worden geroepen om anders te gaan leven. In de eerste plaats in de omgang onderling.
    Maar wat aan de gelovige enkeling wordt voorgehouden, geldt in een adem door voor de hele gemeenschap van mensen. Of men nu gelooft dat het persoonlijke ook politiek is of niet, je kunt voor het persoonlijk leven niet heel andere maatstaven aanleggen dan voor de politieke.
    In de laatste verzen van het gelezen evangeliegedeelte gaat het over onberekend goed doen, zonder eerst te becijferen wat je terug kunt verwachten. Niet altijd maar afwachten tot de ander eens iets goeds, positiefs doet, zodat wij ons eigen handelen afhankelijk maken van de ander. Maar gewoon doen wat we moeten doen, omdat het goed is en omdat de Heer het van ons vraagt.


     

    14 augustus 2016

    9e van de zomer 14 augustus 2016

    Enige gedachten bij Jer. 23.23-29, Ps 82, (Hebr 11.17-29), Luc 12.49-56 voor zondag 14 augustus 2016, de 9e van de zomer voor Kerk en Vrede.

    Intro. Goden van macht, geld en wantrouwen lijken de aarde te regeren. Overal lijkt letterlijk en figuurlijk iedereen elkaar te bestrijden en niet meer te vertrouwen. Er zijn nog steeds mensen, die mensen die geen verweer hebben bijstaan. Dat wordt vaak niet in dank afgenomen door de machthebbers.

    Inleiding: Met de komst van Jezus, lijkt de profetie, o.a. in Jeremia, van een nieuwe loot aan de stam van David vervuld. Alhoewel, de joden, ten tijde van Jezus, verwachten iemand op Davids troon, die hen zal verlossen van de Romeinen. Jezus doet dat niet. Hij laat zien wat gerechtigheid betekend als beeld van God. In eerste instantie, zegt Jezus, tegen zijn leerlingen, zal het zien van onrecht en het doen van gerechtigheid mij en jullie niet in dank worden afgenomen. Het zal verdeeldheid geven in opvattingen. Ik moet gedood worden. Dat zal de aanzet geven dat, als jullie mij navolgen, God in zijn koninkrijk dat is en komt zijn 'schapen' weer verzamelen zal.

    Jer. 23.23-29. In de context wordt Jeremia (geboren + 650) opgeroepen door God als profeet voor en aan alle volken. Hij doet dit in de dagen van de koningen Josia, Jojakim en Sedekia tot aan de Babylonische ballingschap van Jeruzalem (Jer.1). In hoofdstuk 22 krijgt Jeremia de opdracht de koningen van Juda te waarschuwen voor het in handen vallen van koning van Babel. Hoofdstuk 23 begint met 'wee', een uitdrukking van droefenis vanwege het gedrag van deze herders, die het volk weiden. Zij hebben het volk laten dwalen. Zij zullen gestraft worden voor hun kwalijke praktijken, zo spreekt de Heer. Wat er nog aan schapen over is zal God zelf bijeenroepen, hen verzamelen en terugbrengen naar vruchtbare weiden. En leiders over hen aanstellen die hen zullen hoeden en gerechtigheid handhaven. Bovendien zal er een rechtmatige telg uit de stam van David ontspruiten. Zijn naam zal zijn: 'De Heer is onze gerechtigheid'. Ook de profeten zijn ontrouw en de priesters verdorven door: overspel, leugen op leugen, het geven van valse hoop. Zelfs het land getuigd ervan door onvruchtbaarheid. De Heer van de hemelse machten zal een oordeel over hen uitspreken, omdat ze niet naar hem luisteren.

    23-29 De Godsspraak gaat verder. Ik ben nabij en niet van ver, en zie hen overal. Ik heb de leugens van de profeten gehoord. Zij laten door hun dromen, mijn naam vergeten, zoals hun voorouders mijn naam door Baäl vergaten. Maar wie mijn woorden kent geeft ze betrouwbaar/ naar waarheid weer. Wat heeft stro met graan gemeen? Is mijn woord niet als een vuur, als een hamer die een rots verbrijzelt?

    30. Ik zal ze straffen.... samen met hun hele familie.

    Ps 82, God, te midden van de Goden, klaagt hen aan vanwege hun onrecht dat zij op aarde doen.

    Ten tijde van Jeremia en Jezus was het niet anders. De Romeinen regeerde met geweld. Zij hadden ook tempels gebouwd waar zijn hun goden vereerden.

    Hebr 11.17-29: Door het geloof.....,

     

    Luc 12.49-56. 

    Context: Jezus is op weg naar Jeruzalem. Er vindt een confrontatie plaats met Farizeeën en Schriftgeleerden. Daarna zegt Jezus tegen de menigte: 'hoedt jullie voor het zuurdesem/ de huichelarij van de Farizeeën. Zijn vrienden bemoedigd hij:'Wees bang voor hen die niet alleen doden, maar ook de macht hebben in de Gehenna/hel te werpen, door hun valse leer. Wie mij verloochend bij de mensen, zal verloochenend worden bij de engelen van God. Dan volgt de gelijkenis van de rijke dwaas, die grotere schuren ging bouwen, maar stierf voor hij er baat bij had. Zoek liever het koninkrijk van God dan wereldse weelde. Verzamel een geldbuidel die niet verslijt voor een schat in de hemel. Houdt je lampen brandende, zodat de heer/ de mensenzoon als hij terugkomt, op een onbekend tijdstip, zijn knechten wakend aantreft. Petrus stelt een vraag of Jezus zijn gelijkenis bedoelt is voor zijn leerlingen of voor iedereen. Jezus antwoord met het verhaal van de betrouwbare rentmeester. De onbetrouwbare rentmeester zal op de dag van de komst van de heer gestraft worden. Wie niet op de hoogte is van wat de heer wil, zal minder gestraft worden. Hoe meer iemand is toevertrouwd, des te meer zal van hem worden gevraagd.

    49-56. Jezus preekt dat hij gekomen is om het koninkrijk van God aan te kondigen, dat nabij is. Ter illustratie vertelt Jezus gelijkenissen waarin hij de rol van zijn Vader illustreert. Het is een antwoord aan de leerlingen, dit lijkt diepergaand, dan de gelijkenissen/ parabels die hij aan de menigte vertelde. Jezus bereidt zijn leerlingen voor op zijn komende lijden en kruisdood.

    49. Jezus zegt : 'Ik ben gekomen om op aarde vuur te ontsteken en wat zou ik graag willen dat het al brandde. Vuur wordt veelal geassocieerd met vernietiging of geweld. In de Tenach zijn veel passages die vuur associëren met God, zijn wezen en zijn nabijheid. Het vuur dat Jezus komt ontsteken is voor de goede verstaander dan ook geen ramp, maar het vuur van de heilige Geest. Lucas beschrijft dat in Hand.1. Verandering in mentaliteit, inzien dat er andere mogelijkheden zijn in tijden van onrecht en geweld. Om het vuur van liefde en gerechtigheid, als beeld van God, weer te ontsteken op aarde. Dat is het doel waarvoor hij gekomen is.

    Er zijn ook verhalen in de Tenach waar vijanden en vreemde goden met vuur/ geweld bestreden worden, met als motief: ten behoeve van de enige ware God.

    50.Ik moet een doop ondergaan en ik wordt hevig gekweld/ het houdt mij erg bezig, zolang die niet volbracht is. Jezus is gedoopt met water, maar de geest heeft hem aangewezen als geliefde zoon. Luc. 3.22). Zijn optreden en opvattingen , alg gevolg van deze taak, zijn ongewenst bij de heersende machten. Hij zal zijn keuze, volgens zijn doop opdracht te leven, met een politieke dood moeten bekopen. Het vuur kon pas goed bij de leerlingen ontbranden door hun opstandingservaring. Zonder vuur door Gods Geest, kan er geen vredige samenleving ontstaan op aarde. Met het vuur van de geest, kan er waakzaamheid zijn die de lampen doet branden en licht laat schijnen over recht en onrecht, op zoek naar andere mogelijkheden.

    51.Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen? Dat is niet het geval. Ik kom verdeeldheid brengen. Evenals in de tijd van Jeremia is het in de tijd dat Jezus op aarde rondging roerig. Er waren allerlei groeperingen voor en tegen de Romeinen die elkaar met geweld te lijf gingen. Bovendien waren er allerlei mensen die zich voor profeten of messiassen uitgaven. Ze deden ook wonderen en beloofde mensen te verlossen van de Romeinen. Jezus geeft aan dat hij daarvoor niet gekomen is. Het gevolg van zijn missie zal voor de mensen die zijn weg kiezen er één zijn van verdeeldheid in families. Verdeeldheid, niet vanwege een straf van God, maar vanwege opvattingen over de te volgen vredes weg, naar Jezus voorbeeld, en de risico's daarbij. Zijn vredes weg volgen is een daadwerkelijke keuze. Van geloofskeuzes, door mensen die anders handelen dan de heersende opvattingen, vanuit hun geloof, worden in de Hebreeën 11 ook verschillende voorbeelden gegeven.

    Keuzes die mensen maken, op grond van hun geloof, kunnen zeer verschillend zijn. Het kan in onze tijd ook verdeeldheid brengen in families. Velen hebben littekens van verschillende kerkscheuringen of conflicten met priester en bisschoppen. Het kan ook dialoog opleveren. Een illustratie daarvan is de verhouding tussen een oud-IKON-pastor met pacifistische opvattingen en zijn dochter die kiest voor het leger en vredes missies. (Zie de Vredesspiraal het kwartaal blad van Kerk en Vrede no 2, 2016 of http://www.ikonrtv.nl/daw/index.asp?UntEntityld=391).

    54-59. Jezus richt zich weer tot de menigte met een voorbeeld uit de natuur dat iedereen herkent. Hij verbaast zich erover dat de menigte niet zelf bepaald wat juist / rechtvaardig is maar zich laten leiden door tegenstanders waar ze niet tegen op kunnen, waardoor ze hun ondergang tegemoet gaan. In plaats dat zij met hen praten, voordat de (gerechtelijke) overheid over hen beslist.

    Keuzes vandaag.

    Tegenover politieke beslissingen nu zijn veel onmacht gevoelens en meningsverschillen, in het groot en in het klein. We zien het dagelijks in de media. Welke keuzen worden gemaakt en wat vinden we er zelf van. Hoe werken we aan het tot stand komen van onze keuzes en wat doen we ermee als gelovigen.

    Wereldmachten maken keuzes, die ten goede of ten kwade uitwerken. In de dagen die achter ons liggen is er weer stilgestaan bij de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. En de doffe ellende die dat voor vele overlevenden en hun kinderen nog met hen meebrengt, zowel medisch als psychisch. Elke dag worden we geconfronteerd met crisissen en vluchtelingenstromen als gevolg van de ellende Afrika, Latijns-Amerika en de oorlog in het Midden-Oosten o.a. als gevolg van oorlogsbesluiten na 9/11. Maar ook al als gevolg van verdragen aan het begin van de twintigste eeuw, die grenslijnen hebben getrokken om koloniën te verdelen tussen Europese staten, dwars door stamverbanden heen.

    Morgen is het Maria Hemelvaart (RK), dan wordt het 'Magnificat' gelezen. En liederen van hoop, zoals we die ook kennen van Mirjam, Debora en Hanna keren steeds weer terug kunnen ook ons bemoedigen, dat uiteindelijk het weer anders zou kunnen worden op aarde. De navolgers van Jezus dachten dat hij spoedig zou terugkomen. De geschiedenis laat zien dat de ene machthebber de andere opvolgt als zij van hun troon gestoten worden door revolutie of oorlog. Toch blijven er mensen die weten dat dit niet een oplossing is voor een wereld waar allen tot hun recht zullen komen. Deze 'zachte krachten' die opstaan en vanuit liefde en hun geloof of levensfilosofie zich inzetten vanuit eigen gave en mogelijkheden om te trachten aan te geven dat er ook andere mogelijkheden zijn dan wapengekletter en geweld om te komen tot een samenleving waar:

    • kleinen verheven worden, hongerige overleven met gaven, rijke met lege handen worden weggestuurd,
    • grenzen niet gesloten worden vanwege economische motieven of angst voor de Islam,
    • vluchtelingen menswaardig opgevangen worden,
    • mensen weten en aangeven dat het anders zal moeten en anders zou kunnen, naar hen geluisterd wordt.

    Eigen mening vormen en inzetten voor recht en gerechtigheid is niet alleen te doen. Mensen hebben daarvoor elkaar nodig, ook al zijn er tegenovergestelde meningen. Geloofsgemeenschappen kunnen met elkaar zoeken om wegen te vinden in eigen context. Zij zijn een georganiseerde groepering. Zij hebben ook de mogelijkheid met anderen contact te maken en samenwerking te stimuleren. Of zich bij andere initiatieven aan te sluiten. 

    Héleen Broekema 

    Ps 82 vrij. 

    In de vergaderzaal der goden

    opgestaan

    oog in oog met de opperwezens

    staat hij, die Ene

    en spreekt.

     

    Hoor zijn aanklacht:

     

    Hoe lang nog het recht geloochend,

    Ploert en Schender begunstigd?

    Doe recht de minste, het weeskind,

    de arme, beroofde, vernederde.

    Red hen die gen verweer hebben,

    doe hen ontkomen

    aan de hand van de schenders. ,

     

    Zij willen niet weten, niet zien

    in duisternis gaan zij hun gang.

    Op haar grondvesten

    wankelt de aarde.

     

    Wel heb ik gesproken,

    zegt hij, die Ene:

    godheden zijt gij,

    zonen, gij allen, van God in de hoge,

    maar sterven zult gij,

    vallen, zoals koningen vallen.

     

    Sta op, richt de aarde, Gij,

    Want u komen toe alle volken.

     

    Huub Oosterhuis

     

     

     

    31 juli 2016

    7e zondag van de zomer 31 Juli 2016

    Lezingen Prediker 2: 1- 11; Lucas 12:13 -21 

    Het gaat nu een aantal zondagen over rijk. Rijk zijn; rijk worden; arm willen worden. Maw we hoeven vandaag er niet alles over te zeggen. Maar alle zondagen lijken me onder het beslag te staan van vers 49 - 53: de geladenheid, de spanning van 'eindtijd'. 
    Wie beseft dat de 'eindtijd' al loopt, ook voor niet gelovigen, leze Gunther Anders. Over onze Apocalypse-blindheid. Maar hij heeft zijn focus vooral op de atomdreiging.

    De reden om deze lezingen bij elkaar te nemen is niet zo moeilijk te achterhalen. Die uit Prediker is een illustratie bij het denk model dat de rijke man uit Jezus' gelijkenis kenmerkt. 
    Verschil is dat Jezus inzoomt op het verzamelen van 'schatten' en Prediker onderzoekt als zodanig 'de vreugde' (die je aan (veel ) schatten zou kunnen beleven.)
    En een nog groter verschil: Jezus ijkt de term 'rijk zijn in God'. Daar is Prediker als zodanig niet aan toe. Maar de roostermakers lijken te  suggereren dat de zin van het leven waar Prediker naar zoekt door Jezus ingevuld wordt als 'rijk zijn in God'. 


    Bij Prediker.
    Wat is de Naardense Bijbel toch mooi: "ik zal je beproeven met vreugde/ zie het goede eens aan".

    Meestal hangen we het begrip beproeving op aan lijden, zwaarte, problemen. Moeilijke tot onmogelijke keuzes maken. 
    Prediker kan niet kiezen voor allerlei 'leuke dingen voor de mensen'. En hij weet waar hij het over heeft, zo te horen. 
    Hij suggereert wel dat zijn test in alle redelijkheid uitgevoerd werd; in het nette is gebleven. 
    Het ligt niet voor de hand om hier diep in te gaan op het netjes om gaan met rijkdom; of de problemen van de rijkdom; van de rijke helft van de wereld'. Want ethiek is niet aan de orde. Ook niet dat die rijkdom in die tijd heel vaak stoelde op onrecht. Denk aan Salomo die dwangarbeid invoerde. 
    Ga je toch wel iets voorleggen over de maakbaarheid van geluk? Vragen van het consumentisme? 
    Predikers punt is: wat hij ook deed,- er was geen voordeel in zijn daden. Het zijn van je er zijn kan je er niet mee in elkaar timmeren.

    Bij Lucas 12: 13- 21
    Ik weet het niet zeker of in de tijd van Jezus rabbi's dat soort geschillen niet behandelden. 
    Ga niet in op die erfenis kwestie. Jezus doet het ook niet. Ook niet op wat er aan de hand kan zijn geweest. Op zich lijkt het me niet zo handig om een dergelijke precaire vraag in het openbaar te stellen, maar dat terzijde.

    Ook niet in gaan op de vraag hoe je dan zonder advies van Jezus zo'n kwestie toch wel op kunt lossen.

    Een zwaartepunt in de gelijkenis: Rijk zijn in God. Letterlijk heeft Jezus het over NIET-rijk zijn in God.
    Maar heb erg: dit is al niet meer de gelijkenis, maar het punt dat Jezus wil maken.

    Niet-rijk zijn in God zit dat dieper dan materialisme; consumentisme? Of is het dat helemaal?. Ik denk dat niet-rijk zijn in God elke soort anti-geloof is dat in de praktijk voor komt? Het moderne geloof-in-de-vooruitgang van de geschiedenis valt er zeker onder. En neo-liberale economie en dito politiek. Maar omschrijven wat het positief is, blijft lastig. 

    Misschien de uitwerking/toepassing toch maar zoeken in de richting van Dorothee Sölle "Mystiek en verzet". Koudwatervrees van Protestanten (500 jaar Reformatie) voor mystiek? En kunnen we al helemaal slecht uit de voeten met de combinatie verzet en mystiek?
    Aan de horizon staan natuurlijk de kloosters. Als je daar iets mee wilt zie ook Nijkleaster

    Je zult wel zo nuchter zijn om te beseffen dat 'wel rijk zijn in God' niet in een stormvrije zone plaats vindt. 

    In de komende week beginnen de Olympische spelen, trouwens. Ik zie geen directe link. Maar toch.

    jan anne bos

    24 juli 2016

    6e zondag van de zomer 24 Juli 2016

    Bijbellezingen: Genesis 18, 20-33 Kolossenzen 2, 6-15 Lucas 11, 1-13 
    (Deze preekschets gaat uit van de evangelielezing.)

    Uitleg: De lezing uit het evangelie volgens Lucas heeft de volgende opbouw:

    vs. 1: Inleiding op het thema met de vraag van de leerlingen: Heer, leer ons bidden
    vs. 2-4: Lucas’ versie van het onze Vader
    vs. 5-8: De gelijkenis van de vriend in de nacht
    vs. 9-13: Concretisering van het thema: als je bidt, mag je erop vertrouwen dat God een luisterend gehoor heeft en je niet met lege handen zal wegsturen.

    Uit deze opbouw kun je al constateren dat het raam van deze gebedsonderwijzing van Jezus gevormd wordt door het begin over de inhoud van het gebed en het einde, dat de gelovige de zekerheid heeft dat deze zich niet tevergeefs tot God zal richten. Die zekerheid kenmerkt zich hier door twee stappen: 1. Via de gelijkenis van de vriend en 2. Via het, evenzeer vergelijkende, beeld van de vader en de zoon.
    Om de beeldspraak helder te krijgen lijkt het me goed om eerst raam en gelijkenis onafhankelijk van elkaar te bekijken (ze stammen ook nog uit verschillende bronnen) om daaropvolgend te zien hoe beide delen in elkaar passen. Eerst iets over de gelijkenis van de vriend in de nacht:
    ‘Stel dat iemand van jullie een vriend heeft…’ Deze openingszin gebruikt Lucas net als Matteüs met name in gelijkenissen en meestal korte parabels. Het doel is bij de hoorders een stellingname uit te lokken. Deze vraagt om een stellig ontkennend antwoord zoals: uitgesloten, ondenkbaar! Zoals dat ook in de volgende vragen geschiedt: Wie van jullie kan door zich zorgen te maken een el aan zijn levensduur toevoegen? (Luc. 12, 25), of Luc. 14, 5) als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er ook toch meteen uit, ook al is het sabbat?. Vgl. ook: Lucas 11,11; 14,28 en 15,4. Het is onvoorstelbaar dat een mens een vriend heeft zoals deze man die weigert de deur te openen omdat het nacht is. Zo’n contradictio in terminis (anders was hij geen vriend!) bestaat niet. Deze gelijkenis moet gelezen worden vanuit dit impliciete antwoord op de vraag. ‘Stel dat iemand van jullie,…’ Lucas stelt dit in vers 8 nog scherper: al was het niet ter wille van de vriendschap, dan nog zou de man opstaan ter wille van de onbeschaamdheid van de ander en hem geven wat hij nodig had. Het woord anaideia (onbeschaamdheid) brengt de gelijkenis in de sfeer van het parallelle verhaal van de weduwe die door haar aandringen de onrechtvaardige rechter overhaalt haar recht te verschaffen (Luc. 18, 1-8). Als je de gelijkenis afzet tegen de achtergrond van de oosterse wereld, waar vriendschap en gastvrijheid geen vrijblijvende zaken zijn, maar een plicht, dan is het beeld compleet.
    Het lijkt me goed zich in de uitleg te bepalen tot dit beeld van de gelijkenis en dat in alle duidelijkheid te laten uitspelen en niet buiten dit beeld om tot allerlei speculaties te komen, zoals bijvoorbeeld hoe het komt dat de man om brood moet vragen. Dit soort uitweidingen leiden alleen maar af van wat de evangelieschrijver wil zeggen! Lucas wil juist het onvoorstelbare in deze gelijkenis onderstrepen! Zonder twijfel.betekent hier het ‘ik kan niet opstaan’ in vers 7 ‘ ik wil niet opstaan’, dit niet willen tart alles wat verwacht mocht worden.
    De volgende vraag die we ons kunnen stellen is die naar de identificatie van de rollen binnen het beeld. Dat kost weinig zoeken want de evangelist zelf wijst ons de weg: In de man die om brood vraagt kan de gelovige zich herkennen als de mens die zich tot God keert. Hij is degenen die het levensbrood geeft. In de rol van de vriend in het huis geeft Hij, hoe dan ook, vanwege de bestaande relatie of vanwege het onbeschaamd aankomen in de nacht, de ander zoveel hij nodig heeft.
    Qua inhoud verloopt de identificatie via de a minori ad maius-constructie: Indien deze man al zo doet, hoeveel te meer… Deze vorm vinden we terug in het parallel-verhaal van Lucas 18 en in het raam van deze perikoop bij het beeld van de vader en de zoon. Het lijkt me goed om in deze gelijkenis de hoofdrol toe te delen aan de vriend in het huis. Anders dan in Lucas 18 gaat het hier niet zozeer om het aanhoudende bidden, maar om de zekerheid van de verhoring.
    Zo zijn we terug bij het raam waarbinnen de gelijkenis wordt overgeleverd. Uitgangspunt is dus de vraag van de leerlingen of Jezus hen wil leren bidden zoals ook Johannes dat zijn leerlingen leerde (vgl. 5, 33). Kennelijk heeft er zich naast de bekende joodse gebedsvormen een traditie ontwikkeld voor de christelijke gemeente, met als oorsprong Jezus’ eigen bidden tot de Vader. Lucas met name legt zeer veel nadruk op dat eigen bidden van Jezus.
    Op de inhoud van het Onze Vader wil ik in dit kort bestek niet ingaan. In ieder geval geeft het binnen deze context een richtlijn voor het bidden dat niet onbeantwoord zal blijven.
    Het laatste deel van de perikoop komt bijna woordelijk overeen met Mat. 7, 7-11. Met drie imperativi wordt de gelovige aangespoord zich actief tot God te keren in gebed: vraag, zoek en klop. Door herhaling in vers 10 met de toevoeging ‘ieder die…’ wordt de zekerheid van de verhoring nog eens benadrukt.
    In dit laatste stuk van de perikoop (11-13) volgt, bijna ten overvloede, opnieuw de a minori ad-maius conclusie dat God zeker het gebed zal verhoren (11: 13).
    Op zich zijn mensen heel wel in staat elkaar met verraderlijke gaven af te schepen, maar in de relatie tussen vader en zoon ligt dat anders: Daar wordt in die relatie iets zichtbaar van de hemelse Vader naar wiens beeld en gelijkenis de mens geschapen is.
    De Vader geeft de heilige Geest aan degenen die Hem daarom vragen: Niet willekeurig alles wat je van God vraagt zal je krijgen. Maar de Vader zal de gemeenschap met Hem via de Geest niet onthouden aan degenen die daar naar verlangen.

    Aanwijzingen voor de preek.

    Deze perikoop leent zich uitstekend voor een gezinsdienst met als thema vriendschap:
    Op ontelbare manieren via i-pad, smarphone en meer nu al in gebruikelijke communicatiemiddelen zijn we in staat mondiaal contacten te onderhouden. Maar hoe duurzaam zijn deze contacten? Laten ze iets zien van vriendschap en gastvrijheid?
    In het pastoraat ontmoeten we mensen die juist op het punt van gebedsverhoring worstelen met hun vragen. In een preek over gebedsverhoring mag je niet voorbij gaan aan de gevoelens van teleurstelling en wanhoop die mensen kunnen hebben wanneer hun gebeden niet merkbaar worden verhoord. Juist bij de woorden ‘vraag en je zal gegeven worden’ is de toon waarop zo iets gezegd wordt, van belang, Mensen kunnen elkaar daarmee het bos in sturen. Maar je kan ook zeggen: zoek…en ik wil je helpen zoeken.
    Tenslotte: voor elke beginnende relatie mag vers 13 een enorme bemoediging zijn: God zal het aan zijn Geest niet laten ontbreken als mensen Hem daarom vragen. Met die Geest, die ons leert steeds nieuwe wegen te vinden naar elkaar en naar God toe, kun je het wagen samen onderweg te gaan.

    Lies van der Zee

    10 juli 2016

    4e van de zomer 10 Juli 2016

    Enige gedachten bij: Deut.30.9-14, Ps 25. 1-10, Kol 1.1-14, Luc 10. 25-37 voor zondag 10 juli 2016, de 4e van de zomer. 

    Grote woorden zeggen niets over keuzes die gemaakt worden. Daden geven aan of mensen meewerken aan recht en gerechtigheid ten op zichte van hen die op hun pad komen. Dat wordt in de bijbel genoemd: 'Het leven kiezen'.

    Inleiding
    In Deut.30.9-14 spreekt Mozes het volk toe voordat zij in het Land van hun toekomst zullen binnen gaan. Hij roept hen op God lief te hebben, door de Tora na te leven. Er is een keuze tussen dit wel of niet te doen. Het wel doen wordt hier aangeduid als:'Het leven kiezen'.

    Lucas beschrijft een reactie van Jezus op een wetgeleerde, die hem in het nauw wilde drijven door te vragen naar de bekende weg. Jezus, laat zien hoe een inwoner van Samaria doet wat de Tora hem aangeeft te doen. Beeld van God te zijn, te kiezen voor het Leven: recht en gerechtigheid te doen voor de mens die op zijn/haar pad komt, deze onbekende niet uitgezonderd. De mensen in Samaria vereerden God bij de bron van Jacob en niet in Jeruzalem. Daarom werden ze met de nek aangekeken door Judeers.

    Paulus: beschrijft het Leven kiezen als: vrucht dragen. Dit doet denken aan Ps. 1.

    Ps 25. 1-10.
    Een vraag of God, de wegen bekend maakt, naar zijn Woord en in zijn Geest.

    Kol. 1.1-14.
    Paulus is verheugd dat de gemeente van Korinte, door diaken Epafas,  Jezus heeft leren kennen. Hij roept hen op Jezus voorbeeld te blijven volgen en het goede te doen. Het zal door de, onzichtbare, God bekrachtigd worden. Zodoende kan de gemeente vrucht dragen.

    Luc 10. 25-37
    Context: 17-25. Er zijn zojuist 72 leerlingen, die op hun reis niets anders bij zich mochten hebben dan zichzelf, teruggekeerd, met vreugdevolle verhalen. Ze hebben zelfs demonen kunnen uitwerpen. Jezus zegt: ‘verheug je daar nu niet over. Maar over het feit dat jullie namen in de hemel zijn opgetekend’. Jezus dankt zijn vader voor wat zijn leerlingen hebben mogen doen. Hij prijst zijn leerlingen gelukkig en wenst dat andere ogen ook zien wat zij hebben gezien. Iets dat veel koningen en profeten niet ervaren hebben.

    25-37 Dan volgt het verhaal van het antwoord aan de wetgeleerde die Jezus op de proef wil stellen. Hij stelt Jezus de vraag wat te doen om het eeuwig leven te verkrijgen. Als Jezus vraagt wat er in de wet staat, zegt de wetgeleerde zijn lesje op: ‘God dienen met alles wat je gekregen heb en de naaste als jezelf’. Jezus zegt: ‘dat is juist, doe dat en u zult Leven’. Dat antwoord had hij niet verwacht. Op joodse dialoog wijze stelt hij een tegenvraag: Wie is mijn naaste? Jezus, antwoord met een gelijkenis/ parabel, waarin verschillende personen een rol spelen:

    • Iemand/een mens: reist/ daalde af van Jeruzalem naar Jericho. Hij wordt overvallen door rovers, die hem tot op zijn kleren beroofden, mishandelden en half dood achterlieten.
    • Een priester en een leviet komen voorbij, er staat niet bij of ze naar Jeruzalem gingen of naar Jericho. Er wordt vaak gezegd dat zij op weg naar de tempel niet het risico wilde lopen volgens de reinheidswetten onrein te worden. De Statenvertaling vertaalt: kwam af van Jeruzalem. Dus na hun tempeldienst. Wat hier belangrijk is, is dat dienaars van God langskomen en wegkijken van het slachtoffer. Het slachtoffer niet willen zien, geen Tora doen. Bij de 72 in de context was dit juist anders gegaan, zij zagen en deden. Jezus, zei tegen hen: ‘Doe wel, maar klop je niet op de borst’.
    • Een Samaritaan, komt langs, hij ziet, krijgt meelijden(NBV),/ is diepgetroffen(NB), werd met innerlijke ontferming bewogen (ST.V). - innerlijke ontferming is een eigenschap waarover bij God en Jezus geschreven wordt -. De Samaritaan gaat naar de gewonde man toe. Hij gooit olie (verzachting) en wijn (ontsmetting) over de wonden en verbind ze. Hij zet de man op zijn eigen rijdier en brengt hem naar een herberg. Waar hij doorgaat met de verzorging. Als hij vertrekt, de volgende ochtend, draagt hij de zorg over aan de herbergier. Hij zegt niet: ‘Nou, zie maar wat je met hem doet'. Maar vraagt hem verder te zorgen en laat geld daarvoor achter. Bovendien zal hij, indien nodig, op de terugreis de rest van de rekening betalen.
    • De herbergier en de Samaritaan kennen elkaar kennelijk en zij vertrouwen elkaar. De herbergier lijkt ook te doen wat op zijn weg komt.
    • De beroofde mens is het zwijgende slachtoffer.

    Jezus, vraagt de wetgeleerde: ‘wie van de drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer’. De wetgeleerde antwoordt: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond’. Het woord Samaritaan kan hij kennelijk niet over zijn lippen krijgen. Samaritanen waren in de ogen van de Judeese joden geen goede gelovigen. Zij werden met de nek aangekeken. ( zie het verhaal van Jezus en de Samaritaanse vrouw). Zij aanbaden God niet in de tempel in Jeruzalem. Maar in Samaria, bij de put van Jacob. 'Jacobs God was hen ter hulpe'. De Tora was ook hun richtlijn voor het leven!

    Jezus zegt: ‘Doet u voortaan net zo’.

    Context: Martha en Maria. Verschillende vrouwen met elk een passende taak in het volgen van Jezus. Ieder volgens haar gaven en mogelijkheden.

    Is het in onze context mogelijk voor levend makend leven te  kiezen, vrucht te dragen.

    Door zijn antwoord aan de wetgeleerde maakt Jezus duidelijk dat het pas gaat om de vraag naar ‘eeuwig leven’ als je naam in de hemel opgetekend is. Dit als gevolg van je keuzes voor bijdrage aan Leven in het hier-nu-maals. Deze Samaritaan is daar een voorbeeld van. Soms is het mogelijk zelf te helpen, soms is het nodig anderen financieel te ondersteunen om hulp mogelijk te maken. Ook nu nog gaat het in de joodse cultuur en religie om daden. Er is en was veel dialoog ter ondersteuning van daden en ethische beslissingen.

    • In het voorbeeld gaat het niet om zomaar een weg. Maar om weg van Jeruzalem naar Jericho. Het gaat om reizen vanaf Jeruzalem, afdalen of reizen naar Jeruzalem, opstijgen. Pelgrims stijgen op naar Jeruzalem het hart van de dienst aan God. Jericho is de stad die in de traditie beschreven wordt als toegang tot het Land.- Intocht of uittocht - Jezus was op weg naar Jeruzalem, de stad van God. Daar was zijn ontvangst door de tempeldienaren zodanig, dat dit tot zijn politieke moord leidde. Zijn navolgers daalden af tot het einde van de toenmalige aarde, om Jezus' voorbelden door te geven.
    • Als een tekst vertaald wordt met: 'ontferming bewogen', dan is dat meer een associatie met de beelden die in de bijbel beschreven worden m.b.t. God en Jezus, dan medelijden. Medelijden hoeft nog geen actie aan te geven. Je hoort er vaak zielig achter aan.
    • Mensen beroven / uitkleden tot op het bod, martelen en aan hun lot overlaten, doet denken aan mensen smokkelaars in onze tijd. Wat doen we zelf? Als het gaat om wie is mijn naaste is, dan gaat het er ook om, af te vragen, wie zijn de rovers, ben ik ook een rover?. Wie benadeel ik met mijn manier van leven? Wat is de oorzaak van de steeds groter kloof tussen rijken en armen, van de milieu problematiek, van het steeds meer ‘springen van de bok op de haverkist’, als mensen iets niet zint? Hebben wij, door onze geschiedenis, debet aan de oorzaken van de oorlogen in het Midden Oosten. Wat zijn de oorzaken van de grote vluchtelingen stroom, niet alleen van mensen die vluchten voor/door oorlogsgeweld.
    • Tracht ik recht en gerechtigheid na te streven en zodoende te proberen mee te werken aan een vrediger samenleving, als eerste in eigen omgeving.

    Wat zich wereldwijd afspeelt met plaatselijke gevolgen is niet eenvoudig. Veel meningen ten aanzien van vluchtelingen en nieuwe Nederlanders zijn verdeeld, zowel in de kerken als in de politiek. God liefhebben is lev/ hart hebben. Doen wat je hart vind dat gedaan moet worden, al word je tegengewerkt of zwart gemaakt. Het Leven kiezen door leven gevend trachten te leven voor de ander en dus voor jezelf. Daarvoor zijn allerlei mogelijkheden zoals:

    • Samen onderzoeken, ook met anderen buiten de geloofsgemeenschap, waar onvrede, ongerechtigheid plaats vindt.
    • Daardoor trachten te zien, wat door andere misschien nog niet is gezien. Dit publiek maken.
    • In verzet komen, waar zaken mis zijn of dreigen te gaan
    • Over grenzen van cultuur en religie heen, leren luisteren naar elkaar. Dat wil niet zeggen dat de ander jouw gewoonten en geloof moet overnemen.
    • Samen zoeken wat in de situatie van de ander(en), die op je weg komen, een weg tot verandering ten goede zou kunnen zijn. Je kan zelf nooit zeggen dat je de naaste van iemand bent. Al doe je veel voor iemand of een groep, dan is het niet aan jou om te beoordelen of je hun naaste bent. Je tracht hen nabij te zijn met hulp of troost. Maar de ander beoordeelt of jij als naaste wordt ervaren. Daar kan je jezelf nooit op voorstaan. Iemand die de vruchten plukt en eet, kan beoordelen of ze smaakvol zijn!

    Hoe mensen zich in kunnen zetten met heel hun hart, heel hun ziel, hun kracht en hun verstand liefdevol vanuit eigen gaven en mogelijkheden is ook niet door andere te beoordelen. Christenen kunnen elkaar daartoe inspireren. Omdat zij weten beeld van God te zijn en trachten het Leven te kiezen, zoals Jezus heeft voorgeleefd. Jezus en zijn volgelingen weten te mogen leven in het krachtveld van Gods Geest in het Rijk van God, dat is en komende is.

    Héleen Broekema (TWG)

    Sterven zal je ooit.

    Maar vandaag en god weet morgen kun je leven, doen, zien

    iemand voor iemand zijn misschien en het verschil maken, toch,

    tussen onverwisselbaar uniek en om het even tussen dood en leven.   

      Huub Oosterhuis.

    26 juni 2016

    2e zondag van de zomer 26 Juni 2016

    Bijbellezing: 1 Koningen 19, 19-21 Psalm 16 Lucas 9, 51-62

    Deze preekschets is gebaseerd op Lucas 9, 51-62.

    De aanhef is gestileerd naar herkenbare ‘bijbeltaal'. Motiefwoorden zijn (typische LXX woord) poreuesthai (in de NBG-vertaling helaas slechts eenmaal met ‘reizen' vertaald en de andere malen met ‘heengaan’, ‘richten’ en ‘gaan’... ; zo dreigt in de vertaling de functie van het ‘Stichwort’ verloren te gaan, omdat het niet meer als zodanig te herkennen is). Het ‘reizen’ kenmerkt de beide boeken van Lucas. In het eerste boek vormt het doel van de reis telkens weer (de tempel van) Jeruzalem, in het tweede gaat het van Jeruzalem over Judea en Samaria (!) naar het uiterste der aarde (Hand. 1, 8) – niet om Jeruzalem achter te laten maar om de uitersten der aarde op Jeruzalem te betrekken. De beslissende wending die gegeven is met de inzet van de reis in de uitdrukking kai autos, in de NBV- vertaling overgezet in vastberaden (9, 51; vgL. 1, 17 en vooral 2,4,15). Jezus als subject van de reis stempelt het reeds bekende predicaat ‘naar Jeruzalem optrekken’. De reis staat beschreven als een reeds begonnen analepsis (9,51) met een verwante dubbele betekenis: deze gang is een overgang naar het dodenrijk en naar de hemelen (een Entrücking) .(Zie hoe dit over Elia geschreven is in 2 Kon.)
    Tot zover wat algemene opmerkingen naar aanleiding van Luc. 9, 51 en volgende

    Laten we nu de tekst van Luc. 9, 51-62 vers voor vers onder de loep nemen.
    Vers 51. Lucas verlaat hier over de gebeurtenissen op de weg van Gallea naar Jeruzalem de rode draad van Marcus, die hij van 3,1 gevolgd heeft. Hij neemt deze draad pas in 11, 28 weer op. Van 9,51-19,27 geeft hij een bericht. Men noemt dat een reisbericht of een Samaritanen-’Abschnitt’ (vanwege 9’51ff; 17,11 ff). In dit reisgedeelte vertelt Lucas stukken die we ook bij Matteüs vinden, maar meer nog grotere stukken bij het 'Sondergut’ van Lucas. Dit deel van het derde evangelie draagt dus in een bijzondere zin Lukas' stempel.. Pas in 18,15- 19,27 sluit hij weer aan bij Marcus
    Vers 54f (vgl 2 Kon1,10,12.
    Dit gedeelte hoort tot het Sondergut van Lukas en is net als 44-45 in een ouderwetse stijl beschreven. In dit stuk wendt Jezus zich vastbesloten naar Jeruzalem, zijn doel. Dit stuk in vers 51 gaat zeer zeker niet alleen over de hemelvaart, maar omvat zeker ook de voorbereidingen, het lijden, de kruisdood en de opwekking van Jezus (vgl. voor de hemelvaart 2 Kon, 2,11).
    Vers 52ff. Om Jeruzalem te bereiken kiest Jezus niet de meest gebruikelijke weg door het Oost-Jordaanland, maar hij kiest voor de kortere weg door het gebied van de Samaritanen. De vijandschap van de Samaritanen tegen alle Joden ervaart ook Jezus:
    vers 53. De bodes, waarschijnlijk Jacobus en Johannes, worden als representanten van de naderende groep Joden afgewezen. Er wordt geen gastvrijheid verleend. Deze vijandschap tussen Joden en Samaritanen heeft al oude papieren. Deze stamt uit de tijd dat door toedoen van de Assyriërs in Samaria groepen mensen uit het Oosten zich vestigden die er een weliswaar aan het Jodendom verwante, maar toch een eigen stroming voelden. Dit ‘mengvolk’ (2 Kon 17, 24) dat zo ontstond, voorzag zich van een vroomheid, waarin meegebrachte religieuze elementen verbonden werden met Joodse elementen (vgl 2 Kon,17,25ff). Voor de Joodse gemeenschap hield dit een scherpe scheiding in. De Samaritanen vestigden toen een eigen tempel op de berg Charizim. Ook na de verwoesting van deze tempel gaven de Samaritanen hun mengvorm van geloof niet op (128 a. Chr). Deze hadden een eigen Messiasverwachting. De verhoudingen tussen Joden en Samaritanen kwamen in de romeinse tijd nog scherper te staan, toen de Samaritanen, zich wat al te gretig aan de kant van Rome plaatsten. De tekst maakt echter niet duidelijk dat Hij als een zodanige Jood afgewezen werd. Het lijkt onwaarschijnlijk omdat Jezus tot buiten Galilea roem en aanzien verworven had. En slechts deze route gebruikte om ‘vastberaden’ naar Jeruzalem te gaan. Waarschijnlijk namen de Samaritanen hem zijn aanspraak op de Messias-titel kwalijk. Men kan er dus eerder aan denken dat de boden aangegeven hadden dat ze in naam van deze Messias gekomen waren. Dat Jeruzalem als doel hem echter eerder als de Joodse Messias kenmerkte, met wie ze niet wilden verkeren
    Vers 54. In ieder geval voelen de beide zonen van Zebedeus dit als een schaamtevolle schande, die in Jezus God zelf aangedaan is. Ondertussen blijft hun verlangen in vele opzichten raadselachtig. Komt het in de buurt van het Messiasbeeld van 3,16f? Of zit er de opvatting achter, die in Jezus de tweede Elia meende te herkennen (vgl. 9,34-36).
    Vers 56. Jezus zelf bewaart zijn onafhankelijkheid van mensen omdat Hij –zonder zelf iets te ondernemen- naar een ander dorp afreist.

     

    Ernst en omvang van de navolging: 9,57-62; vgl. Mat. 8, 19-22
    De eerste beide korte gesprekken geeft ook Matteüs weer in 8,19-22. In bijna letterlijke weergave; slechts vers 60b ontbreekt bij hem. Bij Matteüs worden die woorden echter gesproken bij de roeping van de leerlingen. Maar ze krijgen in Lucas 9 vanuit Jezus naderende einde hun licht en hun ernst. Hier wordt voor de navolging van Jezus het zwaartepunt verlegd van de opvallende prestatie naar de binding aan Jezus zonder voorbehoud.
    Vers 58. Het gesprek herinnert in het enthousiasme van de leerling en in de rustige zakelijkheid van Jezus aan het gesprek tussen Elia en Elisa op hun weg, die eindigt met Elia’s hemelvaart (vgl. 9, 51) en (2 Kon. 2,1 ff). Net als Elia wist Jezus dar er voor hem op de aarde geen plaats is; maar Hij weet ook daaraan hun aandeel zullen hebben. En Hij vat dat samen in een spreekwoord. Maar dat verstaat de hoorder alleen als men in Hem de ´Zoon des Mensen´ herkend heeft.
    Vers 59. In het tweede gesprek wekt Jezus zelf op tot de navolging. Maar de gesprekspartner van Jezus wil hem wel volgen, maar nadat hij zijn vader begraven heeft. De tekst maakt niet duidelijk of deze vader al dood is, of op sterven ligt of ernstig ziek is.
    Vers 60. Je kunt je afvragen waarom Jezus tot zijn gesprekspartner zulke harde woorden gebruikt. Daar krijgen we zicht op als we deze woorden bekijken vanuit Jezus' hemelvaart.. Omdat Hij als de tot de dood veroordeelde het leven ingaat (9,22+ 18,33) zijn in de gemeenschap met hem de macht van de dood gebroken en komt in de plaats van de jammerklacht om de gestorvene de boodschap van het aanbreken van de heerschappij van God.
    Vers 61. De omvang van deze opgave sluit hun onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in. Dat laat het laatste gesprek zien. Ook hier verschijnt Elia weer op de achtergrond. Maar als Elisa Elia vraagt om afscheid van zijn ouders te mogen nemen, wat Elia toestaat (1 Kon,19,20f ), gaat Jezus een stap verder: niets en niemand , verleden en heden mag komen aan de navolging van Jezus.
    Vers 62. Dat beargumenteert Jezus door het beeld van degene die aan de ploeg staat, in te voeren. Voor de arbeid met Jezus is alleen diegene geschikt die de blik onophoudelijk op het doel richt. Iedere aanleiding die iemand aangrijpt om zijn blik van dat doel af te houden brengt de navolging in gevaar.

    Aanwijzing voor de preek
    Hemelvaartsdag ligt nu ongeveer acht weken achter ons. Wat hebben we die dag overdacht?
    Wat betekent Jezus' lijden, zijn dood, zijn opwekking en zijn hemelvaart voor ons? Wat doen we daarmee in ons leven?
    Op welke wijze staan wij in de navolging? Wat doen we aan vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping?
    Waartoe inspireert ons Lucas 9, 51/62?

    Lies van der Zee

     

     

    19 juni 2016

    1e zondag van de zomer 19 Juni 2016

    Lezingen: jes 65: 1-9. Lucas 8:26-39

    Verhaal uit de ons niet meer vertrouwde Joodse tijd van zo veel jaar geleden.
    Geen medisch verhaal.
    Maar ontdaan van het eigentijdse lezen we: Jezus geneest of bevrijdt een totaal ontredderd mens.

    Niet onbelangrijk is daarbij dat de omgeving van de man niet deugt. Die samenleving is er niet in geslaagd heilzaam met de man om te gaan. Sterker nog: als zijn streekgenoten de genezen man zien, willen ze zo snel mogelijk van de Geneesheer af. Waarom zet Jezus niet sterk en positief door om genezingswerk te doen? Hij laat het voor wat het is.

    Je kunt je voorstellen dat ook die man dan liever daar niet blijft. Zijn streekgenoten zullen hem blijven verwijten dat hij ervoor gezorgd heeft dat hun winstgevende vleesbranche naar de knoppen ging. De genezen man voelt zich daar niet meer veilig. Hij heeft ook nog geen idee hoe onveilig het in het gezelschap van Jezus zal worden.

    Ik heb een hekel aan dat 'redelijk overleg' tussen Jezus en de boze geest. Zo iets als God en Satan die deals maken over Job. Dat kan eigenlijk van geen kant. Jezus geeft niet de indruk dat de boze geest zijn eigenlijke vijand is. Hij laat die min of meer zijn gang gaan. Nu nog, moet je maar denken. 

     

    Ik pas het toe op de actuele pogingen "om Jezus weer op de boot te zetten". Religie uit het openbaar domein.
    Kerkverlaters worden niet religieloos en neutraal. Zie een blog van mijn hand

    Na het echec bij de zwijnen, zijn de boze geesten ook weg? Ik denk het niet. Ze hangen weer boven de markt. 
    Het gaat er voor de gemeente om goede geest te zijn. Gezonde samenleving vol rechtvaardige vrede.

    Denk ook aan 'Door goede machten trouw en stil omgeven'  van Bonhoeffer.

     

    jan anne bos

     

    12 juni 2016

    3e zondag na Trinitatis 12 Juni 2016

    Enige gedachten bij de lezingen: Hooglied 4.16-5.8, Ps. 100, Luc7.36-8.3, voor zondag 12 juni, 3e na Trinitatis.

    Leader: Zij /wij. Hoeveel vooroordelen heeft iedereen? Zijn of kunnen mensen zich daarvan bewust worden? Zijn of kunnen mensen werkelijk gastvrij zijn? Hebben geloofsgemeenschappen de mogelijkheid of de intentie mee te werken aan wij en jij samen verhoudingen in hun omgeving?

    Inleiding: 
    In Hooglied, een lied waar God niet in voorkomt, gaat het, zegt men, over de relatie van God met Israël. Het is ook geherïnterpreteerd als voorbeeld van de relatie van Jezus met de gemeenten. Dat zou ook gezegd kunnen worden over de onderstaande tekst van Lucas. Er zijn vele studies en vertalingen aan het Hooglied gewijd. Is het een lied over koning Salomo en zijn zoektocht naar God. Of het lied van een harem meisje aan zijn hof dat uiteindelijk voor haar geliefde herder kiest. Dat zou erop kunnen wijzen dat, in dit gedeelte van de tekst, de wachters haar in elkaar slaan. Centraal staat een vrouw, die haar eigen plan trekt. Evenals in het Lucas evangelie.

    In het Lucas evangelie komen veel verhalen voor over Jezus en zijn disputen of ontmoetingen met Farizeeën en Schriftgeleerden. In deze tekst, een beschrijving van een Farizeeër, die wel eens wil weten wie deze leermeester ,waar het volk achteraan loopt, werkelijk is. Is hij en profeet of een charlatan. Er wordt hier een tegenstelling geschetst tussen de wijze waarop een voorganger vanuit de synagoge zouden moeten leven, gezien vanuit de Tora, en hoe hij werkelijk een voorbeeld voor het volk is. Hier door het niet verlenen van de gastvrijheid t.a.v. 'de vreemdeling in zijn stad'. De tegenstelling wordt geschetst door de vrouw en Jezus' reactie daarop. Een voorbeeld voor de wijze waarop de Messiaanse gemeente zou moeten handelen rondom 70 jaar na het jaar 0.

    De vrouw wordt beschreven als zondares. Welke zonde is voor het verhaal niet relevant. Toch zijn er veel gissingen naar gemaakt. Er is ook wel beschreven dat zij Maria Magdalena zou zijn geweest. Uit deze tekst blijkt (8.1-3) dat dit niet dezelfde personen lijken te zijn

    Zonde en ziekte werden gezien als een straf van God. Alleen een priester kon constateren of mensen hun schuld of ziekte kwijt waren en hun genezen verklaren. De tafelgenoten vragen zich bij zichzelf af: waarom doet deze Jezus dit.

    Ps. 100: de laatste van de serie 'de koning komt' psalmen. Leef, God ten dienste, vreugdevol.

    Hooglied 4.16-5.8.

    Het lied der liederen, een zoektocht. In deze verzen zoekt de Sunamitische, zusje, bruid, haar geliefde, die geklopt heeft, maar ze kan hem niet vinden als ze de deur opent. Ze gaat hem zoeken en wordt door de wachters in elkaar geslagen. Wat hier opvalt is dat het meisje zich zelf te goed doet aan mirre etc. Terwijl in de Lucas lezing Jezus door de vrouw gezalfd wordt.

    Luc7.36-8.3,

    Context: Jezus verblijft in de buurt van Kapernaum. Eerst vraagt een Centurio hem, via joodse leiders, één van zijn slaven/ dienstknechten te genezen, die bij hem thuis op sterven ligt. De joodse leiders vinden het kennelijk nodig een goed woord voor hem te doen, omdat hij ''ons volk'' goed gezind is. Dat had zich geuit in de bouw, door de Centurio, van een synagoge. Jezus beoordeelt de Centurio niet op zijn materiële prestaties, maar op zijn levens visie en de liefde voor zijn knecht. Daarna wordt de opwekking van de jongeman te Naïn beschreven. Als intermezzo een ontmoeting met leerlingen van Johannes de Dooper die Jezus vragen of hij degene is die komen zou. Jezus spreekt daarna de menigte toe. Zij, die zich hadden laten dopen door Johannes, brengen hulde aan God en zijn gerechtigheid. Maar de Farizeeën en Wetgeleerden/Schriftgeleerden verwierpen het plan van God, want zij hadden zich immers niet laten dopen door Johannes. Er volgt een beschrijving over Jezus en Johannes betreffende verschillen in hun leefwijze inzake eten en drinken en Jezus omgang ook met tollenaars en zondaars.

    36 In deze tekst spelen 3 partijen een rol:

    • Simon, een nieuwsgierige Farizeeër met een onuitgesproken vooroordeel. En zijn gezelschap, aan tafel in zijn huis, dat slecht bij zichzelf een vraag stelt over de figuur van Jezus. Simon behandelt Jezus niet als echte gast.

    • Jezus is uitgenodigd, maar wordt niet gastvrij verwelkomd .

    • Een vrouw die ongenood verschijnt.

    Simon een farizeeër

    Jezus

    Vrouw

    Had uitgenodigd: Jezus

    Ging aanliggen

    Bekend in de stad als zondares had gehoord dat J. thuis bij de farizeeër zou gaan eten en ging naar het huis met een albasten flesjes met geurige olie

     

     

    ging achter J. staan, aan het voeteneind van het aanligbed

     

     

    huilde. J. voeten werden nat door haar tranen. Droogde ze met haar haar, kuste ze en wreef ze met olie.

    Zag wat de vrouw deed. Zei bij zich zelf: Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aangeraakt heeft.

     

     

     

    Zei: Simon ik heb u iets te zeggen

     

    Meester spreek.

     

     

     

    Eens had een geldschieter twee schuldenaars, de een was 5, de ander 50 denarie schuldig. Terug betalen konden ze niet. Hij schold hun beiden de schuld kwijt.

    Wie zal het meeste liefde betonen

     

    Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft kwijt gescholden

    Dat is juist geoordeeld.

     

     

    Draaide zich om naar de vrouw.

    Simon zie je deze vrouw

     

     

    jij

     

     

     

    jij

     

     

    jij

     

     

    Ik ben in je huis te gast.

    hebt mij geen water gegeven voor mijn voeten.

    Heeft met haar tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd.

     

    Hebt me niet begroet met een kus.

    heeft sinds ik hier binnenkwam onophoudelijk mijn voeten gekust.

     

    Hebt mijn hoofd niet met olie ingewreven.

     

    Heeft met geurige olie mijn voeten ingewreven

     

     

    Zij

     

     

     

    zij

     

     

     

     

    zij

    Aan jou

    zeg ik: haar zonden zijn haar vergeven, al ware het er velen, want ze heeft veel liefde betoond, maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde

     

    Zijn tafel genoten dachten bij zichzelf: Wie is hij, dat hij zelfs zonden vergeeft?

    Hij zei

    tegen haar: 'Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.

    8.1-3

    Kort daarop gaat Jezus rondtrekken, samen met de 12 en enkele vrouwen, om het goede nieuw over het koninkrijk van God te verkondigen.

    Gast vrijheid.

    De Lucas tekst beschrijft twee vormen van het ontvangen van een gast. Simon heeft de gast uitgenodigd om er het zijne van te weten te komen. Het valt in deze tekst op dat zowel Simon als de andere gasten bij zichzelf denken. Direct heeft Simon, bij zichzelf, een vooroordeel klaar als hij ziet wat er zich in zijn huis afspeelt.

    Hoe vaak komt dat niet voor. Een vooroordeel hebben of vraagtekens zetten bij het zien wat iemand durft te doen of te zeggen. Door de binnenkomst van de vrouw veranderd het hele mozaïek. De vrouw zegt niets, zij handelt. Zo vertolkt zij de gastvrijheid, die aan Jezus onthouden is. Jezus is wel uitgenodigd, maar wordt slechts gedoogd. Jezus lijkt te zijn uitgenodigd vanuit nieuwsgierigheid. Wie is die vreemde man, die zoveel mensen trekt en oa. een buitenlandse knecht op afstand geneest, een jongeman vanuit de dood teruggeeft aan zijn moeder, als een rabbi de menigte leert, in dialoog gaat met tempelgeleerde en nu deze zondares toestaat dat zij hem aanraakt. In tegenstelling tot de vrouw in Hooglied gebruikt deze vrouw de olie niet voor zichzelf, maar voor Jezus voeten.

    – – Voeten zijn in de bijbel meer dan alleen om te lopen. Aan de voeten van iemand je neerwerpen, is ook een vorm van aanbidding/ onderwerping. Voeten moeten ook goed verzorgd worden. De voeten van een gast worden gewassen, daarom zijn er altijd watervaten aanwezig. De vrouw in het Hooglied heeft haar voeten gewassen voor zij in bed stapte. Het zitten aan de voeten van een leraar is een uitdrukking om aan te geven bij wie je gestudeerd heb (–>Paulus). Bij het betreden van een huis werden de sandalen, als men die had, uit gedaan. Dergelijke gewoonten worden in de Islam nog steeds gepraktiseerd. Vroeger trouwens ook nij ons op het platte land.--

    Hier wordt de ontmoeting van de vrouw met Jezus en zijn voeten beschreven als een teken van veel liefde en gastvrijheid. Dialogen zijn heel gewoon tussen tempelgeleerden. Jezus vraagt toestemming om iets te mogen zeggen. Simon geeft hem daarvoor toestemming. Jezus verteld een verhaal, waarna hij Simon een vraag stelt. Simon noemt Jezus: Meester. In de tekst valt op dat Jezus, bij zijn schets van de situatie, over de vrouw eerbiedwaardiger spreekt dan over Simon. De vrouw heeft de rol van de gastheer overgenomen t.a.z.v. Jezus. De vrouw vraagt niet om vergeving. Jezus vergeeft haar door haar wijze van handelen t.a.z.v. hem. Dan verwisselen de rollen weer. De manier waarop Jezus van de vrouw afscheid neemt, is de wijze van afscheid zoals een gastheer afscheid neemt van zijn gast, met een vredegroet: Ga in vrede.

    Wat voor zonde deze vrouw ook mocht hebben gedaan, haar geloof deed haar anders handelen dan hij die een religieuze voorbeeld figuur zou moeten zijn voor het zijn omgeving.

    De rol van Jezus en de vrouw hier gezien worden als een voorbeeld voor de Messiaanse gemeente. De praktijk van de gemeente als beeld van God in liefde voor hen die niet gekend worden en de vergevende liefde van Jezus, zoals zijn 'vader' in de hemel vergevend is.

     

    Zij / Wij of wij en jij samen.

    1. Iedereen wordt, onbewust, opgevoed met vooroordelen, die voortkomen uit de kringen waarin mensen leven en worden beïnvloed. Daardoor ontstaan er grote verschillend in de samenleving. Het is een sociologisch gegeven dat groepen met dezelfde (voor)oordelen elkaar opzoeken. Welke meningen, voor of tegen een bepaalde opvatting, een hoofdrol spelen wordt steeds duidelijker nu Nederland bijna geen verzuiling meer kent. Een voorbeeld hiervan is het vluchtelingen debat. Maar ook op vele andere terreinen voor komt dit. Als mensen, met verschillende achtergronden en culturen, elkaar ontmoeten ontstaan er andere verhoudingen. In plaats van onbekend maakt onbemind. Onbemind of ongekend voelen kan haat en geweld opleveren. Als mensen zich vernederd voelen kunnen ze verharden. Door ontmoetingen kunnen sympathie en andere verhoudingen ontstaan, waarin wederzijds begrip en liefde volle omgang kunnen groeien. Dagelijks wordt iedereen geconfronteerd met zij /wij tegenstelling en vooroordelen: vrouw/man, zwart/blank, allochtoon/autochtoon, homo/hetero, ongelovig/gelovig, joden/christenen, islam/christendom, daklozen of woning zoekende/mensen die een woning hebben, al staat die onder water, werklozen/ werkenden, jongeren/ ouderen laagopgeleid/ hoger opgeleid etc. Hoe gaat iedereen zelf met tegenstellingen en (voor)oordelen om? Wordt er zelf aan mee gewerkt om de andere kant van de 'medaille' te laten zien? Wordt er in de geloofsgemeenschap ruimte gegeven om:

    • Met elkaar in gesprek te komen over tegenstellingen en (voor)oordelen ten aanzien van geloofsopvattingen in de gemeenschap en welke opvattingen de politiek en de samenleving daarover heeft.

    • Maar ook hoe de maatschappelijke tegenstellingen en (voor)oordelen, in de samenleving en in de plaatselijke context, een rol spelen.

    • Wat daar de oorzaken van zou kunnen zijn.

    • En met welke zichtbare rol de geloofsgemeenschap er aan zou kunnen meewerken, samen eventueel met andere organisaties, in het leefklimaat tot verbeterde verhoudingen te komen. Een samenlevingscontext waar mensen, die opzoek naar een samenleving waar zij tot hun recht zullen komen en niet letterlijk of figuurlijk in elkaar geslagen worden.

    Liefde brengt een goede geur met zich mee in de ontmoeting met een ander. Dan kunnen mogelijkheden geboden worden om mensen te ondersteunen bij wat zij aangeven nodig te hebben. Al moet dit soms beperkt blijven tot te luisteren naar individuele verhalen. Waarbij niet alleen gedacht moet worden aan vluchtelingen, maar ook aan jongeren, mensen die schulden hebben, daklozen, ouderen die vereenzamen, vul maar is wat in eigen context noodzakelijk is. Een geloofsgemeenschap kan daaraan meewerken of het initiatief daartoe nemen. Een geloofsgemeenschap is immers een oefenplaats om van daaruit een stem te laten horen of door handelen te laten zien, dat gelovigen weet hebben van het feit dat het anders kan, dat er andere mogelijkheden zijn. Een geloofsgemeenschap heeft er weet van dat tegenstelling als zij/wij geen recht doet aan elkaar als mensen. Geloofsgemeenschappen weten dat het zou moeten gaan om het bevorderen van: wij en jij samen. Geloofsgemeenschappen weten immers dat leerlingen van Jezus, al zoekende, een andere stem in het gebeuren kunnen laten horen. Gelovigen kunnen durven binnengaan, waar zij niet genodigd zijn, niet met grote woorden, maar met kleine daden. Zij kunnen op zoek gaan, als er het gevoel is dat er op de deur geklopt wordt. Maar degene, die klopt, zich toch niet durft te laten zien. Het gaat er om op te staan, op te weg te blijven gaan, liefde te geven, door mee te werken aan de opbouw van een samenleving waar steeds meer mensen tot hun recht komen. Om ook bij afkeuring, tegenslagen of (voor)oordelen van anderen zich bewust te blijven geroepen te zijn om mee te werken aan het goede nieuws in het rijk van God, dat is en komende is.

    Héleen Broekema (TWG)

    8 mei 2016

     

    Hooglied 4.16-5.8

    zij -16

    Ontwaak, noordenwind

    en kom, wind uit het zuiden,

    waai geur door mijn tuin,

    dan kan mijn liefste komen

    om zijn vruchten te plukken.

     

    5.1.- Hij

    Ik kom in mijn hof,

    mijn zusje, en daar oogst ik

    mirre en balsem.

    Ik snoep er zoet honing

    en drink volop wijn en melk.

     

    Meisjes:

    Eet, vriend en vriendin,

    drink daar overvloedig bij,

    wordt liefde dronken.

     

    2 – Zij

    Ik sliep, maar mijn hart

    waakte; ik hoorde mijn lief:

    'Doe open, zusje.'

    Hij hield aan: duifje, mijn hoofd

    is vochtig van de nachtdauw.'

    3

    Ik zei: 'Ik slaap al

    moet ik me weer aankleden,

    wil je dat echt wel?

    Mijn voeten zijn gewassen,

    moet ik ze weer vuil maken?'

    4

    Daar stak hij zijn hand

    door een kiertje naar binnen;

    ik stond te trillen.

    5

    Opgestaan ben ik

    om voor hem ope te doen

    met druipende hand.

    Geurige mirre vloeide

    op de grendel van de deur.

    6

    De deur ging open,

    maar mijn lief was verdwenen,

    bijna viel ik flauw.

    Ik zocht hem maar ik vond hem niet;

    ik riep hem, maar geen antwoord.

    7

    Wie kwam ik tegen

    De wachters op hun ronde.

    Zij verwonde mij

    en rukten mijn sluier af,

    die gemene muurwachters.

    8

    Ik vraag je, meisjes

    wat vertellen jullie hem

    als jullie hem zien?

    Ik bezweer je, zegt hem dan

    dat ik ziek van liefde ben.

     

    Uit: Gerard van Boomen Hartstocht en bedachtzaamheid.

    Hooglied en Prediker in Haikus' en Tanka's.

    Skandalon 2011

     

     

     

     

     

    29 mei 2016

    zondag na Trinitatis 29 Mei 2016

    Jezus als genezer. Het grote geloof van de vreemdeling.

    1 koningen 8:22, 37-43  

    Het gebed van Salomo bij inwijding tempel. In onze tijd denk je meteen aan alle crises die we nu elkaar aandoen. En die we (niet meer) voor Het Aangezicht leggen. Inclusief het gebed ook voor de vreemdeling, dat die daar in die stralende tempel kind aan huis is. Een plek van Aanwezigheid, niet afhankelijk van de bijval en waardering van de bezoekers.
    Bidden voor die samenleving, niet zo zeer als kerk bij die samenleving in het gevlei willen komen.
    Moeilijk want je staat niet TEGENOVER die samenleving, en om voor haar te kunnen interveniëren moet je door en door solidair ermee zijn.
     

     lucas 7: 1-10

    Kijk, daar is ie al; de vreemdeling! Nu is het een hoofdman in Kafarnaum. En daar nog weer een slaaf van.
    Maar mijnheer heeft relaties. Hij heeft het goed gedaan als vertegenwoordiger van de bezettende macht. Die relaties kan hij om een boodschap sturen naar Jezus.
    Grootspraak van: ik ben ook maar een klein radertje. Klinkt een beetje als grote mannen onder elkaar. Maar hij wil juist klein zijn.

    Terloops merk je maar op dat Lukas Jezus hier niet neerzet in felle discussie met Joodse leiders; het gaat best ontspannen toe. En dat die 'oudsten' even later vervangen worden door 'vrienden'.

    Die verwondering van Jezus. Dat is geen veeg uit de pan voor Joodse mensen in het algemeen. Wil ik tenminste hier niet in lezen. Het is ook geen waardering voor de manier waarop deze vreemdeling iets weet te vragen en dan krijgt wat ie graag wil.
    Bidden is geen kwestie van de vraag met de juiste methode aankaarten; en dat het dan wel goed komt.
    Het gaat ook niet over de psychologie die vereist is voor een geslaagd/verhoord gebed.

     Er wordt niets gezegd dat Jezus iets bijdraagt aan de genezing. Hij hoeft hier verder niks te doen. Zou het geloof van die hoofdman in feite al de doorslag gegeven hebben en helend hebben gewerk? Je zou het haast denken.

    Waar het in de verkondiging wel naar toe kan.

    Je komt in de verleiding om aan te haken bij huidige discours vreemdeling. Hier een vreemdeling die goed geïntegreerd is, trouwens. Bezettende  macht zelfs; niet iemand die vast liep op onze grenzen; niet omkomend op onze(?) stranden.
    Maar zo specifiek zou ik het niet oppakken en dan haken en ogen van de 'vreemdelingenproblematiek' door spreken.
    Wel is er ongemerkt gezegd dat er iemand van de bezettende macht een relatie aangaat met een bevrijdende macht, nl die van Jezus. En wat Jezus betreft is dat o.k. (Ook voor de leiding van die synagoge aldaar, trouwens.)
    Het springende punt is dat deze twee 'machten' samen spannen om het leven van die slaaf.  Vaak gaat dat niet zo harmonieus, maar dat is geen echt thema hier. Je moet m.i. deze tekst niet oprekken naar politieke analyses van vandaag.
    (wat maak je ervan dat die slaaf kennelijk niks te zeggen heeft in zijn genezing?).
    Aardig(of meer dan aardig?): Willem Barnard mijmert : stel dat dit de hoofdman is, die op Goede Vrijdag maar dienst had te doen op bevel van Pilatus. (Stille Omgang 1157)
     

    Fijntjes is wel, dat die hoofdman denkt in termen van dwingende macht en dat hij hier Iemand ontmoet met gezag en macht en autoriteit van andere aard. Het verschil zit in HELEN. 

    22 mei 2016

    Zondag Trinitatis 22 mei 2016

    Bijbellezing: Spreuken 8, 22-31  Openbaring 4, 1-11 Johannes 3, 1-16

    Als inleiding op deze preekschets voor zondag Trinitatis wil ik beginnen met de tekst van Jean Janzen, op muziek gezet door Joseph A. Cole en opgenomen als gezang 707 in het ‘liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk’ onder de noemer Trinitatis


    Dragende, moederlijke God,
    U baarde mij, ik ben uw kind.
    Schepper die mij de adem geeft,
    U bent mijn zon, mijn weer en wind.

    Gevende, moederlijke Zoon,
    U werd een mensenkind als wij,
    U voedde mij met hemels brood
    als levensgraan stierf U voor mij.

    Zonnige, moederlijke Geest,
    kus mij nu wakker als het graan,
    dan zal ik groeien in geloof
    tot ik voor U in bloei zal staan.

    De romeinse traditie koos voor Matteus 28, 18- 20 als evangelielezing voor zondag Trinitatis en stelde daarmee het doopbevel wat geisoleerd aan de orde; mooier is de in enkele Duitse en Engelse diocesen reeds voor het jaar 1000 gebruikelijke lezing van Johannes 3,1-15. Dat zal wel de reden zijn dat het huidige gemeenschappelijk leesrooster de laatst genoemde evangelie pericoop als evangelie lezing voor zondag Trinitatis opgenomen heeft ( het gesprek van Jezus met Nikodemus).
    Het evangelie volgens Johannes is onmiskenbaar bedoeld voor een auditorium, dat met het Joodse leven bekend was. Maar daarnaast lijkt het er ook op dat het geschreven is voor een gehoor dat bekend was met het denken in antithesen zoals die van vlees en geest en licht en duisternis. Dit denken in tegenstellingen wordt onder anderen in Johannes 3 overgezet op Jezus als brenger van het heil. Ons vlees als broos, vergankelijk bestaan moet bezield worden. Er moet de adem, als ruach Elohim, wind Gods, ingeblazen worden, opdat we nieuwe herboren mensen worden.
    Het is in Johannes 3 Nikodemus die de vraag stelt naar het hoe: hoe kan iemand een nieuw, ander mens worden?. Nadrukkelijk wordt er verteld dat Nikodemus in de nacht naar Jezus toe komt. Enerzijds kunnen we daarin de angst zien voor herkenning door zijn mede-schriftgeleerden; anderzijds kan het ook zo zijn dat we hier een kenmerkende stijlfiguur van Johannes zien: mensen komen uit hun duisternis tot Jezus die het licht der wereld is. Daarom wordt in de verzen 20 en 21 in verband met het al of niet volgen van Jezus gesproken over het wel of niet gaan tot het licht. Het is in het evangelie van Johannes belangrijk te komen in, respectievelijk uit de nacht.
    In het evangelie van Johannes zijn het bijna altijd onverwachte mensen die in gesprek komen met Jezus: een Samaritaanse, een blindgeborene en in Joh. 3 een schriftgeleerde.
    Nikodemus spreekt Jezus aan als rabbi en hij wijst op de tekenen waarvan hij gehoord heeft. Zo wordt het duidelijk dat Nikodemus Jezus als geestelijk leider erkend.
    Jezus spreekt dan in vers 5 over het opnieuw geboren worden als een voorwaarde om het Rijk van God te zien. Een nieuwe geboorte namelijk uit water en geest. Het begrip ‘opnieuw’ (anoothen) lijkt mij hier een sleutelwoord te zijn: Het kan zowel ‘opnieuw’ als ‘ van boven’ aanduiden. Hoe komt het dat de schriftgeleerde Nikodemus hier weinig of niets van lijkt te snappen?
    Water? Dat slaat toch ook op het water van de Schelfzee waar Mozes zijn volk ‘droogvoets’ doorheen voerde. Water is zowel dreigning als uitredding
    En Geest? De Geest is toch de adem van God die ons leven inblaast, de kracht waaruit we leven? Nikodemus blijft Jezus vol onbegrip aankijken. Hij geeft zich dan ook niet gewonnen, zo lijkt het. We komen deze Nikodemus nog twee maal in dit evangelie tegen. Als de overpriesters en schriftgeleerden op het punt staan Jezus te veroordelen, steekt Nikodemus daar een stokje voor. In Joh. 7, 51 stelt Nikodemus: ‘Onze wet veroordeelt iemand toch pas als hij gehoord is en als bekend is wat hij heeft gedaan?’ Au fond leest Nikodemus hier zijn medeschriftgeleerden de les uit de wet. En we lezen in Joh. 19 dat Nikodemus wel honderd pond specerijen voor Jezus’ begrafenis komt brengen. Niemand vond het meer nodig van de Joden om het lichaam van Jezus naar de gebruiken van de joodse wet te verzorgen, maar Nikodemus komt als jood Jezus de laatste eer bewijzen
    Van Nikodemus horen we verder in de bijbel niets meer. Zijn laatste woorden zijn in Joh 3, 5 ‘ Hoe kan dat?’ Namelijk het uit de Geest geboren worden. De pericoop eindigt in vers 21 met de woorden van Jezus: ‘… wie oprecht wandelt, zodat zichtbaar wordt dat God werkzaam is in alles wat hij doet.’. Oprecht handelen, de waarheid doen betekent in het Oude Testament altijd: je aan de wet houden. En je aan de wet houden wil zeggen: de wet als een licht op je levenspad, als een lamp voor je voet accepteren ( psalm 119).
    Wet, water en warmte horen op deze wijze samen Of, anders gezegd: Vader, Zoon en Geest horen samen. Niet op een intellectualistische manier waarover je kunt discussieren, maar op de level van het constant opnieuw vorm te geven leven. Zo is de leer van de triniteit echte leer ten leven. Het geschenk ten leven ‘ van boven’ dat gesymboliseerd wordt in de doop, maakt van gelovigen geen passieve dankzeggers, maar schakelt hen direct in, in het krachtenspel van de Geest van God.
    Waterdoop en geestesdoop zijn dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden, zijn een geheel. Anders hebben we de doop – als geschenk- van de levensvernieuwing los gemaakt en hebben we omgekeerd ook de levensvernieuwing van de geschenkervaring losgemaakt. Dat leidt in het ene geval tot onheilige passiviteit, n het andere geval tot onheilige activiteit.

    Suggesties voor de preek: De geschakeerdheid in de Gods naam zoals die tot uitdrukking komt in de triniteitsleer is voor het pastoraat zeer belangrijk:. Ze leert ons dat het heel legitiem is om in verschillende levensfases en omstandigheden verschillende accenten te leggen in de verwoording van ons geloof. Het zou daarom ook zinvol kunnen zijn om in voorafgaande gespreksgroepen eens na te gaan welke woorden we bij uitstek met God verbinden om te ontdekken hoe we die woorden als vanzelf op de Vader, de Zoon en de Heilige Geest toepassen. Dergelijk gespreksgroepen leiden vaak als vanzelf naar een invulling van de preek op zondag Trinitatis.

    10 mei 2016

    3e zondag na Trinitatis 12 Juni 2016

    Lezingen: Hooglied 4.16-5.8, Ps. 100, Luc7.36-8.3

    Zij /wij. Hoeveel vooroordelen heeft iedereen? Zijn of kunnen mensen zich daarvan bewust worden? Zijn of kunnen mensen werkelijk gastvrij zijn? Hebben geloofsgemeenschappen de mogelijkheid of de intentie mee te werken aan wij en jij samen verhoudingen in  hun omgeving?

    Inleiding:

    In Hooglied, een lied waar het woord 'God' niet in voorkomt, gaat het, zegt men, over de relatie van God met Israël. Het is ook geherïnterpreteerd als voorbeeld van de relatie van Jezus met de gemeenten. Dat zou ook gezegd kunnen worden over de onderstaande tekst van Lucas. Er zijn vele studies en vertalingen aan het Hooglied gewijd. Is het een lied over koning Salomo en zijn zoektocht naar God. Of het lied van een harem meisje aan zijn hof dat uiteindelijk voor haar geliefde herder kiest. Dat zou erop kunnen wijzen dat, in dit gedeelte van de tekst, de wachters haar in elkaar slaan. Centraal staat een vrouw, die haar eigen plan trekt. Evenals in het Lucas evangelie.

    In het Lucas evangelie komen veel verhalen voor over Jezus en zijn disputen of ontmoetingen met Farizeeën en Schriftgeleerden. In deze tekst, een beschrijving van een Farizeeër, die wel eens wil weten wie deze leermeester ,waar het volk achteraan loopt, werkelijk is.  Is hij en profeet of een charlatan. Er wordt hier een tegenstelling geschetst tussen de wijze waarop een voorganger vanuit de synagoge zouden moeten leven, gezien vanuit de Tora, en hoe hij werkelijk een voorbeeld voor het volk is. Hier door het niet verlenen van de gastvrijheid t.a.z.v. 'de vreemdeling in zijn stad'. De tegenstelling wordt geschetst door de vrouw en Jezus' reactie daarop. Een voorbeeld voor de wijze waarop de Messiaanse gemeente zou moeten handelen rondom 70 jaar na het jaar 0.

    De vrouw wordt beschreven als zondares. Welke zonde is voor het verhaal niet relevant. Toch zijn er veel gissingen naar gemaakt. Er is ook wel beschreven dat zij Maria Magdalena zou zijn geweest. Uit deze tekst blijkt (8.1-3) dat dit niet dezelfde personen lijken te zijn

    Zonde en ziekte werden gezien als een straf van God. Alleen een priester kon constateren of mensen hun schuld of ziekte kwijt waren en hen genezen verklaren. De tafelgenoten vragen zich bij zichzelf af: waarom doet deze Jezus dit.

    Ps. 100: de laatste van de serie 'de koning komt' psalmen. Leef, God ten dienste, vreugdevol.

    Hooglied 4.16-5.8.

    Het lied der liederen, een zoektocht. In deze verzen zoekt de Sunamitische, zusje, bruid, haar geliefde, die geklopt heeft, maar ze kan hem niet vinden als ze de deur opent. Ze gaat hem zoeken en wordt door de wachters in elkaar geslagen. Wat hier opvalt is dat het meisje zich zelf te goed doet aan mirre etc.

    Terwijl in de Lucas lezing Jezus door de vrouw gezalfd wordt.

    Luc7.36-8.3,

    Context: Jezus verblijft in de buurt van Kapernaum. Eerst vraagt een Centurio hem, via joodse leiders, één van zijn slaven/ dienstknechten te genezen, die bij hem thuis op sterven ligt. De joodse leiders vinden het kennelijk nodig  een goed woord voor hem te doen, omdat hij ''ons volk'' goed gezind is. Dat had zich geuit in de bouw, door de Centurio, van een synagoge. Jezus beoordeelt de Centurio niet op zijn materiële prestaties, maar op zijn levens visie en de liefde voor zijn knecht. Daarna wordt de opwekking van de jongeman te Naïn beschreven. Als intermezzo een ontmoeting met leerlingen van Johannes de Dooper die Jezus  vragen of  hij degene is die komen  zou. Jezus spreekt daarna de menigte toe. Zij, die zich hadden laten dopen door Johannes, brengen hulde aan God en zijn gerechtigheid.  Maar de Farizeeën en Wetgeleerden/Schriftgeleerden verwierpen het plan van God, want zij hadden zich immers niet laten dopen door Johannes. Er volgt een beschrijving over Jezus en Johannes betreffende verschillen in hun leefwijze inzake eten en drinken en Jezus omgang ook met tollenaars en zondaars.

    36

    In deze tekst spelen 3 partijen een rol:

    • Simon, een nieuwsgierige Farizeeër met een onuitgesproken vooroordeel. En zijn gezelschap, aan tafel in zijn huis, dat bij zichzelf een vraag stelt over de figuur van Jezus. Simon behandelt Jezus niet echt als gast.
    • Jezus,die is uitgenodigd, maar wordt  niet gastvrij verwelkomd.
    • Een vrouw die ongenood verschijnt.

     

    Simon een farizeeër

    Jezus

    Vrouw

    Had  uitgenodigd: Jezus

    Ging aanliggen

    Bekend in de stad als zondares had gehoord dat J. thuis bij de farizeeër zou gaan eten en ging naar het huis met een albasten flesjes met geurige olie

     

     

     ging achter J. staan, aan het voeteneind van het aanligbed

     

     

     huilde. J. voeten werden nat door haar tranen. Droogde ze met haar haar, kuste ze en wreef ze met olie.

    Zag wat de vrouw deed. Zei bij zich zelf: Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aangeraakt heeft.

     

     

     

    Zei: Simon ik heb u iets te zeggen

     

    Meester spreek.

     

     

     

    Eens had een geldschieter twee schuldenaars, de een was 5, de ander 50 denarie schuldig. Terug betalen konden ze niet. Hij schold hun beiden de schuld kwijt.

    Wie zal het meeste liefde betonen

     

    Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft kwijt gescholden

    Dat is juist geoordeeld.

     

     

    Draaide zich om naar de vrouw.

    Simon zie je deze vrouw

     

                                                      

                                                   

     

     

     

                                                    

     

     

                                                    

     

                                                     

    Ik ben in je huis te gast.

    jij hebt mij geen water gegeven voor mijn voeten.

    Zij Heeft met haar tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd.

     

    Jij Hebt me niet begroet met een kus.

    Zij heeft sinds ik hier binnenkwam onophoudelijk mijn voeten gekust.

     

    Jij Hebt mijn hoofd niet met olie ingewreven.

     

    Zij Heeft met geurige olie mijn voeten ingewreven

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

                                                    

    Aan jou zeg ik: haar zonden zijn haar vergeven, waren het er velen, want ze heeft veel liefde betoond, maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde

     

    Zijn tafel genoten dachten bij zichzelf: Wie is hij, dat hij zelfs zonden vergeeft?

                                                                    Hij zei

    tegen haar: 'Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.

    8.1-3 
    Kort daarop gaat Jezus rondtrekken, samen met de 12 en enkele vrouwen, om het goede nieuw over het koninkrijk  van God te verkondigen.

    Gastvrijheid.

    De Lucas' tekst beschrijft twee vormen van het ontvangen van een gast. Simon heeft de gast uitgenodigd  om er het zijne  van te weten te komen. Het valt in deze tekst op dat zowel Simon als de andere gasten bij zichzelf denken. Direct heeft Simon, bij zichzelf, een vooroordeel klaar als hij ziet wat er zich in zijn huis afspeelt.

    Hoe vaak komt dat niet voor. Een vooroordeel hebben of vraagtekens zetten bij het zien wat iemand durft te doen of te zeggen. Door de binnenkomst van de vrouw verandert het hele mozaïek. De vrouw zegt niets, zij handelt. Zo vertolkt zij de gastvrijheid, die aan Jezus onthouden is. Jezus is wel uitgenodigd, maar wordt slechts gedoogd. Jezus lijkt te zijn uitgenodigd uit nieuwsgierigheid. Wie is die vreemde man, die zoveel mensen trekt en oa. een buitenlandse knecht op afstand geneest, een jongeman vanuit de dood teruggeeft aan zijn moeder, als een rabbi de menigte leert, in dialoog gaat met tempelgeleerde en nu deze zondares toestaat dat zij hem aanraakt.  In tegenstelling tot de vrouw in Hooglied gebruikt deze vrouw de olie niet voor zichzelf, maar voor Jezus' voeten.

    – – Voeten zijn in de bijbel meer dan alleen om te lopen. Aan de voeten van iemand je neerwerpen, is ook een vorm van aanbidding/ onderwerping. Voeten moeten ook goed verzorgd worden. De voeten van een gast worden gewassen, daarom zijn er altijd watervaten aanwezig. De vrouw in het Hooglied heeft haar voeten gewassen voor zij in bed stapte. Het zitten aan de voeten van een leraar is een uitdrukking om aan te geven bij wie je gestudeerd heb (–>Paulus). Bij het betreden van een huis werden de sandalen, als men die had, uitgedaan. Dergelijke gewoonten worden in de Islam nog steeds gepraktiseerd. Vroeger trouwens ook bij ons op het platte land.--

    Hier wordt de ontmoeting van de vrouw met Jezus en zijn voeten beschreven als een teken van veel liefde en gastvrijheid. Dialogen zijn heel gewoon tussen tempelgeleerden. Jezus vraagt toestemming om iets te mogen zeggen. Simon geeft hem daarvoor toestemming. Jezus vertelt een verhaal, waarna hij Simon een vraag stelt. Simon noemt Jezus: Meester. In de tekst valt op dat Jezus, bij zijn schets van de situatie, over de vrouw eerbiedwaardiger spreekt dan over Simon. De vrouw heeft de rol van de gastheer overgenomen t.a.z.v. Jezus. De vrouw vraagt niet om vergeving. Jezus vergeeft haar door haar wijze van handelen t.a.z.v. hem.  Dan verwisselen de rollen weer. De manier waarop Jezus van de vrouw afscheid neemt, is de wijze van afscheid zoals een gastheer afscheid neemt van zijn gast, met een vredegroet: Ga in vrede.

    Wat voor zonde deze vrouw ook mocht hebben gedaan, haar geloof deed haar anders handelen dan hij die een religieuze voorbeeld figuur zou moeten zijn voor zijn omgeving.

    De rol van Jezus en de vrouw kunnen hier gezien worden als een voorbeeld voor de Messiaanse gemeente. De praktijk van de gemeente als beeld van God in liefde voor hen die niet gekend worden en de vergevende liefde van Jezus, zoals zijn 'vader' in de hemel vergevend is.

    Zij / Wij of wij en jij samen.

    1. Iedereen wordt, onbewust, opgevoed met vooroordelen, die voortkomen uit de kringen waarin mensen leven en worden beïnvloed. Daardoor ontstaan er grote verschillend in de samenleving. Het is een sociologisch gegeven dat groepen met dezelfde (voor)oordelen elkaar opzoeken. Welke meningen, voor of tegen een bepaalde opvatting, een hoofdrol spelen wordt steeds duidelijker nu Nederland bijna geen verzuiling meer kent. Een voorbeeld hiervan is het vluchtelingen debat. Maar ook op vele andere terreinen komt dit voor. Als mensen, met verschillende achtergronden en culturen, elkaar ontmoeten ontstaan er andere verhoudingen. In plaats van onbekend maakt onbemind. Onbemind of ongekend voelen kan haat en geweld opleveren. Als mensen zich vernederd voelen kunnen ze verharden. Door ontmoetingen kunnen  sympathie en andere verhoudingen ontstaan, waarin wederzijds begrip en liefde volle omgang kunnen groeien. Dagelijks wordt iedereen geconfronteerd met zij /wij tegenstelling en vooroordelen: vrouw/man, zwart/blank, allochtoon/autochtoon, homo/hetero, ongelovig/gelovig, joden/christenen, islam/christendom, daklozen of woning zoekende/mensen die een woning hebben, al staat die onder water, werklozen/ werkenden, jongeren/ ouderen  laagopgeleid/ hoger opgeleid etc. Hoe gaat iedereen zelf met tegenstellingen en (voor)oordelen om? Wordt er  zelf aan mee gewerkt om de andere kant van de 'medaille' te laten zien? Wordt er in de geloofsgemeenschap ruimte gegeven om:
    • Met elkaar  in gesprek te komen over tegenstellingen en (voor)oordelen ten aanzien van geloofsopvattingen in de gemeenschap en welke opvattingen de politiek en de samenleving daarover heeft.
    • Maar ook hoe de maatschappelijke tegenstellingen en (voor)oordelen, in de samenleving en  in de plaatselijke context, een rol spelen.
    • Wat daar de oorzaken van zou kunnen zijn.
    • En met welke zichtbare rol zou de geloofsgemeenschap er aan kunnen meewerken, samen eventueel met andere organisaties, in het leefklimaat tot verbeterde verhoudingen te komen?  Een samenlevingscontext waar  mensen, opzoek gaan naar een samenleving waar zij tot hun recht zullen komen en niet letterlijk of figuurlijk in elkaar geslagen worden.

    Liefde brengt een goede geur met zich mee in de ontmoeting met een ander. Dat kan de vorm hebben van mensen te ondersteunen bij wat zij aangeven nodig te hebben. Al moet dit soms beperkt blijven om te luisteren naar individuele verhalen.  Waarbij niet alleen gedacht moet worden aan vluchtelingen, maar ook aan jongeren, mensen die schulden hebben, daklozen, ouderen die vereenzamen, vul maar in wat in je eigen context noodzakelijk is. Een geloofsgemeenschap kan daaraan meewerken of het initiatief daartoe nemen. Een geloofsgemeenschap is immers een oefenplaats om van daaruit een stem te laten horen of door handelen te laten zien, dat gelovigen weet hebben van het feit dat het anders kan, dat er andere mogelijkheden zijn. Een geloofsgemeenschap heeft er weet van dat tegenstellingen als zij/wij geen recht doen aan elkaar als mensen. Geloofsgemeenschappen weten dat het zou moeten gaan om het bevorderen van:  wij en jij samen. Geloofsgemeenschappen weten immers dat leerlingen van Jezus, al zoekende, een andere stem in het gebeuren kunnen laten horen. Gelovigen kunnen durven binnengaan, waar zij niet genodigd zijn, niet met grote woorden, maar met kleine daden. Zij kunnen op zoek gaan, als er het gevoel is dat er op de deur geklopt wordt. Maar degene, die klopt, zich toch niet durft te laten zien. Het gaat er om op te staan, op te weg te blijven gaan, liefde te geven, door mee te werken aan de opbouw van een samenleving waar steeds meer mensen tot hun recht komen. Om ook bij afkeuring, tegenslagen of (voor)oordelen van anderen zich bewust te blijven geroepen te zijn om mee te werken aan het goede nieuws in het rijk van God, dat is en komende is.   

    Héleen Broekema

    Hooglied 4.16-5.8

    zij -16

    Ontwaak, noordenwind

    en kom, wind uit het zuiden,

    waai geur door mijn tuin,

    dan kan mijn liefste komen

    om zijn vruchten te plukken.

    5.1.- Hij

    Ik kom in mijn hof,

    mijn zusje, en daar oogst ik

    mirre en balsem.

    Ik snoep er zoet honing

    en drink volop wijn en melk.

    Meisjes:

    Eet, vriend en vriendin,

    drink daar overvloedig bij,

    wordt liefde dronken.

    2 – Zij

    Ik sliep, maar mijn hart

    waakte; ik hoorde mijn lief:

    'Doe open, zusje.'

    Hij hield aan: duifje, mijn hoofd

    is vochtig van de nachtdauw.'

    3

    Ik zei: 'Ik slaap al

    moet ik me weer aankleden,

    wil je dat echt wel?

    Mijn voeten zijn gewassen,

    moet ik ze weer vuil maken?'

    4

    Daar stak hij zijn hand

    door een kiertje naar binnen;

    ik stond te trillen.

    5

    Opgestaan ben ik

    om voor hem ope te doen

    met druipende hand.

    Geurige mirre vloeide

     op de grendel van de deur.

    6

    De deur ging open,

    maar mijn lief was verdwenen,

    bijna viel ik flauw.

    Ik zocht hem maar ik vond hem niet;

    ik riep hem, maar geen antwoord.

    7

    Wie kwam ik tegen

    De wachters op hun ronde.

    Zij verwonde mij

    en rukten mijn sluier af,

    die gemene muurwachters.

    8

    Ik vraag je, meisjes

    wat vertellen jullie hem

    als jullie hem zien?

    Ik bezweer je, zegt hem dan

    dat ik ziek van liefde ben.

     

    Uit: Gerard van Boomen Hartstocht en bedachtzaamheid.

    Hooglied en Prediker in Haikus' en Tanka's.

    Skandalon 2011

     

     

    8 mei 2016

    7e zondag van Pasen 8 mei 2016

    Enige gedachten bij: 1.Sam.12, 19b-24, Joh.14.15-21, Ps 31.1-9, Openb.22,12-21 voor zondag 8 mei 2016, 7e van Pasen, Exaudi.

    Leader: Dit jaar vallen Hemelvaartsdag en bevrijdingsdag samen. Jezus heeft de wereld verlaten. Zijn leerlingen hebben van hem geleerd hoe zijn werk voort te zetten, door bevrijdend liefdevol te handelen in een samenleving daar waar onrecht de kop op steekt.

    Inleiding: Samuel trekt zich als Richter/Rechter terug. Hij heeft, door de eis van het volk, Saul als koning gezalfd. Hij spreekt het volk toe, God niet uit het oog te verliezen en geen kwade dingen te doen. Want dat zal slechte politieke gevolgen hebben. Hij blijft bij het volk om voor hen te bidden en het rechte pad te wijzen.
    Het gaat hier om: Samuel – Volk – zichtbare koning i.p.v. God als koning. Samuel blijft bij het volk aanwezig, alleen in een andere rol.

    Jezus zegt toe zijn leerlingen niet als wezen achter te laten. Hij beloofd hen, de Vader te vragen, een pleitbezorger te sturen. Zodat zij, als zijn kinderen, zijn werk kunnen voortzetten, en meer dan dat. De voorwaarde is dat zij de geboden behouden, zoals hij hen heeft voorgeleefd. Dit alles vanuit liefde voor hem en liefde voor elkaar. Hier gaat het om: Jezus – leerlingen – God. Jezus gaat weg. De leerlingen moeten zelfstandig verder in het krachtveld van de geest, volgens Jezus voorbeeld

    1.Sam.12, 19b-24,

    Context: Het volk eiste, zoals de omringende volken, een mens, in plaats van God, als koning.
    Nu Samuël Saul tot koning heeft gezalfd, trekt hij zich terug als Richter, met een verschonende afscheidstoespraak : Heb ik ooit …. Het volk antwoord, dat hem niets te verwijten valt. Dan volgt er voor het volk een geschiedenis overzicht, van de weldaden van God, vanaf Mozes en Aaron en de dwalingen van het volk t.o.z.v. De Heer, hun God en de wijze waarop het volk nu een koning eiste. De Heer heeft aan deze eis voldaan. Blijf dus ook de Heer gehoorzamen, want anders....Dan mag het volk getuige zijn van een wonder in de tijd van de tarwe oogst, een tijd van droogte om te oogsten. Maar nu zal het gaan regenen en onweren. Zo zal de Heer zijn ongenoegen doen blijken.

    19b. Het volk wordt angstig en vraagt Samuël voor hen te bidden. Zij realiseren zich wat zij in de geschiedenis al fout gedaan hebben en daarbij nu ook nog gevraagd hebben om een koning. Angst is niet nodig, zegt Samuël. Van belang is, dat u en ik, trouw blijven en niet dwalen. God zal, terwille van zijn naam, u niet in de steek laten. Hij heeft u als volk gekozen. Ik zal niet ophouden u het rechte pad te wijzen en voor u te bidden.

    Context: Als u volhard in het kwaad zal het met u en de koning gedaan zijn. Dan volgt een verhaal over een botsing tussen Samuël en Saul.

    Ps 31.1-9: God is mijn toevlucht.

    Openb. 22,12-21.

    Einde van het visioen betreffende het einde van de tijd. Ik kom spoedig met het loon, voor wie ik aantref, naar zijn daden......Hoop van Johannes voor de toekomst van wie Jezus' leven voortzetten, al is gevangenis/ verbanning daarvan een onderdeel.

    Joh.14.15-21,

    Context: Jezus heeft, als een dienstknecht ,de voeten van zijn leerlingen gewassen, voor hij met hen de Pesach maaltijd gaat vieren. Als Judas de maaltijd verlaten heeft, spreekt Jezus met zijn leerlingen. Hij bereid hen voor op zijn vertrek naar zijn Vader en geeft hen een nieuw gebod: heb elkaar lief, zoals ik jullie heb liefgehad. Aan jullie liefde voor elkaar zullen de mensen zien dat jullie mijn leerlingen zijn. Vooral Petrus geeft aan trouw te willen zijn aan Jezus. Jezus zegt dat Petrus hem, voor de haan kraait 3x zal verloochenen. Jezus moedigt hun aan te blijven vertrouwen op God en op hem. Hij zal een plaats gereedmaken en terug komen om hen te halen, naar waar hij is. Jezus verondersteld dat de leerlingen zijn weg kennen. Tomas, zegt dat niet te weten. Jezus antwoord: ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand kan tot de Vader komen dan door mij. Filippus wil de Vader zien. Jezus antwoord dat wie hem kent, de Vader kent. Hij is de stem van de Vader. Jezus verzekert hen, dat wie op hem vertrouwt, hetzelfde zal kunnen doen als hij en zelfs meer dan dat.

    15-21. Een gedeelte van de Afscheidstoespraak.

    Liefde voor Jezus kunnen de leerlingen tonen, door zijn geboden te onderhouden. Dan zal Jezus de Vader vragen/bidden een andere pleitbezorger te zenden, die altijd bij heb zal zijn: de Geest van de waarheid. Deze is niet voor de wereld, want die zal hem niet herkennen. Jullie wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven. Zo laat ik jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug en leef in jullie voort. Dat ziet de wereld niet. Dan zullen jullie begrijpen, dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben. Wie mijn geboden kent en zich er aan houdt, heeft mij lief, wie mij liefheeft zal de liefde van de mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hen bekend maken.

    Context: Gevolgen van wie Jezus lief heeft en niet lief heeft. De pleitbezorger, de heilige Geest zal later alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat ik tegen jullie gezegd heb. Jezus laat een vrede na, die de wereld niet kan geven. Verlies de moed niet. Het alles is opdracht van de Vader. Daarna verlaat Jezus met zijn leerlingen de plaats waar zij aten. Er volgen dan nog meer uiteenzettingen in hoofdstuk 15 -17. In hoofdstuk 18 wordt de gevangen neming beschreven.

    Wezen

    Wezen in onze tijd klinkt anders. Wezen en weduwe waren meestal mensen, zonder Vader of man. Het kunnen ook mensen zijn die door de maatschappij met de nek worden aangekeken, o.a. door vooroordelen, negatie of schending van mensenrechten. Zij verkeerden vaak in armoedige of eenzame omstandigheden. Een joodse leefregel was, evenals bij de moslims nu nog, er naar om te zien en bijstand te verlenen. Ook was dat zo bij Christenen, de armen zorg, sinds de bijstandswet is daar verandering in gekomen en gaat het nu o.a. meer om bijzondere zorg of budgettering. Van belang blijft om een stem te verheffen waar onrecht geschied of mensen, van welke godsdienst/ opvattingen, uit welk land dan ook, in de knel dreigen te komen materieel of immaterieel.

    Mijn geboden onderhouden.

    Voor het verloop van de lezing is de context van groot belang. De gelezen toespraken, zijn onderdelen van veel grotere verhalen.

    De afscheidstoespraak van Samuel is, in de tijd van de tarwe oogst, een verschonende belerende toespraak, die gepaard gaat met een 'bestraffend' wonder. Waardoor het volk angstig wordt. Dat is niet nodig als zij trouw blijven, dan zal God hen niet in de steek laten terwille van zijn Naam. Maar anders...!

    Het laatste gesprek van Jezus met zijn 11 leerlingen, zoals Johannes dat beschrijft, is ondersteunend, troostend. Jezus zal nog maar een korte tijd bij hen zijn. Jezus zegt tegen zijn leerlingen: Mijn Vader heeft mij lief. Ik heb jullie lief, heb elkaar lief en houdt de geboden, zoals ik die jullie voorgeleefd heb. Liefde tot mij en tot elkaar, zal zich uiten in het onderhouden van de geboden. De 10 woorden voor bevrijdend handelen van bevrijde mensen.

    Aan die houding zal de wereld leren kennen, wat de wereld nog niet kent. De vrede, de bevrijding, de solidariteit, de compassie. Dit zijn andere mogelijkheden om met mensen om te gaan. Jezus heeft hen leren zien, dat ook zij anders kunnen handelen dan de heersende opvattingen doen geloven. De heersende opvattingen gaan vaak ten koste van mensen die niet geheel overeenkomen met deze opvattingen.

    Daartoe zullen de leerlingen kracht ontvangen, omdat Jezus zijn Vader zal vragen hen een pleitbezorger te zenden, die hen zal helpen te herinneren wat zij geleerd hebben, zodat zij dat kunnen doorgeven. En zodoende de waarheid aan het licht brengen. Door op te staan en mensen te doen opstaan om met hen levend leven te bewerkstelligen.

    Het verhaal van Jezus afscheid speelt in de tijd van de gersten oogst. Na het verhaal van de Hemelvaart, volgt Pinksteren het eind van de tarwe oogst en de eerste vruchten van het veld. De leerlingen, als eerste vruchten, hebben de opdracht van Jezus gekregen en zij zijn bereid zijn voorbeelden te verspreiden in woord en daad. Zij worden niet als wezen aan zich zelf overgelaten, maar ontvangen hiervoor de heilige geest. In dat krachtveld mogen zijn leerlingen bevrijdend trachten werken, tot op heden. Zo geeft Gods koninkrijk, dat is en komende is, hoop op een nieuwe wereld.

    Wie in het spoor van God en Jezus wil trachten te leven, zal o.a. niet stelen en de vreemdeling in zijn omgeving bijstaan, niet moorden, niet doden ook niet maatschappelijk. Als mensen angstig zijn wordt een zondebok gezocht. Kwaad en geweld woekeren voort. Als mensen vernederd worden kunnen ze door die pijn verharden, maar ook veranderen. Liefde vergeeft, liefde kan, zoals water, stenen breken.

     

    Er is een prachtig lied van ,Michele Najlis met als titel: Het water zal stenen breken. Het begint met: Wanneer alles diep van binnen pijn doet …. en heeft als refrein:

    Ga dan als een zalm tegen de stroom in
    met alle razernij van je woede.
    Wanhoop niet.
    het water zal stenen breken.

    (de muziek is van Tom Löwenthal).

    Héleen Broekema (TWG)

    1 mei 2016

    6e zondag van Pasen 1 Mei 2016

    Joël 2,21-27 Psalm 67 Openbaring. 21,10-12.22-27 Johannes 14,23-29

    De tekstcombinatie staat in het teken van de tegenstelling tussen de profane geschiedenis en de heilsgeschiedenis. Bij de exegese dient de Statenvertaling (brontaalgetrouw) als uitgangspunt. Verwijzingen naar andere vertalingen zijn aangegeven.

    De zesde zondag van Pasen staat in het teken van dankbaarheid en zegen. (In hoog-kerkelijke kringen leest men psalm 66:20 (Vulg): Benedictus Deus qui non abstulit orationem meam / Geprezen zij God die mijn gebed heeft verhoord) Het oecumenisch preekrooster verbindt er de 67e Psalm aan maar ook deze getuigt van dankbaarheid voor zegening. Het Pinksterfeest is in zicht: de voltooiing van de cyclus van feest- en gedenkdagen rondom de geboorte, leven, kruisiging en opstanding van Jezus uitmondend in Pinksteren ,wanneer wij mogen gedenken de uitstorting van Zijn geest in een weerbarstige wereld.

    Joël 2,21-27

    Vreest niet – de profetie van Israël is hier aan het woord. Vreest niet ; Joel spreekt tot de gehele schepping : het land, de beesten en de kinderen van Sion, Sion dat hier een nieuw Jerusalem vertegenwoordigt. Joel is niet heel precies plaatsbaar in de tijd. De sprinkhaan, de kever, de kruidworm en de rups (v. 24) kunnen misschien letterlijk genomen worden als natuurrampen, maar gezien de geschiedenis van Israël met zijn falend wereldlijk koningschap , in de nabijheid van Egypte, de Feniciërs en de Filistijnen (Bijb. Encyclopedie, Kok, Kampen ed. ’75, blz. 417) blijft ook de mogelijkheid over van de metafoor. Zo bekeken komen dan de ‘kinderen van Sion’ , de bewoners van het nieuwe Jeruzalem te staan tegenover de ‘uitvreters’, de ‘aanvreters’, de ‘opvreters ‘en de ‘kaalvreters’ waarmee de auteur van het boekje Joël schurkenstaten zou kunnen bedoelen. Maar er is hoop. In v. 23 spreekt de profeet de hoop uit op de komst aan van een Leraar der Gerechtigheid. In de verzen 26 en 27 koppelt de profeet overvloed en lofprijzing aan elkaar: zij die leven in de ‘geest des Heeren’ zullen verzadigd worden.

    Psalm 67 vangt aan met een smeekbede om zegen: v.2: God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. De Willibrordbijbel vertaalt : v. 2: Wees ons genadig, schenk ons uw zegen, God, laat uw aanschijn over ons lichten. Gods genade is “onverdiende welwillendheid”i, aldus de Willibrordbijbel. De tekst verwijst ook direct naar de zegen uit Num. 6:24 vv. Het is een bede om zegen c.q. om vrede.

    Ps. 67: 6: “De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen”. Twee conclusies: de aarde voedt ons met haar gewassen, God voedt ons met Zijn zegen. Een heilwens gaat eraan vooraf: v.4: De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natiën op de aarde die zult Gij leiden.” M.a.w: we zullen bereid moeten zijn ons te laten (onder- ) richten/opvoeden in rechtmatigheid d.w.z. in rechtvaardig handelen.

    Op. 21,10-12.22-27 biedt ons een visioen: v.10: “En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God”. In zekere zin vormt dit tekstgedeelte een pendant met Ez. 8: 3 “- en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen den hemel, en bracht mij in de gezichten Gods te Jeruzalem, tot de deur der poort van het binnenste [voorhof], dewelke ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld der ijvering, dat tot ijver verwekt". Maar waar Ezechiël hier een glimp opvangt van het menselijk falen (van de tempeldienaars) – daar biedt Op. 12: 22-27 juist het tegenovergestelde: Een glimp van Gods koninkrijk.

    In de overdenking zou het kunnen gaan over de tegenstelling tussen enerzijds het menselijk onvermogen (de dagelijkse praktijk) en anderzijds over een wereld van overvloed en vrede zoals Op. 21 schetst. Er ligt een schone taak voor ons, mensen, daartussenin, in de tussentijd.

    Joh. 14,23-29

    Jezus geeft antwoord op een vraag (Joh. 14:22) van ene Judas; nadrukkelijk niet “Iskariot” maar Judas, de zoon of de broer van Jacobus (Lk.6:16), mogelijk de auteur van de Brief van Judas (Jud.1:1)

    Kern van vers 23: -, Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben - bijna een logische redenering: wie mij liefheeft - in hem zal Mijn woord beklijven en de Vader zal hem liefhebben. Het gaat er volgens deze tekst dus om, Jezus lief te hebben; de rest volgt vanzelf: wie Hem werkelijk liefheeft, die kan niet anders dan navolgen. Meteen daarna de tegenstelling: 24 Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet – anders gezegd: aan iemands wezen (= navolging) kunnen we aflezen of iemand Hem liefheeft. Een vergelijking met Mat. 7:16 is denkbaar.

    26 Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb. Παράκλητος wordt in de Statenvertaling vertaald als “Trooster” - Willibrord kiest voor “Helper” Volgens Strong’s Concordance is ook de term ‘pleitbezorger. of ‘(be)middelaar’ii denkbaar. Vs 26 wordt bij voorkeur gelezen als vooruitblik op Pinksteren.

    27 Vrede (Εἰρήνην) laat Ik u, Mijn vrede (Εἰρήνην) geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.

    Willibrord vertaalt: [27] Vrede laat Ik jullie na, mijn eigen vrede geef Ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft. Je moet je dus niet zo laten verontrusten en de moed niet verliezen.

    Vrede is hier dus geen afwezigheid van oorlog of conflict, maar heil, heelheid, innerlijke vrede, Εἰρήνην als equivalent van שָׁל֥וֹם, Shalom iii.

    Aanwijzingen voor de overdenking

    “ ‘Vreest niet’ Er is een idioot geweest die geteld heeft hoeveel maal die woorden in de Bijbel voorkomen. Weet u hoeveel? Driehonderdvijfenzestig maal. Dus was het achteraf gezien toch ook weer niet zo’n idioot” – aldus Nico Ter Linden in een van zijn verhaleniv

    Woorden als “vreest niet” en “vrede” zijn bijna controversieel in een wereld vol angst en onvree. Het lijkt er op dat de wereld nog nooit zo gewelddadig geweest is als nu, met zijn vluchtelingenstromen en moorddadige regimes. Echter, de geschiedenis laat zien dat het nooit veel anders geweest is. De schurkenstaten waar Joël naar zou kunnen verwijzen (Egypte, Feniciërs, Filistijnen) worden opgevolgd door mogendheden geleid door figuren als Nebukadnezar, Alexander de Grote en de Romeinse keizers. Al die heersers hebben één ding gemeen: ze leunen op een gedrild leger en op stromannen en ze schrijven hun geschiedenis in bloedige veroveringen. De officiële geschiedschrijving is altijd het verhaal van de machthebber, nooit dat van de boer, de burger en de visser die onder al dat geweld te lijden heeft. “Vreest niet” zou daarom een vertrekpunt kunnen vormen voor de prediking. Het verschil met destijds is dat we alle gewelddadigheden en schandalen anno nu meteen via de media breed uitgemeten krijgen voorgelegd, compleet met soms bizarre details, én dat in onze tijd er zoiets is als een Internationaal Gerechtshof waar aanjagers van uitwassen kunnen worden aangeklaagd en berecht. Wellicht het effect van een druppel op een gloeiende plaat, maar beter iets dan niets: vóór de Nüremberger processen van 1946 bestond zoiets helemaal niet, dus we gaan vooruit.

    En toch wrikt er iets wanneer we aan dergelijke strafprocessen denken: ze komen altijd te laat. Het kwaad moet eerst bedreven worden voordat het Gerechtshof wordt ingeschakeld.

    In de tekst uit het Johannesevangelie wijst Jezus op een vorm van vrede die enerzijds los staat van de “toestand in de wereld”, omdat de woorden kunnen worden opgevat als een aanzet tot puur individualistische, existentiële vrede die mystici of zelfs gevangenen kunnen ervaren. Aan de andere kant kunnen we levend vanuit deze woorden, ook proberen een aanzet te geven voor duurzame vredesinitiatieven. Vrede in de wereld heeft ten slotte ook van alles te maken met eerlijke handelsprijzen voor kleine producenten van landbouwproducten of met een gezonde bestaansbasis voor gezinnen. Ongelijkheid van kansen is overal in de wereld een teer punt. “- de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven”

    We zouden kunnen afsluiten met een paar regels uit Openbaring, waarin de auteur ons een inkijkje biedt in een werkelijk nieuw Jeruzalem, waar voor leugens en onreinheid - als wortels van het kwaad - geen plaats meer is.

    i http://www.willibrordbijbel.nl/

    ii http://biblehub.com/greek/3875.htm

    iii http://biblehub.com/hebrew/7965.htm

    iv“Vreest niet”, Nico Ter Linden, in: Kostgangers, Uitg. Balans 2001, blz 165

    24 april 2016

    5e zondag van Pasen 24 April 2016

    Preekschets voor zondag 24 april 2016
    Bijbellezing:Deuteronomium 6, 1-9                      Openbaring 19, 1-9                      Johannes 13, 31-35

    Deze preekschets is gebaseerd op Johannes 13, 31-35

    31 Als hij dan is uitgegaan
         zegt Jezus:   
         nu is de zoon des mensen verheerlijkt,
         en in hem is God verheerlijkt.
    32 Wanneer God in hem verheerlijkt is
         zal God ook hem in hem verheerlijken
         en hij zal hem terstond verheerlijken.
    33 Kinderen, nog een weinig ben ik met u;
         gij zult mij zoeken,
         en zoals ik heb gezegd tot die van Juda:
         dat zeg ik ook tot u..
    34 Een nieuw gebod geef ik u:
         dat gij elkander liefhebt
         zoals ik u heb liefgehad
         dat ook gij elkander liefhebt.
    35 hieraan zullen allen weten dat gij mijn leerlingen zijt
         zo gij liefde hebt onder elkander.

    ‘Als hij (Judas) dan is uitgegaan zegt Jezus: nu is de zoon des mensen verheerlijkt’. Laten we eerst eens nader ingaan op wat die uitdrukking ´zoon des mensen’ betekent. Een uitdrukking die Jezus vaak voor zichzelf gebruikt: ‘zoon van’ is representatief. ‘Zoon van David´ is representatief voor het huis David, ´zoon van Israel´ is representatief voor het huis Israel. In deze uitdrukking wordt daarom gedacht van de vader uit, die dat huis heeft gesticht. Maar bij de uitdrukking ´zoon des mensen´ gebeurt er toch iets anders. Want ´de mens´ heeft geen huis gesticht, en de Schrift heeft ook geen woord voor wat wij ´mensheid´ noemen. De mensen hebben geen vaders of het zijn pseudovaders, machthebbers die zich als vaders opdringen, zoals de koningen, Farao, de keizer, die dikwijls in een adem worden genoemd met de goden.
    Kinderen der mensen zijn stiefkinderen die alom in verdrukking leven. Wordt nu een volk, zoals Israel, aan die verdrukking ontrukt, dan krijgt het God als Vader; zo´n volk heet dan ´zoon van God´, representant voor het huis van God, dat een huis van bevrijding is. Bij Johannes wordt Jezus meerdere malen ´zoon van God´ genoemd. Maar als hij zich zoals hier `zoon des mensen’ noemt, dan maakt hij zichzelf tot representant van alle verdrukten, van alle stiefkinderen die om een Vader roepen. Die uitdrukking is dus niet van de vader uit gedacht, maar naar een vader toe! Als Jezus dan zegt dat hij heengaat naar de Vader, dan houdt dat in dat hij alle stiefkinderen naar hun Vader brengt: zij raken thuis.
    En nu zegt hij: de zoon des mensen is verheerlijkt, nu. Dit betekent dat de stiefkinderen op aarde in hun heerlijkheid zijn gebracht; iets wat juist Judas  in zijn ongeduld niet zag, maar wat nu in Jezus wordt voltrokken; uitgerekend ‘nu’, terwijl niets er op wijst, terwijl alle macht ter wereld zich tegen hem concentreert.  Daarom krijgen ze nu uit de mond van Jezus zelf, voor wie alles nog komen moest, de verzekering: ’nu is de zoon des mensen verheerlijkt’; alle stiefkinderen der aarde zijn nu geen stiefkinderen meer; nu hebben zij een Vader. Daarom voegt hij er aan toe: ’en in hem is God verheerlijkt’. Dezelfde God die is afgedaald naar Egypte is nu in Jezus afgedaald naar alle verdrukten. Het is Gods heerlijkheid wat nu alleen maar moord en mislukking lijkt Dit is het laatste, nu is God bij zijn kinderen; nu wordt Gods huis gesticht. In deze moord komen niet de machthebbers tot hun eer, al denken ze dat, en al ziet het er zo uit. Hier komt God tot zijn eer.
    Dat klinkt weliswaar bemoedigend, maar onze waarneming heeft daaraan weinig. Er moet nu toch wel iets gebeuren met betrekking tot die ophanden zijnde moord; want wat is een heerlijkheid die onzichtbaar blijft? Stiefkinderen hebben daar maar weinig aan, en daarom voegt Jezus eraan toe: ‘als dan God in hem verheerlijkt is’, als hij het is die daarin tot zijn eer komt, en niet de machthebber, ‘dan zal  God ook hem in hem verheerlijken’; dat wil zeggen: de moord op de mensenzoon is niet het laatste, God zal die mensen zo in zijn dood en na zijn dood zichtbaar tot zijn eer brengen; die zoon is daar zelf bij betrokken. Én hij zal hem terstond verheerlijken; dat zal terstond geschieden, op de derde dag, als lichtende keerzijde van het zwarte blad. Dit is de doorbraak van de geschiedenis.  De machthebbers komen niet alleen niet tot hun eer. Ze komen te schande. Op de derde dag zal Jezus gezien worden in de tuin, en hij sticht een huis, geen kerk, maar het huis van al Gods kinderen. Daarom spreekt Jezus zijn leerlingen nu met ‘kinderen ’aan; bij hen begint het, en zij moeten dit kindschap verkondigen en vertolken.
    Vers 33. Dit vers slaat terug op hoofdstuk 7, waar Jezus in dispuut is met die van Juda en de Farizeeën; dat was in de tempel op het Loofhuttenfeest, dat feest van de gedroomde voleinding. Die van Juda en de Farizeeën stelden zich voor dat men alleen door getrouwe wetsbetrachting de identiteit van  Israel kon handhaven te midden van de volken, en dat dan vroeg of laat de voleinding zou komen; maar daar zijn de volken niet mee gebaat. Jezus had toen tot hen gezegd: gij zegt de Wet te doen, maar gij doet die in het geheel niet. De kinderen der volken herkennen zichzelf niet in uw gestalte, en Mozes is toch voor hen bedoeld. Gij komt in uw betrachting een heel eind, maar gij komt niet ver genoeg; waar ik kom daar kunt gij niet komen; want ik daal af naar de diepste machteloosheid; gij blijft steken, gij houdt altijd nog in uw betrachting uw identiteit overeind, en dat is een stellingname die de stiefkinderen eerder afstoot dan aantrekt; daar leent de Wet zich niet toe.
    En dat zegt Jezus nu ook tot zijn intimi aan deze Paasmaaltijd: de weg van God waarover Mozes spreekt gaat verder, daalt dieper af, besnijdenis en Pascha zijn een radicalisering van de onmacht, zodat alle stiefkinderen der volken daarin hun eigen zuchten horen. Als het dan toch gaat om een specifieke identiteit van Israel onder de volken, dan moet die niet afstoten maar aantrekken. ´Een nieuw gebod geef ik u´; Jezus neemt hier het woord ´gebod´ over uit het taalgebruik van die van Juda en van de Farzeeën, die immers in de strikte handhaving van alle geboden hun identiteit najoegen; alle geboden, maar een was er dat ze ongebruikt laten liggen, en dat ene is nu juist de ware identiteit van Israel onder de volken. Nieuw betekent ongebruikt:  ´één nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander liefhebt, zoals ik u heb liefgehad, dat ook gij elkander liefhebt, hieraan zullen allen weten dat gij mijn leerlingen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander´. Wettische betrachting heeft niet lief, die tracht de ander te overtroeven. Iedere voorbeeldige betrachter bedoelt met zijn houding te zeggen “Waar ik heen ga kunt gij niet komen!” Daarom neemt Jezus dit hier parafraserend over: gij zult mij zoeken, maar waar ik heenga daar kunt gij niet komen, maar dan andersom: niet zo subliem, maar zo laag, niet zo eervol, maar zo schandelijk. Gij zijt toch nog te zedelijk om te komen waar ik kom, en achter te laten wat ik achterlaat. Maar waar ik ben daar zijn wel de stiefkinderen van de volken, en zo wordt de Tora vervuld. ´Dat gij elkander liefhebt´, dat is uw identiteit onder de volken.

    Maar de liefde is dan ook niet wat men ervan gemaakt heeft: een hoger zedelijk beginsel, eerder het omgekeerde ervan; wie liefheeft is een ander niet voor, noch maatschappelijk, noch zedelijk. Want nooit mag worden vergeten dat een stiefkind onder het oordeel valt: het is in alles achter. Liefde nu omhelst zo een kind, van harte: liefde is immoreel, zij bereidt een woning voor daklozen, en heeft daarbij niet stiekem een op te leggen zede in haar program.    
      
                   
     

     

    10 april 2016

    2e zondag veertigdagentijd 10 april 2016

    Jer.32.36-41, Luc 24.35-48.

    Teleurstelling en angst. Jeruzalem zal vallen (Jer), is gevallen (Luc). Jezus is dood. Einde of nieuw begin? God heeft beloofd om te zien naar zijn Volk. D leerling ervaren: Jezus leeft voort. Zijn leerlingen krijgen de opdracht hem na te leven en zodoende leven te geven.

    Inleiding
    Jeremia moet het volk aankondigen dat Nebukadnessar hen zal overwinnen en wegvoeren. Maar dat is het einde niet. God zal zijn belofte aan zijn volk houden.

    Lucas beschrijft de paaservaring van de leerlingen, zoals deze hem verteld is. Hij wil in zijn hele evangelie aantonen dat Jezus de beloofde messias is. Dat god zijn volk niet in de steek laat. Door hun paaservaringen verstaan de leerlingen de Schriften en krijgen hun opdracht: God is er voor alle mensen. De grondslag voor hun bevrijdende opdracht is en blijft de Tora, de Profeten en Psalmen, zoals die Jezus hen heeft voorgeleefd. Jezus is niet dood, hij leeft voort onder ons. Zij en wij, als leerlingen, mogen in die wetenschap leven en leven geven.

    Jer. 32.36-41,
    Context: De Heer zegt Jeruzalem te geven in de handen van koning Nebukadnessar, met alle gevolgen van dien.

    36-41. Maar toch.. eens, zegt God, zal ik de inwoners weer terugbrengen vanuit alle streken waarheen ik hen in mijn toorn, verdreven heb. En ze in vrede in Jeruzalem laten wonen. Zij zullen mijn volk zijn en ik hun God. Zij zullen één van zin zijn en hun nageslacht zal het goed hebben. En Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten. Zij zullen ontzag voor Mij hebben en Ik zal er vreugde in vinden. En voorgoed dit land, met hart en ziel planten.
    Context: van onheil, naar belofte, dat de Eeuwige het ook weer ten goede zal doen keren

    Tussen deze tekst en luc. 24 liggen eeuwen van ballingschap, terugkeer, de bouw van de tweede tempel, de Makkabeën en de romeinse bezetting en de val van Jeruzalem. Nu twee eeuwen later exegetiseren Palestijnse christenen deze tekst heel anders dan Joodse christenen in Israël. Beide vanuit hun eigen context. Lucas las de Tenach vanuit zijn context. Hij toonde vanuit de Tenach aan dat Jezus werkelijk de beloofde Messias was. Bovendien dat de ontstaane gemeenten de opdracht hadden te werken vanuit de inspiratie van Jezus. Wij exegetiseren eveneens vanuit eigen context. Het is van belang dat we ons bewust zijn dat onze eigen context mede bepalend is hoe wij de ons overgeleverde verhalen lezen.

    Luc 24.35-48.
    Context: Jezus is voor het Pesach feest ter dood gebracht. Op de derder dag na Jezus dood, de eerste dag van de week: Vrouwen vinden het lege graf. Twee mannen houden het voor gezien en gaan naar huis. Zij spreken er over, onderweg naar Emmaus, dat de hoop dat Jezus van Nazareth hen zou bevrijden (zoals koning David), de bodem was ingeslagen. Dan voegt een vreemdeling zich bij hen, die hun ogen opent voor de Schriften. Zij herkende Jezus aan het breken van het brood. Zij keren, direct terug naar de leerlingen in Jeruzalem.

    35-48. Terwijl zij aan de leerlingen in Jeruzalem vertellen welk inzicht het openbaar geworden is, verschijnt Jezus zelf in hun midden, met een vredeswens.

    Wat is de interactie tussen Jezus en zijn leerlingen?

    De leerlingen:

    Twee leerlingen komen terug uit Emmaus. Zij bevestigen het bericht van de vrouwen. En vertellen dat Jezus opeens met hen meeliep. De Schriften voor hen opende en zij hem herkenden aan het breken van het brood.

    De leerlingen reageren, op Jezus in hun midden, met angst en verbijstering. Zij menen een geest te zien. Zij zagen, konden het vanwege vreugde en verbazing toch niet geloven. Zij raakten Jezus aan. Zij gaven Jezus, op zijn vraag, te eten -vis- . Door Jezus' woorden wordt hun verstand geopend voor het begrijpen van de Schriften. Zij krijgen een opdracht getuigenis af te leggen tot inkeer van de volken, te beginnen bij Jeruzalem.
    Context: Zij moeten in de stad blijven tot zij met de kracht uit de hemel worden bekleed. Zij gaan met Jezus op weg, de stad uit, naar Betanié. Zij worden gezegend tijdens Jezus' afscheid. 
    Zij brachten hem hulde en keerden, met grote vreugde, terug naar Jeruzalem, waar ze voortdurend in de tempel waren en God loofden.

    Jezus:

    36. Komt in hun midden staan, met een vredegroet. En vraagt hen waarom zij verward zijn en waardoor zijn er zulke overwegingen hun hart hebben. Hij nodigt hen uit te kijken naar zijn handen en voeten. Ik ben het zelf. En nodigt hen uit hem aan te raken, dat kan je niet bij een geest. Hij liet zijn handen en voeten zien. Vanwege hun nog niet geloven vraagt Jezus iets te eten en at het voor hun ogen. Dan herinnert hij aan de woorden die hij sprak toen hij nog bij hen was, dat alles wat in de wet van Mozes bij de Profeten en in de Psalmen over hem geschreven stond vervuld moest worden. Er staat geschreven dat de Messias zal lijden en sterven, maar op de derde dag opstaan uit de dood. En dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden, tot bekering, opdat hun zonden worden vergeven. Jezus opend het verstand van de leerlingen, zij krijgen inzicht.

    Context:Jezus belooft dat hij er voor zal zorgen dat de belofte van zijn Vader aan de leerlingen wordt ingelost. Hij leidt hen, de stad uit, tot bij Betanië. Terwijl Jezus hen zeggende wordt hij opgenomen in de hemel.

    De Pesach ervaring van de leerlingen.

    Lucas beschrijft aan Theofilus, minstens 40 jaar na Jezus dood, wat hij gehoord heeft over Jezus.

    Lucas 24 moet eigenlijk als één geheel gelezen worden. Het is het slot hoofdstuk van het ordelijk verhaal om Theofilus te overtuigen van de betrouwbaarheid dat Jezus werkelijk de beloofde Messias is (1.3-4). In dit slot hoofdstuk gebeuren allerlei zaken met de leerlingen, die eerder door Lucas beschreven zijn als bevrijdende ervaringen van mensen. Soms werd deze mensen het zwijgen opgelegd over het gebeuren. Nu mogen de leerlingen Jezus bevrijdende werk doorgeven en voortzetten.

    Bij Lucas speelt het verhaal van de opstanding en de hemelvaart zich geheel af op de derde dag. In dit drieluik worden de leerlingen 3x er aan herinnerd dat Jezus over zijn lijden en sterven gesproken had, zoals reeds in de Tenach beschreven. De engelen roepen het bij de vrouwen in herinnering. Bij de Emmaüsgangers gaat een licht op als zij over hun hoop en teleurstelling praten en Jezus in hun midden komt. Dan gebeurt er iets met de hele groep leerlingen bijeen. Zoals bij de Emmaüsgangers verschijnt Jezus nu te midden van allen. De leerlingen zijn nog niet bekomen van de gebeurtenissen en dan langzamerhand krijgen ze het inzicht. Dat Jezus toch de beloofde Messisas was. De schrik gaat over in vreugde. Zij zien in dat zij nu de opdracht hebben, Jezus werk voort te zetten. Dat is hun Pesach ervaring, als eerstelingen van Jezus oogst.

    Wat lijkt er te gebeuren.

    De leerlingen zijn in grote verwarring bijeen. De vrouwen hebben verteld. Petrus heeft zich ervan overtuigd dat het graf leeg was. De Emmaus gangers komen terug. Angst en vrees. Veel vragen: waarom is het graf leeg, wat is er gebeurd, wat zal er gebeuren, wie hebben wij gevolgd, hij was onze hoop......

    Zij praten erover.

    Dan komt Jezus in hun midden. Hun angst en verwarring tegenover de vredegroet van Jezus. Langzaam komt er inzicht en vrede over hen doordat een aantal gebeurtenissen volgen.

    • Jezus verandert hun ontzetting en twijfel.

    • Zij mogen Jezus aanraken. Jezus, die zovelen aangeraakt heeft, zodat er kracht van hem uitging tot heling, straalt nu ook zijn kracht uit aan deze leerlingen.

    • Dan vraagt Jezus hen iets te eten, ze geven hem vis en hij eet. Jezus vermenigvuldigde brood en vis voor de menigte. Nu krijgt Jezus vis van hen. Het symbool voor de gemeente.

    • Jezus heeft velen de ogen geopend. De ogen en het verstand van de leerlingen worden nu geopend voor het inzicht in de Schriften.

    • Daarvan moeten de leerlingen getuigenis van afleggen, gesterkt door de belofte van God, die zijn Volk, ook zijn leerlingen nu, niet in de steek zal laten.

    • Na dit inzicht is het voor de leerlingen mogelijk om naar buiten te treden. De stad uit als vlucht? Nee toch niet. Ze worden geleid nabij Betanië, de stad van leegte. De woonplaats van Lazerus was al veranderd. Hij was opgestaan uit de dood. Doordat hij en zijn zusters, Martha en Maria, in hun diversiteit, leerlingen van Jezus waren. Deze plaats van leegte wordt symbool voor de plaats van zegen, die tot vreugde leidt.

    • Zo is het mogelijk afscheid te nemen van hun Heer, waarvan zij niet alleen de vrede ontvangen hebben, maar nu ook de zegen. Dit is een ervaring als van het eerste Pesach offer, de eerstelingen van de oogst, in Kanaän. - In Joz. 5.12 wordt verteld, dat toen het Volk voor de eerste keer het Pesach offer kon offeren met de opbrengst van het land, het manna ophield. – Jezus als Manna is niet meer nodig. De leerlingen hebben ervaren dat Jezus niet dood is, maar onder hen voortleeft.

    • Hun opdracht is nu door te leven en te getuigen van hun ervaringen met Jezus. Gesteund door de belofte van God. Zodoende levend leven door te geven, te beginnen in Jeruzalem en daarna aan alle volken.

    • Na dit inzicht ontstaat er vreugde onder de leerlingen. Zij loven God in de tempel, ondanks het feit dat Jezus, hun inspirator, in Jeruzalem vermoord is.

    De gemeente toen en nu.

    Hoe lang zijn hun uitingen van vreugde in de tempel mogelijk geweest? Wat een tegenstelling met de volgende brief aan Theofilus, de Handelingen. Daar schrijft Lucas over verschijningen gedurende 40 dagen. Zowel 3 als 40 zijn in de bijbel symbolische getallen. Alle evangelisten beschrijven hun ervaringen na de opstandingservaring een beetje anders, vanuit eigen context. Wat van belang is, is de opdracht aan de leerlingen, niet alleen aan de twaalf. Het gaat om de mannen en vrouwen die deze ervaring deelden en het verder in praktijk brachten. Zij wisten zich (aan)geraakt door Jezus om te getuigen in het kracht veld van de Geest tot op vandaag. Door de eeuwen heen is dat niet eenvoudig gegaan. De kerkgeschiedenis is er één van strijd om de waarheid, oorlogen in de naam van God, opstand tegen de heersende opvattingen, die onrecht te weeg brachten. Zo gaat het door tot op vandaag.

    Hoe staan christenen vandaag in het leven met hun hoop, angsten en teleurstellingen, geloof, hoop en liefde in eigen context. De maatschappij is individualistisch. Geloven, godsdienst wordt door velen gezien als een privé aangelegenheid. Hoe staan geloofsgemeenschappen daarin. Hoe gaat u als geloofsgemeenschap om met elkaar en met het onrecht in de samenleving, dat dagelijks onze huiskamers binnenkomt, maar ook met verborgen onrecht en nood in eigen omgeving. De Paus heeft het jaar van Barmhartigheid uitgeroepen als een leidraad en de Wereldraad van Kerken het decennium van de Pelgrimage. De Raad van kerken Nederland geeft daarvoor verschillende handvatten. Pelgrimeren is ontmoeten van vreemdelingen onderweg. Samen even oplopen, samen delen wat noodzakelijk is in woord en daad, thuis, in de maatschappij en politiek.

    Het is vandaag de tweede van Pasen. Wat heeft de 40 dagen tijd aan bezinning opgeleverd voor onszelf, maar ook vanuit al die gezamenlijke, interkerkelijke/interreligieuze projecten voor naasten. Heeft het nieuwe inzichten gegeven? Vind dat doorgang of blijven we toch gevangen in het net van de consumptie maatschappij, het neoliberale marktdenken met het eigen belang voorop. Of wordt er getracht samen wegen te zoeken om door respect en solidariteit de ander tot zijn/haar recht trachten te laten komen. Is het mogelijk te luisteren naar tegenstemmen angsten en vertwijfeling van mensen? Is het mogelijk om als geloofsgemeenschap gesteund door elkaar een stem te laten horen of iets te doen om aan te tonen dat er andere mogelijkheden zijn, dan die de regering bedenkt. Geloofsgemeenschappen hebben kennis van andere mogelijkheden, omdat Jezus daarin is voorgegaan. Door steeds weer bij elkaar te komen voor bezinning en viering kunnen ons verstand en onze ogen geopend worden voor onze roeping opdat wij, met vallen en opstaan, leven en leven geven in de samenleving, in navolging van Jezus, in het krachtveld van de Geest, tot vreugde van mensen in het rijk van God dat is en komende is.

    Héleen Broekema (TWG)

    Wees hier aanwezig.

    Wees hier aanwezig, woord ons gegeven.

    Dat ik U horen mag met hart en ziel.

    Wek u kracht op kom ons bevrijden.

    Woord ons gegeven, God in ons midden,

    toekomst van vrede, wees hier aanwezig.

    Uw wil geschiede, uw koninkrijk kome.

    Zie ons, gedoog ons, laat ons niet vallen.

    Wek u kracht en kom ons bevrijden.

    Dat wij niet leven, gevangen in leegte.

    Dat wij niet vallen terug in het stof.

    Zend uw geest, dat wij worden herschapen.

    Wek u kracht en kom ons bevrijden.

    Dat wij u horen, dat wij u leven.

    mensen voor mensen, alles voor allen.

    Dat wij volbrengen uw woord, onze vrede.

    Wek uw kracht en kom ons bevrijden.

     

    Wek uw kracht en kom ons bevrijden.

    Huub Oosterhuis.

    Gezongen liedboek blz.139

    muziek: liedboek zingen en bidden in huis en kerk lied 295.

     

     

    3 april 2016

    2e zondag van Pasen 3 april 2016

    zondag van de Pasgeborenen.
    Uit de Kerkenwerkagenda een citaat van Kierkegaard: "Het leven kan alleen achterwaards begrepen worden, maar het moet voorwaarts geleefd worden".

    Genesis 28: 10-22   
    Het Bethel verhaal van Jakob. De droom; de belofte. Niet psychologiseren over de reactie van Jakob bij het opstaan. Verbijstering? Blijdschap? Aanbidding? Ontzagwekkend.
    Een huis met een poort; een huis als een poort. A room with a view.

    Openbaring 1: 12b - 20 
    Ook in de buurt van droom en visioen. De hemel is blijkbaar open. En er wordt gaandeweg visie ontwikkeld.

    Lucas 24: 13-35
    Je kunt niet om lied 646 heen. De Heer die van begin tot het eind reisgenoot blijft.
    Er is dan aan tafel veel moois gebeurd, maar de ad hoc Gastheer krijgt geen kamertje in het huis. Geen vaste verblijfplaats. Als Kleopas en vriend weer op weg gaan, is Hij weer reisgenoot.
    Die vrienden benoemen tijdens de wandeling de gebeurtenissen in Jeruzalem ronduit als misdaad. Dat wel maar je hoort ook de frustratie: "We kunnen met onze frustratie nergens heen!.
    We dachten nog zo....
    En dan ook nog die vrouwen: om gek van te worden".
    Al hoor je misschien ook: die vrouwen konden wel eens gelijk hebben want mannen hebben het gecontroleerd. Maar welke consequenties er dan getrokken moeten worden.... daar durven ze zich nog niet over te uiten.

    Volgt tekst en uitleg. Jammer dat we Jezus' hele alpha-en-omega-cursus niet uitgewerkt overgeleverd hebben gekregen. Is er een linkje naar doorgaand onderricht voor de pasgedoopten, de quasimodo geniti?

    Aangevertjes voor de verkondiging.

    Zou je dit eens kunnen proberen: ter plekke een paar minuten mediteren over wat het zeggen wil: "Hem zelf hebben zij niet gezien".
    Of elkaar bevragen welke bijbelgedeelten wel aan de orde zullen gekomen zijn onderweg?

    Aandachtspunt zou ook kunnen zijn: die hele weg van het onderricht moet je samen gaan om Hem aan tafel te herkennen.

    In de buurt van thematiek geweld, vrede gerechtigheid kom je misschien door in te haken op de duiding van misdaad door de overheid. Hoe kun je verder komen dan het slechts constateren, zoals Kleopas doet?

    Aan tafel moet het gebeuren. Wat gaat het moeizaam om de mensen aan tafel te krijgen bij onderhandelingen Syrië.
    Hoe ga je daar nu mee om, dat een partij als IS, die er wel degelijk toe doet, nooit en nergens en met niemand aan tafel wil komen.
    Maar maak het verschil duidelijk tussen onderhandelingstafel en Tafel van Samen.

    Jan Anne Bos

     

    27 maart 2016

    Eerste Paasdag 27 maart 2016

    bijbellezing: Jesaja 51, 9=11                       Psalm 118, 15-24                       Kolossenzen 3, 1-4                       Johannes 20, 1-18

    Van belang met betrekking tot de op bouw van het evangelie is J. Willemse, Het vierde evangelie, Hilversum/Antwerpen 1965. Daarom ontleen ik aan hem de volgende schets van het tekstverband:

    Nadat de evangelist heeft ingezet bij God als het scheppend oerbegin van zijn boodschap (1,1,2), vertelt hij over de bruiloft te Kana als het begin van de tekenen (2,11), dat al verwijst naar het uiteindelijk teken van Jezus’ opstanding uit de doden (zie 2, 18-22. Johannes 2- 19). Deze tekstfragmenten laten een dubbele beweging in het leven van Jezus zien: ontlediging en tegelijk verheerlijking, komen en heengaan, nederdaling tot in de dood en verhoging tot op het kruis, tot in de hemel.
    Er zijn overeenkomsten aan te wijzen tussen Joh. 1 en 20:
    - Jezus wordt beleden als God zelf (1,14 en 20,28);
    - Er wordt gerefereerd aan het scheppingsverhaal (1, 1-5 en 20, 22); 

    - Het verband tussen Jezus en de vergeving en de Heilige Geest, door Johannes geprofeteerd (1, 29, 33) en in hoofdstuk 20 vervuld (20, 22, 23);
    - Jezus komt van God en keert terug naar God;
    - In Johannes 1 worden de leerlingen geroepen om ‘te komen en te zien’ (40, 4 , 52), in hoofdstuk 20 worden ze gezonden (21) om te getuigen van wat ze gezien hebben (29); de tijd van zien en geloven is voorbij, nu breekt een nieuwe tijd aan: niet zien en toch geloven.
    Driemaal wordt naar de nabijheid van het Paasfeest verwezen: 2, 13, 6,4 en 11: 55.Willemse stelt: Johannes componeerde zijn evangelie als een literair-chronologisch opgaan van Jezus naar het Pasen van sterven en verrijzen.
    Als tijdsaanduiding neemt de zondag als de dag van de Heer een opvallende plaats in. Expliciet alleen twee keer in Johannes 20, maar via berekening ook in Johannes 1 en 2 (op de derde dag) en 6 (via 5, 9, 10). Zo ontstaat dan het volgende schema: Johannes 2 met het wijnteken en 6 met het broodteken duiden samen de zondag als dag van de eucharistie. Johannes 11 en 20 duiden samen de zondag als dag van de opstanding. Er zijn dus in de opbouw vier literaire zondagen die de compositie bepalen: Johannes 2 tot 6 staat in het teken van het kruis, de Messias, de eucharistie; Johannes 11 tot 20 staat in het teken van de opstanding, de Zoon van God, de zondag als dag van de verrijzenis. Zo beantwoorden de vier tekenen aan het basiscredo van het vierde evangelie: Jezus is de Christus, de Zoon van God (Joh. 20, 31). Tot zover iets over de compositie.
    Zoals in heel zijn evangelie, gebruikt Johannes ook in hoofdstuk 20 historisch en synoptisch materiaal, maar hij presenteert dit op een eigen, meditatieve wijze. Hij verbindt twee  scènes: twee leerlingen bij het graf en Maria Magdalena in de ontmoeting met de Heer. Evenmin als in de andere evangelieën wordt hier de opstanding zelf beschreven. Men waagt zich niet aan speculaties en houdt zich aan het lege graf en de verschijningen.
    In Johannes 20 en 21 is er steeds het motief van de onderlinge relatie tussen Petrus en Johannes (we houden het erop dat de laatste ‘ de andere discipel’ van vers 2 is).

    In vers 3-8 wordt verteld, dat Petrus weliswaar als eerste het graf binnenging, maar dat Johannes er het eerst bij was en als eerste geloofde. Bovendien volgt Petrus Johannes. In vers 8 treffen we het belangrijke woordpaar aan: zien en geloven.
     Maria Magdalena is hier de enige vrouw (bij Marcus zijn er drie vrouwen, bij Matteüs twee en bij Lucas meerdere). In elk geval: een vrouw is de eerste getuige. Deze prioriteit van de vrouw doet denken aan Galaten 3, 28. Dat Maria Magdalena als enige vrouw genoemd wordt, vestigt ook  de aandacht op haar persoon: zij is hier als iemand die met Jezus alles verloren heeft, omdat zij aan Hem alles te danken had (vgl. Lucas 8,2). Zij is dan ook voor geen rede vatbaar. Alleen het noemen van haar naam helpt haar uit de droom; de goede herder roept zijn schapen bij name en zij herkennen zijn stem (Joh. 10, 3).
    In vers 17 is van belang het opgaan (anabainoo) naar de Vader. De opstanding (en ook reeds het kruis) wordt beschreven als een schakel in dit opgaan. Voor Johannes is de hemelvaart essentieel, als voltooiing van de passie en als ruimte makend voor de Heilige Geest. Door heel het evangelie heen wordt  op de hemelvaart gezinspeeld (3,13;6, 62;7,33;13,1,3; 14,4,28;’16,, 5, 17, 28; 17, 13) zonder dat het tot een realistische beschrijving komt zoals bij Lucas. Opstanding en hemelvaart worden door Johannes heel nauw verbonden. Als verhoogde zal Jezus straks aan zijn leerlingen verschijnen.
    Het ‘houd me niet vast’ in vers 17 maakt duidelijk dat er tussen Maria en Jezus dood en opstanding liggen; zij is geroepen van de andere zijde. Jezus is niet teruggekomen maar verschenen, en deze verschijning is niet inpasbaar in onze werkelijkheid.
    Niet de opstanding en niet de komende ontmoeting in Galilea, maar de verhoging vormt de inhoud van de boodschap die Maria moet overbrengen.

    Suggestie voor de preek

    Het met name genoemd worden speelt een belangrijke rol. De opgestane vindt haar door het roepen van haar naam. Alleen zo wordt zij wakker en opgewekt.  In de taal van de liefde kan geen uiting op tegen het noemen van de naam. Alleen zo wordt de taal van de feiten overtroefd. Dat is het geheim van de opstanding door de tijden heen. God leer je niet kennen door te denken, maar doordat je je naam hoort roepen. Dat wordt betekend door de doop. Dat is ook de ervaring van Israël in Babel als de profeet vertolkt: vrees niet, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn ( Jes. 43,1). Alles draait erom of we door alle woorden in de kerk heen ‘ergens’ worden aangesproken in ons diepste verlangen.

    Zoals Neeltje Maria Min dichtte:

                                                                              Noem mij, noem mij, spreek mij aan.
                                                                               O, noem mij bij mijn diepste naam 

                                                                                Voor wie mij liefheeft wil ik heten.

                                                                                                             
     

     

                  

    13 maart 2016

    5e zondag van de 40 dagen 13 maart 2016

    Jesaja 58,7-10, Psalm126, Fil. 3,7-14, Lc. 20,9-19 voor zondag 13 maart 2016, 5e van de 40 dagen.

    Leader: Veertig dagen tijd/ vasten tijd. Sommigen vasten daadwerkelijk. Met welk doel? Anderen nemen samen tijd voor bezinning op actuele problemen en hun rol als geloofsgemeenschap(pen) daarbij. Wat voor 'pachters/ hoekstenen' kunnen/ willen wij zijn in onze samenleving?

    Inleiding:  Het is niet alleen de oorlog in het Midden – Oosten met onrechtvaardigheid en geweld tussen de verschillende partijen. Maar ook de rol van Europa. Op de landelijke politiek is minder directe invloed uit te oefenen. Wel om zich te bezinnen op de oorzaken van de weerstand tegen de komst van vluchtelingen in eigen omgeving. Sommige mensen, Nederlanders of Medelanders, die al lang in Nederland wonen, voelen zich achter gesteld door het woonbeleid of (dreigende) werkloosheid of angst voor de onbekende Islam. Zij drukken dat uit met demonstraties en soms zelfs met geweld, dat weer geweld uitlokt. Geloofsgemeenschap(pen) kunnen zich bijvoorbeeld afvragen: wat zijn feiten, waar komt de angst vandaan en of zij daaraan zouden kunnen doen in eigen omgeving.

    De Jesaja tekst beschrijft dat het volk wel vast, maar verder gewoon doorgaat met zaken die God niet welgevallig zijn. Zodoende werken zij mee aan het kwaad in de wereld, in plaats van licht te verspreiden.

    Lucas beschrijft een gelijkenis die Jezus zou hebben verteld als antwoord op een antwoord spel tussen tempelgeleerden en hem, nadat Jezus in Jeruzalem was ingehaald door het volk. Hij geeft aan hoe de eigenaar, die op reis ging, bode zond om de huur te innen. De bode (profeten) en uiteindelijk zijn eigen zoon werden door de pachters (leiders van het volk Israël) vermoord. De leiders van het volk gingen hun eigen weg. Zij werden keer op keer gewaarschuwd door de profeten en verwaarloosde de richtlijnen uit de Tora. Zo creëerden zij hun eigen ballingschap.

    Paulus waarschuwt voor de kwalijke praktijken die hij kent van zijn ex collega's. Nu zegt hij Jezus gevonden te hebben en hem te willen navolgen.

    Jesaja 58, 7-10.

    Context: Het volk van Jacob moet luid roepend door deze derde 'Jesaja' geconfronteerd worden met haar misdaden en zonden. Het volk vast wel, maar gaat in die zelfde tijd door met handeldrijven, arbeiders afbeulen, ruzie maken en met elkaar op de vuist gaan. Zo verkiest God geen vasten. Wat God verkiest is misdadige ketenen losmaken, banden van het juk ontbinden. Elk juk breken en verdrukten bevrijden. Dat wil zeggen:

    7-10 Je brood delen, onderdak bieden aan daklozen, naakte kleden en je bekommeren om je medemens. Dan breekt je licht door als de dageraad, herstel en gerechtigheid gaan voor je uit. De majesteit van de Heer vormt de achterhoede. Als je doet wat God verkiest, dan geeft hij/zij antwoord en je (maatschappelijke) duisternis wordt licht als het middag uur.

    Context: beschrijft wat het gevolg is als God het rechtvaardig leven ziet en het voortdurend gaat begeleiden. Dan zal je/ jou omgeving weer vreugde vinden.

    Psalm 126.

    Als God ons thuis brengt uit de ballingschap dat zal een droom zijn. Dromen moeten waar gemaakt worden. Anders blijven het illusies. Mensen zijn de handen en voeten van God. Alleen wij mensen kunnen op aarde mee werken aan een rechtvaardiger samenleving.

    Fil. 3,7-14.

    Context: Paulus waarschuwt voor de kwalijke praktijken van 'de honden' en om op te passen voor hun versnijdenis. Wij als besnedenen verrichten dienst door de Geest van God en laten zich voorstaan op Christus Jezus. Het gaat er niet om volledig te doen wat in de wet staat. (Dat zegt Paulus, omdat hij vroeger de wetsopvatting had als een Farizeeër. Dezen interpreteerde de wet dogmatisch. De wet, de 10 woorden, werden niet gezien als woorden van bevrijding voor het volk dat geen slaven meer was in Egypte en nu met God als bevrijder op weg mocht gaan om een rechtvaardige samenleving te creëren. Hij heeft dat nu herontdekt bij Jezus).

    7-14. De intentie tot gerechtigheid doen met Jezus als voorbeeld, dat is mijn winst zegt Paulus.

    Hij wil Christus leren kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood. In de hoop ook zelf uit de dood op te staan. Dat hoopt hij te bereiken, daarvoor heeft Christus hem gegrepen. Zo wil hij toekomst gericht trachten te leven, en wat achter hem ligt vergeten.

    Context. Een oproep aan allen, waaraan de brief gericht is, dit ook te doen.

     

    Lc. 20,9-19.

    Context: Jezus wordt, als hij in de tempel in Jeruzalem onderricht geeft, door de Hogepriesters, Schriftgeleerden en Oudsten, gevraagd naar zijn bevoegdheid. Jezus antwoord met een wedervraag, die hen voor een dilemma stelt. Zij blijven het antwoord schuldig en daarom geeft Jezus ook hen geen antwoord. Maar verteld een gelijkenis.

    9.Een gelijkenis van een wijnbouwer die zijn wijngaard (Israël,).)verpachte en op reis ging. Hij stuurde verschillende knechten om zijn pacht te innen. Deze werden vermoord. Tenslotte zond hij zijn zoon, ook deze werd gedood. Wat zal de eigenaar nu doen? De pachters doden en de wijngaard aan anderen geven. De mensen zeiden: 'Dat nooit!'. (Ze begrepen heel goed dat Jezus het over het land van het volk met haar hele historie als wijngaard aanduidde (Jes.5,1,2. Jer. 8.13).Jezus ging verder en vroeg wat het betekende dat er geschreven staat:'De steen die de tempelbouwers afkeurden is de hoeksteen geworden?'. Iedereen die over de steen struikelt zal gebroken worden, en iedereen op wie de steen valt zal worden verpletterd. De Schriftgeleerden en Hogepriesters wisten dat Jezus het over zichzelf had, zegt Lucas. Toen Lucas dit schreef was het land al ten onder gegaan door de Romeinen!

    20.Zij wilden hem arresteren, maar waren bang voor het volk. Ze lieten hen bespioneren en hielden hem in de gaten om hem op een onjuistheid te betrappen. Ze vroegen hem onder andere of het toegestaan was aan de keizer belasting te betalen.

     

    Hoeksteen.

    Hoekstenen worden op verschillende manieren gebruikt in een gebouw. 1) Als fundament van een gebouw (Jer.51.16, Job 38.6). 2) In overdrachtelijke zin voor Sion als fundament van het geloof (Jes. 28.16). 3) Voor de overste van het volk (Zach.10.4).4) Voor de miskende rechtvaardige (Ps 118.22). 5) als sluitsteen voor een gewelf, of op de bovenste rand van een huis. Deze betekenissen hebben doorgewerkt in het late Jodendom. 6) het wordt toegepast op Jezus (lc.20.19, Mt. 21 42vv, Hand.4.11, 1Pe 2.7. 7) Apostelen en Profeten zijn het fundament en Christus is de hoeksteen van de tempel van de heiligen (Ef. 2.20). (Bron: BHW. 1969)

    Meewerken aan een rechtvaardige vreedzame samenleving.

    Meewerken aan een rechtvaardige vreedzame samenleving houdt meer in dan het roepen: minder, minder, minder of AZC weg ermee of onder de vluchtelingen zitten terroristen of economische vluchtelingen, af te doen als schreeuwers. Dat is geen optie. De vraag is wat brengt hen ertoe. En wat brengt anderen ertoe zich in te zetten voor een rechtvaardige vreedzame samenleving. De 40 dagen/vasten tijd is een tijd van bezinning in het kerkelijk jaar. Vasten en doorgaan met de 24 uurs economie, zonder af te vragen wat is het gevolg van mijn handelen als onderdeel van de neo-liberale politieke opvattingen die hoogtij vieren, is ook geen optie. Vasten zal consequenties moeten hebben, beschrijft Jesaja.

    In eigen context krijgt hij de opdracht luid te roepen, dat vasten te maken heeft met het bezinnen op wat nodig is, om maatschappelijke verandering teweeg te brengen door recht en gerechtigheid te bewerkstelligen, dan zal er verandering komen in het maatschappelijk leven, zoals het licht dat verschijnt als de dag aanbreekt.

    Lucas beschrijft een ander aspect. In het Lucas verhaal gaat het om kift, jaloezie, angst en nijd van de tempeldienaren, die het volk hun ethische wil oplegden. Een andere interpretatie van de Tora, dan die Jezus voorleefde. Zij waren angstig dat het volk Jezus zou volgen. Er waren al vaak discussies geweest. Maar nu Jezus ingehaald was door het volk en leerde in de tempel, kwam het hen wel heel dicht op de huid.

    Jezus wijst op datgene dat kan voortkomen uit angst, jaloezie, zich bedreigd voelen door een ander en dan actie ondernemen om de ander een kopje kleiner te maken, of zelfs uit de weg te ruimen. Dergelijke praktijken kennen we uit de onderwereld. Het gebeurt bovendien dagelijks door pesten, door wegpromoveren of zelfs door je politieke tegenstander of degene die kritiek op je heeft, op slinkse wijze, te laten vermoorden. Staatslieden, presidenten en kerkelijke leiders zijn vermoord, omdat zij een andere koers trachten aan te geven ten goede of ten kwade.

    Zo ook in het verhaal dat Jezus vertelt aan de hoge tempeldienaren, die trachten hem te betrappen op een onjuistheid in zijn leer. Om zo een reden te vinden om hem uit de weg te ruimen, nu hij niet meer rondreist in Galilea, maar naar Jeruzalem gekomen is, ingehaald door het volk. En dat niet alleen. Hij heeft de handelaren in de tempel een lesje gelezen, met citaten uit Jes.56.7 en Jer.7.11. Bovendien leert hij nu dagelijks in de tempel. En dat is hun terrein. Als zij niets kunnen vinden, gaan ze onder een hoedje spelen met de bezetter. Die zijn handen in onschuld zal wassen en de tempeldienaren vrij spel geeft. Waardoor deze politieke moord ook nog voltrokken wordt op een wijze die de ergste misdadigers ten deel viel.

    Toch zal ondanks alles het licht door breken en zullen zijn leerlingen in het krachtveld van Gods geest, het werken aan een andere en rechtvaardige vredige samenleving trachten door te zetten, ondanks alle tegenslagen door de eeuwen heen.

    Zijn leerlingen kennen de Tora. Al hebben Christenen ook vaak hun dogmatiek laten prevaleren. Zij weten in hun hart dat het niet gaat om regeltjes, maar om als beelden van God, zijn liefde uit te dragen in het koninkrijk van God, dat is en komende is. Dat wil niet zeggen dat ook christenen zich niet bedreigd kunnen voelen door angst voor het onbekende, en niet kunnen lijden onder:dakloosheid / verlangen naar een ander huis en jaren op een wachtlijst daarvoor staan, door fabrieken die zich niet houden aan de veiligheidsvoorschriften waardoor werknemers ziek of zelfs invalide worden, lage lonen voor buitenlanders, ontslagen, werkloosheid, gebrek aan thuiszorg, of door fysiek of psychisch door de 24 uurs economie en/of milieu factoren of zich onmachtig voelen doordat de landelijke- en de gemeente politiek nog steeds steggelen over de bed,bad en brood regeling voor illegalen uitgeprocedeerde mensen. Naast eerste noodzakelijk maatregelen, zal er gekeken moeten worden naar de oorzaken.

    Voor de vragen die zich voordoen in geloofsgemeenschappen en hun omgeving, hebben geloofsgemeenschappen de mogelijkheid om als groep onder elkaar, maar ook voor de samenleving, zich openstellen als oefenplaatsen om samen zich te bezinnen op wat nodig is om de oorzaken van de tegenstand te onderzoeken. Zij kunnen zich afvragen wat het, in eigen context, inhoud misdadige ketenen losmaken.

    Daartoe is het nodig deze te benoemen, je stem daar tegen te verheven. Niet alleen door in verzet te komen, maar ook door mee te werken aan verandering, vanuit eigen gave en mogelijkheden, zowel sociaal als politiek. Zo kunnen mensen hoekstenen, fundamenten worden die trachten mee te werken aan een rechtvaardige vredige samenleving waar allen, autochtone en allochtonen, tot hun recht mogen komen. Licht verspreiden, geeft ook anderen licht. Dat kan zijn als een vonkje van God liefde.

    Héleen Broekema(TW)  10 febr. 2016

     

    Zo spreekt de Heer (Voor de 40 dagen tijd. Of Lied van de oprechte vasten)

    Zo spreekt de Heer, die ons geschapen heeft:
    Wat durft dat volk Mij nog te vragen
    Dat volk dat vast maar toch in tweedracht leeft,
    Wat durft dat volk Mij nog te vragen.
    Die in zak en as gezeten
    twistend mijn gebod vergeten.
    Denkt gij dat Ik om dat vasten geef –
    mijn volk, wat durft gij Mij te vragen.

    Zo spreekt de God die alles weet en ziet:
    Ik durf uw vasten niet vertrouwen.
    Als gij de zwervers niet uw woning biedt
    durf Ik uw vasten niet vertrouwen.
    Schenk uw brood aan de geboeiden.
    Schenk uw troost aan de vermoeiden.
    Anders hoor Ik naar uw smeken niet.
    En durf uw vasten niet vertrouwen.

    En Jezus sprak: Bemint uw vijand ook;
    Heer God, wij staan voor U verlegen.
    Vergeeft het kwaad, zo doet mijn Vader ook;
    Heer God, wij staan voor U verlegen.
    Want Gij zijt ook zelf geschonden
    door een menigte van zonden,
    en mijn Vader, Hij vergeeft u ook.
    Heer God, wij staan voor U verlegen.

    En Jezus zegt: mensen, verdraagt elkaar,
    en Jezus' woord zal ons bevrijden.
    Vergeet uzelf en dient elkander maar
    – en Jezus' woord zal ons bevrijden.
    Aan elkander prijsgegeven,
    vindt gij honderdvoudig leven.
    Jezus zegt: mensen, bemint elkaar.
    En Jezus' woord zal ons bevrijden.

    Naar Jes. 58.4v. Huub Oosterhuis (Gezongen Liedboek. Of Nieuw liedboek 537).

    Op de afbeelding staat een zgn hongerdoek uit Haïti.

     

    28 februari 2016

    3e zondag veertigdagentijd 28 februari 2016

    Bijbellezingen Exodus 6, 2-8 Romeinen 5, 1-11 Lucas 13, 1-9

    Lucas 13, 1-9 laat een structuur zien, die we vaker bij Lucas tegenkomen: Een gezegde van Jezus wordt gevolgd door een gelijkenis, die het gezegde ondersteunt of nader verklaart
    De twee incidenten (Luc 13,1 en vers 4) komen alleen bij Lucas voor. Deze zijn ook niet buiten bijbelse bronnen bekend. Hun historiciteit is dus niet vast te stellen. Aan de verkondigingswaarde van van de perikoop doet dit echter geen afbreuk
    Jezus is duidelijk niet in Jeruzalem. Hij is onderweg naar Jeruzalem (zie 13, 22).
    Het lijkt me goed dit te realiseren in verband met 13, 1

    Vs 1 ‘op dat moment’: Er wordt een duidelijke verbinding gelegd met het voorgaande. Mij dunkt dat we heel hoofdstuk 12 als context moeten zien. Dat hoofdstuk is een grote rede van Jezus over het komende Rijk en over de crisis – de scheidi8ng- die dit aanbrekende en doorbrekende Koninkrijk onder mensen veroorzaakt. Het eerste deel van hoofdstuk 12, te weten de verzen 12 tot en met 32 is uitdrukkelijk tot de discipelen gericht. Het tweede deel is niet zo duidelijk geadresseerd. We mogen aannemen dat het voor de scharen (het volk)bedoeld is. Dat hier een duidelijke link ligt met hoofdstuk 12 blijkt uit het toi kairo aan het begin van vers 1, dat terugslaat op het ton kairon van 12, 56. Het is jammer dat de nieuwe bijbelvertaling (NBV) hier niet concordant in 12, 56 en in 13, 1 vertaalt. Op het moment dus dat Jezus zijn rede beeindigt, komen een paar mensen een nieuwtje vertellen. Het gebruikte werkwoord duidt erop dat het pas gebeurd is. Sommige exegeten denken dat het Farizeeers zijn die dit bericht aan Jezus overbrengen. Zij doen dit omdat Jezus in zijn antwoord zo nadrukkelijk ingaat op de door de Farizeeën aangehangen vergeldingsleer
    Vs 2 Bloed vermengd met offers. Dat de Galileeers gewelddadig vermoord zijn, is wel duidelijk. Onder welke omstandigheden en waar wordt niet duidelijk gemaakt. De meeste exegeten houden het op een uit de handen gelopen en naar revolutie tenderend offerfeest. Pilatus heeft zich dan behalve aan de mensen ook aan de God gewijde gave vergrepen ( de korban).
    Of het verhaal van de slachting met de bedoeling om hem te testen aan Jezus wordt voorgelegd is niet zeker. Maar Jezus vat het wel als een uitdaging op.
    Jezus ziet achter de vraag de in Farizeese kring geldende vergeldingsleer: lijden als teken van schuld. Strack-Billerbeck merkt in dit verband op dat als regel gold in de Joodse theologie van die dagen: geen tuchtiging zonder schuld. Waar lijden is, daar was daarvoor de zonde. Maar God waakt wel over de maat van de vergelding
    Vs 3 Lego humin ( Ik zeg jullie) duidt het openbaringskarakter aan van het antwoord van Jezus. Hier geschiedt Gods woord. Hier wordt met zeggingskracht gesproken. Met kracht dus wijst Jezus de vergeldingsleer af. Aan lijden kun je geen schuld afmeten Wel is lijden aanleiding tot bekering. Een impuls om te veranderen. Het werkwoord metanoeo (bekeren) karakteriseert een totale verandering. Volgens de Theologisches Begriffs Lexicon Zum Neuen Testament (Theol. Verlag Brockhaus, Wuppertal 1967) wordt metanoeo in het N.T. gebruikt om de inhoud van het hebreeuwse werkwoord schub ( omkeren) aan te geven. Het gaat om een beslissing tot omkeer van de gehele mens. Het gaat om een nieuwe levensorientatie. Een orientatie aan de nieuwe werkelijkheid die in Lucas 12 geschetst wort door Jezus. Het Koninkrijk van God is in Hem doorbrekende.
    Vs 4 Jezus voegt nog een voorbeeld toe aan zijn antwoord. Twee dingen vallen daarin op

    1. De oorzaak van het lijden is minder duidelijk een gevolg van menselijk handelen

    2. Het lijden treft de inwoners van Jeruzalem.

    Vs 5 Het commentaar van Jezus blijft het zelfde: Er is geen verband tussen lijden en schuld. Waar het op aankomt is: de nieuwe weg te gaan, je bekeren, omkeren
    Vs 6-9 Ook hier weer laat Jezus op zijn verkondiging een gelijkenis volgen, een illustrerend verhaal over wat hij bedoelt te zeggen. Het gaat erom, dat de mensen vruchten dragen, die het gevolg is van hun nieuwe manier van leven. Er wordt echter in die gelijkenis nog een element toegevoegd, de lankmoedigheid, het geduld dat God met zijn mensen heeft. Maar ook daaraan komt een einde

    Aanwijzingen voor de preek
    a. Aanduiding van oorzaken van leed ( denk aan al die Syriers die op de vlucht zijn),
    Er is leed dat door mensen veroorzaakt wordt en leed dat niet direct is terug te voeren om menselijke verantwoordelijkheid.

    1. Maak onderscheid tussen fysich, psychisch en sociaal lijden

    2. Vanuit Lucas 13, 1-9 wordt duidelijk: lijden is geen bewijs van zonde of schuld . God zendt het ons niet om ons mee te straffen, ons op te voeden of om ons klein te krijgen. Daarmee wordt impliciet met het godsbeeld dat God voorstelt als de grote regelaar afgerekend.
      Lijden kan wel een aanleiding zijn om mensen op te roepen zich te bekeren, nieuwe wegen te gaan, vrucht te dragen, Wie enkele richtingaanwijzers op die weg nodig heeft, kan bij Lucas 12 terecht

    3. Mensen zijn van Gods wege geroepen een antwoord te geven ,verantwoordelijkheid te dragen voor mensen die lijden. Hoe staan wij tegenover de vele vluchtelingen die naar ons land komen?

    14 februari 2016

    1e zondag veertigdagentijd 14 februari 2016

    Enige gedachten bij de lezingen: Deut.5.6-21, Luc. 4.1-13.

    Angstig of in de steek gelaten of voelen, reëel of vanuit vooroordelen, kan leiden tot onbereflecteerd nalopen van mensen, die leuze roepen en zich verzamelen in groepen om ergens bij te horen of recht te halen. Dat kan leiden tot haat en geweld. Er zijn ook andere mogelijkheden.

    Inleiding.

    Angstig of in de steek gelaten of voelen, reëel of vanuit vooroordelen, kan leiden tot onbereflecteerd nalopen van mensen, die leuze roepen en zich verzamelen in groepen om ergens bij te horen of recht te halen. Dat kan leiden tot haat en geweld. Geweld roept geweld op, bloed vergieten, bloedvergieten. Er zijn ook andere mogelijkheden. Liefde en aandacht doet lichtpuntjes verspreiden. Daarnaast is het belangrijk de knelpunten te bekijken en te trachten zinvolle oplossingen aan te geven en eraan mee te werken.

    Voordat Jezus, na zijn doop, zijn openbare werk begint, beschrijft Lucas eerst dat Jezus, door de kracht van de Geest, naar de woestijn wordt gedreven. En daar, net als Elia, voor een bezinningsperiode van 40 dagen verblijft. Aan het eind van dit verblijf in de woestijn, is er zijn eerste confrontatie met de duivel, die hem wil verleiden om hem in plaats van God te dienen. Jezus weerstaat deze verleiding, door gebruik te maken van de leefregels uit de Tora. Deze waren ooit gegeven door God aan Mozes voor het Volk op de Sinaï. Met als reden om Hem te gedenken als bevrijder uit de slavernij in Egypte. Door middel van 10 leefregels heeft God voor eeuwig een verbond met hen gesloten.

    Deut. 5.6-21.

    Context: Mozes herinnert het Volk aan het verbond, dat eertijds gesloten is op de Sinaï. Hij roept hen op deze verbondsregels zich eigen te maken en strikt na te leven, ook als zij straks in het land zullen wonen.

    6.God maakt zich bekent als bevrijder. Het is de gewoonte, in die tijd, dat een heerser, die een volk tot zijn territorium had gemaakt, omgangsregels uitvaardigde. Als mensen zich daar aan hielden zou het 'vrede' zijn in hun land. De woorden van het verbond is hierop geënt. Waar Mozes hier aan herinnerd zijn geen voorwaarde van een overheerser, maar van een verbond van de God van Israël, als een bevrijder voor Eeuwig. In Egypte werden veel goden vereerd. God maakt zich bekend als Heer, niet als heerser, als enige unieke levende God, begeleider, schepper van hemel en aarde. De woorden getuigen van een klassieke opbouw: de vereiste houding tot God. Wat er gebeuren zal als de ouders in de fout gaan en Hem haten, dan zal dat doorwerken tot het derde en vierde geslacht. Maar als ze God liefhebben en zijn regels volgen zal hij hen liefhebben tot in het duizendste geslacht. Dan volgen er regels die rechten voor mens en dier inhouden. Niet alleen voor het Volk zelf, maar ook voor hun slaven en de vreemdelingen die bij hen in de stad (zullen) wonen. Het belang van een rustdag voor allen om aan God te wijden en te herinneren, dat ook zij vroeger slaven zijn geweest in Egypte. En daar elke dag zware arbeid moesten verrichten. Respect tonen voor vader en moeder, niet moorden, niet stelen, geen overspel plegen, niet jaloers zijn en geen valse getuigenis afleggen. Kortom leefregels van een menselijke God (imitatio Dei). Richtlijnen om met elkaar om te gaan, zoals God met zijn schepselen wil omgaan. Met elkaar omgaan als vrije mensen met respect voor elkaar, welke achtergrond mensen ook hebben. Deze omgangsvormen zijn nu ook grofweg gezegd beschreven in de verklaring van de mensenrechten van de VN.

    Context: een beschrijving hoe de ontmoeting op de Sinaï heeft plaats gevonden. Dan volgt in hoofdstuk 6.4 de belijdenis van Israël: het 'Hoor/luister Israël.......'.Uit hoofdstuk 6 citeert Jezus o.a. in zijn antwoord als het verzocht wordt in de woestijn, door de duivel.

    Deuteronomium rol.

    Het lijkt in de lezing erop dat Mozes het volk herinnert aan het verbond op de Sinaï. Dat zou dus zijn voordat het volk het land in trok. Toch wordt er ook gesproken van de vreemdelingen bij u in de stad. Volgens 2 Kon 22 zou dit vijfde wetboek gevonden zijn bij een restauratie van de tempel in Jeruzalem. Toen Josia, koning van Juda (639-609) de inhoud vernam, kondigde hij een algehele hervorming aan. De oorsprong moet waarschijnlijk gezocht worden in het Noordrijk in de 2e helft van de 8e eeuw. Er zijn overeenkomsten met de gedachten wereld van de profeet Hosea (750-725).

    Woestijn. 
    Woestijn als plaats van verlatenheid is in de bijbel een leerplaats voor het leven, een plaats van bezinning.

    Luc. 4.1-13

    Context: na Jezus doop wordt hij, tijdens zijn gebed, onderscheiden van het volk, doordat de Geest, in de gedaante van een duif, op hem neerdaalde. Dan volgt een aankondiging dat Jezus zijn werk begon. Jezus zijn achtergrond wordt beschreven middels een geslachtsregister, waarin aangenomen wordt dat hij de zoon was van Jozef, de zoon van Eli enz. tot de zoon van Adam, de zoon van God.

    1.Jezus begint zijn publieke taak met bezinning. In het krachtveld van de Geest, wordt hij geleid naar de woestijn waar hij 40 dagen rondzwerft. Naar Bijbelse voorbeelden: zijn volk, dat 40 jaar rondgezworven heeft in de woestijn. En Elia die gedesillusioneerd er naar toe vluchtte. Een engel riep Eli tot de orde. Hij werd voorzien van brood en water. Daardoor gesterkt liep hij, in opdracht van een engel, 40 dagen en nachten door de woestijn, tot hij aankwam bij de Horeb/ de berg Sinaï. (1 kon. 19.8). Op de berg Sinaï zou de wetgeving plaats hebben gevonden. Op de Sinaï richt God de stem tot Eli. En hij krijgt een nieuwe opdracht om weer op weg te gaan in de maatschappij. Deze opdracht kreeg hij niet vanuit de storm, de aardbeving, het vuur, maar vanuit de stilte (van de bezinning).

    Het verhaal over Jezus lijkt op het tegengestelde. Door de kracht van de Geest, wordt Jezus gedreven naar de woestijn. Hij zwerft er 40 dagen zonder eten. Een tijd van bezinning, waarin hij verzocht wordt door de duivel. Drie verzoekingen worden beschreven. Na 40 dagen heeft Jezus honger. Dan biedt niet een engel brood aan, maar de duivel. Hij zegt: als je de zoon van God bent en honger hebt beveel dan om van een steen brood te maken. A ls iemand honger ernstige heeft en de mogelijkheid daartoe zou hebben, is het een krachtmeting om deze verleiding te doorstaan Jezus is goed thuis in de Tenach en antwoord met een zin uit de Tora: de mens leeft niet van brood alleen, (maar van elk woord dat van God komt). Deze zin staat in de context dat God het Volk manna gaf, toen het honger had op hun zwerftocht in de woestijn. God maakte toen ook duidelijk dat het niet alleen gaat om brood, maar om alles wat de mond van de Heer voortbrengt (deut. 8.3). Jezus leerde 'brood' te delen zodat er manden vol overbleven. En daarna zelfs zijn eigen lichaam. Delen kan vermenigvuldigen worden. Helaas wordt de mensheid nog steeds verzocht. Er is nog honger in de wereld en voedsel in overvloed! De duivel laat het niet bij één verzoeking.

    5.Daarna is het niet de Geest, maar de duivel die Jezus brengt naar een hooggelegen plaats. Hij laat hem alle koninkrijken, van de (toenmalige), wereld zien. Jezus zou over deze, wereldlijke, koninkrijken kunnen beschikken, de macht en de roem erdoor kunnen krijgen, die daar bij hoort, als hij de duivel zou aanbidden. De engel van de geboorte aankondiging heeft anders voorspeld. God zal hem de troon van zijn vader David geven (Luc.1.33). Jezus weet, dat de aarde Gods koninkrijk is. En dat hij op een andere manier, door zijn levenspraktijk, gekend zou worden. Jezus antwoord weer met een zin uit de Tora: Aanbidt de heer uw God, vereer alleen hem (deut. 6.13, 10.20). Hoe vaak komen wij, als mensen, in de verleiding om te kiezen voor macht en geld, ten koste van anderen?

    9.De duivel geeft het niet op en voor de derde maal daagt hij Jezus uit. Hij brengt Jezus naar het hoogste punt van de tempel, het gebouw van de religieuze macht. De duivel vraagt Jezus, als hij de zoon van God is, van de tempel af te springen, want de engelen zouden hem dan wel opvangen. De duivel spreekt nu, zoals Jezus hem van repliek diende. Jij daagt Jezus uit, met een citaat, uit Ps. 91.11-12. Jezus antwoord: Gij zult de heer uw God niet verzoeken/ op de proef stellen (deut. 6.16). Waar komen wij, als mensen, beproevingen tegen, die ingaan tegen de leefregels van het verbond van God en mensen? Wat helpt ons deze beproevingen te weerstaan?

    13.Toen Jezus op alle beproevingen niet inging, ging de duivel voor een tijdje bij hem vandaan.

    Context. Na deze verzoeking gaat Jezus op weg, aan de slag om zijn zoonschap, in het krachtveld van de Geest, in praktijk te brengen. Door de kracht van de Geest, gaat, Jezus terug naar Galilea en begint daar zijn openbare levenswerk. Hij kwam ook in Nazareth, waar hij in de synagoge de tekst van de dag uit de rol van Jesaja aangereikt krijgt en leest: De Geest van de Heer rust op mij.....(Jes. 61,1-2). In Nazareth werd hij niet aanvaard. Zijn woorden deden hen die dit hoorde in woede ontsteken, en zij wilde hem in de afgrond storten. Jezus, liep tussen hen door en verliet Nazareth. Jezus tijd was nog niet gekomen.

    Op weg gaan

    De duivel ging voor een tijdje bij Jezus vandaan en Jezus ging op weg. Het was nog niet de tijd van Jezus' dood. De duivel zal op slinkse wijze trachten Jezus, toch dwars te zitten, gedurende Jezus werkzame periode. Een periode waarin hij God vreugde zal geven, en naar diens voorbeeld, veel mensen bevrijden van hun knellende banden. Het lijkt erop dat na drie jaar later de duivel alsnog zal overwinnen, als Jezus in Jeruzalem met de macht van de tempeldienaren wordt geconfronteerd. Zij voelen zich bedreigd en gaan onder één hoedje spelen met Pilatus. Hierdoor zal Jezus, niet door zijn leer, maar door valse beschuldigingen een politieke dood sterven. Door zijn leer en praktijk zal hij blijven voortleven onder zijn leerlingen. De Paaservaring zal hen, in het krachtveld van de Geest, Jezus werk doen voortzetten. Tot op vandaag.

    De wereld van de eerste leerlingen en de wereld van vandaag stond en staat nog bol van oorlog, vervolgingen, geweld en verleidingen. Jezus liet zich niet verleiden door de duivel. Hoe vaak is het niet dat mensen lonken naar macht, begeren wat anderen hebben aan geld, vrouw of ander bezit. En daardoor zodanig verwikkeld raken in conflicten tussen mensen, dat mensen elkaar vermoorden. Dat speelt zich niet alleen in films af. Het lijkt wel of daar tegenwoordig elke dag in de media melding van wordt gemaakt. De panelen van de macht lijken zich te verschuiven. Dictatoriale regiems en democratieën de politiek in Europa en de wereld. Er is veel veranderd. In Europa is de macht van de 'kerk' sterk verminderd. Het was, tot in de zestiger jaren, dat de 10 woorden van bevrijding als knechting gebruikt werden door de kerkelijke macht . Gij zult niet...... en als je dat doet wordt het aangemerkt als een kleine of grote zonde. Berouw kon door gebed of biecht tot vergeving en hopelijk, indien mogelijk, tot verzoening leiden. Hierdoor zijn veel mensen afgehaakt toen zij mondiger werden.

    Als bezinningsperiode werden de 40 dagen/ lijdenstijd gebruikt. Niet alleen om het lijden van Jezus, voor onze zonden, te herinneren, maar ook ons te bezinnen op eigen houding. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw zijn er grote veranderingen opgetreden. De kerken kregen het steeds minder voor het zeggen. De wereld werd langzaam ontsloten door de massa media. Verzoekingen, verleidingen werden minder benoemd. Door het neoliberalisme nam ook het individualisme en de macht van het vrije woord en hand over hand toe. Liefde en haat, vertrouwen en wantrouwen en werden steeds zichtbaarder. Voor de media lijkt haat, wantrouwen, onverdraagzaamheid, belangrijker, dan vertrouwen, verdraagzaamheid en liefde. Dit is nu zeer zichtbaar in wat er wordt uitgezonden en getwittert t.a.v. de toestroom van vluchtelingen. Er is veel inzet van mensen om, deze vluchtelingen welkom te heten, daar wordt veel minder aandacht aan besteed, dan aan de tegenstemmen. Sommige mensen zijn bang vanuit eigen belang, hun baan, hun huis en terroristen in de massa. Deze angsten moeten niet genegeerd worden, maar onderzocht op hun realiteit. Het is menselijk dat mensen zondebokken zoeken en elkaar imiteren. Mensen zitten vaak gevangen in eigen individuele belangen en gedachten. De tendens van opkomen voor jezelf, eigen verantwoordelijkheid heeft een enorme vlucht genomen, dat zich ook uit in politieke, al of geen, beslissingen. Velen laten geluiden horen vanuit vooroordelen en het napraten van anderen. Vooroordelen die er nu zijn t.a.v. vluchtelingen, maar die er ook zijn ten aanzien van gekleurde mensen, van, Joden, Islamieten, Marokkanen, Turken, homo's etc. Deze vooroordelen worden mede gevoed, door Wilders die zegt: 'de stem van het volk te vertolken' en andere politici die geen alternatief lijken te bieden.

    Het is de vraag, hoe christenen, geloofsgemeenschappen hiermee omgaan. Hoe een tegenstem te zijn tegen de verzoeking van meegaan in vooroordelen. Vinden mensen in geloofsgemeenschappen ook steun bij elkaar, om samen te spreken wat vooroordelen en verzoekingen vandaag zijn? En hoe daar weerstand aan te bieden. Jezus voorbeelden kunnen daarbij tot steun zijn. Met alleen bijbel citaten zijn er geen oplossingen te vinden. Wel persoonlijke steun, maar geen maatschappelijke inbreng. Als christenen en geloofsgemeenschappen zullen we samen moeten zoeken en op weg gaan om tegenwicht te geven in woord en levenspraktijk. In deze 40 dagen/lijdenstijd kunnen we er misschien samen ons extra op bezinnen, wat en hoe we bij onszelf en in eigen omgeving om kunnen gaan met wat er op onze weg zich aandient aan verleidingen.

    Héleen Broekema (TWG) 

    God roept de mens op weg te gaan.

    God roept de mens op weg te gaan,

    zijn leven is een reis:
    'verlaat wat gij bezit en ga
    naar het land dat ik u wijs'.

    Het volk van God was veertig jaar
    – een mensen leven lang –
    op weg naar het beloofde land,
    het land van Kanaan.

    'de mens leeft niet van brood alleen'
    zo hebben zij geleerd,
    en 'niet beproeven zult gij Hem
    die het al beheert'.

    Vereren moet gij slechts de Naam
    des Heren: Hij die is
    de wolk die voor u uit zal gaan,
    licht in de duisternis.

    Heer, geef ons moed en doe ons gaan
    uw weg door de woestijn
    en laat uw Zoon een laaiend vuur,
    de nieuwe Mozes zijn.

    Eer aan de Vader en de Zoon
    en aan de heilige Geest,
    God, die al voor de eerste mens
    belofte zijt geweest.

    Henk Jongerius (uit Bijbels liedboek KBS)

    7 februari 2016

    5e zondag na Epifanie 7 februari 2016

    Jesaja 6: 1-8; 1 Korinthe 15: 1-11; Lukas 5: 1-11

    Zondag werelddiaconaat; je weet wel waarom. Watersnoodramp 1953. De actualiteit van de klimaatconferentie dringt zich op. Door de zeespiegelstijging raken al allerlei eilanden in de oceanen onbewoonbaar. (vandaar plaatje Galapagoseilanden)

    Ik zou het aanpakken met alle nadruk voor de lezing van Jesaja 6?
    Ongelooflijk intens. Niet onder de claim van God uit kunnen. Dat het Woord van God zo in moet breken; dat de toestand er zo niet naar is. Heel de benarde positie van alle klokkenluiders; van de profetie van de kerk ook. Eigenlijk te gek voor woorden dat dat als uiterst benauwend wordt ervaren. Dat je zo onder de torah kunt/moet lijden. Zet daar de vreugde van de torah eens tegen af: Psalm 119. of Psalm 1.
    Ik lees in vers 10 (of lees je inderdaad niet door tot einde hoofdstuk?) een vorm van sarcasme om de hoorders te prikelen. Maar niemand kan meer zeggen dat het hem niet aangezegd is. Het is echt crisistijd.
    De mainstream kan stevige kost niet aan; lijkt weg te kijken of erger. Wie het er niet steeds over heeft kan wijzen op het gevaar van aansluiten bij populaire benadering van de boodschap van het evangelie. En niet te vergeten de mogelijkheden die daar liggen. Maar profetie blijft wat Heschel noemt: zeggen wat God van ons doen en laten vindt.
    Noem de echte bedreigingen van de komende tijd. Dat werkt afstotend; ik heb er geen slimme oplossing voor. Maar je komt er niet onderuit. 

    Zondag Werelddiakonaat vraagt er ahw om dat de vier velden van de Rechtvaardige Vrede waar Busan van spreekt aan de orde komen.  Ik maak tegelijk even reclame voor de Kerk en Vrede Special "Werken aan rechtvaardge vrede" die dit thema goed analyseert.

    Maar ik denk zelf dat dat aangevuld moet worden met een vijfde veld. De meest fundamentele bedreiging van de mensheid zal de komende tijd komen uit de hoek van de heftige technologie van de mensverbetering. De superintelligentie. Een nieuwe hominide ja dan neen. Kunstmatige superbreinen. 

    1 Kor 15: 1-11

    Vertelt hoe Paulus zich in de rij van profeten ziet staan. Ik zou er inhoudelijk niet te veel mee doen, want er staat gewoon te veel in. Maar wel goed om de dienstbaarheid en nederigheid van de profeet nog eens voorgelegd te krijgen.

    lukas 5: 1-11

    Ja, dat ligt wel in de lijn van Jesaja. Weer worden mensen geroepen. Die verzuchting van Petrus over zijn zondig zijn is bijna letterlijk uit Jesaja 6: 5. Epistel en evangelielezing als illustraties bij de Profetenlezing, zou je kunnen zeggen. 

     

    24 januari 2016

    3e zondag na Epifanie 24 Januari 2016

    Lezingen: Jesaja 61, 1-9                       Psalm 145, 13-21                       Lucas 4, 14-21

    Het centrale gedeelte uit Lucas 4, 14-21, de verzen 18 en 19. Ik heb gekozen voor de NBG- vertaling, omdat deze dichter tegen de grondtekst aanligt dan de NBV-vertaling.
    De genoemde verzen luiden: De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren.
    Tekstkeus: Wanneer de gemeente van Christus nadenkt over de zin van de menselijke arbeid,  wordt zij steeds geconfronteerd met de noodzaak deze zin te herleiden tot de zin van Christus’ werken in deze wereld. Immers, daarin ligt besloten als vervulling en opdracht wat menselijke arbeid in onze wereld moet zijn. In Lucas 4, 18 en 19 wordt beschreven hoe Jezus zelf zijn werken fundeert in een bewust gekozen citaat uit de profetie van Jesaja. Hieruit kunnen wij als gemeente de zin voor onze menselijke arbeid distilleren.

                  De bovengenoemde pericoop uit het Lucas-evangelie is het begin van het tweede hoofddeel van dit evangelie. Na de proloog wordt in het eerste hoofddeel de voorgeschiedenis van Jezus’ optreden beschreven (Johannes de doper, Jezus’ doop, zijn stamboom en de verzoeking in de woestijn als voorbereidende gebeurtenissen). Met Lucas 4, 14 begint de beschrijving van Jezus’ optreden in Galilea, zijn eerste werkterrein. Nadat in vers 14b en 15 heel kort is beschreven dat Jezus al heel snel grote bekendheid verwierf in de hele streek en veel positieve waardering ontving, begint in vers 16 het verhaal van zijn optreden in Nazareth, de stad waarin hij is opgegroeid. Volstrekt in overeenstemming met de gewoonte in het Jodendom, maakt Jezus op de sabbat gebruik van zijn recht om in de synagoge te lezen. Iedere man die dat wilde, kon buiten de vaste leescyclus van de Torah om, door op te staan te kennen geven dat hij uit een van de andere boeken van tenak wilde lezen.
    Het gedeelte dat Jezus kiest, is een citaat uit Jesaja 61, de verzen 1 en 2a. In dit citaat komen we twee van de drie kernwoorden tegen, waarmee Jezus zijn spreken over de inhoud van zijn zending steeds weergeeft: euangelizesthai (het evangelie brengen) en kerussein (verkondigen); het derde woord, dat in deze pericoop niet naar voren komt, is didaskein  (leren, onderwijzen). Karl Barth( KD 1V-2, p. 217 e.v.) vermeldt dat deze drie woorden steeds weer gebruikt worden als de kernwoorden van Jezus’ optreden. De woorden zijn dan wel niet synoniemen, maar ze convergeren, dat wil zeggen zij geven alle drie de centrale richting aan van Jezus’ handelen. Zij worden steeds zonder veel nadere uitleg in de evangeliën gebruikt. Zij worden alleen gevolgd door, of vooraf gegaan door, een aantal praktische handelingen die beschreven worden. Bovendien worden alle drie kernwoorden niet alleen voor het handelen van Jezus gebruikt, maar ze impliceren tegelijkertijd het handelen van de discipelen. Daarom zijn ze van bijzondere betekenis voor het handelen van de totus Christus, ‘waartoe als de aardse gestalte van zijn lichaam ook zijn gemeente behoort’ (Barth, 217). Uit deze wijze van beschrijving blijkt dat Jezus in de evangeliën hiermee nadrukkelijk wil zeggen dat het kader van zijn handelen en daarmee het handelen van de gemeente wordt gegeven door de drie genoemde kernwoorden. Steeds moeten we praktische handelingen zien in het kader van het brengen van de goede, vreugde brengende boodschap. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament lopen daarbij de inhoud van de boodschap, het bericht daarvan en de boodschapper in elkaar over. Hier zien we weer een aanwijzing voor de vervlechting van woord en daad van Jezus met zijn persoon. Hij zelf is de goede boodschap, zijn daden en woorden getuigen ervan.
    Merkwaardig is het dat het tweede kernwoord uit onze tekst, kerussein, in het Oude Testament niet die pregnante betekenis blijkt te hebben die we in het Nieuwe Testament tegenkomen. In het Oude Testament wordt verkondigen steeds gebruikt als een profetisch vooruit zien. In het Nieuwe Testament wordt dit vooruit zien een vooruitzien naar de vervulling: het komende rijk van God, altijd gefundeerd in de terugblik op het al geschiede: het feit van Gods openbaring in Christus. De klemtoon wordt gelegd op het afsluitende karakter daarvan voor onze vroegere omgang met God. Verkondigen kan daarom in nieuwtestamentische zin alleen zijn: Jezus verkondigen als de gekruisigde, in wie de tijd van het oude verbond is afgesloten en het nieuwe verbond is aangebroken. Alle verkondigen gebeurt op grond van de opdracht om van Jezus te getuigen, daarin ligt ook de kracht van het handelen en de verkondiging van Jezus’ navolgers.
    In onze tekst wordt het kerussein in zijn volheid door Jezus gebruikt, omdat het als feitelijke vulling van handelen meekrijgt de bevrijding van gevangenen en het geven van het  gezicht aan blinden. Zo wordt andermaal duidelijk dat het verkondigen ook de daad van het verkondigen in zich draagt.
    Vers 19 noemt dan het in vrijheid heenzenden van verbrokenen, die door machtsmisbruik van anderen niet tot hun recht komen; mishandelde mensen worden hier verlost. Tenslotte mondt het vers uit in een tweede gebruik van kerussein, heenwijzend naar het komende rijk van God, op grond van de in Christus werkelijkheid geworden belofte van God.
    Beide kernwoorden staan in deze pericoop op hun beurt weer in het kader van de aankondiging dat het hier de Messias is die het evangelie brengt en verkondigt.  Jezus draagt de Geest van de Heer, opdat hij als gezalfde zijn taak kan vervullen.
    Als we nu dit citaat leggen naast de tekst van Jesaja 61, 1 en 2a, dan zien we dat Jezus hier niet letterlijk citeert. Hij laat weg: ’om te verbinden de gebrokenen van hart’ en voegt toe: ´te verkondigen het gezicht aan blinden´(Jes. 35, 5) en hij voegt ook toe het ´laten gaan van de  verbrokenen in vrijheid´ (Jes. 58, 6). Door deze vervanging maakt Jezus duidelijk dat hij de Messias in de zin van het nieuwe verbond is, die partij kiest voor de armen, gevangenen, blinden en verbrokenen. Door het citaat bij Jesaja 61, 2a te laten ophouden, beklemtoont Jezus nog iets anders: Hij is niet de messias in oudtestamentische zin, niet het nationale ideaal dat de vijanden van Gods volk zal vernietigen en niet degene die Gods rijk hier op aarde als een rijk van aardse overvloed zal brengen. Door de weglating van deze beide aspecten, die wel in Jesaja 61 staan, komt het accent te liggen op de breuk tussen de oude en de nieuwe verwachting.
    Het hele citaat dat zo door Jezus is gelezen, bevat in een notendop  zijn woorden en daden. Zij zijn daarom grondleggend voor de woorden en daden van de gemeente.
     

                Aanwijzingen voor de preek. Wanneer als centrale thematiek in de tekst naar voren komt dat het werken van Jezus is: verkondigen, het evangelie brengen door te kiezen, in woord en daad, voor armen, gevangenen, blinden en verbrokenen, en dat daarin de richting gegeven wordt voor al het menselijk handelen, zal een preek over genoemde tekst daarin moeten worden ingebed.
    Dat brengt meteen de vraag met zich mee: wie zijn de mensen in genoemde categorieën in onze samenleving: de vraag dus naar de maatschappij-analyse. Wie zijn de armen van onze tijd? Mensen afhankelijk van thuiszorg, die ze slechts mondjesmaat krijgen, de werklozen, mensen die van een AOW-uitkering rond moeten komen, de tienduizenden vluchtelingen van huis en haard verdreven? Hoe solidair zijn we als gemeente?
    Je kan de preek ook toespitsen op onze arbeidssituatie: Wie zijn de rijken, hoe zijn ze aan hun rijkdom gekomen? Waarom zijn de armen arm en is dit verschil rechtmatig? Wie houdt andere mensen in de arbeidssituatie gevangen? Is er wel een vrije keuze om elders te gaan werken? Wie heeft de macht om de minder prettige arbeidssituaties te wijzigen? Wie heeft het meeste voordeel van het handhaven van de huidige arbeidssituaties?
    Welke mensen worden blind gehouden, doordat ze verstoken zijn van de nodige informatie die inzicht verschaft in wat er werkelijk aan de hand is? Wie houdt deze informatie tegen en op welke gronden? Welk voordeel is daarmee gemoeid? Tenslotte: wie worden mishandeld door machtsmisbruik van anderen in hun werksituatie?
    Je zult merken dat het beeld helderder wordt naarmate men deze vragen indringender stelt in de arbeidssituatie van mensen en dat men tot verrassende ontdekkingen zal komen. Alleen zo kun je recht doen aan de grondkeuze die in de tekst is gemaakt.

    17 januari 2016

    2e zondag na Epifanie 17 januari 2016

    rooster stelt voor: Jesaja 62: 1-5; Johannes 2: 1-11 

    In sommige diensten zal er een link gelegd worden, neem ik aan, naar de week van gebed voor de eenheid der christenen, die dan begint. Motto: Het woord is aan jou.

    De beeldspraak BRUID, die Jesaja aandraagt slaat op het Joodse volk. Veronderstelt een heel moeilijke situatie waaruit het volk op zal staan. Denken aan Ballingschap ligt voor de hand. Daarom toch maar schilderij van Joods Bruidje om evt over te mediteren. Niet overschakelen naar de Kerk als Bruid van Christus. Geen vervangingstheorie.

    Jezus raakt in Kana in een situatie waar het feestelijke leven vast is gelopen.Het gaat Johannes niet om de bruiloft. Je hoort niet eens dat het echtpaar "nog lang en gelukkig leefde". De gedachte overviel me dat dat echtpaar Jezus met gemak overleefd heeft. ZIjn leven zal vastlopen, nog maar een paar jaar later.
    Johannes neemt het verhaal niet op, omdat het zo lekker vertelt of zo; of omdat mensen altijd wel wat met bruiloft hebben. Maar het is het 'begin' van de tekenen van Jezus. Barnard noemde dat, geloof ik, altijd 'van hoofde aan'. Dan kom je op 'beginsel'. Wonderen van Jezus hebben als beginsel, als kenmerk, als hoofdtrek dat ze het feest weer lostrekken. 
    In die zin heeft de kerk wel degelijk een vrolijke kant; maar dat is stevog anders dan 'de kerk als benaderbare kerk'. Hier is het inhoudelijk: bevrijding. Dat is het beginsel. Als het dat niet is, dan is het Jezus niet.

    Vanuit de invalshoek gerechtigheid en vrede bezien: moeten we het niet hebben over wie of wat het feest van het leven verziekt. Wie hebben de wijn opgemaakt? (Trek geenszins uit die enorme (hoewel: hoe lang heeft dat feest nog geduurd?) hoeveelheid wijn, wel berekend op 600 liter, de conclusie: "Zie je wel, Jezus wil ook dat er stevig gedronken wordt!" Grappen over alcohol zijn not done in de kerk. Je zult gauw het verwijt krijgen van 'hakken op; kritisch; vijandig; opgeheven vingertje. Dus de toon waarop komt er heel erg op aan. Maar niks afzwakken! Niks inleveren. Wat gezegd moet worden, moet gezegd. Daarvoor is het feest te serieus.

    Heb het over schroeiplekklen waar het leven vastgelopen is. Zoals die uitgehomgerde steden in Syrie. Het is toch niet te filmen dat je nog moet VRAGEN of je aub voedsel mag komen brengen! En dan zul je zo'n land ook nog bombarderen? Wedden dat er van die hongerlijders geraakt worden?!

    Omdat dat allemaal wel bekend is, kun je er ook voor kiezen om de thematiek van de eenheid aan de orde te stellen.
    Kerk als wereldkerk. Vaak ligt er ongezond veel nadruk op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. Die is nog wel leuk; ons eigen feestje. Daar houden we het toch maar bij. 
    Maar op welke grenzen loopt de oecumene bij jou ter plekke vast?
    Welke kerkelijke grenzen moet je in de plaatselijke situatie opzoeken, om (een begin van) oprekken te proberen. Veel ligt historisch zo vast, dat men het maar laat lopen. 
    Ook daarover is "Het woord aan jou". Ook al hebben jullie het er soms al jaren niet echt meer over.

    Een beetje Out of the box gedacht. Laat het uitlopen op een uitnodiging om samen een Bruiloft van Kana Maaltijd te maken, zoals ds Han Wilmink in hoofdstuk 7 van Bijbels culinair. 

    10 januari 2016

    1e zondag na Epifanie 10 Januari 2016

    Enige gedachten bij: Jes. 40.1-11, Ps. 104. 1-13, Luc. 3, 15-16, 21-22, voor zondag 10 januari 2016, de eerste na Epifanie, de doop van de Heer.

    De kracht van een stem die aankondigt dat het anders kan, anders zou moeten in een wereld van kommer en kwel.

    Inleiding:
    De te lezen teksten uit Lucas, overlappen de Lucas lezing (3.7-18) van  de tweede Advent, 13 december 2015.  Lucas laat Johannes een stem zijn die  oproept een weg te banen door de woestijn, van de maatschappelijke werkelijkheid, de romeinse bezetting. Zoals ook de tweede Jesaja deed.
    Met de doop van Jezus begint weer een nieuwe bemoediging voor het volk toen. Voor geloofsgemeenschappen nu een oproep om ook hun stem te verheffen met kracht en zonder angst tegen oorlog en terreur, milieu vervulling en opwarming van de aarde, schending van mensenrechten.
    De troost en stimulans voor christenen is dat zij, door hun doop geroepen zijn Jezus na te volgen door te trachten omkeer te bewerkstelligen. En zodoende waar nodig haat tegen te gaan en liefde te verspreiden. Ook al lijkt het navolgen als graven in droog zand. Christenen weten dat ze geschapen zijn als beelden van God en in navolging van Jezus mogen leven en werken in het krachtveld van de Geest.

    Jes. 40.1-11:  De eerste verzen van de tweede Jesaja, een andere persoon dan de eerste Jesaja (8ste eeuw voor Chr.), zijn woorden van troost voor het volk, dat als ballingen in Babylonië woont (586 – 539). De profeet moet, aan Jeruzalem, aankondigen dat jullie God zegt: de slavendienst als dubbele straf op de zonde, uit de hand van de Heer, voorbij is.

    Het volk (Jeruzalem /Sion)wordt opgeroepen tot een nieuwe uitdaging. Een stem roept op een nieuwe weg te banen voor God, een weg door de woestijn. Dan zullen er, ook in de schepping, grote veranderingen optreden, zo heeft de Heer gesproken. Een stem/ hij zegt: Roep! Een vraag: wat zou ik roepen. Is de mens niet kwetsbaar, zoals de  natuur. Alles verdwijnt toch weer als de adam/ wind/ de roeach van God er over gaat. Zo ook het volk, alleen het woord van God stand houdt in eeuwigheid. Omdat God stand houdt, moeten de vreugdeboden Sion en vreugdeboden Jeruzalem met kracht hun stemmen verheffen en niet vrezen. De goede boodschap brengen, dat God het volk niet vergeten is. Zijn beloning is dat, het volk weer zal ervaren, dat God als herder zijn kudde zal weiden. In de context wordt God beschreven als levende God, schepper en onderhouder.

    Ps. 104. 1-13: Een loflied op de grootheid van God en zijn/ haar schepping.

    Luc. 3, 15-16, 21-22:
    Context: De stem beschreven in Jesaja (40. 3-5) wordt door Lucas geciteerd en aan Johannes de Doper toebedeeld, als zijnde de vervulling van die tekst. In de tijd van de tweede Jesaja ging het om de mogelijkheid tot terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Vijf eeuwen later is er een stem in de woestijn van Johannes, deze roept ook weer op tot verandering. Hij heeft het niet over vernietiging van de vijand, maar om verandering van houding ten opzichte van de naaste. Hij geeft daarbij richtlijnen, in het algemeen, maar ook duidelijk aan degen die hem vragen, hoe te veranderen. Dat zijn nu juist geen farizeeën of Schriftgeleerden, maar een soldaat en een tollenaar.

    Vers 18 beschrijft hoe hij het goede nieuws op allerlei, niet beschreven, wijze verkondigt. Dit deed hij inspelend op de verwachting in de tijd, die zo slecht was, dat spoedig een apocalyptisch oordeel zou (kunnen) volgen als de Messias kwam. In vers 19 wordt verteld, hoe hij niet alleen het volk aangaf zich te bekeren, maar ook Herodus vermaande. Herodus pikte dit niet en zette Johannes gevangen en liet hem naderhand – uit onmacht – onthoofden (Mc.6.14vv).

    15-16. Er is weer een tijd aangebroken van overheersing en verdrukking. Mensen zien reikhalzend uit naar verlossing van de Romeinen. Er is al door de eeuwen heen geschreven over een messias, die het volk zal verlossen. De mensen, die Johannes horen,  vragen zich af of hij de messias is. Johannes verwijst naar iemand, waarvan hij slechts de nederigste dienaar is. Deze, die na hem komt zal niet dopen met water, maar met  heilige Geest en met vuur. – Dit is al een verwijzing naar de beschrijving op het Pinksterfeest, drie jaar later en bekend bij Lucas – . Na het intermezzo van de verzen 17-20, wordt  in 21-22 verteld, dat heel het volk en ook Jezus zich liet dopen. Jezus gewoon als man onder het volk. Maar dan gebeurt er iets, waardoor Jezus onderscheiden wordt van de rest van de aanwezigen. Toen Jezus na zijn doop aan het bidden was, gebeurde er iets. De hemel opende zich, de heilige Geest in de (lijfelijke) gedaante van een duif, daalde op hem neer. En er klonk een stem uit de hemel: Jij bent mijn geliefde zoon, in jou vind ik vreugde/ behagen.

    Context: dan volgt een tussenstuk 23-38 waarin Lucas een geslachtsregister beschrijft van Jezus, als zoon van Jozef, tot Adam, de zoon van God. Daarna wordt beschreven dat Jezus geleid en vervuld van de heilige Geest, 40 dagen doorbracht in de woestijn.

    De Geest.
    De Geest van God komt hier niet zomaar plotseling terecht in het verhaal. Over de Geest van God wordt de hele bijbel door gesproken. Al voor de schepping vertelt het Genesis verhaal: Gods Geest zweefde over de wateren (gen.1.1).

    Duif:
    Enkele betekenissen: De duif is in de bijbel een symbool van toekomst (Noach), daaraan is de vredes duif ontleend.  Als eigen naam: Jona, die verandering moest aankondigen. Het was het offerdier voor de armen. Symbolisch in Hooglied. De gedaante van de heilige geest na Jezus doop.  De duif wordt in de mystiek aangeduid als ziele vogel. ,

    Stemmen.
    Stemmen die oproepen tot verandering klinken door de eeuwen heen, van God en de profeten in de bijbel verhalen en van  profeten/ charismatische leiders daarbuiten, van Jezus en van zijn navolgers. Hoe klinken de stemmen van christenen nu, van ons?

    In het oude/ eerste testament klinkt vaak de stem van God /de Heer, soms vergezeld van donder en bliksem (Sinaï) of in de Stilte. De Deutero Jesaja tekst kondigt een  boodschap van troost van God aan. De slavendienst is voorbij. Een stem roept dat er overal veranderingen zullen optreden als er een weg gebaand wordt voor de Heer. En een stem, gedesillusioneerde stem  antwoordt, wat zal ik roepen in deze ellendige tijd. Dan worden de vreugdebode Sion en Jeruzalem  gestimuleerd hun stem met kracht te verheffen en niet angstig te zijn. Troost is hier, geen 'het komt wel goed, zo erg is het niet'. Het is een oproep  om niet bij de pakken neer te gaan zitten. Nee, om in eigen leven te veranderen; en als velen dat doen, zullen er veranderingen optreden. Dat kan alleen als mensen opstaan, hun stem (3x /NBV 5x.) verheffen en oproepen tot veranderingen.

    In het nieuwe/tweede testament gebruikt Lucas, de tekst van Jesaja 40.1-11. Hij schrijft Johannes de Dooper deze oproepende stem tot verandering toe. Het is niet een troostende stem. Het is een stem die oproept tot ommekeer in gedrag door om te zien naar je naaste, materieel, maar ook in je dagelijkse handelswijze. De troost(er) is hier de Geest van God, die op Jezus is neergedaald bij zijn doop. Deze Geest wordt met vuur aan zijn leerlingen doorgegeven doorgegeven bij de Pinkster ervaring. En symbolisch, via de doop, aan allen die Jezus willen proberen na te volgen. Verschillende kerken hebben in de loop van de geschiedenis de volwassen doop tot kinderdoop teruggebracht. En rituelen bedacht om op volwassen(er) leeftijd, de kinderdoop voor eigen verantwoording te nemen.

    Als vreugdeboden worden hier keer niet Sion of Jeruzalem aangeduid, maar Jezus. Jezus zal degene zijn die, met kracht, angst en lijden zal verzachten. Dit kan als mensen geloven dat verandering in hun situatie mogelijk is, middels Jezus voorbeeld. Hij zal niet het kwaad uit de wereld bannen of de Romeinen verdrijven. Johannes verwacht nog dat Jezus degene zal zijn die het kaf van het koren zal scheiden. Maar deze gebeurtenis, die ook later door zijn leerlingen nog verwacht zal worden, als Jezus' spoedige (apocalyptische) terugkomst, is tot op heden niet gebeurt. Jezus, kwam in actie en wist zijn leven te leven in het krachtveld van de Geest. Hij heeft, de stem gehoord, zijn roeping aanvaard. Hij heeft mensen niet alleen opgeroepen tot verandering, maar is daarin ook voorgegaan. Hij heeft laten zien dat haat, vooroordelen, uitsluiten van mensen niet veel goeds teweeg brengen. Maar dat liefde in het kader van de 10 woorden/geboden veranderingen teweeg kan brengen. Dat het anders kan en dat er andere mogelijkheden zijn. Hij leerde mensen opstaan. Al moest hij dat, net als Johannes, lijfelijk met de dood bekopen.

    Ook nu in deze heftige tijden van oorlogen, terreur, de schreeuwen in de wereld van slachtoffers en vluchtelingen, milieu vervuiling en opwarming van de aarde gaan er weer allerlei geruchten over het 'einde der tijden' dat nabij zou zijn. Zulke geruchten kunnen verlammend werken, maar ze kunnen ook aanzetten tot tegenspraak van mensen die trachten op te staan om mee te werken aan rechtvaardige verhoudingen. Tot stemmen die oproepen tot respect en acceptatie, tot ontmoeting van mensen die eigenlijk niet tot de dagelijkse kennissen kring behoren. Zij kunnen zijn als stemmen in de woestijn van de hedendaagse samenleving.

    Er zijn vele Joden, Christenen en Moslims, maar ook 'niet gelovigen' die proberen hun stem te laten horen, dat het anders zou moeten, zou kunnen, dat veranderingen mogelijk zijn. Al zijn er ook veel vragende stemmen zoals: wat te doen t.a.z. van de politiek in het Midden-Oosten, hoe de vele oorlogsvluchtelingen menswaardig op te vangen, wat te doen met vluchtelingen die hun land om economische reden hebben verlaten, en hier geen asiel krijgen, wat te doen met die mensen, die deze mensen als illegaal aanduiden, slechts node van bed, bad en brood willen voorzien, of gevangen zetten, als zij niet of nog niet vrijwillig naar hun land van herkomst willen/kunnen terugkeren. Veel vragen ook voor de bewindslieden. In doorsnee is op hun beslissingen weinig directe invloed. Wel is het mogelijk hen op allerlei manieren impulsen te geven, die hun meningsvorming en beleid kunnen beïnvloeden. Daarnaast is het van belang in eigen omgeving te zien wat jouw hand vindt om te kunnen doen.

    Hoe is dat in geloofsgemeenschappen? Krijgen gelovigen handvatten, troost en bemoediging, om via vorming, toerusting en vieringen en gezamenlijke initiatieven mee te werken aan veranderingen, die nu nodig blijken te zijn?  Zijn er stimulansen om niet alleen vanuit of in eigen geloofsgemeenschap daar aan trachten te werken, maar samen met anderen in eigen omgeving of via de sociale media wereldwijd. Worden mensen in geloofsgemeenschappen toegerust om tegenwicht te bieden aan stemmen die angst en haat ten aanzien van vluchtelingen, joden en moslims aanwakkeren, die nationalisme aanwakkeren en grenzen willen sluiten voor vluchtelingen,

    Er zijn veel veranderingen nodig. Veranderingen kunnen opgang gebracht worden door individuen, maar vooral ook als velen hun stem verheffen en er aan meewerken naar eigen gaven en vermogen. Waar aan meegewerkt kan worden is een keuze, afhankelijk van eigen gave en mogelijkheden. Niemand kan alles aanpakken, noch individueel noch als groep. Inspiratie en inzet zijn nodig, ook het incasseren van tegenslagen. Christenen kunnen daarbij steun hebben aan het teken en zegel van de doop dat zij ontvangen hebben. Zoals Jezus, gedreven en vergezeld van de Geest van God, zijn levensweg kon vervullen tot in zijn dood, daarin is voorgegaan.

    Héleen Broekema (TWG).

    Mensen gevraagd.

    Mensen gevraagd om de vrede te leren
    waar geweld door de eeuwen model heeft gestaan.
    Mensen gevraagd die wegen markeren
    waarop alles wat leven heeft verder kan gaan.

    Mensen gevraagd om hun nek uit te steken
    voor een andere tijd en een nieuwe moraal.
    Mensen om ijzer met handen te breken
    ook al lijkt het ondoenlijk en paradoxaal.

    Mensen gevraagd om hun stem te verheffen,
    verontrust door een wapen dat niemand ontziet.
    Mensen die helder de waarheid beseffen
    dat wie mikt op een ander zichzelf ook beschiet.

    Mensen gevraagd die in naam van de vrede
    voor behoud van de aarde en al wat daar leeft
    wapens het liefst tot ploeg willen smeden
    voor een oogst die aan allen weer overvloed geeft. 

    (Coert Poort. Bron: En alle angst voorbij, uitg Kerk en Vrede)

    3 januari 2016

    Epifanie 3 januari 2016

    Bij Jes 60: 1-6  Efeze 3: 1-12 en mat 2: 1-12.

    Nu het zo uitkomt dat het rooster exact dezelfde lezingen voorlegt als vorig jaar op 4 Januari, mag ik het me gemakkelijk maken door daar naar te verwijzen. http://kerkenvrede.nl/artikel/Nieuwsitem/48/499/

     

    Gezien alles wat er aan geweld dezer dagen aan de orde is, is het des te meer zaak heel Mattheus 2 te lezen. Dat wel. De wrede terreuraanslag van Herodes en de vlucht naar Eypte. Het hele verschijnen van de Heer heeft het voorteken van bedreiging en vervolging. Vluchteling zijn. Zo veel is wel duidelijk.
    Gerede aanleiding om na te denken over ons aandeel in het veroorzaken van geweld. De knulligheid waarmee Herodes de despoot uithangt, wordt makkelijk herkend in de onzin om IS weg te bombarderen. Het lukt niet echt. Her odes en de Nieuw Geboren koning der Joden maken duidelijk dat we om een ander soort politici moeten bidden en werken.
    Daar is inmiddels een helder werkje van Kerk en Vrede over verschenen, dat niet genoeg gepromoot kan worden. http://kerkenvrede.nl/artikel/Nieuwsitem/47/590/

    Tenslotte deze overweging: Nergens wordt ons gemeld dat Jezus later nog bezig geweest is met dit drama daar in Bethlehem. Had ik wel min of meer van Hem verwacht, merk ik. Om Hem waren die leeftijdgenootjes niet uitgegroeid... en wat dat voor die moeders en vaders betekende. Soms denk ik echter dat die welbekende scene van de moeders die hun kinderen bij Jezus brengen, in Bethlehem gesitueerd zou kunnen zijn. Dat krijgt dan bij mij diepe zin.

    Jan Anne Bos Papendrecht.

    27 december 2015

    27 december 2015

    Bijbellezingen: Jesaja 61,10-62,3                               Galaten 3,23-4,7                               Lucas 2,33-4

    Het ligt voor de hand op de zondag na het kerstfeest een bijbelgedeelte te kiezen dat dicht tegen het kerstevangelie aan ligt. Na het bericht over de geboorte volgt in Lucas 2 het getuigenis van twee getuigen over het Kind. De verwondering omgeeft zijn leven vanaf het begin. Die verwondering (in de NBV-vertaling van 2: 33 wordt gesproken over ‘verbaasd’) vloeit deels voort uit een niet kunnen begrijpen, maar eveneens uit een diep ontzag voor Gods ingrijpen.

    Een van de kernwoorden van de pericopen Luc. 2,25-35 en Luc 2,36-40 is thaumadzo, verwonderen.
    Van oorsprong worden hiermee twee betekenissen uitgedrukt: het zich verwonderen en bewonderen. Ook ten aanzien van Gods daden kan daarvan sprake zijn. Al in Lucas 2,18 wordt dit werkwoord gebruikt om de reactie van mensen op de woorden van de herders te omschrijven (ook hier gebruikt het NBV het woord ‘verbazen’ als vertaling). In Lucas 2,33 wordt de houding van Jozef en Maria tegenover de profetie van Simeon met dit werkwoord aangeduid. In het eerste geval is er duidelijk sprake van het ontzag van de mens tegenover Gods daden; tegelijkertijd speelt de gedachte van het niet begrijpen mee. Deze verwondering kan het uitgangspunt zijn van diep geloof, maar kan ook veranderen in twijfel en zelfs afkeer. In Lucas 2,33 speelt de notie van bewondering mee: Jozef en Maria staan door de voorafgaande gebeurtenissen open voor Gods openbaring. In wezen heeft Simeon –zijn naam betekent verhoring - hun geen echt nieuwe dingen gezegd. Hij heeft wel heel duidelijk Jezus’ betekenis voor alle volken uitgesproken. Dat was hiervoor reeds aangeduid, met name in de engelenzang, maar in Lucas 2-31,32,wordt de universele betekenis van de Messias, als gevolg van de plaats van Israël in Gods heilsplan, helder uitgedrukt. De verwondering van Jozef en Maria heeft dus niet zo zeer betrekking op een nieuwe verkondiging aangaande hun kind, maar is de uiting van verering, bewondering en aanbidding voor de – naar menselijke begrippen - niet te vatten wegen van God (vgl. ook Luc. 2,51). Het messiaanse heil is door de Heer bereid in en voor Israël. Het heil voor de volkeren is er alleen door de bemiddeling van Israël. Dat is de boodschap van het loflied van Simeon (Luc. 2,29-32). Het lijkt me belangrijk dit in de preek nog eens te onderstrepen, omdat in de kerk te dikwijls nog aan deze duidelijke bijbelse verkondiging wordt voorbijgegaan. Tegelijkertijd wordt in deze woorden van Simeon de spanning duidelijk die Jezus’ leven steeds begeleidt en ook daarna in het bestaan van de christenen zo’n belangrijke rol speelt: het heil is ons reeds in de komst van Jezus gegeven, maar het is nog niet volledig werkelijkheid in deze wereld. We wachten nog op de voltooiing van het in Hem in principe nu al aanwezig zijn van Gods Koninkrijk.
    Van Hanna wordt vermeld dat zij profetes is, van Simeon wordt dit niet met zoveel woorden gezegd, maar zijn loflied laat zien dat hij zeker over profetische gaven beschikte. In de verzen 25-27 drukt Lucas nadrukkelijk uit dat Simeon leeft onder het beslag van Gods Geest. Terzijde merk ik op dat Lucas meer dan de andere evangelieschrijvers de nadruk legt op de werking van de Geest. De Geest leidt tot het ware inzicht met betrekking tot Jezus. Over Simeon en Hanna wordt verder in het Nieuwe Testament niets meer vernomen. Van Simeon wordt gezegd dat hij de vertroosting van Israël verwachtte (Luc 2, 25). Hanna verwachtte de bevrijding voor Jeruzalem ( Luc 2,38). De hier vermelde messiasverwachting was in die dagen zeer levendig.
    Doordat in de verzen 34 en 35  de smart van de moeder wordt voorzegd, wordt  zo indirect het toekomstig lijden van Jezus geprofeteerd. Dat is de wijze waarop God bij de mensen wil zijn. We zien dat ook in het lijden van Israël. Jesaja 42 verkondigt dat het lot van Gods volk is ingesloten in het lot van de volken. Door Israël wil God het heil schenken aan heel de mensheid.
    Voor ik overga tot de beschrijving van het optreden van Hanna, wijs ik nog even op de parallellie tussen Simeon en Anna: beiden hebben ze profetische gaven, beiden hebben een relatie met de tempel, in beide gevallen is er sprake van de vertroosting, respectievelijk de verlossing van Jeruzalem, dat wil zeggen het messiaanse heil voor Israël.
    Wat opvalt in de beschrijving van het optreden van Simeon en Anna is dat er niet gesproken wordt over de officiële vertegenwoordigers van Israël. Het lijkt er toch verdacht veel op dat zij als het er op aankomt verstek laten gaan. Maarten Luther schrijft over Hanna (Ev. Ausl. 1.S. 270): ‘dass sie das arme Kind als den rechten Heiland erkannte, wo doch ohne Zweifel Priester da gewesen sind, die das Opfer von Maria und Joseph empfingen und dennoch das Kind nicht erkannten und vielleicht fur Weibergeschwatz hielten alles, was sie von Simeon und Hanna hörteten und sahen.’ De bijbelcommentator W. Luthi (Das Lukasevangelium, S. 64)schreef: Hoewel priesters en levieten de lossing voltrokken zullen hebben, lette men er op: ‘den eigentlichen, den prophetischen Dienst werden hier zwei Laien tun: Simeon und Hanna’.
    Van Hanna wordt gezegd dat zij uit de stam Aser kwam, ook al uit het Noorden, uit Galilea, wat in de toekomst Jezus’ werkterrein zal zijn. Bovendien staat in Genesis 30,13 dat Lea bij de geboorte van Aser zegt: ‘Alle dochters zullen mij gelukkig prijzen.’ Er staat ook, dat zij een dochter van Fanuël was. Dat is nog geheimzinniger, want het komt voor in Genesis 32,32 en is daar een (een letter-) andere spelling voor Pniël in Genesis 32,31! Ook Hanna heeft, net als de vader van Aser, Jacob, het aangezicht Gos gezien in dit kind. Van dat soort verborgen tekenen is ook het evangelie van Lucas, evenals trouwens zijn boek Handelingen, vol, maar het valt voor ons niet altijd mee ze te zien.
    De verzen 39 en 40 bevatten grote woorden: in vers 39, voltooid, alles, de wet van de Heer. In vers 40 vervuld met wijsheid (sophia) en genade (charis theou).
    De schrijver van het Lucasevangelie is er alles aan gelegen om zo volledig mogelijk te zijn. Om maar geen misverstanden een kans te geven. Vandaar dat hij in vers 39 nadrukkelijk zegt dat ze ‘alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden gedaan.’ In vers 40 horen we dat Jezus opgroeit in wijsheid en dat Gods genade op hem rust. Wijsheid moeten we hier niet filosofisch interpreteren, maar theologisch: Jezus groeit op in Gods wijsheid. Zo wordt Hij meer en meer Gods meewerkende Zoon aan de bouw van Zijn Koninkrijk.
     

    Aanwijzingen voor de preek:
    Wat verwacht men na alle kerstdrukte van de preek? Het is goed daar heel nuchter over te doen: Kerstmis is niet anders dan het begin van wat nu vervolgens doorgaat en herkend gaat worden allereerst in Jeruzalem door die enkelingen die het zien. Zien wij als gemeente met hen mee en laten we ons op deze wijze betrekken bij Gods Rijk?
    Dat doorgaan, opgroeien, herkend worden, verwondering  (Luc. 2,47) staat wel geheel en al in het kader van de eerdere belofte. De grote woorden, de lofzeggingen, de woorden die Maria in haar hart bewaart, het duidt alles op de overtuiging, dat ook reeds het begin van Jezus’ bestaande vervulling inluidt.
    Maar dan wel de vervulling van wat Israël en zij die met Israël meeluisterden al gehoord hadden. Het Nieuwe Testament legt het Oude niet uit, maar omgekeerd: wie Jezus is en wat daar gaat gebeuren wordt ons uitgelegd door het Oude Testament. Simeon en Hanna loven God niet omdat Hij het nu heel anders gaat doen, maar omdat het juist datgene is wat zij al verwachtten.
    De pastorale betekenis daarvan is ook de betrouwbaarheid van de woorden. Het voor ons gevoel eindeloze geduld dat van ons geloof en vertrouwen gevraagd wordt - de eerste volgelingen ervoeren het trouwens ook al zo, zie bijvoorbeeld 2 Petrus 3,3f - kan alleen worden volgehouden door een stug blijven bij de woorden die gezegd zijn. Daarbij gelden die paar glasheldere woorden  van Luther: ’Du hast keinen Gott der sich ändert’, ook niet als Hij berouw heeft van het kwaad en zich dus lijkt te veranderen. Juist dat berouw bewijst wat Luther zegt, en Jona vat dat kribbig samen: ‘ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig, groot van goedertierenheid en berouw hebbend over het kwaad.’

    Lies van der Zee


     


     

    13 december 2015

    3e zondag Advent 13 december 3015

    Enige gedachten bij: Sef.3.14-20, Ps. 85, Fil. 4.4-9, Lc.3.7-18 voor zondag 13 dec. 2015, 3e Advent.

    De 3e advent in een tijd met veel onrecht. Mensen volharden in strijd, oorlog en angst. Toch is er inspanning, zowel bij overheden als bij velen om te trachten rechtvaardig te handelen en hun stem te laten horen als mensenrechten nationaal en internationaal geschonden worden.

    Inleiding:

    Is het mogelijk ons op het herinnerringfeest van de geboorte van Jezus voor te bereiden in een wereld waar: de ellende van oorlog en geweld elke dag onze huiskamers binnenkomt, miljoenen mensen op de vlucht zijn, mensen protesteren of zich bedreigd voelen als er gesproken wordt over een opvang in hun buurt?

    Johannes de Dooper preekt ommekeer door zelfinzicht, verandering van sociaal gedrag en medemenselijkheid. Daarvoor is de doop een houvast teken om dit te trachten waar te maken.

    Sef.3.14-20,

    Deze verzen zijn de laatste van het boekje van een kleine profeet, die perspectief biedt op 'de dag van de Heer, de koning van Israël', dat zal een bevrijding zijn. Voorwaarde is: inkeer, dan zal jullie lot ten goede keren.

    Een vreugde volle toekomst belofte aan vrouwe Sion, God zal weer onder hen aanwezig zijn. Hij zal afrekenen met de verdrukkers en bevrijden wat mank gaat. De schrijver gebruikt aanhalingen, die de lezers bekend waren. Zoals: de koning van Israël - Jes. 44.6, afrekenen met de verdrukkers (20)- Ez. 22.14, de volken zullen jullie naam prijzen (20)- Deut. 26.19.... door de inzettingen te houden.

    Ps 85,

    Jacobs God, breng ons weer tot leven. Gij zijt ons land genadig geweest. Geef ons,ook nu, uw hulp. Ik wil uw woorden van vrede horen, opdat zijn getrouwe niet vervallen in dwaasheid. Gods hulp zal een vreugde zijn voor wie hem eren. Als zijn glorie komt wonen in het land zullen trouw en waarheid elkaar omhelzen, Recht en vrede elkaar begroeten met een kus. Dan zal dat vruchten voortbrengen. Het recht gaat voor God uit en baant voor hem een weg.

    Fil. 4.4-9,

    Paulus roept op tot standvastigheid, zodat de Heer de vreugde zal blijven ondervinden van de Filippenzen. Daarom: wees vriendelijk, niet bezorgd, maar leg bij God neer wat u nodig heeft en wees Hem dankbaar. Dan zal de vrede, die alle verstand te boven gaat , uw hart en gedachte in Jezus Christus bewaren. Bovendien roept hij op aandacht te schenken aan wat waar, edel, zuiver, lieflijk. Eervol, kortom deugdzaam is en lof verdient. Als jullie dat doen, zal de God van vrede met u zijn.

    Lc.3.7-18.

    Context: De tijdsaanduiding: in het vijftiende Jaar van de romeinse bezetter, Keizer Tiberias, met als bestuurder voor Judea Pontius Pilatus. En in de tempel, als bestuurders, de hogepriesters.Annas en Kajafas. In die tijd riep God Johannes, de zoon van, priester, Zacharias (lc.1.5). Johannes kreeg de opdracht, de mensen op te roepen tot inkeer en zich te laten dopen, om vergeving van zonden te krijgen. Dan citeert Lucas woorden uit Jesaja (40.3-5 en 52.10).

    7-18.Mensen liepen massaal uit om zich te laten dopen. Zich laten dopen is één, maar er vervolgens naar leven is twee. Johannes wijst de mensen daarop en zegt: Addergebroed dopen is niet alles. Jullie zullen vruchten moeten voortbrengen en niet teren op jullie afkomst van Abraham. Bomen die geen vruchten voortbrengen zullen worden omgehakt en verbrand (---> Ps.1. Gelukkig is de mens....die de tora dag en nacht doet). De mensen vragen wat zij zouden kunnen doen: o.a. delen wat je hebt aan kleding en eten. In wezen al een verwijzing naar de diaconale praktijk van de navolgers van Jezus, zoals Lucas beschrijft in Handelingen. Onder de luisteraars waren mensen met diverse achtergronden. Aan twee wordt een advies beschreven, Tollenaars (die de naam hadden uitbuiters te zijn) en soldaten. De tollenaars kregen het advies: niet meer te vragen dan hun was opgedragen. Ook de soldaten werd geadviseerd niemand af te persen, zich niet te laten omkopen en genoegen te nemen met hun soldij. Kortom wees rechtvaardig, zie af van praktijken die niet stroken met de Tora. Oproepen tot omkeer zoals de mensen kenden uit de Tora en de profeten. De luisteraars kregen de indruk dat dit Messiaanse adviezen waren. De mensen vroegen zich af: zou God weer vrede brengen en via de beloofde messias ons verlossen van de Romeinen?

    Ze vroegen dan ook aan Johannes of hij de messias was. Johannes antwoordde: dat hij slechts met water doopte, en slecht een nederige dienaar was van iemand die na hem zou komen, en zou dopen met de heilige Geest en met vuur. Die zal het kaf scheiden van het koren. Zo trad Johannes op, en zodoende spoorde hij de mensen aan tot rechtvaardig en vredig handelen in trouw en waarheid, want anders....Op deze en op andere wijze verkondigde Johannes hen het goede nieuws voor de nabij toekomst.

    Aktualiteit.

    In hun context zijn alle vier de lezingen: Adventsverkondigingen. Welke mensen luisterden naar deze teksten, wie bezorgde het vreugde, wie kwamen er door tot verandering van levenshouding? Hoe beïnvloedt het horen en lezen van deze teksten ons?

    Over 11 dagen gedenken de Christen de geboorte van Jezus. Een handje vol mensen in de wereld en in onze samenleving zullen deze dagen gebruiken als gedachtenis dagen. Voor anderen is het alleen een familiefeest of wordt het ervaren als eenzame dagen, alleen in huis of ontheemd op de vlucht, verstoken van alles wat dierbaar is of was.

    In onze opgelegde participatie samenleving worden mensen min of meer verplicht te delen met elkaar. Voor gelovigen is dat niet nieuw. Overal wordt door een aantal mensen veel vrijwilligers werk gedaan, zowel in eigen geloofsgemeenschap als in de rest van de samenleving. Velen proberen de levenshoudingen, die Johannes preekte en waartoe Paulus oproept, hoe gebrekkig ook, in praktijk te brengen. Toch kan een dergelijke houding niet alleen aan Christenen worden toegeschreven. Hoeveel mensen zijn actief in allerlei vrijwilligers organisaties en trachten duurzaamheid en wereldvrede te bevorderen. De laatste maanden hebben heel veel mensen gehoor gegeven aan de rode kruis oproep te helpen bij de opvang van de vluchtelingen. Bij de tijdelijke opvangcentra is, in een paar dagen tijd, heel veel werk verzet door vrijwilligers die mensen een welkome ontvangst trachten te geven. Mensen vertellen dat ze, soms nog nooit, met vluchtelingen, en/of met moslims in contact waren geweest. Maar dat zelfs deze paar dagen hun leven en mening veranderd heeft ten aanzien van vluchtelingen, waar ze door de media een ander beeld van gekregen hadden. Anderen voelen zich bedreigd of achtergesteld, door de woning en werk problematiek of de komst van de Islam, die ze alleen maar kennen door negatieve berichten van de laatste jaren, de houding van de PVV en IS. De angst is soms terecht, maar wordt gevoed door de media, die meer aandacht besteden aan haat en angst dan aan liefde. Het is niet te ontkennen dat het geheel zeer complex is.

    Overal wordt gezongen vrede op aarde. In geloofsgemeenschappen klinkt deze vrede vanwege de geboorte, als een advent, een met hoop op verandering nu Jezus is geboren. Veranderingen vinden niet zomaar plaats, en meestal van onder af. Johannes gaf al aan dat verandering uit de mensen zelf moet komen. Daarna is Jezus daarin voorgegaan.

    Het woord vrede heeft veel betekenissen..
    Van Dalen geeft als omschrijving o.a: 1.toestand van rust, afwezigheid van stoornis, kalmte. 2. afwezigheid van twist, ongestoord samenleven. 3. de toestand dat er geen heerst en bep. dat er niet gevochten wordt, het tegenovergestelde van strijd, vrede op aarde. 4. overeenkomst waarbij oorlog beëindigd wordt: vredesverdrag. 5. vrijplaats. 6. bestand in een vete of twist; vgl. godsvrede

    In de bijbel lezingen wordt de godsvrede verduidelijkt. Want de God van vrede, is anders dan de godheid Irene.

    • Het gaat steeds om het ervaren van Gods hulp, met daar onlosmakelijk aan verbonden eigen houding van inkeer en inzet die vruchten voortbrengt.

    • De vrede van God, is een vrede die alle verstand te boven gaat (Fil). Toch richten Joden, Christenen en ook Moslims zich er op.

    • Bij inkeer zal God weer aanwezig zijn (Sef.).

    • De vrede van de Heer is de aanwezigheid van God.

    • De Heer spreekt de woorden van vrede tegen zijn getrouwen. God zal weer onder hen aanwezig zijn. Hij zal afrekenen met de verdrukkers en bevrijden wat mank gaat. Dan zullen recht en vrede elkaar begroeten met een kus.(PS. 85).

    • Paulus roept op aandacht te schenken aan wat waar, edel, zuiver, lieflijk. Eervol, kortom deugdzaam is en lof verdient. Als jullie dat doen, zal de God van vrede met u zijn.

    • Johannes roept op tot inkeer. En geeft, om vruchtbaar te zijn, aanwijzingen tot sociaal gedrag en naasten liefde.

    Jezus zal niet (alleen) dopen met water, maar met heilige geest en met vuur. Dit ter ondersteuning van het (vredes)werk van zijn navolgers. Daarom kan er door Christenen straks Kerst gevierd worden, omdat het Pasen en Pinksteren is geweest. Daardoor is er een weten, ondersteund te worden om vanuit het geloof te leven. Daarom is de geloofsgemeenschap een oefenplaats om te analyseren te zien en elkaar te ondersteunen in het dagelijks werk. Opdat we niet alleen zeggen kinderen van Abraham en volgelingen van Jezus te zijn, is de zegenbede en wegzending aan het eind van een viering van groot belang, als bemoediging voor het dagelijks werk in het rijk van God, dat is en komende is.

    Héleen Broekema (TWG)  5.11.2015

    Een zegenbede:

    Moge de God van Abraham en Sara met ons zijn

    en ons bezielen om altijd weer de tent op te nemen,

    nergens vast te roesten,

    maar door Gods Geest geroepen op tocht te gaan

    en te zoeken naar de liefde zonder einde.

     

    Moge de God van Isaak en Rebecca ons verblijden

    en maken dat we lachten kunnen

    ook door onze tranen heen,

    Gods goede Geest kome over ons,

     

    Moge de God van Jakob, Lea en Rachel

    Zijn gulle zegen in ons volbrengen.

    Dan zullen we met eigen ogen

    Haar scheppende kracht zien geboren worden.

    Een geluk dat niet opkan,

    een wereld van God met de mensen,

    een leven van nu en altijd,

    Tot in de eeuwen der eeuwen

    liefde van God en de mensen.

    Amen.

     

     

     

    6 december 2015

    2e zondag van advent 6 december 2015

    Maleachi 3:1-4  Filippenzen 1:3-11 Lucas 3: 1-6 (9, op zijn minst of 18)

    Kom er maar eens om!

    Het is een komen en komen en nog eens komen, deze zondag. Het is immers advent.
    Kijk maar eens in de profetenlezing. 'Mijn' bode komt. De Heer komt. De engel van het verbond. En neem vs 5 er maar bij dacht ik: 'IK ' zal komen om recht te spreken. Zo'n weggemoffeld thema. 
     

    De epistellezing. 
    Paulus spreekt te simpel weg over 'de dag van Christus'. Bijna niemand zal meer weten wat dat is, Je zou dit jaar de gelegenheid kunnen aangrijpen om de gemeente daarover bij te praten. Wat wordt er dan voltooid, denk je?
    Inspireert dat nog tot gepast gedrag, zoals ver 10 daartoe oproept.
    Let op dat daar geen dreiging aan te pas komt; Paulus is zo blij als wat met de Filippenzen.  Houdt er rekening mee, dat er iets van overrompeling in zit. Men weet niet meer dat advent voorbereiding is op die andere Komst dan 25 december.

    En dan komt Johannes de Doper in Lucas 3. 
    Het heeft iets van een aanklacht dat de hoogste geestelijke leiders in een adem genoemd worden met de beeldbepalende 'misdadigers tegen de menselijkheid' van die tijd Tiberius,Pilatus en Herodes cs.
    Het heeft niets van een uitzichtloos roepen in de woestijn. Het gaat over Uittocht. 
    Dat zie je niet meteen af aan Johannes. Die waarschuwt en bedreigt behoorlijk.

    Voor de preek zou ik proberen een punt te maken van dat TEGENspreken. De benaderbare kerk is allemaal prima, de toegankelijke. Maar hoe zeg je nu geloofwaardig dat de kerk ergens TEGENSPREEKT. En waarom is dat terecht? Hoe wordt dat heil. Opgeheven vingertje? Als niemand het ergens meer over wil hebben, zou het onmenselijk zijn als je het niet opsteekt.
    Je hoort al gauw dat 'de kerk' zich maar stil moet houden, om allerlei redenen. Maar als de situatie nu echt zo dramatisch is als  die van tegenwoordig!
    Er gaat toch een oordeel door het Midden - Oosten, al richten we dat voor een groot deel zelf aan. Het drama van het alternatief voor de gebruikelijke inzet van wapens en nog meer wapens, dat moet komen. En dat alternatief komt maar niet!   Er is toch een onontkoombare ondergang op handen vanwege ons economisme. Idem fossiele energievoorziening. Welke rol kan de kerk spelen in het spel van wegkijken en ontveinzen, dat kamerbreed gespeeld wordt.
    Hoe roep je (als kerk) nog de levensreddende vragen op?
    Het is geen betweterigheid, maar je hebt (nog) hoop!
    Hoe vertolkt de kerk de woede van de mensen; of roept de kerk uit lethargie weg? Is het niet zo, dat de woede van machteloosheid bij de mensen nu alleen bij Wilders wordt neergelegd? Dat is een heel lastige.

    De opgesomde openbare grootheden in Lukas 3 moeten vervangen worden. Een nieuw type politici. Een nieuw paradigma zou de Wereldraad van Kerken zeggen. Rechtvaardige Vrede.

    29 november 2015

    Eerste advent 29 November 2015

    Zach 14:4-9
    Huiveringwekkend. Zonder masochistisch te willen zijn: misschien goed om dit soort teksten (ook de lucaslezing is heftig) maar niet in te ruilen anno 2015. Kerken willen wel van de mensvriendelijke kant gezien worden: de benaderbare kerk, die niet moelijk doet. Zij sluit aan bij de basale gevoelens van mensen, anders bereik je ze niet. 
    Het is ontzettend moeilijk om deze niet-modieuze teksten eerlijk recht te doen. Wat is de wijsheid van Moeder de kerk om deze gedeelten toch op de lezenaar te leggen?
    De profetenlezing associëert makkelijk naar politieke situatie Israël - Palestijnen. Zeg daar vooral niet alleen maar main-stream dingen over. Eerder verhalen van wat mensen aan de basis wel degelijk samen doen voor elkaars vrede, dan politieke statements.

    Voor wie wil: de NaardenseBijbel leest in vers 6 heel wat anders dan de NBV:
    "Geschieden zal het te dien dage:
    er zal geen licht meer zijn
    koudeperioden sluiten zich aaneen;"

    1Tess 3:9-13

    Er valt in het laatste vers een adventswoord: bij de komst van onze Heer Jezus Christus met al zijn heiligen. Maar het roept bij mij geen speciale gedachten op die deze zondag zouden kunnen dienen. De lichte aansporing tot helige levenswandel hoort wel zeker bij de algemene thematiek van de (eerste) Advent.

      luc 21:25- 31 

    De eerste verzen zijn niet zo moeilijk. Je herkent onze eigen tijd makkelijk : chaos; eindtijd is al gaande. Niets staat meer op zijn plaats en zo. 
    Het moeilijke is:'Hef dan jullie hoofden op'. 
    Niet in de trant van: "lieve christenen, er is niks aan de hand". 
    Ook niet in de trant van eindtijdberekeningen van destijds. 
    Er is alle rede om te beseffen dat we sinds 6 Augustus 1945 zelf de 'hemelse machten' aan het wankelen kunnen krijgen. WIj kunnen zelf een einde aan de tijd maken. Wie wil kan zich nader oriënteren op teksten van Günther Anders.

    Vergeet niet te denken in termen van Het Alternatief. Ook heel politiek en concreet: het onbeheersbare geweld dat we zien moet duidelijk maken, dat daar de oplossing niet meer in gevonden kan worden. Het is echt en definitief uit met de gebruikelijke praat over effectiviteit van geweld. (als je er maar genoeg van hebt). Het klopt niet: wapens doen niet wat ze beloven. Wapens zijn geen oplossing, zijn het probleem.
    Iets dergelijks geldt voor de fatale energiepolitiek. Lees Naomi Klein 'No time'. Met name de pagina's over de grote kansen die een Alternatief biedt.
    Een andere invalshoek zou kunnen zijn: de chaos die het economisme veroorzaakt. Jesse Klaver. De wereld gaat er letterlijk aan ten gronde. Net als aan de andere thema's die genoemd zijn.

    Wellicht goed om te bedenken dat veel kindernevendiensten een project zullen starten onder het motto “Hoe laat is het?” Bij de evangelielezing is de hamvraag:  Wiens tijd is het: van de beeldbepalende mensen in het adventsverhaal zoals die kanjers als Augustus en Herodes etc) of is het tijd voor een nieuw begin?. 

    22 november 2015

    laatste zondag kerkelijk jaar 22 november 2015

    Bijbellezingen: Sefanja 1, 14-2,3  Openbaring 1, 1-8 Marcus 13, 14-27

    Ik heb me voor het maken van deze preekschets vooral verdiept in de dissertatie van Den Heyer: (Heyer, D.C. den, Exegetische methoden in discussie. Een analyse van Marcus 10:46- 13:37. Kampen).
    In dit boek keert Den Heyer zich tegen de historisch-kritische richting en kiest voor de structuur- analyse. Op beide vormen van exegetiseren kom ik zo meteen terug.

    De historisch-kritische methode

    De exegeten die deze methodiek gebruiken kunnen - zo blijkt uit hun commentaren - het niet eens worden over de functie van Marcus 13 in het totaal van het evangelie. Er zijn veel hypothesen opgesteld over de plaats van deze rede. Daarbij hebben de ´Jezusbeelden´ van exegeten een grote rol gespeeld. Calvijn bijvoorbeeld heeft grote moeite gehad met apocalyptische stof , die we zeker in Marcus 13 tegenkomen. Calvijn probeert dan ook de apocalyptische stof te spiritualiseren.
    Binnen de historisch-kritische beweging wordt meestal ontkend dat Jezus iets met de joodse apocalyptiek van doen heeft. Bijgevolg vinden exegeten van deze richting dat Marcus 13 een ‘Fremdkorper’ is in het totaal van het evangelie. Daarbij ziet de historisch-kritische richting in Marcus 13 een onsamenhangend verhaal, opgebouwd uit alle mogelijke brokstukken. Een van de vertegenwoordigers van genoemde richting is Rudolf Bultmann1. Deze is van grote invloed geweest op het verstaan van Marcus 13. Hij acht de apocalyptiek niet van wezenlijk belang voor het verstaan van de verkondiging van Jezus. Daarentegen stelt de exegeet Käsemann dat de apocalyptiek de moeder van alle christelijke theologie is.2 Bultmann stelt dat we in Marcus 13 te maken hebben met een zogenaamde ‘kleine apocalyps’ (een vlammend pamflet van joodsen huize). De exegeet Pesch werkt dat uit en meent dat het ‘pamflet’ geschreven is in 39/40 toen Caligula de tempel dreigde te ontheiligen. In 41 stierf Caligula en verloor het pamflet zijn actualiteit. Later gaan joods-christelijke groepen dit pamflet (omdat hierin gesproken wordt over de mensenzoon) als een oorspronkelijke profetie van Jezus zien, welke in de jaren 66-70 weer nieuwe actualiteit krijgt door onder andere de verwoesting van de tempel. De doelstelling van de schrijver van het Marcus-evangelie zou dan volgens de historisch-kritische richting zijn: overspannen apocalyptische verwachtingen te corrigeren. Steeds opnieuw blijkt bij exegeten van deze richting het zogenaamde ‘ Minimaal-kriterium’ van Bultmann te fungeren. Deze stelt dat alleen dat wat ‘echt’ van Jezus is en dus niet afgeleid kan worden uit het joodse denken en uit de voorstellingen van de latere christengemeenschappen, serieus te nemen valt.

    Structuur analyse

    Uitgangspunt voor structuuranalytisch werkende exegeten is de gedachte dat elke taaluiting een structuur heeft, op een bepaalde manier wordt opgebouwd door middel van woorden. De bedoeling van de schrijver of de spreker kan niet weergegeven worden door de som van de afzonderlijke woorden en/ of zinnen, maar uitsluitend door het geordend geheel van het verhaal of van de rede waarin woorden en zinnen op een bepaalde manier functioneren. Het geheel is meer dan de som van de afzonderlijke delen. De volgorde van woorden en zinnen is niet toevallig of omkeerbaar, met elkaar vormen ze een netwerk van relaties. De structuur is beslissend voor de semantiek: Waarom heeft de schrijver deze ordening gekozen? Waarom heeft de schrijver zijn gedachten op deze wijze onder woorden gebracht?

    Laten we deze vragen eens aan de verzen 14-27 van Marcus 13 stellen en zulks in het bredere verband van Marcus 13. De structuur ziet er dan als volgt uit:

    • 1-4 Inleiding

    • vss 5-23 Apocalyptisch, waarschuwend gedeelte

    • vss 24-27 Komst van de Zoon des Mensen

    • vss 28-37 Gelijkenissen.

    Den Heyer deelt de verzen als volgt in aan de hand van kernwoorden:
    a. De verzen 5,6. Kernwoord: blepete (oppassen) voor verleiders.
    b. De verzen 7,8. Kernwoord: hotan de akousete (wanneer jullie horen – namelijk berichten over oorlogen)
    c. De verzen 9-13. Kernwoord: blepete , oppassen. bb. De verzen 14-20. Kernwoord: hotan de idete, wanneer jullie zien aa. De verzen 21-23a. Kernwoord: blepete, oppassen voor verleider . Waar de parallellie van a en aa bijna volkomen is, vormt bb een verheviging tegenover b. De verzen 5/23 vertonen een a b bb en aa structuur, waarbij het opvalt dat op het middelste gedeelte de meeste nadruk ligt. De verzen 24-27 vormen het centrum van de gehele rede.

    In de verzen 14-20 wordt ingegaan op de vraag van de discipelen naar het wanneer van de eindtijd. Was er in vers 7 nog sprake van horen, nu is er sprake van zien. De geheimzinnige uitdrukking ´gruwel der verwoesting´ (of zoals de NBV-vertaling weergeeft ´de verwoestende gruwel’) is afkomstig uit het boek Daniël (Dan.9,27; 11,31. Het Griekse woord voor ‘gruwel’ is bdelama. Dat is weer een vertaling van het Hebreeuwse woord sjikkoes, dat afgodsbeeld betekent (alles wat met afgoderij te maken heeft).De auteur van het Daniëlboek gebruikt dit woord voor het Zeusaltaar dat door Antiochus Epiphanes in de tempel is geplaatst. Deze ontheiliging was voor de Makkabeeën het sein in opstand te komen (zie Makk.1, 58 en volgende). Het woord eremosis kan verwoesting betekenen, maar ook ontheiliging. Dat kan een ontheiliging van buiten af zijn (door de Romeinen), maar ook van binnenuit. De tempel functioneert niet meer zoals ze moet functioneren. Dan gaat het over de corruptie van het beste (zie B. Hemelsoet, Marcus, Kampen 1977, p. 83-87). Opvallend is de oproep om te vluchten. Niet opstand is het antwoord. Maar hals over de kop vluchten. Dat is een bekend motief uit de profeten en de apocalyptische literatuur. De vlucht van de vrome op de dag van de toorn van de Heer (zie bijv.Gen. 19, 17; Jer. 4,29; Openb. 12, 6).
    Zo vluchtte de gemeente van Qumran uit Jeruzalem, omdat zij de tempel als een verontreinigde plaats beschouwde door de dienst van de goddeloze priesters (zie Den Heyer,a.w., pag. 186). Ook de oproep om te vluchten is vermaning, een oproep om aan het onheil te ontkomen. Eveneens wordt het gebed gezien als een activiteit van de gemeente tegen de verdrukking (tlipsis) in. Zonder het barmhartige antwoord van God op het kyrie van de gemeente gaat alle vlees (dat staat in Marc. 13,20) ten onder. Vers 20 is de enige plaats waar Marcus spreekt over uitverkorenen. In de verzen 21/23 komt naar voren wat ook reeds in de verzen 5 en 6 is gezegd, maar nu nog pregnanter. Het onderscheidingscriterium tussen ´waar´ en ´vals´ ligt niet in de tekenen, maar in het teken van de Mensenzoon.

    De verzen 24 tot en met 27. De tijd na de verdrukking wordt geschilderd in ´chaostermen´. De schepping raakt van zijn plaats, functioneert niet meer zoals het moet. Profetische beelden illustreren dat (zie Jes. 13, 10 en Joël 2, 10). Het zijn in deze verzen allemaal voorstellingen die horen bij de beschrijving van de Dag van de Heer. Opvallend is dat op het moment dat de hemelse lichten uitgevallen zijn en er niets meer te zien is, de Mensenzoon, de Zoon des Mensen verschijnt, het teken van Gods trouw.
    Bij het lezen van en preken over Marcus 13 mag niet vergeten worden dat: ‘de context waarin de evangelist de rede van Jezus over de toekomst geplaatst heeft, aangeeft hoe zij gelezen en uitgelegd dient te worden. Niet als een reportage van de laatste fase van de wereldgeschiedenis, niet als een blauwdruk waaruit wij kunnen afleiden wanneer precies… het einde van de wereld zal komen. Dan wordt namelijk vergeten dat Marcus 13 vlak voor het lijdensverhaal staat en niet daarna. Marcus 13 ziet niet over het lijden van Jezus heen naar de parousie, alsof de toekomstverwachting niet bepaald zou worden door lijden en opstanding, maar alleen in combinatie met het lijdensverhaal kan op de juiste wijze gesproken worden over de komst van de Zoon des Mensen’. (Den Heye,r a.w. pag. 205; zie ook K. Barth. KD !!!,2. pag 602 f)

    Aanwijzigingen voor de preek

    1. Voor veel hoorders zal zo’n tekst als Marcus 13 verwarring oproepen en misschien wel angst. Alleen al daarom lijkt het me goed een preekvoorbereidingsgroep te starten die zich buigt over de tekst. Het is dan aan de voorganger om uit het besprokene dat te halen wat de meeste vragen oproept en dat in haar/zijn preek te verwerken. Ik denk dat het niet anders kan dan dat de voorganger de nodige informatie over dit stuk tekst in haar of zijn preek verwerkt.

    2. Het is 22 november ook de dag van de voleindiging. Die kan aan de hand van Marcus 13 goed toegelicht worden. Een spannende vraag voor deze zondag is: Zijn we wel een verwachtende gemeente of toch meer een afwachtende gemeente?

    3. Hoe overbrug je de afstand tussen de situatie toen en nu? Wij hebben thans te maken met een grote instroom van vluchtelingen in Europa. Den Heyer laat zijn exegese van Marcus 13 beginnen in Marcus 10 vers 45: Dat roept de vraag op hoe het met het dienen van de gemeente gaat ten aanzien van bijvoorbeeld onze dienst aan vluchtelingen.
     

    Lies van der Zee


     


     


     

     


     


     


     


     


     


     


     

     

     


     

    1 Bultmann, Theologie des Neuen Testaments, Tübingen 1965.

    2 Käsemann, E,. Zum Thema der urchristlichen Apokalyptik. In: Exegetische Versuche und Besinnungen, Göttingen 1964, p. 105-131.

    8 november 2015

    8e zondag van de herfst 8 November 2015

    Enkele gedachten bij: Lev. 19.1-2,9-18, Ps. 146, Mc. 12.28-34, (Hebr. 9.11-14) voor zondag 8. nov. 2015, 8e van de herfst. Kerk en Vrede.

    Het volk Israel en de navolgers van Jezus krijgen voorgehouden hoe zij in hun levenspraktijk vreedzaam, rechtvaardig en liefdevol, zouden moeten functioneren, anders dan anderen, omdat zij bevrijde mensen zijn.

    Inleiding:Het volk Israel en de navolgers van Jezus wordt voorgehouden hoe zij in hun levenspraktijk vreedzaam, rechtvaardig en liefdevol, zouden moeten functioneren anders dan anderen, omdat zij bevrijde mensen zijn. Het volk vanuit het slavenhuis 'Egypte'. De navolgers van Jezus door hun paaservaring.

    Omdat zij door God geroepen zijn en daardoor apart gesteld, om te handelen als beeld van God en zodoende handen en voeten van God te zijn of te worden, in het rijk van God, dat is en komende is.

    Lev. 19.1-2, 9-18.

    1-2: Mozes krijgt de opdracht het volk te instrueren heilig te zijn. Dat wil zeggen apart gesteld, anders dan andere volken. Dit omdat hun God, de God van Israël, zich ook onderscheidt van andere goden.

    9-18 Omdat ik jullie God en Heer ben, zullen jullie niet reageren zoals andere goden, farao's en koningen.

    Omdat ik jullie Heer ben geef ik jullie andere voorschriften, in tegenstelling tot de volken rondom, om met elkaar menswaardig om te gaan: Niet stelen, liegen, bedriegen, het loon uitbetalen op dezelfde dag, slaven en vreemdelingen goed behandelen, machthebbers niet naar de ogen staan etc. Haal daarom niet alles voor jezelf van het land, maar laat iets achter van de graan- en wijnoogst, zodat de armen en vreemdelingen dat kunnen meenemen en zodoende delen in jullie opbrengst voor de elementaire levensbehoeften: brood en wijn. Kortom je naaste liefhebben. Door zo'n handleswijze toon je ontzag voor je God.

    Ps. 146.
    Gelukkig is degene die Jakobs God als een hulp kent en vandaar uit rechtvaardig leeft. Door recht te doen aan verdrukten, vreemdelingen, gevangenen, armen en gebogene opricht.

    Mc. 12.28-34
    Context: Mc. 11. Intocht in Jeruzalem, verdorring van de vijgenboom die voor Jezus geen vruchten droeg in een tijd dat de natuur dat niet aangaf, de wisselaars in de tempel en de tempel heren die op een list zinden om hem uit de weg te ruimen. Mc.12 De gelijkenis van de wijnbouwer, die zijn knechten zond om de pacht te innen. Zijn knechten werden vermoord en op het laatst ook zijn zoon! De afkeurde steen, het zwager huwelijk met verschillende zwagers en hoe dat in de hemel zou vergaan. De levende God van Abraham, Izak en Jacob is geen God van doden, maar van levenden! Jezus zei: dat de Sadduceeën dwaalden, die deze vraag stelde. In deze context proberen Schriftgeleerden, Herodianen en Sadduceeën met Jezus te disputeren met het oog op het feit dat ze misschien iets vinden om hem aan te klagen. Verderop waarschuwt Jezus op te passen voor de schijnheilige uitbuitende Schriftgeleerden. Marcus laat Jezus teruggrijpen op verschillende voor hoorders bekende gedeelten en verhalen uit wat wij het oude/eerste testament noemen. Dit ter ondersteuning voor de praktijk van de navolgers van Jezus in de jaren van romeinse verdrukking na de val van Jeruzalem.

    28-31. In de te lezen tekst is er sprake van een Schriftgeleerde, die gemerkt had dat Jezus correct geantwoord had, op de vorige vragen. Hij probeerde op een andere manier door te testen hoe Jezus dacht over de geboden, die zijn handelen bepaalde. Hij vroeg wat is van alle geboden het belangrijkste?
    Jezus antwoordde het Sjema Israël (deut.6.4-5). Jezus voegt daaraan toe: Heb u naaste lief als uzelf (lev. 19.18).

    32-34. De Schriftgeleerde, beaamt wat Jezus zegt. Hij alleen is God en geen ander. Als de Schriftgeleerde het Sjema herhaalt noemt hij alleen hart, inzicht/verstand/ begrip en kracht (dwz met al onze gaven en vermogens). Hij voegt toe dat naastenliefde meer zegt dan allerlei offers. Jezus, vindt dat hij verstandig geantwoord heeft en zegt: u bent niet ver van het koninkrijk van God. In het antwoord van de Schriftgeleerde ontbreekt het woord ziel. (Nefesh, psyché, maar ook pneuma – geest). Het krachtveld van de geest, is het ontbrekende. Datgene is juist waar van uit de navolgers van Jezus trachten te leven en hun kracht putten, in hun samenleving, het koninkrijk van God, dat is en komende is. Dat is juist de verandering, hun bezieling, de inspiratie, in de tijden waar de algemene opvatting is dat niet God, maar de keizer de Heer/ Kurios als een god is. Met gevolg dat mensen die niet de keizer als een god willen vereren, vervolgd en veroordeeld worden. De navolgers van Jezus hebben weet ervan dat niet de keizer als Heer, maar Jacobs God hun een hulp is. Ook in die netelige situaties probeert Marcus hun te bemoedigen, dat de goede boodschap (evangelie) van Jezus in de lijn van God is en niet in de lijn van propaganda boodschap, het evangelie, van de keizer. De mensen die Jezus willen navolgen zijn geen objecten van de wrede keizer, maar medewerkers van het tegengestelde: het liefdevolle, verhaal van God en mensen.

    Liefhebben.
    Het gaat in de lezingen over de praktijk van het liefhebben.
    Het volk Israël wordt in Leviticus beschreven als apart gesteld onder de volken, omdat God apart, heilig, is onder de goden. De God van Abraham, Izak en Jacob is een levende liefhebbende rechtvaardige God. Hoe de mensen die zich beeld van God weten haar/hem ook noemen: God, Adonia, Allah..... Dit inzicht wordt mensen door de eeuwen heen meegegeven. Deze God wordt ervaren als om te zien naar mensen. Andere goden en koningen die zich god noemen, zoals de Faraos en de romeinse keizer/ Kurios, strijden met elkaar, maken mensen ondergeschikt aan hun doelen, doden en worden gedood, zo gaan de verhalen die wij nu mythologie noemen. Maar deze God heeft zich ontfermd over mensen. Zij die God leerden kennen en ervaren als hun Heer, vertellen daar over van geslacht tot geslacht. Deze God trok mee met de aartsvaders en bevrijdde hun nakomelingen, de slaven uit Egypte. Omdat het volk zich altijd moet herinneren dat het vreemdeling geweest is in Egypte, moeten zij zich ook ontfermen over armen en vreemdeling. En zodoende proberen met deze God te 'wandelen', en zijn inspirerende 10 woorden om vreedzaam, liefdevol en rechtvaardig te handelen na te leven.

    Marcus beschrijft in zijn goede boodschap, voor volgelingen van Jezus, dat Jezus' leven ook niet over rozen ging. Er waren veel disputen met tempelleiders en onbegrip en bedreigingen van omstanders. Toen Jezus eenmaal in Jeruzalem was, kwam hij te dicht op de huid van de tempelgeleerden. Zij zinden er op hem uit de weg te ruimen. Een tempelpolitiek machtsspel, waarin ze de bezetter probeerde te betrekken. Er vinden verschillende dialogen plaats om Jezus er in te laten lopen. In de gelezen tekst wordt samengevat waar een mens als beeld van God, werkend in zijn Koninkrijk, aan zou moeten voldoen. Het sjema en de liefde tot de naaste met al haar/zijn verkregen mogelijkheden.

    Hart is het Hebreeuws lev. In het Nederlands spreken we van lef hebben. Lef hebben is meer dan in het gareel lopen van de heersende opvattingen. Lef hebben is ook niet er opslaan, of stoer doen omdat je bij een groep wil horen. Lef hebben is hart hebben voor een zaak. En waar veranderingen noodzakelijk lijken, in liefde laten zien dat het anders kan, dat er andere mogelijkheden zijn om mensen, maar ook dieren en natuur tot hun recht te laten komen. Dat houdt bijvoorbeeld in: ingaan tegen onverdraagzaamheid en vooroordelen, op die plaatsen een stem te laten horen waar mensen geen stem hebben, daar waar milieu wordt vervuild, mensenrechten geschonden worden of slachtoffers van oorlog en uitbuiting moeten worden opgevangen.

    Aan het eind van de gelezen Marcus tekst durfde niemand Jezus nog een vraag te stellen. Door de eeuwen heen hebben priesters, profeten en andere gelovigen vragen durven stellen bij maatschappelijk gebeurtenissen en heersende (politieke) opvattingen. Mensen die zich bewust waren of werden dat zij kritische vragen moesten stellen en zich met hart, ziel in gezet hebben, daar waar mensen, dieren, natuur en milieu niet tot hun recht kwamen, ondanks tegenslagen of tegenwerking. Dat blijft ook vandaag nog hard nodig.

    Actualiteit.
    Kerken en geloofsgemeenschappen zouden zich nog veel meer moeten realiseren, dat zij apart gesteld (mogen) zijn. Niet omdat zij de 'enige waarheid hebben', maar omdat zij in de traditie staan te weten dat het anders kan, anders zou moeten dan dat het in de wereld toe gaat. Voor veel gelovigen is en was de kerkgang het belangrijkste. Allerlei initiatieven op diaconaal en missionair gebied werden overgelaten aan een kleine groep. Naast pastorale zorg intern is  coaching en toerusting van groot belang, om zicht te krijgen op aandacht voor samenlevingsvraagstukken nationaal en internationaal. Daar kunnen vragen aan de orde komen: 

    • wat betekent gelovige zijn voor mij en onze gemeenschap in de context waarin we leven.
    • Wat zijn onze en mijn gave en mogelijkheden, wat is er aan angsten, vooroordelen, frustraties, ervaringen, wie, wat is de / het naaste dat op mijn / ons pad komt.
    • Hoe kunnen we daarin samenwerken met andere groeperingen.
    • Waar kunnen we ons voor inzetten of wat kunnen we onder de aandacht brengen in de samenleving, waar niet rechtvaardigheid en mensenrechten voorop staan, maar de markt met de calculerende mens vanuit neo-liberaal perspectief. Waar de kleinste opposities, die uiteraard gehoord moet worden, de grootste aandacht krijgt in de media.

    Kerken, geloofsgemeenschappen en gelovigen en anderen hebben zich al jaren ingezet o.a. voor duurzaamheid, het behoud van de schepping, begeleiding van vluchtelingen met en zonder status. Van goede zaken maken de media nauwelijks melding. Al weken werd er melding gemaakt van verdrinkingen en een grote toestroom van vluchtelingen uit de oorlogsgebieden. Toen de foto van het kleine verdronken jongetje wekte dat opeens medelijden bij veel mensen. Werd er pas geschreven over de grote stroom vluchtelingen. Verschillende burgerlijke gemeenten en kerken kwamen in actie voor het verlenen van noodopvang. De noodoproep voor vrijwilligers van het Rode Kruis, leverde meer dan 20.000 reacties op. Een nieuw soort vrijwilliger 2.0, die opgeroepen kan worden om een paar keer ad hoc te helpen om te sorteren of eten uit te delen. Wat levert dit op voor de toekomst? Mensen willen zich niet meer binden als vrijwilliger. Bij de 72 urige noodopvang plekken is gebleken dat bestaande groeperingen zoals: kerken, moskeeën, andere geloofsgemeenschappen, het rode kruis en sportverenigingen veel mogelijkheden hebben om aangesproken te worden en zich onmiddellijk daadwerkelijke inzette. Zij organiseerden in verschillende plaatsen 72 uur opvangplekken direct hulp en activiteiten. Een kerk, las ik, werd gevraagd of ze adressen konden verzamelen van mensen, die een matras beschikbaar konden stellen als er een beroep gedaan werd op de burgerlijke gemeente om een noodopvang in te richten.

    Héleen Broekema 

    11 oktober 2015

    4e zondag van de herfst 11 oktober 2015

    Enige gedachten bij Deut. 15.1-11, Mc.10.17-31, Ps 119. 121-128, (Hebr.3.7-14), 

    Aloude teksten lijken soms nu geschreven te zijn. Wat moesten Joden doen voor hun naasten en de volken? Wat stond geloofsgemeenschappen toen en staan zij nu te doen in navolging van Jezus, om bij te dragen aan recht en gerechtigheid als eerste in hun omgeving.

    Inleiding.

    Aloude teksten lijken soms of ze nu geschreven zijn. Zie de economische en politieke toestanden in de wereld met de vele oorlogsvluchtelingen, die problemen opleveren omdat de grenzen in, het overwegend rijke, Europa niet open zijn of weer gesloten worden. Vluchtelingen uit Afrika, die naar Europa willen komen om hier te verdienen en geld naar huis te sturen, omdat zij, soms met een goede opleiding, in eigen land geen banen kunnen vinden worden terug gestuurd. Dit ondanks de handels- en ontwikkelingssamenwerking met vele Afrikaanse landen. De opbrengsten vloeien vaak af naar Europa, Amerika of China en worden niet ingezet om de landen zelf op te bouwen. De wereld is een dorp geworden. Door de huidige neoliberale ecomomische opvattingen wordt de kloof tussen rijken en armen in de hele wereld groter.

    De te lezen tekst van Marcus bestaat uit drie delen, impliciet verwijzend naar Deut. 15. 1-11 en de genoemde verzen van ps. 119.

    Deut. 15.1-11.
    Armen zullen er altijd zijn, wees daarom vrijgevig tegenover ieder die in armoede leeft. Zo luidt het laatste vers van deze lezing. Er wordt verder voor geschreven arme mensen ruim te helpen. Van eigen volk geen rente te vragen. En niet aarzelen toch mensen te helpen als het sabbatsjaar in zicht is. Wat voorschrijft dat dan alles, betreffende volksgenoten, kwijtgescholden moet worden. Help ook de vreemde volken ruimschoots. Daarvan mag wel rente en betaling gevorderd worden. Deze regels zullen gelden als het volk in het land is. Als`zij zich er aan houden zal de Heer hen ruim zegenen. Als volksgenoten bij de Heer hun nood klagen dat zij niet geholpen worden, zal u dat als zonden worden aangerekend. Geef zonder spijt. De Heer zal u daarvoor zegenen.

    Ps 119. 121-128,
    Iemand spreekt God aan omdat hij/zij zich in het nauw bevindt en altijd God gediend heeft door zijn geboden te onderhouden.

    Mc.10.17-31
    Context: 2e lijdensaankondigingen (8.31vv, 9.30vv). Laat de kinderen tot mij komen. Het is het laatste hoofdstuk voor de tocht naar Jeruzalem met de derde lijdensaankondiging, de opmars naar Pasen.

    17-22. Iemand, kennelijk een rijke man spreekt Jezus aan als:”goede meester”. Jezus, wijst hem terecht en zegt:”alleen God mag je goed noemen”. Hij vraagt wat hij doen moet om deel te krijgen aan het eeuwig leven. Jezus verwijst naar 6 van de tien woorden. Opmerkelijk is dat het eerste gedeelte waar het gaat over God liefhebben, geen andere goden dienen, beeldenverbod en sabbatgebod niet genoemd worden. De man zegt zich aan deze geboden al van jongs afaan te houden. Het lijkt op leven vanuit voorschriften, zoals de Farizeeën dat voorschreven, en niet op een relatie met God en zijn omgeving vanuit zijn hart. Jezus, raadt hem dan ook liefdevol aan zich zelf te onderzoeken op wat hem ontbreekt. De vooronderstelling hierbij is, dat de lezers /hoorder de Tora kent. Een voorwaarde om een schat in de hemel bezitten is: eerst radicaal afstand doen van zijn geld en goederen ten behoeve van de armen

    Dit verhaal kan gewoon opgevat worden als instructie voor deze mens . Het kan ook een diepere betekenis hebben., In de eerste tijd na zijn dood, verkochten de navolgers van Jezus hun bezittingen en verdeelden de bezittingen onder degene die het nodig hadden….. kwamen bij elkaar…. en loofden God. Hand 2.43vv. De volgende verzen lijken naar deze leef intentie te verwijzen.

    23-27. Daarna spreekt Jezus zijn leerling aan, hoe moeilijk het is voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. Daar schrokken de leerlingen van. Jezus herhaalt het nog eens. Hij begint dan met kinderen. Kinderen is een uitdrukking voor het volk van het verbond! Jezus, geeft dus aan dat de leerlingen, die alles achter zich gelaten hebben, kinderen zijn in de lijn van het verbond. Hoe moeilijk dat ook is. Jezus, beoordeelt niet wie gered kan worden, dat is in Gods hand. Wie alles, familie en goederen achter zich laat omwille van Jezus en zijn goede boodschap (het evangelie, zelfde zin 8.35) zal honderdvoud beloond worden. God bepaalt de tijd van de opname in de hemel. Eerst zullen er tijden zijn die gepaard gaan met vervolgingen voordat de hemel opengaat en Jezus terugkomt. Die tijd is onbekend. Dat alles beoordeelt God. Eeuwig leven is niet het leven in de hemel als Jezus weer zou komen. Het is het gezegende leven hier en nu, in het rijk van God dat is en komende is, zoals beloofd aan het volk wanneer zij in het land zullen wonen en de Tora instructies naleven. En voor Jezus navolgers als zij trachten ieder mens tot hun recht te laten komen.

    28-31. Op de vraag van Petrus schets Jezus als het ware de situatie van Hand.2.43 vv. De mensen daar bijeen hebben veelal alles achter zich gelaten en leven in soms angstige omstandigheden omwille Jezus en het Evangelie. Het perspectief is niet honderdvoud nu, in deze tijd/kairos, zal ontvangen huizen.... en akkers en in de toekomende eeuw, eeuwigheidsleven. Een perspectief in de tijd van vervolgingen.

    Het eeuwigheidsleven dat is onbepaald in de toekomst.

    Vele eersten zullen de laatste zijn en vele laatste de eerste. Een afsluitende zin. Die terug zou kunnen slaan op het zelfde motief als in het verhaal van de werkers van het elfde uur en de meisjes met de brandende lampen. Wie houdt vol present te zijn tijdens het wachten.

    In de context komt de vraag naar het leven in de hemel, nog eens aan de orde, door de vraag van de zonen van Zebedeus (10.35). Jezus, gaat een heel gesprek met hen aan, waarbij het kernpunt is dat mensen en volken niet over elkaar moeten heersen, maar op aarde dienstbaar zijn aan elkaar.

    Marcus
    Schrijft zijn goede boodschap rondom de val van Jeruzalem en de gevolgen van deze Joodse oorlog spelen in veel van zijn verhalen mee. De lezers van zijn Evangelie kenden de omstandigheden of waren daar zelf slachtoffer van. De Romeinen hadden een goede boodschap. Het Romeinse imperium en haar goden waren een zegen voor de mensheid. De goede boodschap van Marcus is als een tegen-evangelie

    Marcus legt, als bemoediging voor Jezus' volgelingen na zijn dood, eerst het accent op Jezus' goede boodschap, met betrekking tot een rechtvaardiger samenleving en een andere interpretatie van de Tora. Ieder mens telt. Langzamerhand komen er meer en meer verhalen, waarbij de leerlingen ontwaken uit vrees en verlamming. Dan gaan hun oren, ogen open voor datgene wat Jezus anders doet en waartoe. Zelfs op die wijze te handelen is een langzaam en moeizaam proces. 

    Marcus geeft aan dat door het beschrijven van Jezus' leven, zijn zending vanuit de hemel en zijn geweldadige dood juist een nieuw elan kan beginnen voor de Kinderen van Israël en hun boodschap voor de volken. Een handreiking, om op te staan en Jezus te volgen. Een andere interpretatie van de Tora, als die van de Farizeeën en Schriftgeleerden die theologische - en economische macht vanuit de Tempel uitoefenden. Wie oren heeft die hore.

    Het gaat Marcus er om het heden waarin hij zijn goede boodschap schrijft. Dit is de tijd van vervolgingen waarin ondanks alles de navolgers van Jezus anders trachten te leven in het Rijk van God, dat vanaf de schepping, is en komende is. Hij wil deze praktijk ondersteunen met de verhalen uit het verleden over Jezus, verwijzend naar de Tenach. Dit alles met betrekking op de huidige praktijk met perspectief op de voltooiing: de verwachting van Jezus wederkomst, die toen spoedig verwacht werd.

    (Hebr.3.7-14) een oproep om deelgenoot in christus te blijven en niet weerbarstig zoals de 40 jaren in de woestijn.

    Het sabbatsjaar Elk 7e jaar is een sabbatsjaar (Ex. 23.10, Lev 25.1-7). Daarvoor waren strenge voorschriften, niet alleen t.a.v slaven en geld en goederen maar ook t.a.v.het land dat moest braak blijven liggen. Flavius Josephus en rabbijnse bronnen beschrijven dat geen oogst vaak gepaard ging met hongersnood.

    Leven: In het eerste/ oude testament wordt het leven beschreven als leven volgens de regels van het Verbond en God liefheden. Daar vanuit wordt succes als zegen beschreven, evenals lang leven als een gave van God.
    De zin van het leven is te handelen vanuit relatie met God. Het Koninkrijk van God is niet een toekomstverwachting, maar realiteit hier en nu.

    Veranderingen opvatting treden op af en toe in de Babylonische ballingschap, maar vooral door hellenistische invloed. Zie boeken uit de Qumram en de inter-testamentaire periode → Makkabeeen. Henoch, Daniel. Dan krijgen ook begrippen als: opstanding van doden, (zwager)huwelijk in de hemel, martelaren, eeuwig leven in het hiernamaals, meer vaste grond.

    Eeuwig leven  In de evangeliën ontstaat Eeuwig leven door het geloof in Jezus zich uitend in liefde. (vooral Joh.5.24, 1 joh3.14, niet in openb) In deze nieuwe vorm van leven, hier en nu, weerspiegelt zich nu reeds het eeuwig leven in vrijheid (Rom 6.22, 1 kor.13).

    Actualiteit.

    De context van elke geloofsgemeenschap verschilt. Ook zijn verschillende opvattingen, gaven en mogelijkheden aanwezig. Evenals bij de eerste navolgelingen. Op met moment dat ik dit schrijf zijn er opeens veel meer mensen die zich melden bij het COA voor hulp. Uit piëteit van wat er door de media m.b.t. tot vluchtelingen nu getoond wordt reageren mensen uit onmacht. Daar is niets mis mee. Geloofsgemeenschappen hebben al jaren, soms onder protest. zich ingezet voor onrechtvaardige toestanden niet alleen t.a.z.v. Vluchtelingen, armen, boeren die onder betaald krijgen voor hun product etc.. Geloofsgemeenschappen kunnen veel vaker, samen met andere organisaties gestructureerd zaken, die nodig zijn in eigen omgeving, aanpakken. Met inzet van mensen, maar soms ook door openstelling van hun gebouwen. Dogmatische regels volgen is één, maar handelen uit liefde, vanuit het geloof, is een keuze beperkt door de context en eigen gaven en mogelijkheden. Het opstaan om hulp te bieden, te protesteren of veranderingen op gang te brengen is soms niet eenvoudig. Er zijn vaak veel excuses te vinden omdat het zo moeilijk of onbekend is. Navolging vraagt om gebed en inzet, er aan mee te werken dat bepaalde zaken anders kunnen, anders zouden moeten.

    Héleen Broekema (TWG)

    Werken van onze handen.

    De ochtendzon verdrijft de nachtkou.
    Het land ademt op en slierten dauw
    omringen de boer en zijn koeien,
    die naar de warme melkstal loeien.

    Is God hier aanwezig?

    Het sissen van de poorten en klikken van de banden,
    begeleiden de dozen op weg langs de halwanden 
    van vulpunt naar pallet, van warm naar koud:
    en nimmer dat dit tempowerk halt of stil houdt.

    Waart God hier rond?

    Beeldschermen flikkeren, mensen voeren data in,
    e-mails, printers, en faxen ratelen hun data uit, 
    telefoons rinkelen, stemmen murmelen data in,
    glasvezelkabels, telefoonverbindingen spuwen data uit.

    Is Gods glorie hier?

    Werk van onze handen, brood om te eten. 
    De krach van samenwerking: water om te drinken.
    Geknetter van machines, kleren om te dragen.
    Geklepper van zolen, zorg voor ons ziekbed.
    Een lach bij de deurbel: bezoek bij nieuwe buren.
    Brieven bezoeken over de aardbol politieke gevangenen.
    Redevoeringen en muziek omlijsten een uitvaart.

    Ontwaren we hier God?

    Hub Crijns. (2002 uit: de werken van Barmhartigheid).

    27 september 2015

    2e zondag van de herfst 27 september 2015

    De vredesweek hangt nog over het dorp. Wat is blijven liggen of uit de weg gegaan?
    Kerk en Vrede lanceerde een pleidooi dat de kerken die zo stil zijn over vredesthema's de laatste tijd, met antwoorden komen. "Werken aan Rechtvaardige vrede" is de titel van een flistend magazine. 

    numeri 11:24-29

    70 oudsten betekenen een zekere democratisering van de leiding. Het is zo'n beetje de eerste vermelding van Profeet; maar het is blijkbaar niet van nu aan een extra bestuurslaag. 
    Er staan een paar onbegrepen zaken in het verhaal. Of je daar op in moet gaan is de vraag.
    Het is onduidelijk waarom Eldad en Medad niet naar de samenkomst waren gekomen. Ze kunnen moeilijk 'wel iets beters te doen gehad hebben'. 
    Je kunt je afvragen wat Mozes miste, nadat er van zijn Geest afgenomen was. Houden we het op  een primitieve vertelwijze? Is het 'delen waar je zelf niet minder van word? '

    markus 9:38-50

    Genezing buiten het centrum van de Jezus' beweging.
    Was er in de eerste lezing sprake van Gods (heilige) Geest, - hier lezen we van onheilige geesten. 
    Johannes vindt het niet kunnen; hij formuleert een beetje mal: 'omdat die man ons niet volgde' (NBG51) of 'omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten'(NBV). Maar Jezus vindt het prachtig. Hij zou Mozes kunnen bijvallen: "Waren ze allemaal maar zo".

    Verkondiging

    Wordt het een preek over 'ja maar alles kan toch maar niet, waar blijf je dan!'  Over een autoriteit die de kwaliteit controleert, echt van fout onderscheidt? 
    Willen we het daar nog wel over hebben? Over die strenge bezweringen tegen 'verleiders'. Die sectarisch aandoende hang naar zuiverheid? Zoals in "Knielen op een bed violen?"

    Als je het opneemt voor 'en bewaar (de) vrede onder elkaar' gaat het al gauw over de goede sfeer in de gemeente. Persoonlijke verhoudingen. 
    En als je als invalshoek kiest genezing, het ontzenuwen van boze geesten, kan het ook gaan over ons syteem van ziekte en zorg, hoe dat recht en heil dient of niet. Maar een aandachtsveld kan ook zijn: de zieke samenleving. Je kunt niet alles tegelijk. Afwisseling is zinvol.

     

    De schilderijen slaan op degaven van de Geest.

    20 september 2015

    1e zondag van de herfst 20 september

    Deuteronomium 13 vers 1-19 op het rooster in de Vredesweek.

    Dit hoofdstuk op het rooster in de Vredesweek: dat is wel even schrikken. Een boek waarin gezegd wordt: Gij zult dorpen, steden uitroeien waar andere goden gediend worden dan de Ene, wiens naam je niet eens mag uitspreken. Deze woorden worden in de mond gelegd van Mozes. De verleiding is groot nu te gaan uitleggen waar dit boek vandaan komt. Het werd in de tempel gevonden tijdens de regering van koning Josia, in het jaar 622 voor onze jaartelling. De profetes Hulda wordt ingeschakeld om deze vondst nader te verklaren. Uitleggers van nu leggen er de nadruk op dat hier oudere wetten uit Exodus 20, het Bondsboek, worden verscherpt. De context:  In de 7e eeuw zijn  de inwoners van het Noordrijk Israël  al weggevoerd door de Assyriërs. Het Zuidrijk Juda ligt ingeklemd tussen de machten Egypte en Babylonië. Egypte vormt een coalitie. De regering van Josia eindigt er mee dat hij aan de kant van Egypte meevecht om de Assyriërs een halt toe te roepen: de volkerenslag bij Megiddo. Josia sneuvelt. Nu zijn de Babyloniërs  het machtigste volk. Zij deporteren  ook inwoners van Juda, met name de elite.   De interventie van Egypte had niet geholpen om het evenwicht te herstellen in de regio.                                                                            Uiteindelijk leed Babylon een nederlaag door de hand van de Perzen. Veel Judeeërs konden terugkeren en een nieuwe tempel bouwen. Al met al lijkt deze situatie op het Midden-Oosten van nu. Westerse strategen in onze tijd overwegen weer een interventie in het Midden-Oosten, ook om de stroom vluchtelingen te stoppen. Eerdere avonturen in die richting stemmen niet hoopvol. Als mensen van vrede kunnen wij niet meegaan met de gedachte van godsdienstige en culturele zuiverheid. Hoe kunnen wij dat concreet vorm geven? Het is hoopgevend te zien als nieuwkomers hier begroet worden. In die richting ligt voor ons een mogelijkheid om vrede te scheppen. Gemakkelijk wordt dat niet. De logistieke problemen zijn gigantisch. Ook ik speel wel eens met de gedachte dat er in Zuid-Amerika meer ruimte is dan hier (daar woonde ik zelf als kind.) 

    Psalm 139 [JP1] wijst ons eerst naar binnen. Het is een gebed over het wonder van ‘mijn’ ontstaan: de psalmist gebruikt het woord “golem”. Wij vertalen dat met “vormeloos begin,” embryo. De psalmist bezingt innig de voortgaande zorg van de Eeuwige die mij kent. Ook de bozen, de moordenaars en vijanden die zich op God beroepen komen er in voor. Zij misbruiken de Naam. Hoe actueel klinkt dat. Een psalm om te lezen en te herlezen. Ik heb er eens over gepreekt op een internationaal congres van vroedvrouwen.

    Marcus 9 vers 30-37 vertelt ons over macht en onmacht. Jezus vertelt zijn volgelingen dat hij ter dood zal worden gebracht en zal opstaan. Marcus is het oudste Evangelie, dus het is plausibel dat hij dat zelf gezegd heeft. Hun merkwaardige reactie daarop is dat ze er over ruzie gaan maken wie van hen de persoon met het meeste gewicht is. Dat zou ons een spiegel kunnen voorhouden In de kerk en de vredesbeweging. Jezus komt dan met een kind aanzetten: “Wie een van zulke kinderen ontvangt, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die mij gezonden heeft.” Kijk, dat doen dictators ook, maar die willen er mee laten zien dat ze jouw en mijn kinderen zullen beschermen, en dat ze daarom volgzaamheid verlangen. En wijzelf? Wij doen graag van alles voor anderen, maar we willen daar wel graag aanzien aan ontlenen. Dat is een valkuil in iedere organisatie, ook de kerken. Hoeveel gekibbel in kerkenraden en vredesbewegingen komt daar uit voort, en aan vredesgedachten kom je zo niet toe. Jezus laat hier zien dat het Koninkrijk gebouwd wordt door mensen die het kind in zichzelf koesteren. Als je naar boven wilt, ga dan naar beneden, naar mensen die het nodig hebben dat je naast ze gaat staan. Zonder je niet af als een gemeenschap van mensen die het beter weten, of zelfs van mensen die zich enigszins heilig achten. De vrede wordt bevorderd met acties: je zet de mensen aan het denken.  Juist die mensen kun je insluiten. Je hebt ze nodig, ook als je ze niet meekrijgt in jouw meningen en acties.

    Janna F. Postma

     

     [JP1]

    13 september 2015

    13e zondag van de zomer 13 september 2015

    Enige gedachten bij: Jes.45.20-25, Ps 116.1-9, Mc.9.14-29 

    Er zijn geesten die, ook gelovigen, onmachtig maken en niet uit te drijven zijn, alleen door gebed, zegt Jezus. Wat wel te doen is, is trachten de slachtoffers op te vangen en te trachten de situatie zo leefbaar mogelijk te maken.

    Inleiding: Zowel in de Psalm als in Jesaja en Marcus wordt geschreven over hoop in bange dagen. Ze laten zien, dat het anders kan, dat er, met hulp van God, andere mogelijkheden kunnen zijn. Mensen kunnen veranderen door anders tegen een situatie aan te kijken, de angst of het kwaad te benoemen en samen actie te ondernemen om misschien iets, als eerste, in de eigen omgeving te veranderen, door anderen de hand te reiken.

    Ps 116.1-9, Een persoonlijke dank aan God. Banden van het dodenrijk omknelden mij, angst en pijn overvielen mij. Toen riep ik de NAAM aan. Hij heeft mij bevrijd. Nu kan mijn ziel weer tot rust komen.

    Jes.45.20-25, Context: de 2e Jesaja vertelt al over Kores (geen jood), Gods gezalfde, die Hij bij de rechterhand neemt om de terugkerende Ballingen te begeleiden. Voor de hergroepering van Israël gaat het niet alleen om Joden, maar alle volken worden daartoe opgeroepen.
    20-25: God is het fundament van de wereld, die Hij schiep om in te wonen en niet om Hem beschaamd te doen staan. God verstopt zich niet. Afgoden dienst levert niets op. De hulp komt alleen van Hem. Iedereen die dit onderschrijft/ beleid zal redding vinden. Dit wordt weer, eeuwen later, in praktijk gebracht door Jezus en geïllustreerd door Marcus.

    Mc.9.14-29. Context: De verhalen in Mc.1 t/m 8 willen inzicht geven aan de menigte, maar vooral aan de leerlingen, dat die zien en geloven in de levende God, niet een unieke zaak is. In 7.24-30 niet uitsluitend voor de kinderen Israëls . Hoofdstuk 8 eindigt met de belijdenis van Pertrus: U bent de Messias (8.29) en een aankondiging van het lijden van de Mensenzoon. Vanaf 9.2: De ervaring van verheerlijking van Jezus op de berg drie leerlingen in aanwezigheid van drie leerlingen. Zowel Matheus als Marcus laten direct daarop, bijna met de zelfde woorden, het verhaal volgen over het onvermogen van de andere leerlingen een onreine geest uit te drijven.

    Welke personen spelen in dit verhaal een rol?

    • Onmachtige discusierende leerlingen, die deze onreine geest niet kunnen uitdrijven. Zij moeten de jongen bij Jezus brengen.
    • Schriftgeleerden, die met de leerlingen in discussie zijn over hun onmacht.
    • Menigte, die verbaasd waren dat ze Jezus zagen. En meteen naar hem toeliepen om hem te begroeten (15). Ze stromen toe als ze denken dat Jezus iets met de jongen gaat doen.(25a).
    • Iemand uit de menigte, de vader, zegt: ik heb mijn zoon naar u gebracht, omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten. Steeds wanneer hij wordt overweldigd door de geest, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen uw leerlingen dat zij de geest moesten uitdrijven. Maar dat konden ze niet. De vader vraagt aan Jezus of Hij iets kan doen, medelijden te hebben en vader en zoon te helpen. De vader antwoord Jezus: Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.
    • Jezus en de overige drie leerlingen die van de ervaringen op de berg, op eens terechtkomen in een grote menigte. Jezus vraagt waarover de discussie gaat.(17). Na het antwoord van de vader duidt Jezus zijn leerlingen aan als: ongelovig volk. En vraagt zich af: hoe lang moet ik nog bij jullie blijven, dit verdragen(19).En geeft opdracht de jongen bij hem te brengen. Dat wordt gedaan (20a).Jezus, vraagt de vader hoe lang de jongen al bezetten was, hoe lang hij er al last van had (21a). Jezus, kan iets doen, alles is mogelijk voor wie gelooft(23).Hij spreekt de geest streng toe: Geest die doof en stom maakt, ga uit hem weg en keer niet in hem terug.(25b) .Jezus, pakte de jongen bij de hand om hem overeind te helpen..
    • De Geest: heeft de jongen al vanaf zijn vroegste jeugd vaak in het vuur en in het water gegooid, hem doen knarsetanden, stom gemaakt en doen verstijven, met de bedoeling hem te doden. Toen hij Jezus zag reageerde hij, door de jongen te laten stuiptrekken. Hij verliet de jongen onder hevig geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen(26a).
    • De jongen bleef achter alsof hij dood was. Hij krijgt een handreiking van Jezus.
    • Jezus, alleen met zijn leerlingen

    Marcus schrijft zijn evangelie, voor de gemeente in verdrukking, na de val van Jeruzalem. Het is bedoeld als een bemoediging een hart onder de riem. Een paar aspecten, in deze tekst, uitgelicht:

    1. Er zijn verschillende tegenstellingen opmerkelijk.
    2. Er is sprake van een onmacht situatie van leerlingen die deze onreine geest niet kunnen uitbannen. En in hun onmacht in discussie gaan met de aanwezige Schriftgeleerden. En een vader en een zoon.
    3. De geest tracht de jongen door water en vuur te doden.
    4. Er is weer na een verlossing van angst en pijn, een handreiking. Maar de jongen moet zelf opstaan. De vraag ligt hier onder, wat is opstanding. Opstanding heeft te maken met geloof en vertrouwen.
    5. De vader geeft aan dat geloven een proces is van geloof en ongeloof/twijfel.

    Ad 1. Tegenstellingen.

    • Tegenover de ervaring op de berg van Jezus en zijn drie leerlingen, staat de onmacht van de andere leerlingen, maar ook de verzuchting van Jezus over het voortdurende onbegrip van zijn leerlingen.
    • De discussie met de Schriftgeleerden en de geest, die stom maakt en doet verstijven. Tegenover het bevrijdende werk van Jezus, die aantoont dat het anders kan, voor wie geloven en vertrouwen.
    • De jongen die als dood lijkt staat tegenover het gezond willen opstaan.
    • De zoon met de onreine geest, die wil doden, tegenover de Geest die van God uitgaat en levend maakt. Deze heeft de gemeente ontvangen.

    Ad.2. Onmacht

    De 12 hadden bij uitzending (6.13) de macht ontvangen om onreine geesten en demonen uit te drijven. Zij hebben in die periode prima gefunctioneerd. Het zal gegaan zijn om geesten die levensbelemmerd werkten, zoals banden van de dood, angsten van het dodenrijk en houten godenbeelden, en andere ziekmakende factoren. Deze leerlingen hadden de mogelijkheid mensen een andere kant van het leven te laten zien naar voorbeeld van Jezus, al begrepen ze nog niet alles. Deze onreine geest is anders. In dit verhaal falen zij. Als ze alleen met Jezus zijn vragen zij waarom zij die geest niet konden uitdrijven. Jezus, legt hen uit dat dit soort geest alleen door gebed kan worden uitgedreven.

    Ad 3. De geest tracht de jongen door water en vuur te doden.

    Wat voor geest zou dat kunnen zijn? Het gaat in dit verhaal waarschijnlijk om codes. Zoals ook Johannes de codes, water en vuur, gebruikt in de openbaring/ Apocalyps. Marcus schrijft na de val van Jeruzalem. De gemeente lijdt onder de overheersing van de Romeinen. De gemeente kent de historie van de twee grootste bloedbaden die plaats gevonden hebben tijdens de Joodse oorlog: het ombrengen van mensen in het vuur van de brand in Jeruzalem en haar tempel, en het doden van duizenden joden in het water van de zee van Galilea (Tarichea). Dergelijke verschrikkingen zijn niet direct te veranderen. Een wens dat dit ophoudt kan alleen door gebed en het benoemen van het kwaad. Een dergelijke geest maakt stom en verstijft, wil doden en werkt negatief. Verstijven/verdorren wordt door Marcus gebruikt (6x, 11xNT) om onvruchtbaar zijn/worden aan te tonen. Zij wil doden. Zowel de Romeinen als de tempelgeleerden wilden doden. De zoon zou kunnen staan voor Israël dat dit alles heeft moeten ondergaan. Maar de discussie van de Schriftgeleerden met de leerlingen, de mensen die opgestaan waren om Jezus, ook na zijn dood, te volgen, loopt ook nog.

    Ad 4. Opstaan.

    Mensen kun je de hand reiken. Marcus beschrijft op verschillende plaatsen, dat Jezus de hand reikt aan mensen, na hun genezing. Mensen zullen zelf moeten opstaan. Zo zijn zonen en dochters van het volk opgestaan in geloof en vertrouwen in Jezus. Evenals de leerlingen na Jezus dood. Zij krijgen aangezegd, dat Jezus hen voorging naar Galilea. Zij stonden op en gingen…(16,7)!

    Ad 5. Geloof en vertrouwen als een proces

    De vader geeft aan dat geloven een proces is van geloof en ongeloof/twijfel. Kan je nog wel geloven en vertrouwen als je de terreur van een onreine geest of de gevolgen daar van dagelijks ondervindt. Over de geest die de jongen teisterde werd eerst verteld dat hij stom maakte, maar bij de uitdrijving wordt zowel doof als stom genoemd. De oproep in Jesaja was al:overleg met elkaar en vertel (jes.45.21). De gemeente moet niet verstijven,  zich doof en stom houden voor wat zij in haar omgeving ziet aan onreinheid t.a.v. medemensen, maar zich openen/ praten over (Mc. 7.31-37) met betrekking tot problemen in haar omgeving. Het is een zaak van inzicht krijgen, niet meer doof en stom zijn. Jezus heeft getracht langzamerhand inzicht te geven en zijn leerlingen te openen (Effata 7.31-39) voor een andere wijze van omgaan met elkaar door de naaste (ongeacht overtuiging of afkomst) lief te hebben en er naar om te zien. Dat geldt ook nog voor geloofsgemeenschappen vandaag.

    De geloofsgemeenschappen toen en nu zijn onmachtig tegen het kwaad dat oorlog en overheersing, politieke achtergronden, opvattingen, en de gevolgen daarvan, met zich meebrengen. Wat wel mogelijk is, is aan de marge, slachtoffers daarvan ondersteunen. Bijvoorbeeld door : -onder protest meewerken aan voedselbanken, -nieuwe Nederlanders wegwijs te maken in de nieuwe samenleving of protest te laten horen en zien, als vluchtelingen die geen toegang krijgen in Nederland opgepakt worden en gevangen gezet worden of geen bed bad en brood regeling krijgen, of daarbij van dagopvang verstoken worden, om aan terugkeer te kunnen werken,  -hulp aan kinderen die al jaren opgegroeid zijn in Nederland, maar net buiten het kinderpardon vallen, - in de wijk/dorp mee te werken aan zaken, die mensen tot elkaar zouden kunnen brengen om de leefbaarheid te bevorderen. Geloofsgemeenschappen kunnen daartoe het initiatief nemen en daarbij ook samenwerking zoeken met een moskee of andere organisaties. Als eerst contact met elkaar gezocht wordt m.b.t. de problematiek die in de omgeving speelt en mensen niet direct in discussie gaan over (geloofs)opvatting blijkt vaak dat bij het nader van elkaar leren kennen er veel inzicht ontstaat. Het kan dat mensen die vooroordelen hadden over de opvattingen van een ander of onwetend daarover waren tot inzicht komen hoeveel zij, ook geestelijk, met elkaar delen. Een verrijking vanuit een handreiking.

    Een handreiking die verbinding maakt en 'vrede' kan brengen.

    Van 19 -27 september is de jaarlijkse vredeweek. Met al thema: vrede verbindt. Misschien ook een handreiking om zo volgende week, met vele anderen, de vredesweek in te gaan en verbindingen trachten te maken

    Héleen Broekema (TWG)

    Laat elk talent beschikbaar zijn en ieder mens te vinden zijn,
    Om onrecht, oorlog, martelpijn, met woord en daad te weren.
    Dat al wie in God gelooft en in zijn rijk aan ons beloofd,
    Met inzet van hart en hoofd, zich tot de minste kere.

    Laat ieder deel van het leven zijn, van sterk tot zwak, van groot tot klein
    Laat ieder ‘meester-dienaar’ zijn, verlegen om de vrede.
    Dat niemand in dit bestaan apart of eenzaam hoeft te staan.
    Dat allen met allen gaan, met hart en lijf en leden.

    (melodie: uit vuur en ijzer, zuur en zout.)

    6 september 2015

    12e zondag van de zomer 6 september 2015

    Deut. 4, 1-2,9-20; Ps 54; Jak. 1,17-27; Marc. 8, 27 -9,1;

    We zullen ons geen afgodsbeelden maken. De zuivere godsdienst is wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

    En: wie Mij wil volgen, verloochene zichzelf en neme zijn kruis op…want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen…

    De Wereldraad ‚en paus Franciscus benoemen de afgoden van deze eeuw, en roepen ons op andere wegen te gaan…

    Bij deze lezingen kan ik niet beter doen dan wijzen op de grote bewegingen die de Kerken willen maken. De Wereldraad van Kerken riep bij haar 10de Assemblee op tot een pelgrimstocht van gerechtigheid en vrede. Ze verving het concept ‚rechtvaardige oorlog’ door ‚rechtvaardige vrede’ en dat omvat vier bewegingen van vrede die onze wereld dringend nodig heeft, tegen vier vormen van bezetenheid wereldwijd, zo niet afgoderij:

    • vrede met de aarde 
    • vrede op de markt
    • vrede in de stad
    • vrede tussen de volken.

    Twee data om echt te gaan:

    20 september in Den Haag, 13.00 uur vanaf Hollands Spoor, Walk of Peace langs enkele plekken, zoals kerk, moskee, naar het Vredespaleis. Als een moment in de Pelgrimstocht van gerechtigheid en vrede.

    24 oktober, Utrecht. Een etappedag in de klimaatloop op weg naar Parijs. zie: www.klimaatloop.nl 

    Vier bewegingen die we als christenen dringend moeten maken, liefst met alle mensen van goede wil samen, om onze lieve aarde bewoonbaar te houden. Vier bewegingen die bekering vragen, van ons allen, omdat ze nauwelijks mogelijk (b)lijken te zijn. We zijn in de greep gekomen van afgoden, en die afgoden wekken onze begeerte tot een vals leven, en de hele planeet zetten we daarbij op het spel. Alleen zijn de afgoden in moderne jasjes gestoken, van rationele snit, en niet zo makkelijk als afgoden herken baar. Voor velen van ons gelukkig nog wel herkenbaar als verleidingen.

    Die afgoden, waaraan ‚de omringende cultuur’ ons dwingt ons over te leveren, opdat we maar ‚ons leven behouden’, carriere kunnen maken’, ‚meetellen’…. Als consument zijn we de soldaten in dit gebeuren rond de afgoden:

    -rationalisering: productieprocessen van onbarmhartige omvang en methode voor mens, dier, aarde

    -kapitalisme: groei van het kapitaal der grootaandeelhouders, ook ten koste van bedrijven.

    -nationalisme: alleen wie onze kleur heeft, onze tongval, en onze god aanbidt. Alleen onze god is de goede god. Voor joden heb je dan al een afgodsbeeld gemaakt, als je dat kunt zeggen over je eigen godsbeeld.

    • dominantie: wie de grootste macht heeft wil die behouden en legitimeert dat met God. Of zo.

    Bijgaand enkele citaten om eventueel te gebruiken.

    Laudato si van Paus Franciscus tegen afgoden en onze verslaving eraan:

    De Encycliek Laudato si, verschenen Pinksteren 2015, is een oproep tot hoop, maar vooral een oproep om de aarde te redden. Geschreven vanwege de aankomende Klimaattop. In mooie warme taal tegelijk een scherpe analyse van de verantwoordelijke partijen; van de bedreigingen; van hoopvolle initiatieven maar vooral oproepen daartoe. Allen zullen we onze bijdrage moeten leveren om de aarde te redden en leefbaar te houden voor allen.

    We zullen dan moeten afzien van onze verslavingen(welvaart en meer willen; uitbuiting van anderen; schandelijk omgang met dieren en planten, en mensen); ons werkelijk bekeren, tot andere praktijken komen. Doordat verantwoordelijken hun verantwoordelijkheid niet nemen, of wegkijken, schouders ophalen, en dat met fraaie woorden rechtvaardigen, lijken veranderingen onhaalbaar. Er is geglobaliseerde onverschilligheid. Er is ontkenning dat het echt een ramp is, nu al, voor 2/3 van de mensen; er is geen geloof dat we het over een andere boeg kunnen gooien. Hulpeloosheid naast onverschilligheid. Daartegen roept paus Franciscus ons op

    Enkele citaten uit Laudato si, het moderne ‚wezen en weduwen bezoeken’:

    De ergste uitwerkingen van de klimaatverandering zullen in de komende decennia waarschijnlijk op de ontwikkelingslanden afkomen (25). Vele die grondstoffen bezitten of economische of politieke macht, lijken zich er vooral op te concentreren de problemen te negeren en symptomen te verbergen. (26)

    VERDWIJNEN LEVENSKWALITEIT EN SOCIAAL SAMENLEVEN

    Het behoort niet tot de natuur van de bewoners van onze planeet om steeds meer te worden ingesloten in cement, asfalt, glas en metaal, beroofd van fysiek contact met de natuur. (34)…sociale uitsluiting… en ongelijke toegang tot economische diensten… leidt tot de opkomst van nieuwe vormen van agressiviteit en verlies van identiteit…

    We dienen over een ethiek van internationale relaties na te denken, vanwege de ecologische schuld (met name tussen noord en zuid) – door ongeproportioneerd verbruik van grondstoffen door enkele landen. (51) We dienen ons te realiseren dat we één mensenfamilie zijn... We kunnen ons niet meer isoleren, daarom is er geen ruimte voor geglobaliseerde onverschilligheid. (52)

    DE GLOBALISERING VAN HET TECHNOKRATISCH PARADIGMA

    Het technocratisch paradigma is zo dominant geworden.. dat het moeilijk is er gebruik van te maken zonder haar logica over te nemen. De technische wereld neigt ertoe uit te sluiten wat niet haar logica volgt; het gaat noch om nut of welvaart, maar om heerschappij. De ruimte voor eigen beslissingen, authentieke vrijheid en eigen creativiteit neemt af. (108)

    Het technocratisch paradigma heerst ook over de economie en de politiek. De financiële wereld verstikt de feitelijke economie. Doel is maximalisering van winst. (109)

    De menselijke vrijheid stelt ons in staat, de techniek te richten op een andere wijze van vooruitgang: menselijker, socialer, samenhangend (integraal). (112)

    HET PRINCIPE VAN GEMEENSCHAPPELIJK WELZIJN

    De hele samenleving - en op bijzondere wijde de staat - heeft de plicht het gemeenschappelijk welzijn te verdedigen en te bevorderen. (157)

    De realiteiten wereldwijd zien en verstaan is voldoende om te concluderen, dat de optie voor de armen (en dus een appèl tot solidariteit) een ethisch basisprincipe is om gemeenschappelijk welzijn te kunnen verwerkelijken. (158)

    De rampzalige prognoses kunnen we niet langer ironisch afdoen als irrelevant. We zouden de volgende generaties te veel ruïnes, woestijnen en vuil kunnen nalaten.(161)

    De postmoderne mens loopt voortdurend het gevaar volledig individualistisch te worden - wat gerelateerd is aan vele sociale problemen. (162) Het (om tot verandering te komen red.)verlangt oprechtheid, moed en verantwoordelijkheid met name van de rijkste landen die het meeste vervuilen. Wij gelovigen dienen God te bidden opdat deze discussies vrucht gaan dragen.(169) Het onrecht gaat gekleed in de mantel van klimaatverandering. Zoals altijd worden de armsten het zwaarst getroffen. (170)

    De wereldraad van Kerken sprak al eerder feitelijk over haar dominante gedrag in de evangelisatie, en zette stappen zich daaruit te bevrijden: (uit: Samen voor het leven”):

    “We betreuren dat het zendingswerk dat met kolonisatie verbonden was, vaak neerkeek op lokale culturen en niet inzag dat de inheemse bevolking over wijsheid beschikte. Lokale wijsheid en cultuur die levensbevestigend is, beschouwen wij als een gave van God (27). Het is niet aan ons om te claimen dat de Geest met ons is. Anderen moeten dat herkennen in de manier waarop wij leven (28).

    Jezus vervulde zijn zending door met de gemarinaliseerden van zijn tijd op te trekken, omdat hun situatie de zondigheid van de wereld duidelijk maakt (36). Zending vanuit de marges nodigt de kerk uitom tot een nieuw verstaan van zending te komen, namelijk als roeping door Gods Geest die een wereld op het oog heeft waar volheid van leven beschikbaar is voor allen (37). Het doel van de zending is niet eenvoudigweg, om mensen van de marges naar de centra van macht te brengen, maar om degenen die het centrum bezetten door anderen in de marges te houden daarmee te confronteren. Ook kerken zijn geroepen om hun structuren te veranderen (40).”

    23 augustus 2015

    10e zondag van de zomer 23 augustus 2015

     Preekschets voor zondag 23 augustus

    Bijbellezingen: 2 Koningen 4, 42-44
    Efeziers 6, 10- 20
    Marcus 8, 1- 21

    Ik bereidde me in de tweede week van juni voor om onderstaande preekschets te maken . De week waarin het kabinet bekend maakte dat ze bereid is 5 % van de bootvluchtelingen op te nemen mits de andere E.U. landen zich ook bereid tonen het procentueel aantal vluchtelingen op te nemen dat haar past. Het gaat om de groeiende stroom bootvluchtelingen die in Italie en Griekenland aan land komen. Beide landen kunnen deze als maar groeiende stroom niet meer aan. Genoemde vluchtelingen hebben niets meer: geen schone kleding, geen eten en drinken, geen dak boven hun hoofd.
    Ik vind dat Marcus 8: 1-21 ons wel wat richtlijnen geeft voor een ruimhartig asielbeleid in dezen.

    Uitleg Het verhaal over deze tweede wonderbare spijziging doet sterk denken aan het eerste waarvan verhaald wordt in Marcus 6, 35-44. De overeenkomsten zijn zo significant dat de meeste exegeten en commentaren spreken van een doublet. Maar de vraag die me intrigeert is waarom Marcus, van wie de evangelie-berichten tamelijk kort zijn –er is een haast naar het einde ( typerend is het woord: terstond!) -, twee soortgelijke verslagen heeft opgenomen. Wat overigens opvalt is dat de gebeurtenissen na de twee spijzigingen ook bepaalde overeenkomsten vertonen. Het commentaar van Vincent Taylor geeft hiervan nauwkeurig verslag: 1. Spijziging van de vijf duizend (6: 35-44), van de vier duizend (8: 1-9) 2. Tocht over het meer (6: 45-53, 8: 10); 3. Twistgesprekken met de Farizeeën (7:1-23, 8: 11-13) 4. Het brood voor de kinderen (7: 24-30), de zuurdesem van de Farizeeën (8:14-21); 5. Genezing van een doofstomme ( 7:31-37), genezing van een blinde (8:22-26). De verschillen moeten we niet bagatelliseren. Maar toch kan de parallellie niet toevallig zijn. Om ons te beperken tot het door Taylor eerst genoemde gebeuren: de discipelel zouden anders gereageerd hebben (8; 4), als ze kort tevoren iets soortgelijks zouden hebben meegemaakt. Het lijkt aannemelijk dat Marcus een gebeuren vertelt, dat hij in verschillende versies aangetroffen heeft, c.q.op gevarieerde wijze aangetroffen heeft. De verschillen, het aantal aanwezigen, de manier van vertellen, die in 6: 35-43 kleurrijker en levendiger is dan in 8: 1-21, de vermelding van de drie dagen ( 8:4) en het benadrukken van een eenzame plek, ver van de bewoonde wereld, kunnen het goed recht van deze hypothese niet ontkrachten. ( Taylor, Vincent. The gospel according to St Mark. Londen, 1966; 628-632)
    Onder verwijzing naar Joh. 6:1-15 schrijft D. E. Nineham: …it is now generally accepted that we are dealing with alternative, and somewhat divergent, accounts of a single incident. No doubt because of its eucharistic connexions ( Nineman doelt hier op de overeenkomsten die er zijn met de vroegchristelijke avondmaals liturgie), the story was highly valued in the early Church, and in the course of constant repetition it acquired two… forms. ( Nineham, D.E. ‘ Saint Mark’, in: The Pelican Gospel Commentaries, 206)
    Het merendeel van de commentaren gaat ervan uit dat Marcus 8: 1-23 een toespitsing heeft naar de volkeren. Daarvoor worden onder anderen de volgende argumenten aangevoerd: Het getal zeven (8:8) roept op zijn minst gedachten op aan de zeven diakenen ( Hand. 7:3) en aan de zeventig (toendertijd bekende) volkeren van de aarde ( Luc. 10:1vv). Ook de tijd van drie dagen kan een meerwaarde bevatten: het is de periode, waarna de Eeuwige beslissend ingrijpt, tot heil van de mensen.
    Voordat we nu verder gaan kijken naar Marcus 8, 11-21, wil ik graag nog een paar elementen uit de verzen 8, 1-10 verhelderen: De pericoop wordt losjes verbonden met de voorafgaande. Met de woorden in die dagen wordt het vervolg gesitueerd in het heidense gebied, noord- oostelijk van het meer van Galilea Opnieuw – zie 7, 33; 6,34- is er een grote schare rondom Jezus, die zich vastklampt aan de woorden van Jezus. De reactie van de schare is afwisselend: versteld staan (Marc. 11,18) buiten zichzelf zijn ( Mat, 12,23), opgewonden zijn ( Mat. 9,23). De reactie van Jezus is: liefdevolle aandacht, medelijden. In 6, 34 ligt het accent op het verdwaald zijn, hier op het zorgelijke feit dat er niets te eten is.
    Opvallend is dat anders dan in 6, 35-44 Jezus zelf het initiatief neemt ten dienste van de schare en dat Hij de mogelijkheid om hen weg te zenden direct verwerpt. En een mogelijke oplossing van het nijpend voedselprobleem wordt direct in de handen van Jezus gelegd.
    De woorden, in vers 6 vermeld, hebben een bijzondere lading. Ze hebben een sterke verwantschap met de woorden in 6, 41. Wat verder opvalt is het gebruik van het woord eucharistesas in vers 6. Dat komt later bij de instellingswoorden van het avondmaal terug (14, 23. Je kan ook denken aan 1 Kor. 11, 2). Anders gezegd: er zijn duidelijke parallellen met de Maaltijd des Heren die zo belangrijk was in de vroegste tijd van de christelijke gemeente.


    We wijden nu nog een korte bespreking aan de verzen 8, 11-23
    Een ruzieachtig gesprek, een twistgesprek, verbonden met de wonderbare spijziging, heeft sterke papieren en is wijd vertakt in de traditie: bijvoorbeeld Johannes 6; in de verzen 22-59 wordt de spijziging besproken, waarbij een accent ligt op de vraag om een teken (vs 30). Verder valt er een vergelijking te maken met de parallelle tekst bij Matteus ( 16, 1-4, zie ook 12, 38). In 7, 1,23 en ook in het vervolg ( 10, 1-12) beschrijft Marcus een ernstige botsing van Jezus met de Farizeeën. Zij vragen een teken uit de hemel,, dat wil zeggen ‘ een apocalyptisch teken, dat klaar en ondubbelzinnig is, een “ Schauwunder”, waardoor God voor aller ogen de tijd van de voltooiing aankondigt’. (Bolkestein,M.H. Het evangelie naar Marcus. Nijkerk, 1977, 165-166). De Farizeeën vroegen om een gebeuren dat stringenter is en sprekender dan een genezing of een exorcisme, sterker ook dan het voorval dat in voorafgaande verzen aan de orde komt. Wat opvalt is dat de evangelist hier het woord semeion (teken) gebruikt, terwijl in soort gelijke gevallen door hem het woord dunameis (krachten) wordt gebruikt ((vgl. Psalm 95, 9-10, Deut. 1, 31).
    Het zuchten in de geest is een uiting van de teleurstelling, de woede en het verdriet , die Jezus vervult. Daarom worden de vragenstellers, die zich naar het patroon van de satan voegen ( 8, 33, denk ook aan de verzoeking in de woestijn) aangeduid met de negatief geladen term dit geslacht (zie Deut. 32,5 ; Ps. 95, 10; Mat. 11,16, 12, 39, 16, 4; Luc. 11, 29; Hand. 2, 40). De weigering van Jezus -krachtig onderstreept op de wijze van een bezwering- om een trefzeker teken in de gewraakte zin te geven, doet denken aan wat eerder gezegd werd in verband met de gelijkenissen. ‘ Those for whom “the mystery of the kingdom” is intended ought to understand them, and will certainly be able to do so when their eyes have been opened. Complte blindness tot their meaning is a sure mark of “ outsiders” ( 4, 11) for whom the mystery is not intended and to whom therefore no further sign will be given ( D. E. Nineham, Saint Mark, 211). Met het oog op de verzen die volgen op het hier besprokene, die gaan over het openen van de ogen is het goed om de woorden van Nineham in gedachten te houden.

    Niet enkel de buitenstaanders, zoals de Farizeeën, maar ook de intimi zoals de discipelen zijn verblind en verhard. Reeds in 4,13 en 7, 18 horen we verwijtende woorden aan het adres van de discipelen. Hun vergeetachtigheid – denk ook aan de zelfbenaming van Jezus: ‘ Ik ben het brood des levens’, is aanleiding voor het spreken over zuurdesem van de Farizeeën en – Marcus voegt het er nadrukkelijk aan toe – de zuurdesem van Herodes. Vermoedelijk heeft Marcus dat hier toegevoegd omdat de plaats en het verband hem geschikt leek. Bij de Farizeeën zal de zuurdesemwerking vooral betrokken zijn op hun uitleg van en omgang met de wet, die zij meer hanteren als een stok om te slaan dan een staf om mee te gaan. Herodes daarentegen is veel (m)eer de libertinist en de opportunist, Degenen die dit spoor volgen zijn ook niet ontvankelijk voor het geheim van Jezus, de Christus.
    Na de woorden over het twistgesprek komt de kwestie van het brood opnieuw aan de orde. Taylor ( The Gospel according to St Mark, 364) neemt aan dat de beschrijving van Marcus sterk bepaald en gekleurd is door catechetische en liturgische motieven. Vooral het slot Begrijpt gij mij nog niet? ‘which is aimed at the readers and not merely the original disciples. The story illustrate the beginnings of a type ofGospel narrative found often in the fourth Gospel and which has persisted in Christian teaching down to the present day.’ Het werkwoord dialogiamai (overleggen, redeneren, vers 16), als een uitdrukking van verlegenheid of irritatie, lezen we eerder, onder meer in 2, 6. De bestraffende woorden in vers 17 worden door Matteus (zie 16, 8-9) wat afgezwakt. Het verhard- zijn is ook eerder genoemd, in 6, 52. Op deze manier komen de discipelen in het gezelschap van de buitenstaanders, die een vijandige houding aannemen. Het gesprek met de discipelen mondt uit in een herinnering aan en een dringend appel op de beide voorafgaande spijzigingen. Tenslotte, opvallend is de zorgvuldige weergave, niet alleen wat het aantal mensen betreft, maar ook ten aanzien van de twee verschillende soorten korven.

    Aanwijzigingen voor de preek

    1. Het zicht op Jezus kan op veel manieren verduisterd worden. Het verlangen naar een teken uit de hemel, een krachtdadig, ondubbelzinnig bewijs dat Hij de Christus is, is ook de hoorder hier en nu uit het hart gegrepen. Anderzijds is het goed te bedenken dat liefde iets anders is dan overweldiging. God zwicht niet voor de verleiding van het geweld, omdat Hij niet ophoudt de vrijheid van de mens te respecteren.
      2. Het zicht op Jezus de Christus wordt ook verduisterd als we Hem op een bepaalde godsdienstige en/of politieke wijze inkapselen, op de manier van de Farizeeën en de Herodianen. Deze verduistering heeft een uiterst negatieve uitstraling, tast al ons denken en doen tot de fundamenten aan.
      3.Jezus als het enige brood des levens mag voor ons genoeg zijn, maar dan wel tot de uiterste consequenties. Daar hoort onder anderen bij: geweldloos leven en dit uitdragen.
      4. In de inleiding op deze preekschets sprak ik even over het asielbeleid. Geven wij asielzoekers geen stenen voor brood? Hoe past in de navolging van Jezus ons strenge uitzettings beleid? Hoe gaan we zelf met asielzoekers om, nu de overheid wijzigingen in haar beleid ten aanzien van hen ingevoerd heeft?


     

    9 augustus 2015

    8e zondag van de zomer 9 augustus 2015

    Enige gedachten bij: 2 kon.4.8-18(37), Ps. 34. 1-11, 1Ef 4.30-5.2, Mc.7.31-37.

    De wereld is vol van wapengekletter er geweld. Er wordt gesteggeld over geld en gastvrijheid. De politiek lijkt in veel zaken ‘doof en gebrekkig van spraak’. Zouden er mogelijkheden zijn om open te gaan, en open te staan, andere wegen te zoeken die toekomst geven.

    Inleiding.  Vandaag en 6 augustus zijn en waren er herdenkingen vanwege de vernietiging van Hiroshima en Nagasaki. Dat nooit meer. Overal vinden nog herdenkingen plaats met betrekking tot 70 jaar bevrijding. En er wordt geroepen: dat nooit meer. Ondertussen worden ‘Vredesprojecten’ uitgevoerd door gewapende eenheden. Legert de NAVO troepen in voormalige Oostbloklanden aan de grens met Rusland. Enkele jaren geleden werden er plannen gemaakt voor een flitsmacht. Onlangs werd daarvoor geoefend. Inmiddels zijn er plannen deze te viervoudigen.

    Rusland kondigt aanmaak van nieuwe nucleaire wapens aan. Meer dan 100 lidstaten van de Verenigde Naties hebben aangegeven te willen werken aan een wereldwijd verbod op kernwapens. Ondanks een motie in de tweede kamer hieraan mee te doen, heeft de Nederlandse regering het laten afweten. Er is weer volop wapenproductie vanwege de burgeroorlogen in het Midden-Oosten. Velen zijn daardoor op de vlucht over land of zee. De zuidelijke landen kunnen de vluchtelingenstroom financieel en qua mensenkracht niet aan.

    Uit Afrika als gevolg van de kolonialen- en latere de handelsbetrekkingen zijn duizenden mensen op de vlucht voor rebellen of om economische redenen. In plaats van hen, eventueel tijdelijk opvang te verlenen, wordt er, in Europa, gekissebist over het aantal op te vangen mensen. Het lijkt wel of iedereen 'doof' is en spreekt, niet moeizaam van tong, vanuit eigen belang.

    In de lezingen zijn verschillende aspecten aan de orde: open staan voor vreemdelingen, gastvrijheid, weer toekomst  perspectief  bieden, niet meer doof zijn en gebrekkig van spraak, maar open gaan naar anderen. In de Efeze lezing geeft Paulus daarvoor aan de gemeente duidelijke richtlijnen in de omgang met elkaar. De Psalm bezingt dankbaarheid en ontzag: een lofzang (van David) op God, als er naar Hem opgezien wordt, dan bevrijdt God van angst.

    Toekomst perspectief bieden, door mee te werken aan leniging van een gebrek. Niet alleen maar denken vanuit een eigen referentie kader van cultuur, opvattingen betreffende normen en waarden. Maar omzien naar de naaste die op je pad komt, ook al is dit een vreemdeling.

    2 kon.4.8-18(37),

    Elisa: God helpt. Elisa is de opvolger van Elia in het 10 stammen rijk. Gezien de verhalen lijkt Elisa in zijn tijd ook één van de belangrijkste leiders van Israël. Er worden over hem zowel politieke als profetische verhalen verteld. Elisa zou als standplaats de Karmel hebben gehad. Sunem nu Solem ligt aan de zuidwestelijke helling van de Givat Hamore. Het ligt in het noorden aan de voet van de Karmel met uitzicht op het huidige Haïfa. Een gebied bevolkt door mensen van verschillende afkomst.

    Context: de weduwe die al haar kruiken moet vullen met haar restje olie en dat verkopen om er in de toekomst van te leven, aanvankelijk de dood in de pot en de genezing van Naaman. Allemaal verhalen waarin mensen weer toekomst perspectief krijgen, door niet doof te zijn voor hun vraag of hun gebrek.

    In deze tekst spelen vier personen een rol.

    • Een voorname Sunamitische vrouw: Een sterke vrouw met duidelijk eigen initiatief. Zij is gastvrij voor passanten .Ook Elisa verleent zij gastvrijheid tijdens zijn rondreizen. Zij laat zelfs voor deze ‘man Gods’, met instemming van haar man, een kamer bouwen op haar dak. Ze wenst geen tegenprestatie en reageert op het voorstel van Elisa: 'ik leef te midden van mijn eigen volk’. Als zij naar boven geroepen wordt, blijft zij (zoals het hoort voor een vrouw) in de deuropening staan. Zij weert de belofte af als een voorspiegeling. Maar wordt zwanger en baart een zoon.

    • Elisa: op zijn rondreizen wordt hem in Sunam steeds gastvrijheid verleend door een voorname vrouw. Hij wil iets terugdoen. Wat hij de vrouw aanbiedt is een voorstel uit zijn politiek militaire referentie kader: een pleit bij de koning of bescherming van de bevelhebber van het leger. Elisa vraagt nogmaals iets voor haar te kunnen doen. Elisa luistert, naar Gehazi, laat haar nu roepen. Hij luistert, opent zich voor haar nood. Nu hij zich opent, niet meer doof is voor haar nood, is hij ook open voor de boodschap van de God. Hij kan haar over een jaar een zoon, in haar armen, beloven.

    • Gehazie, de knecht van Elisa: Hij moet de vrouw roepen en hem vragen of Elisa wat voor haar kan doen, in ruil voor haar gastvrijheid. Hij ziet kennelijk beter wat de vrouw ontbreekt. Na het afwimpelen van Elisa's voorstel zegt hij: 'ze heeft geen zoon, haar toekomst voor een oude dag, en haar man is oud. Dan moet Gehazi haar naar boven roepen.

    • Zoon: groeit op en krijgt een zonnesteek.

    • Haar man slechts op de achtergrond.

    Dit hele verhaal en het vervolg tot vers 37 doet ook denken aan een verhaal zoals verteld over Sara. De zin in vs. 16 komt in de Bijbel alleen nog voor in Gen 18.10. Ook het leven van deze zoon hangt na enkele jaren aan een zijde draadje, als het kind een zonnesteek krijgt en Elisa uiteindelijk zijn leven redt.

    Ps. 34.1-11; Een psalm toegeschreven aan David, toen hij, op zijn vlucht voor Saul, met behulp van de priester Abimelek in Nob de toonbroden en het zwaard van Goleath meekreeg. En daarna in Gath, aan het hof van  koning Achish, , zich als een waanzinnige gedroeg. Deze liet hem wegsturen en hij ging weg. Het lijkt een referentie naar 1 Samuel 21:1-15. Hij is weer gered uit deze benarde situatie, daarvoor prijst hij God.

    1Ef 4.30-5.2,De gemeente van Efeze, zegt Paulus, is als herboren mensen, die zich geopend hebben voor de boodschap van Jezus. Zij zijn als leden van één lichaam elk met hun gave en hun mogelijkheden. Aan het gemeentezijn, zijn wel normen en waarden verbonden in de trant van de Tora. Als de gemeente zo met elkaar omgaat, zal het ook in de toekomst, in het krachtveld van de Geest, de weg van de liefde kunnen gaan, als kinderen Gods, naar Jezus voorbeeld.

    Mc.7.31-37. Deze tekst is de laatste tekst, die staat tussen de twee broodvermenigvuldiging verhalen in (6.41 en 8.6). Het eerste verhaal, waar 12 manden overblijven, staat voor de 12 stammen van Israël. Het speelt zich af aan op Palestijns grondgebied aan de westelijke over van de zee (thalassa 19x)) van Galilea. In het tweede vermenigvuldigingsverhaal, aan de oostelijke kant van de zee, in het heidense gebied Decapolis, blijven er 7(vol getal) manden over.

    Daar tussen in: de storm op zee, rein en onrein: niet door voorschriften van buitenaf, maar vanuit het hart komt wat rein is (7.18ev). De reis door Tyrus en Sidon en de genezing van de dochter van de Syro-Fenicische. De moeder pleit voor de kruimeltjes. Dan volgt het verhaal over de mens doof en gebrekkig sprekend.

    Tijdens de reis in dit gebied trekken Jezus en zijn leerlingen heen en weer in het voormalige Noordrijk. Volgens ‘Jeruzalem’ het land van de heidenen, maar er wonen ook Joden. Vanuit de gebeurtenissen krijgen zijn leerlingen onderricht en langzamerhand inzicht hoe Jezus' weg voort te zetten. Verhalen over overwinnen van angst, 'heidenen' die ook genezen kunnen worden en niet doof zijn en gebrekkig van spraak, maar perspectief te geven en daardoor een nieuwe toekomst bieden Het gaat er om de leerlingen anders te leren denken, horen, zien en spreken in hun omgang met mensen, zowel Joden als 'heidenen'. Als de leerlingen redelijk toegerust zijn, gaat Jezus pas naar Jeruzalem, met alle gevolgen van dien. Daarna komt het op de leerlingen en de nieuw te vormen groeperingen neer Jezus weg voort te zetten.

    Marcus schrijft voor de jonge gemeenten. Hij wil duidelijk maken dat gemeentezijn alle mensen betreft, die Jezus wille navolgen. Hij heeft in zijn blijde boodschap een duidelijke opzet.

    Hij lijkt duidelijk te willen maken aan de eerste Gemeenten:

    • Dat Joden en ‘heidenen’ navolgers van Jezus kunnen zijn.

    • Dat reinheid, reinheid van hart is (7.18), Werken vanuit het hart kan alleen als mensen niet ‘doof’ zijn voor elkaar. Maar voor elkaar open gaan. En elkaar helpen open te gaan.

    • Dat de gemeente, angstig kan zijn in chaos van het leven. Maar als Jezus in het vizier komt, kan de chaos kalmeren,

    • Dat als leerlingen zijn lessen leren  zien en horen, zij anders kunnen gaan spreken.

    • Dat het werk Jezus ook niet gemakkelijk af ging Jezus zuchtte en had de hemel nodig. De genezing van de mens die doof was en gebrekkig van spraak illustreert dat.  

    31-37.

    Rol van personen in deze tekst.

    Jezus: trekt met zijn leerlingen door dorpen in het Noordrijk. Dezelfde streek waar Elisa rondtrok. Een streek waar heel veel verschillende mensen wonen, die volgens ‘Jeruzalem’, niet het ware geloof hebben. Op zijn reis dwars door de Decapolis komt hij weer bij de zee. Zee staat voor chaos (Gen1.2). Er wordt een mens bij hem gebracht, doof en gebrekkig van spraak. Jezus neemt deze mens apart, weg van de menigte. Hij stak zijn vingers in de oren van deze mens en raakte met speeksel zijn tong aan. Hij sloeg zijn blik naar de hemel, zuchtte diep en zei: Effata!: Ga open. Tegen de omstanders zegt Jezus streng deze gebeurtenis niet door te vertellen.

    Een mens, doof en gebrekkig van spraak wordt bij Jezus gebracht. Deze mens kan, na contact met Jezus, horen en spreken, is open gegaan. Waarbij hij gezien heeft dat Jezus dit niet zomaar kon doen, maar in relatie stond tot de hemel. Deze mens gaat, evenals de gemeenten, een nieuwe toekomst tegemoet.

    De omstanders: vertellen toch wat ze meegemaakt hebben. En zeggen: alles wat hij doet is goed: zelfs doven laat hij horen en stommen laat hij spreken. Zij vertellen het wel door, maar doorgronden de gebeurtenis niet in een wijder perspectief.

    Effata wordt in de Statenvertaling en de NBG vertaald met: wordt geopend. In de Naarder Bijbel, de Willebrord vertaling en de nieuwe Bijbelvertaling wordt het vertaald met: ga open. Wordt geopend, dan is het een ander die daartoe opdracht geeft. Het is de aanleiding. Als er staat ga open dan is dat veel meer een opdracht, die zelf uitgevoerd moet worden. Deze mens wordt gebracht en moet zelf open gaan. Mensen die bij Jezus gebracht worden, met hem in contact komen, kunnen sitiaties anders leren verstaan, open gaan en anders op een situatie (leren) reageren.

    Doof zijn of open gaan

    Zomaar enkele voorbeelden, kort door de bocht

    Doof zijn, vast zitten in eigen opvattingen

    Open gaan, interesseren voor de ander, mensen te activeren samen te werken aan verandering en zodoende trachten toekomst perspectief bieden.

    Elisa spraak eerst vanuit zijn militair politieke achtergrond

    Toen Elisa luisterde naar wat de Sunamitische echt nodig had, kon hij ook de belofte van God openstaan en hem doorgeven.

    De mens doof en gebrekkig van spraak

    Door het contact met Jezus gaat hij/zij open. Jezus heeft hiervoor wel het contact met God nodig.

    De menigte volgt Jezus, vanwege zijn daden

    Effata: Is ook een illustratie hoeveel moeite het koste zijn leerlingen te leren dat er anders met mensen omgegaan kon worden dan vanuit de heersende opvattingen. Maar ook dat het om wezenlijkere zaken ging dan alleen Jezus daden. Zijn nieuwe leer met gezag,  dat hadden ook zijn leerlingen nog niet begrepen (1.22).

    Wapenproducties en maatregelen opvoeren, om terroristen te bestrijden. Er zijn weer plannen voor de acceptatie kernwapens in Nederland.

    Het burger initiatief tekenen tegen Kernwapens om het toch weer aan de orde te stellen.

    Vredestroepen' zenden naar landen waar het onrustig is. Er is geen aandacht, ook niet in de media, voor daarnaast een andere werkwijze in te zetten: 'burgervredeswerk'

    Burgervredeswerk is een  internationale beweging van goed opgeleide mensen worden een jaar uitgezonden om te midden van de bevolking onderling aan vrede te werken. Bovendien werken ze mee aan de opbouw van de gemeenschap waar zij werken. o.a. in  Burundi, Sri Lanka, Columbia.

    De media berichten van allerlei rampen, aanslagen en veroveringen door rebellen en terroristen. Om moedeloos en angstig van te worden. De realiteit moet onder ogen gezien worden. Over een andere mogelijkheid hoort men veelal niet.

    Er zijn altijd andere mogelijkheden. dan die van de heersende opvattingen. De bijbel inspireert in haar verhalen, om te leren anders te reageren. Te trachten niet doof te zijn en gebrekkig te spreken, maar open te gaan. Dat gaat niet vanzelf het vergt inzet, onderzoek en contacten op allerlei niveaus. Geloofsgemeenschappen kunnen daartoe het initiatief nemen in eigen omgeving al of niet in samenwerking met andere organisaties.

    Antisemitisme, vooroordelen ten aanzien van allochtonen, Moslims of andere godsdiensten.

    Samen luisteren naar de versies van de ongeveer overeenkomende verhalen in de diverse Abrahamitische tradities en elkaar vertellen over de betekenis en de beleving van feestdagen. Vanuit dit delen met elkaar kunnen er heel andere initiatieven ontstaan

    Vast houden aan neoliberale markt opvattingen

    Of helpen onder protest daar waar mensen door deze opvattingen tussen de raderen komen. Initiatief nemen om andere economische opvattingen.  te onderzoeken of kleinschalig uit te proberen.

    In Nederland bestaat nu op papier een bad, bed en broodregeling vanuit de staat.  De uitvoer in 5 centra wordt nu pas na 1 november 2015 verwacht.

    De PKN en de Paus protesteren tegen het vluchtelingen beleid. Door de inzet van de PKN is op papier de bed brood en bad regeling gemaakt. Deze functioneert nog steeds niet. Het gevolg is dat burgerlijke gemeenten en kerken onder protest mensen in nood helpen.

    De regering sluit veel illegaal verblijvend in Nederland op in gevangenissen, om hen te dwingen tot terugkeer. Deze mensen hebben geen strafblad. Lukt uitzetting niet, dan worden deze mensen na 18 maanden geklinkerd. Dat wil zeggen op straat gezet, en vaak dakloos.

    Regelmatig worden wake bij de gevangenissen gehouden om er tegen te protesteren en deze gevangenen een hart onder de riem te steken.

    Toerist: Ik ga wel naar Griekenland, toeristen kunnen onbeperkt pinnen

    Ik ga wel naar Griekenland, maar heb veel contanten mee genomen, dan komen die tenminste ten goede van de mensen.

    Héleen Broekema(TWG)

    Hoor. Maar ik kan niet horen. Mijn oren dichtgestopt. Mijn adem opgekropt. Mijn hart van leegte zwaar. Ik ben nog niet geboren. Ik ben niet ik. Niet waar.

    Hoor. Maar ik wil niet horen. Zou ik uw woord verstaan, ik moest uw wegen gaan, U volgen hier en nu. Ik durf niet zijn geboren en leven toe naar U.

    Hoor, roept Gij in mijn oren en jaagt mijn angst uiteen. O stem door merg en been verwek mij uit het graf, uw mens opnieuw geboren. O toekomst, laat niet af.

    Uit: Liedboek zingen in huis en kerk (323).

     


     

    2 augustus 2015

    7e zondag van de zomer 2 augustus 2015

    Deut 10:12-21 Markus 7: 1-23

    De oeroude tradities van 'het recht van de sterkste' , 'de markt' , 'de fossiele brandstofindustrie' , 'het militair-industrieel complex', 'de hetero-samenleving . Waarom zouden we ons daar aan houden? Wiens belangen zijn daar mee gediend?

    Deut 10:12-21

    Centraal in jullie naleven van de tora is dat God jullie liefheeft; als 'zwervers te gast' (Naardense Bijbel). Dat is de sleutel en de norm bij alle uitwerking in wetteksten en regels voor de samenleving in het Beloofde Land. Het gaat dan - zie Markus 7 straks - niet om leuke dingen voor de mensen (nb namelijk voor hen die toevallig hun regels kunnen doorzetten) maar om recht voor verdrukten.

    Markus 7: 1-23

    Er zijn drie gespreksrondes over tradities, om zo te zeggen in deze  evangelielezing.
    Eerst met de 'officials'. ( Naardense Bijbel geeft de 'huichelaars' weer als 'oordeeloompjes'. Ik heb lang op dat woord moeten kauwen)  Daar is Jezus snel mee klaar. Twee verwijzingen naar de Schrift, en Hij heeft hen al afgewezen.
    Van een echt gesprek komt niks.
    Maar wat is het probleem dan wel?

    Tweede ronde is een boodschap aan de schare.
    Ik heb geen idee hoe Jezus concreet de menigte bij elkaar heeft kunnen roepen. En wat zal een menigte geweest zijn. Het moet dun bevolkt zijnn geweest, daar in die tijd.
    Goed, er is uit een optreden voor een menigte een algemene uitspraak bewaard gebleven. Min of meer losse opmerking. We horen niet in welk verband dat ter sprake was. Maar Markus voegt het toe aan de thematiek van omgaan met religieuze tradties. Jezus houdt mensen een spiegel voor: je bent zelf een besmetting voor anderen. Je zit misschien paniekerig te zijn over: wat je al niet binnen kunt krijgen en op kunt lopen, als je 'de regels' (mythische grootheid vaakl) los laat; maar kijk naar wat er van je uit gaat.
    Ondertussen blijft het probleem van de besmetting door anderen levensgroot! Maar Jezus pakt het hier niet op.
    Afsluiting vs 16 is wel weer frapant: doe iets met wat je oren binnen komt! Ik hoor daar in: de boodschap van het Koninkrijk der hemelen. Iets anders heeft Jezus de mensen immers niet ingepraat.

    Derde scene: thuis met de (kleine) kring van leerlingen. (alleen de 12 staat er niet bij). Het zinnebeeld (Naardense Bijbel) uitgelegd. Concrete aanduidingen van 'dit boze', waarmee mensen hun binnenste naar buiten keren.

     

    actueel

    - 1 Augustus: Boottocht gay pride Amsterdan. Bevrijding, losheid. Overpowerd?
    - 2 augustus 40 jaar onafhankelijkheid Suriname. Gay pride kerkdienst Keizersgrachtkerk Amsterdam.
    - 6 Augustus 70 jaar na verwoesting Hiroshima 1945
    - Vernieuwend omgaan met wat het voorgeslacht aanreikt is accuut thema in de kerk.
    - Foute invloeden van buiten zijn best een realiteit. Dat thema kun je wel op pakken, ook al is Jezus meer bezig met de andere kant: wat jij zelf bijdraagt aan het algemeen klimaat. Een verziekt geestelijk klimaat komt immers ook van mensen!
     

    Onontkoombaar lijkt me lied 1001.

    26 juli 2015

    6e zondag van de zomer 26 juli 2015

    Bijbellezing: Jesaja 63, 7-14                       Psalm 114                       Marcus 6, 45-52[1] .

    (45) Aansluitend op de vertelling van de spijziging van de 5000 volgt er een bijzondere gebeurtenis. Voor Goethe betekende deze de ‘legende’ van het oer-christendom, die hem het meest na aan het hart lag; ook een commentator als B. H. Branscomb uit de vorige eeuw spreekt hier van een ‘pious legend’. Jezus die over het water wandelt is ook wel een heel merkwaardige gebeurtenis. Het gaat alle menselijke bevattingsvermogen te boven.
    Marcus levert ons, de hoorders, deze geschiedenis als nauw verbonden met de spijziging over. We mogen aannemen dat hij ze zo in de traditie gevonden zal hebben (vgl. Joh. 6:1-15, 16-21), Mattheüs beschrijft dezelfde gebeurtenis in soortgelijke bewoordingen, maar hij neemt daarin ook de geschiedenis van de zinkende Petrus  op (Matth. 14: 28-31; Lucas heeft vanaf Marc. 6: 45 geen parallelle verhalen meer tot Marc. 8:27).
    (46,47) Ook de plaats van de in deze pericoop beschreven gebeurtenissen is  net als in de daaraan voorafgaande niet meer nauwkeurig te bepalen. De pericoop begint met zeer nauwe aansluiting bij de vorige: Na de spijziging verbreekt Jezus snel en abrupt het contact met de menigte (volgens Johannes; omdat de schare Hem koning wilde maken, Joh. 6: 15) Ook de discipelen zendt Hij weg naar de overzijde van het meer. Jezus zelf trekt zich daarna terug in het gebergte om te bidden (vgl. 1: 35, enz). Het is dan al laat in de avond geworden en de discipelen bevinden zich op dat moment in het schip op het midden van het meer. Tegen het einde van de nacht, tussen drie en zes uur (Marcus gebruikt hier, evenals in 14: 35, de romeinse indeling van de nacht) is het schip in een storm terecht gekomen. Deze keer is het schip nog wel niet in nood, zoals in 4:35-41, maar de discipelen hebben wel de grootste moeite om vooruit te komen.
    (48) In die toestand verschijnt Jezus hun. Hij heeft hen gezien, maar dat lijkt toch niet het motief van zijn nadering te zijn. De mededeling van zijn nadering komt tamelijk onverwacht. We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat de discipelen zonder dat ze dat willen getuigen zijn van een verschijning van Jezus, die niet op de eerste plaats en rechtstreeks voor hen bestemd was. Het is een geheel unieke epifanie die voor hun ogen plaats vindt. Het lijkt er zelfs op dat Hij hen voorbij wil gaan, zo vermeldt alleen Marcus. Het werkwoord ‘voorbijgaan’ is een terminus technicus voor de epifanie van goddelijke gestalten. Zo wilde God aan Mozes ‘voorbijgaan’ (Ex. 33: 19, 22 vlg) en aan Elia (1 Kon. 19:11)
    Jezus doet hier, wat naar de verkondiging in de Tenach God doen kan en doet (Job 9: 8; 38:16; Ps. 77:20, Jes. 43:16). De zee staat voor de dood, de immense afgrond. Als Jezus nu op het water loopt, legt Hij voor korte tijd zijn incognito af en verschijnt  als de Zoon des Mensen in heerlijke gestalte. Zo verschijnt Hij in deze nacht aan zijn leerlingen. Je zou hier kunnen spreken van een voorteken van de opstanding, zoals ook in de geschiedenis van de verheerlijking op de berg.
    (49, 50)  Dit voorval ontstelt de discipelen. Zij die hun meester in zijn goddelijke verschijning zien, zijn ontsteld en menen een spookverschijning te zien. Maar Jezus neemt hun vrees weg. Ik denk dat dan crux van deze pericoop volgt: ‘Blijf kalm. Ik ben het, wees niet bang’. Zo brengt Hij hen en ook de zee tot rust.
    (51, 52) Andermaal wijst Marcus op de ontsteltenis van de discipelen. En verklarender wijs voegt hij eraan toe, dat hun harten verhard waren (vgl. 8: 17; Rom. 11: 7; 11 Cor. 3: 14; Eph 4: 18). Omdat de harten verhard zijn, is het inzicht van het geloof nog niet doorgebroken. Mattheüs heeft deze opmerking niet. Je kan concluderen dat ook het wonder van de broodvermeerdering de discipelen nog niet tot geloof heeft gebracht.
    Deze geschiedenis is samen met 9:2-8 de enige in Marcus’ versie van het evangelie die zo ondialectisch de heerlijkheid van Jezus laat zien.

    Suggesties voor de preek: Er is veel voor te zeggen om de woorden van Jezus: ’Blijf kalm, ik ben het, wees niet bang’ tot tekst voor de preek te nemen. In onze tijd wordt extremisme steeds grimmiger en gewelddadiger. Deze is de storm/ het zware weer waarin onze levensboot terecht is gekomen. We zullen heel wat rustiger worden als we in de woelige baren van onze tijd geloven dat Jezus ook nu ons nabij is.

    Het Nederlandse asielbeleid wordt  steeds inhumaner. Wat kunnen we als gemeente doen om asielzoekers het gevoel te geven dat ze bij ons thuis kunnen zijn?

    Naast deze grote problemen kent ieder stormen in haar of zijn persoonlijk leven. Ik denk aan echtscheidingen, de dood van een dierbare, werkloosheid en vult u maar aan. Het gaat er dan om elkaar in de gemeente erbij te bepalen dat Christus ons in deze levensstormen nabij is.

    Lies van der Zee

    [1]Voor de exegese van de pericoop uit Marcus volg ik in hoofdlijnen het commentaar van Bolkestein, omdat ik daarin mijn eigen theologische reflectie op de tekst goed  herken. M.H. Bolkestein, Het evangelie naar Marcus, Nijkerk 1977. Daarnaast heb ik als commentaren gebruikt: R. Schnackenburg, Das Evangelium nach Marcus, Düsseldorf 1966, en V. Taylor, The Gospel according to St Mark, second edition, Londen 1966.

    12 juli 2015

    4e zondag van de zomer 12 juli 2015

    Enige gedachten bij: Jes.52.1-6, Ps 85, (Ef.1.1-14), Mc.6.6b-13 voor zondag 12 juli 2015, 4e zondag van de zomer. Kerk&Vrede.
    Christenen worden geroepen op weg te gaan of onderweg zijnde, contacten te leggen met onbekenden en levensperspectief aan te bieden aan hen die perspectief zoeken. Zij doen dit niet op eigen kracht, maar weten zich gesteund door het krachtveld van de Geest.

    Inleiding:
    De wereld is een dorp geworden. In deze zomermaanden gaan velen bepakt en gezakt met vakantie en zijn welkom als toeristen in comfortabele onderkomens. Anderen zijn zonder bagage op de vlucht opgepropt in kampen of op weg naar een imaginair land van belofte, uitgebuit door smokkelaars, in wankele boten met veel te veel mensen bijna verdronken, veelal niet welkom in Europa, of worden als illegalen in Nederland nog steeds zonder strafblad gevangen gezet voor uitzetting. Als dat niet lukt worden ze geklinkerd, met de kans weer gedetineerd te worden. Dit alles nog steeds, naast de toegezegde bed, bad en brood regeling!

    Jesaja doet een oproep aan  Sion, Gods voorschriften weer in het vizier te krijgen in hun doen en laten. De teloorgang van Jeruzalem in het verleden was te wijten, volgens andere teksten van Jesaja, aan het feit dat het volk verdeeld was en geen recht betrachtte. Recht betrachten heeft altijd concreet te maken met omzien naar elkaar en met name naar de arme, de vreemdeling en onbekende mensen waarnaar vooroordelen uitgaan of die niet geaccepteerd worden in bepaalde kringen of in de hele samenleving.

    In de Marcus lezing, krijgen de 12 leerlingen de opdracht 2 aan twee op stage te gaan. Om Jezus voorbeelden te trachten in praktijk te brengen. Zij gaan op weg en doen ervaring op onderweg. Geroepen om als leerling op weg te gaan of onderweg te zijn geldt ook nog voor Christen vandaag. We mogen levensperspectief aanbieden aan mensen die nieuw perspectief zoeken en dat doen in het krachtveld van de Geest.

     

    Jes.52.1-6,

    Een oproep aan Sion, de terug gekeerde ballingen, om te ontwaken. God heeft de gevangene, om niets, weer vrij gekocht. God zegt: eens zal het volk weer beseffen dan ik het ben die zegt: Hier ben ik. Of elders: Ik zal er zijn (ex.3). Dit geldt door de eeuwen heen als jullie je gevangen voelen of gevangen zijn door andere heersers of opvattingen. 

    Ontwaken om andere wegen in te slaan is steeds weer mogelijk bij God.

     

    Ps. 85.

    Een bede tot God om als helper terug te keren en mensen weer tot  'leven' te brengen. God vergeld geen kwaad met kwaad,  beschrijft deze psalmist. De ommekeer staat in deze Psalm centraal, zowel die van mensen als van God. Dat opstaan en op weg gaan en omkeren op een ingeslagen weg, kan ook vandaag met als gevolg vrede en gerechtigheid, genade en waarheid bewerkstelligen, ook in de 21ste eeuw.

    (Ef.1.1-14),
    In Christus, zegt Paulus, heeft God ons vol liefde uitgekozen, om voor hem heilig en zuiver te zijn. En ons voorbestemd om in Jezus Christus, verlost door zijn bloed, zijn kinderen te worden. Dank zij Gods rijke genade zijn onze zonden vergeven. Door Christus heeft u de boodschap van waarheid gehoord, en het evangelie van uw redding, in Hem bent u gekenmerkt met het stempel van de heilige geest, die ons beloofd is als voorschot op zijn erfenis. Opdat allen die hij zich heeft verworven verlost zullen worden tot eer van Gods grootheid. Paulus baseert zijn hoop op de kracht van Christus, maar ook de de Geest, die de garantie daarvoor is. Deze kracht kan daadwerkelijk ingezet worden om te leven naar Jezus voorbeeld als strijd tegen de maatschappelijke dood.

    Mc.6.6b-13.
    Context: Door de houding van de mensen in zijn vaderstad, raakt Jezus geblokkeerd. Er kan bijna geen kracht van hem uitgaan

    6b.Jezus gaat daarna rondtrekken in de dorpen in de omgeving. Dan zendt hij zijn 12 leerlingen uit om zelfstandig aan het werk te gaan. Daarvoor geeft hij wel enige voorwaarden aan: twee aan twee, niets meenemen onderweg alleen een stok, wel sandalen, geen extra kleren. Zij krijgen de macht over onreine geesten en de instructie als jullie onderdak krijgen dan kan je er blijven tot je verder reist.  Maar als er plaatsen zijn waar jullie niet welkom zijn, zoals in Nazareth, ga verder en schud het stof van je voeten. Dus ga op weg zonder ballast of strijd.

    Ondanks dat ze niets voor zichzelf mee mochten nemen, namen ze wel olie mee om zieken te zalven, hen te genezen, demonen uitdrijven en al doende het goede nieuws bekend maken om mensen tot inkeer te brengen.

    Hun verslag doen leerlingen in de verzen 30-31.

    De opdracht van de leerlingen is hetzelfde als die van Jezus: prediken, genezen, rondtrekken, onreinheid opheffen en verder gaan als het niet gewenst lijkt (1-6a).

    Demonen De leerlingen dreven veel demonen uit, zalfde zieken en genazen hen. Waar staan de demonen voor? Wat is het verband met de onreine geesten. In het Marcus evangelie zijn beide begrippen inwisselbaar. Jezus geeft de leerlingen de macht over de onreine geesten. In vers 13 staat dat ze vele demonen uitdreven.

    Mensen waren op de hoogte van de verhalen over demonen in de verhalen die nu o.a.ons overgeleverd zijn in het eerste testament. Vooral in de inter-testamentaire periode krijgen demonen meer betekenis (zie Henoch en Qumram). Het werd vooral gezien als  'boze geesten' die niet overeenkwamen met de levenswijzen die, mensen als beelden God in de weg zouden staan en die in de Tora vermeld stonden. Jezus geeft daar een nieuwe invulling in.

    Het programma van Jezus is duidelijk: prediken in de synagogen en in heel Galilea drijft hij demonen uit.(1.39). Voor dat programma werft hij ook zijn leerlingen (3.14-15). In 6.7. krijgen zij de macht over onreine geesten en worden op weg gezonden. Tegenwoordig zouden we zeggen: een stage.

    De onreine geesten lijken zeer verschillend. De vraag kan hier gesteld worden of het niet alleen om geesteszieken ging, waar deze woorden vaak mee geassocieerd worden, maar ook om een andere visie in woord en daad op de macht van de Leer vanuit de tempel en het  Romeinse Rijk, waar denkbeelden aan ten grondslag lagen waar Jezus tegen in ging. Hij gaf in zijn leer met gezag (1.22) een andere interpretatie aan de Tora en stelde kritische vragen bij de maatschappelijke klassieke deugden – eer, heldendom, macht, kracht, potentie en de god – Keizer verering – van het Romeinse Rijk. Deze opvattingen hielden mensen gevangen in hun denken en doen. Jezus stelde daar bevrijdende daden en woorden tegenover. 

    De onreine geesten lijken  zeer verschillend. In 3.23 wordt de verbinding demon – satan gemaakt. In 9.18 lukt het leerlingen niet een onreine geest uit te drijven. Deze was kennelijk zeer speciaal. Want hij maakte de zoon sprakeloos. De beschrijving duidt hier op een ziekte, als een epileptische aanval. Maar een onreine geest, die sprakeloos maakt kan ook verstijven cq. onvruchtbaar maken, zoals de verhalen over het verdorde zaad, de verdorde vijgenboom of de verstijfde hand.

    Al met al gaat het dus meer over ongerechtigheid in de mens, als geschapen beeld van God. En de opdracht aan de leerlingen bevrijdend te werken. Dat wil zeggen mensen weer een levend leven aan te bieden. In Jesaja wordt Sion opgeroepen zich om te keren. In het tweede testament gaat het uiteindelijk om Jezus die de 'demonen' heeft over wonnen door zijn bevrijdend handelen in zijn leven, sterven en opstanding. Opdat wij Leven.

    Op weg gaan en op weg zijn'. Op weg gaan zonder persoonlijke bezittingen. We zouden nu daarbij kunnen zeggen zonder eigen vooroordelen, leergezag etc, maar met een open mind om de ander te ontmoeten, een luisterend oor, gastvrijheid.

    Bij de opdracht van de leerlingen gaat het er om, om in denken en doen de mensen bij te staan ongezien hun sympathie en antipathie voor anderen. En door hun werkwijze laten zien dat aan elke mens aandacht besteed mag worden, ook als deze door anderen uitgesloten / uitgestoten werd. Alzo deed Jezus. In het begin alleen voor mensen in en nabij de synagogen, maar later ook voor niet tot de joodse gemeenschap behorende ' buitenstaanders en buitenlanders' die op zijn en de leerlingen hun pad kwamen.

    Geloofsgemeenschappen zijn tegenwoordig vaak samengesteld uit mensen met diverse denkbeelden. Door op te trekken met elkaar en ervaringen en meningen te delen in viering en leerhuis kan dit ten goede komen aan de samenleving en een hechtere opbouw van eigen gemeenschap.

    Voor leerlingen vandaag gaat het erom niet alleen voor hun eigen geloofsgemeenschap aandacht te hebben en te proberen op wat daar gehoord en geleerd wordt te trachten in de eigen levenspraktijk door te laten werken.  Maar ook te trachten met elkaar, in dat kader, te bezien wat er aan onrecht is in economie en politiek en te analyseren welke gedachten daar aan ten grondslag liggen. Om daarvan uit te bezien of er vanuit de geloofsgemeenschap meegewerkt kan worden aan verandering. Als eerste kan er natuurlijk geholpen worden onder protest. Er moet, via een voedselbank bijv. brood op de plank komen, of even een lening gegeven worden als al maanden een PGB nog niet is uitbetaald.  Een geloofsgemeenschap zal ook met elkaar op weg kunnen gaan, of al onderweg zijn, om telkens weer te bezien welke mogelijkheden zij heeft om in te spelen op veranderingen in het maatschappelijk leven en welke gedachten daaraan ten grondslag liggen met de consequenties voor zichzelf en anderen. Daarbij zal ze zich niet alleen in eigen gemeenschap moeten in zetten, maar juist uitgaan van de mogelijkheden om te participeren in samenleving, in eigen  buurt met andere organisaties. Aansluiting zoeken of zelf initiatieven nemen, wat in eigen context mogelijk of noodzakelijk is. Waarbij uitgegaan wordt hoe zoveel mogelijk mensen in de buurt bij gezamenlijke activiteiten te betrekken. De bijgebouwen bij een kerk kunnen vaak heel goed dienen voor wijkbijeenkomsten of plaatsen waar gemeenschappelijke maaltijden, huiswerkbegeleiding worden georganiseerd voor heel de buurt. Er kan een plek gecreëerd wordt waar mensen dagelijks kunnen binnen lopen om even op adem te komen of anderen te ontmoeten. Waar een mogelijkheid zou kunnen zijn om hand en spandiensten met elkaar te ruilen en mensen die het nodig hebben een maatje kunnen vinden voor: ondersteuning bij de Nederlandse taal of om samen een ommetje te maken etc.

    De 12 uitgezonden leerlingen vormden het begin. Zij kwamen weer bij elkaar om hun ervaringen te delen en zijn zelfstandig doorgegaan in het krachtveld van de Geest. En nu zijn er ontelbare leerlingen die nog steeds de zelfde opdracht hebben: op weg te gaan, te trachten perspectief aan te bieden, daar waar nog geen wegen zijn, in hun maatschappelijke context.

    Héleen Broekema (TWG)  

    Mensen gevraagd.

    Mensen gevraagd om vrede te leren waar geweld door de eeuwen model heeft gestaan. Mensen gevraagd die de wegen markeren waarop alles wat leven heeft verder kan gaan.

     

    Mensen gevraagd om de noodklok te luiden en om tegen de waanzin de straat op te gaan. Mensen gevraagd om de tekens te duiden die alleen nog moedwillig zijn mis te verstaan.

     

    Mensen gevraagd om hun nek uit te steken voor een andere tijd en een andere moraal. Mensen om ijzer met handen te breken ook al lijkt het ondoenlijk en paradoxaal.

     

    Mensen gevraagd om hun stem te verheffen verontrust door een wapen dat niemand ontziet. Mensen die helder de waarheid beseffen dat wie mikt op de ander zichzelf ook beschiet.

     

    Mensen gevraagd die in naam van de vrede voor het behoud van de aarde en al wat leeft wapens het liefst tot een ploeg willen smeden voor de oogst die aan allen weer overvloed geeft.

    Mensen gevraagd. Dringend mensen gevraagd. Mensen te midden van mensen gevraagd.
    Coen Poort. 

    28 juni 2015

    2e zondag van de zomer 28 juni 2015

     Ed. Hoornik dichtte onder meer de volgende regel:

    ‘Ik ben de kleine dochter van Jairus.
    Ik lig hier op een veel te grote baar.
    De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
    dat, nu de krul eruit is, zonder zwier is’.

    Een gedicht van Ida Gerhardt, ‘Het dochtertje van Jairus’, begint als volgt:

    ‘Zij zagen haar verwonderd aan,
    het meisje dat was opgestaan.’
    Even verder luidt het:
    ‘Dat wat een wonder is van taal
    Ik las als kind het honderdmaal.’

    Professor Th. M. van Leeuwen heeft in zijn boek Van horen zeggen. Geschiedenis en uitleg van de Bijbel 1 naar aanleiding van de perikoop Marcus 5, 22-43 beschreven welke methodiek je kunt hanteren om te exegetiseren zonder de grondtekst te gebruiken omdat je die niet kent. Hij raadt aan dan eerst de tekst op zich te analyseren en deze vervolgens te plaatsen tegen de achtergrond van andere bijbelteksten. Een betekenis levert dit niet op, maar wel verschillende mogelijkheden van interpreteren. De bedoeling van deze ‘leesoefening´ is om iedereen die interesse en tijd heeft te laten zien dat je zelf met teksten bezig kunt zijn zonder veel hulpmiddelen, in een poging ze voor nu betekenis te geven. Aangezien ik van mening ben dat deze methodiek ook werkt als je de grondtalen wel beheerst, zal ik zijn methodiek in onderstaande preekschets volgen.

    Inleiding

    In de perikoop Marcus 5, 22-43 worden drie verhaalsoorten gebruikt die we moeilijk kunnen bevatten: Het zijn de verhalen van een genezing, een opwekkingsverhaal en het wonder van de taal waarin die beide verhalen worden verteld. Ik geef u hier die perikoop in de vertaling van Peter Oussoren. Hij is in ons taalveld degene die in de bijbelvertaling het dichtst bij de grondtekst blijft.2 Ik zet in navolging van Van Leeuwen (die dit doet aan de hand van de Willibrord vertaling) a,b,en c bij de diverse onderdelen.

    21. Als Jezus in de boot weer oversteekt 
    naar de overkant,
    verzamelt zich een grote schare bij hem,
    nu hij daar is, bij de zee.

    1. 22 Er komt een van de synagoge-oversten aan, 

    wiens naam is Jairus,
    en als hij hem ziet
    valt hij neer voor zijn voeten,

    23. En pleit dringend bij hem, zeggend: 
    mijn dochtertje ligt op haar uiterste,-
    dat u komt en haar de handen oplegt,
    opdat zij gered wordt en leeft!

    24. Hij gaat weg, met hem mee,
    en hem is een grote schare gevolgd,
    en zij drongen tegen hem samen.
    b. 25. Een vrouw die een bloedvloeiing heeft,
    al twaalf jaren,
    26. En veel heeft moeten lijden
    onder vele dokters
    en alles van haar kant eraan heeft besteed
    en er helemaal geen baat bij heeft gehad
    maar eerder bij nog erger is uitgekomen,-
    27. Als zij alles hoort over Jezus
    weet zij in de schare achter hem te komen
    en pakt zijn kleed vast:
    28. Want, heeft ze gezegd, als ik maar
    zijn kleed vastpak zal ik worden gered!
    29. Meteen valt de bron van haar bloeden droog;
    en aan het eigen lijf herkent ze
    dat ze geneest van haar kwaal.
    30. Meteen herkent Jezus aan zichzelf
    dat er kracht uit hem weggaat,
    hij draait zich om, daar in die schare,
    en heeft gezegd:
    wie heeft mijn kleren vastgepakt?
    31. Zijn leerlingen hebben tot hem gezegd:
    u kijkt hoe de schare tegen u opdringt
    en nog zegt u: wie heeft me vastgepakt?
    32. Hij is om zich heen blijven kijken
    om haar te zien die dat had gedaan.
    33 En de vrouw, in vreze en beven,
    wetend wat aan haar is geschied,
    komt en valt voor hem neer
    en zegt hem alles naar waarheid.
    34. Hij zegt tot haar:
    ‘dochter, dit geloof van jou
    heeft je gered;
    ga heen in vrede,
    en wees gezond, vrij van je kwaal!’
    c. 35. Terwijl hij nog spreekt
    komen ze van de synagoge-overste zeggen:
    je dochter is gestorven;
    wat val je de leermeester nog lastig?
    36. Maar als Jezus dit woord gesproken
    hoort worden,
    zegt hij tot de synagoge-overste:
    vrees niet, geloof alleen!!

    37. Hij laat niemand toe
    om samen met hem te volgen
    behalve Petrus, Jacobus en
    Jacobus’ broer Johannes.

    38. Zij komen aan bij het huis
    van de synagoge-overste
    en hij aanschouwt het: het misbaar,
    en hevig huilende en jammerende mensen,
    39. Als hij binnen komt, zegt hij tot hen
    waarom maakt ge zo’n misbaar en huilt ge?
    het kind is niet gestorven, maar slaapt!
    40. Ze hebben hem uitgelachen.
    Maar hij drijft ze allemaal uit,
    neemt de vader van het kind en de moeder
    en zijn metgezellen mee,
    en treedt naar binnen daar waar het kind is.
    41. Hij grijpt de hand van het kind
    en zegt tot haar:
    talitha koem!, dat is in vertaling
    Meiske, jou zeg ik: word wakker!
    42. Meteen staat het meisje op,
    en heeft een stukje kunnen lopen;
    ze is immers twaalf jaar.
    Meteen zijn ze buiten zichzelf,
    helemaal buiten zichzelf.
    43. Hij gebiedt hun ernstig
    dat niemand hier kennis van mag krijgen,
    en zegt dat haar
    iets te eten moet worden gegeven.

    Begin, einde en indeling.

    Een van de eerste vragen die je kunt stellen is of dit een afgerond geheel is. Om een antwoord te vinden op die vraag heb je concordantie noch woordenboek of een ander hulpmiddel nodig.
    Als je door het Marcus-evangelie bladert, merk je dat nieuwe gedeelten al spoedig beginnen met een verplaatsing. Dat gebeurt in onze perikoop in vers 21 en dat geschiedt weer in 6,1. We lezen daar respectievelijk ’Als Jezus in de boot weer oversteekt…’ en ‘Hij gaat weg daarvandaan…’ Wij hebben dus een goede reden om aan te nemen dat 5,21-43 een bijbelgedeelte is met een helder begin en einde.
    We kunnen nu een poging doen om grofweg structuur te ontdekken in deze perikoop:
    in de inleidende zin lezen we dat Jezus weer in de boot naar de overkant gaat en in een grote menigte terecht komt.
    -(a) In de verzen 22-24 begint het verhaal over Jairus’ ernstig zieke dochter. Jezus gaat naar haar op weg;
    -(b) In 25-34 wordt dat verhaal onderbroken: Jezus wordt door een zieke vrouw aangeraakt; zij wordt genezen;
    -(c) In 35-43 gaat het verhaal over Jairus’ dochter verder; zij is gestorven, maar Jezus doet haar opstaan.

    Dit drieluik doet de vraag opkomen waar nu het accent op ligt: vormen (a) en( )c samen het ‘hoofdverhaal’ en is (b) alleen een intermezzo dat als doel heeft om aan te geven waarom Jezus te laat kwam om een ziek kind te genezen?
    Staat het verhaal over de genezing van de vrouw dus in dienst van dat andere verhaal? Of heeft het zijn eigen belang en zijn er dus twee accenten?
    Als je naar verschillende vertalingen kijkt, lijken beide opties mogelijk te zijn. Zo heeft de NBG-vertaling boven het hele stuk staan: ’Het dochtertje van Jairus,’ aldus de suggestie wekkend dat het verhaal over Jairus’ dochter het hoofdaccent krijgt. Anderen kiezen voor een titel die doet uitkomen dat het om twee verhalen in een gaat: ‘Overwinnaar van ziekte en dood’ (Groot Nieuws).. ‘ Twee vrouwen gered’ (Will.-vert.). Ik stel voor dat we het voorlopig maar op het laatste houden , aangezien dit het geheel meer recht doet: twee verhalen, met ieder een eigen pointe, zijn tot een samenhangend geheel gemaakt.

    Vertalingen
    Nu we eenmaal de tekst voor ons hebben (zie boven) in een concordante vertaling, is het hier niet nodig nog andere vertalingen er naast te leggen omdat een concordante vertaling –als deze correct is– de informatie verschaft die we nodig hebben. Een van de eerste vragen die we aan de tekst mogen stellen, is of deze de grondtekst consequent weer geeft. Letten we op de woorden ‘redden’ en ‘geloven’. We zien deze tweeslag in de verzen 28, 34. En in vers 36 horen we dat Jezus tegen de synagoge-overste zegt: ’uw geloof heeft u gered’. We kunnen reeds hier al concluderen dat de reddingsacties van Jezus geen magische gebeurtenissen zijn, maar afhangen van het geloof van degene die respectievelijk genezen wordt en uit de dood opstaat (hier bij monde van haar vader). De genezing en de opstanding zijn dus niet het gevolg van magische handelingen, maar vrucht van het geloof.

    In vers 23 horen we van het dochtertje van Jairus dat ze in haar uiterste ligt. Doodzieker kan dus niet. Hier vertaalt M.H. van der Zeyde (evenals de NBG vertaling) ‘ het loopt af’, maar dat zegt de grondtekst dus niet. Andere oneffenheden in vertalingen die aan de vertaling van Oussoren vooraf gaan, hoeven hier op een na niet genoemd te worden, omdat de vertaling van Oussoren correct is en overeenkomstig de grondtaal. Behalve wellicht in vers 36 waar hij vertaalt: ’Maar als Jezus dit woord gesproken hoort worden’. In de Will. Vert., die van Van der Zeyde en de Leidse vertaling staat hier dat Jezus ‘hoorde’ wat er gezegd werd. Anderen zeggen juist dat ‘hij er geen aandacht aan schonk’, er ‘niet naar luisterde (Brouwer, NBG-vertaling). Beide bedoelen wellicht : Jezus vangt op wat wordt gezegd, maar hij gaat er niet op in. Ik denk dat Oussoren het laatste bedoelt en ik vind het daarom daar correct vertaald.

    Kernwoorden
    Zoals ik hierboven al summier aangaf, zijn de kernwoorden ‘gered worden’ (23, 28, en 34) en ‘geloven’ (34, 36). Deze woorden komen in beide verhalen, die van de bloedvloeiende vrouw en het dochtertje van Jairus voor. In 23 staat ‘gered worden’ in combinatie met ‘in leven blijven’. De tegenstelling daarvan is ‘sterven’ (35, 39) .

    Sterven wordt ook tegenover ‘slapen’ gesteld. Dat woord van Jezus mag niet opgevat worden alsof het meisje niet gestorven is. Jezus heeft, wanneer hij dit zegt, haar in het geheel nog niet gezien. Voor hem is de dood echter geen laatste realiteit. In het bewustzijn van zijn opstandingsmacht noemt hij de dood een slaap. Slapen is in het Oude Testament vaker een aanduiding van de dood (vgl.bv. ps. 76,6, Dan. 12,2). Daar wordt de dood als slapen omschreven, namelijk slapen in het licht van God. De dood is een slaap omdat God deze zo ziet. Naast deze meest centrale woorden vallen kleinere woorden die meermalen voorkomen en soms haast ongemerkt een samenhang tussen de delen van de tekst bewerkstelligen: ‘ menigte’ of ‘schare’ in 21, 24 (beide keren ‘ een grote menigte’, 27, 30, 31, tweemaal in combinatie met ‘opdringen’). En ‘zich neerwerpen’ in 22 (Jairus werpt zich voor Jezus’ voeten) en 35 (de vrouw werpt zich voor hem neer). Voorts:
    ‘ twaalf jaar’ in 25 en 42
    ‘ aanraken’ in 27, 28, 30 en 31
    ‘meteen’, terstond in 29. 30, 31
    In het vervolg moet blijken wat deze woordjes voor waarde hebben.

    Personen en rollen

    Bij een verhalende tekst als Marcus 5: 21-43 kun je vragen: welke rollen hebben ze? Hoe reageren ze op elkaar? Wie worden er in bepaalde scenes genoemd? Wie treden er handelend op? Wie worden er in bepaalde scenes genoemd, over wie wordt er gezwegen? In ons geval betreft dat de volgende personen:-
    - In vers 21: een grote menigte
    - In a. 22- 24 Jairus en de menigte
    - In b. 25-31 de vrouw, de menigte; de leerlingen
    - In c. 35- 43 mensen uit Jairus’ omgeving, als boodschappers en als klagende omstanders, de drie leerlingen, Jairus zijn vrouw en hun dochter.
    Om te beginnen is er een menigte van kennelijk nieuwsgierige mensen.
    De menigte dunt na b. aanzienlijk uit. Over Jairus wordt in b. gezwegen.
    Na b., in c. Tot onderdeel c leek wat er gebeurde nauwelijks door Jezus zelf te worden bepaald . Maar van nu af aan heeft Jezus de regie zelf in handen. Hij stuurt de menigte weg, slechts drie leerlingen mogen mee. Bij Jairus’ huis is er weer een groep, nu van rouwende mensen. Dezen verwachten niets meer van Jezus; ze lachten hem uit (40). Op dit gelach volgt een krachtige reactie: Jezus gaat het huis binnen en gooit hen er allemaal uit. Met enkel de ouders en de drie leerlingen gaat Jezus de kamer binnen waar het meisje ligt. Hij wekt haar tot leven. Tot grote verwondering van de vijf omstanders. We kunnen stellen dat heel dit verhaal toewerkt tot deze climax bij Marcus.
    We kunnen zeggen dat er sprake is van een voortdurende intensivering: Is er in de genezing van de vrouw al sprake van een wonderverhaal, in de opwekking van het dode dochtertje van Jairus zeker.
    Toch zit de spanning niet alleen aan het slot, maar evenzeer ook in het midden van het verhaal. Waar de vrouw in angst en beven voor Jezus knielt. Ondertussen staat Jairus te wachten… Het zijn zinnen vol ‘suspense’, waarin Jezus naar voren komt als de betrouwbare, wellicht nog meer dan als een genezer of wonderdoener.

    De context
    Omwille van de ruimte noem ik alleen de directe context. ‘ Toen Jezus weer met de boot naar de overkant gegaan was.. ‘ Het begin van de tekst verbindt hem met de voorafgaande. Het eerste deel van het Marcus-evangelie, tot 7,24 speelt zich af in Galilea, het noordelijk deel van Israël. Marcus 4, 35- 5,43 is dus één grote compositie. Hoewel een nauwkeurige geografische omschrijving bij sommige onderdelen ontbreekt . Ook de tijdsbepaling is niet altijd even duidelijk.
     

    Waarover gaat de trits verhalen in 4:35- 5:45?
    Het eerste van het drietal over de storm op het meer (4, 35 vv.) vertelt over de angst van de leerlingen om te vergaan en over Jezus’ vermaning het vertrouwen niet te vroeg te verliezen. ‘Waarom zijn jullie zo bang, hebben jullie dan geen geloof?´ vraagt hij.
    Het tweede verhaal in 5,1-20 vertelt van een bezetene die tussen de graven leeft, door de mensen uitgestoten. Hij is eigenlijk een voortijdig dood verklaarde. Jezus toont hem Gods ontferming door de boze geesten uit te drijven.
    Ons verhaal is het derde en laatste in deze trits. Het gaat door op elementen uit de twee voorafgaande verhalen en voert dit verhaal tot een climax. Waar in de storm de leerlingen het in wanhoop opgaven, houdt de zieke vrouw (al twaalf jaar ziek!) met de moed der wanhoop het geloof vast dat er redding is, en dan is er redding. En waar de Gerasenen de man hadden doodverklaard, hebben in ons verhaal de omstanders het meisje dood verklaard en ze is dood! Maar zoals de bezetene, die al in het rijk van de dood verkeerde, werd gered, zo nu dat kind van twaalf. Het verbindende thema is het geloof dat er toekomst is en dat Jezus de kracht heeft, door God gegeven, om die toekomst te openen.

    Aanwijzingen voor de preek

    1. Het kan een goede gedachte zijn je hoorders eens te wijzen op het plezier wat je aan een concordante vertaling kunt hebben, hoe deze je snel op de crux brengt van een bijbelgedeelte.

    2. Het geloof is uit het horen, zeggen we weleens. Welk geloof wordt getriggerd door dit wonderverhaal en opstandingsverhaal? Wat kunnen we ermee voor onszelf, maar ook voor de wereld?

    3. Vrees niet, maar geloof, zegt Jezus. Ik denk dat dit de centrale tekst kan vormen voor de preek. Deze tekst vraagt dan ook om de meeste uitwerking.

    Lies van der Zee

    1 Th. M. van Leeuwen, Van horen zeggen. Geschiedenis en uitleg van de bijbel, Meppel 1997.
    2 P. Oussoren, De Naardense Bijbel, Vught 20014.

     

    14 juni 2015

    2e zondag na Trinitatis 14 juni 2015

    Ez. 17.22-24, Ps 92, (2 kor.5.1-10), Mc. 4.26-34. 

    De menigte loopt achter Jezus aan. Leerling zijn vraagt om training en verdieping, toen en nu. De wereld problematiek maakt onmachtig. Hoe kunnen gelovigen of geloofsgemeenschappen elkaar ondersteunen om toch te zaaien, om een tak te worden, als van een mosterdboom, die schaduw geeft aan hen die daarnaar snakken.

    Inleiding.
    Macht willen krijgen via veroveringen of onderdrukking, leidt steeds weer tot niets. Het gevolg is wel vele slachtoffers, volksverhuizingen en onheil. Niet alleen in de verhalen in het eerste testament, maar ook in de wereldgeschiedenis.
    Ezechiël geeft tussen allerlei door God ingegeven onheils schetsen, enkele verzen van troost, over God die toch weer een twijgje zal enten. 

    • De Psalm van de zondag schetst Gods daden als een rots om op te vertrouwen. 
    • Paulus beschrijft aan de gemeente in Korinte hoe te handelen op aarde, naar Jezus' voorbeeld.
    • Marcus beschrijft, na de val van Jeruzalem, voor de volgelingen van Jezus in Rome dat het Rijk van God is als een mosterdboom. Jezus, is als een zaaier, die het woord gezaaid heeft. Al was dit maar zo klein als een mosterdzaadje het kan uitgroeien tot een boom die schaduw geeft. De  leerlingen krijgen de  opdracht eveneens te zaaien en een afschaduwing te zijn van het Rijk van God dat is en komende is, naar Jezus voorbeeld. 

    Ez. 17.22-24,
    Context: Zedekia pleegt trouwbreuk, zowel ten aanzien van het verbond met God als ten aanzien van zijn verbond met de koning van Babel. Hij zoekt toenadering met Egypte, het voormalige slavenhuis, om hem te verlossen van ,Babel.  Dat loopt helemaal mis.17.1-10 Het raadsel van de adelaars. 11-21.De boodschap aan het opstandige volk.

    22-24. Ondanks alle misstappen van koning en volk, enkele woorden van troost. Ondanks de ontstane situatie zal God een twijgje enten uit een hoge ceder (op de Libanon) en deze planten op de hoogste berg van Israël. En dit twijgje zal vrucht dragen en daar weer schaduw geven. Een nieuw toekomst perspectief. Dan zullen alle bomen beseffen, dat ik de Heer een hoge boom vel, een gezonde boom laat verdorren en een verdorde boom weer laat bloeien. Wat de Heer zegt, zal hij doen.

    Ps 92.Een zondagspsalm.
    Wat de Heer zegt zal hij doen, Hij is onze rots. Lof voor de Heer wordt bezongen in deze psalm, als Gods grote daden. Deze daden van God zouden de gehele dag moeten worden bezongen. Gods openbaringen, zijn daden, kunnen worden gezien als bijvoeglijke naamwoorden bij de NAAM. Het zijn Gods deugden, waar mensen als beelden van God een afspiegeling van zouden moeten zijn.Gods deugden worden vaak samengevat als Liefde

    (2 kor.5.1-10),
    De Geest als onderpand, om het leven in de aardse tent vol te houden, met een hemelse woning als perspectief. Waar wel verantwoording gevraagd wordt van aardse daden.

    Mc. 4.26-34
    Context: Koninkrijk gelijkenissen. Jezus, onderwijst bij het meer van Galilea, maar spreekt in gelijkenissen.3-10. De boer die zaait en het zaad komt op verschillende plaatsen terecht. Een gedeelte brengt percentages oogst op.10-12. Aan de leerlingen wordt het geheim van het koninkrijk onthuld. De leerlingen begrijpen dit geheim nog niet, zij vragen verduidelijking. 13-20 Het woord, is als zaad, dat ergens valt, maar verschillend, of geen vrucht draagt. Jezus is de zaaier. Hij zaait het woord dat effect moet hebben tot ander inzicht. Zij die geloven, dat zullen zijn leerlingen zijn,o.a. de twaalf (3.16). 21. Tegen de menigte spreekt Jezus dan weer over een lamp, die je niet onder de korenmaat plaatst. De lamp kan gezien worden als de Tora, die immers is als een lamp/licht voor je voet (ps. 105,119), maar ook als Jezus zelf, als het licht voor en van de wereld (Joh.8.12).24. De maat waarmee je meet, daarmee zal jouw de maat genomen worden. Wie oren heeft die hore.

    26-34. Als Jezus alleen was met zijn leerlingen gaf hij hun uitleg over  het koninkrijk van God . In dit hoofdstuk wordt er met deze uitleg een begin gemaakt. Opdat zij meer inzicht zouden krijgen in Jezus zending en toegerust te worden tot hun toekomstige taak: uitzending in het Rijk van God, dat is en komende is.

    26-29: Hier wordt het koninkrijk van God vergeleken met een zaaier. Een zaaier, die zaait en pas bij de oogst het resultaat ziet.  In de tussentijd rijpt het zaad, daar heeft de zaaier weinig invloed op. Wel op de zichtbaarheid hoe het al of niet opkomt, tot aan de oogst.

    30-33. Een vergelijking van het Rijk van God met een mosterdzaadje, dat als het opschiet een heel grote boom kan worden, de grootste van alle planten, die de vogels van de hemel schaduw geeft, zodat ze erin kunnen nestelen.

    Het is als het Twijgje in Ezechiël. (en het rijsje uit de stam van Isai). Het zal het resultaat zijn van de  praktijk van Jezus in opdracht van God, die voortgezet moet worden door zijn leerlingen. Zij zullen moeten werken, tussen de mensen, als een zaaier, zodat er in de wereld mosterdplanten zullen opschieten. Hoeveel schaduw de takken verspreiden, is dus aan de takken. Mensen, leerlingen, zijn als takken die wel, minder of geen schaduw geven. Mensen als verantwoordelijke voor de schaduw, het recht in eigen omgeving en de wereld. Door zo te handelen zal praktijk van Jezus en zijn leerlingen die klein begon, groot eindigen, zoals een mosterdzaadje. Zij zal in Marcus ogen, de praktijk van de Farizeeën doen verdwijnen. Dat leek er op, na de verwoesting van Jeruzalem. Lang heeft het Christendom dan ook het Jodendom als secondair gezien. Nu wordt langzamerhand beseft hoe belangrijk, ook voor het Christendom en de Islam, de joodse geschriften zijn en zijn geweest.

    Leerling zijn: zaaien en tegelijk zijn als een Mosterdplant.
    Het twijgje in Ezechiël en het mosterdzaadje in Marcus hebben een overeenkomst. Beide zijn symbool voor een nieuwe toekomst. Een nieuwe boom, die schaduw geeft aan velen, zoals het rijk van God. Het verschil is dat het twijgje een profetie is. De gelijkenis van het mosterdzaadje is een duidelijke opdracht aan de leerlingen. Zij hebben de verantwoordelijkheid om in het rijk van God te zaaien, zodat alle volken onder die grote boom kunnen leven, rechtvaardige en onrechtvaardige. Maar hoe? Jezus, is bezig door zijn woord en praktijk de leerlingen daarin inzicht te geven. Zijn richtlijn is daarvoor zijn woorden en daden geënt op de 10 woorden en de daden van God (Ps. 92).

    De daden van Gods, zijn deugden worden samengevat als Gods liefde. Een afspiegeling daarvan wordt beschreven als de 7 werken van  barmhartigheid.

    Sinds de tweede wereldoorlog valt Pinksteren midden in bevrijdingsherdenkingen Dit jaar in april, mei en juni, van 70 en 71 jaar bevrijding. Een dubbel gevoel: ons land dat in oorlog is, dat zijn voormalige doden herdenkt en zijn bevrijdingsdagen viert. Terwijl in Midden-Oosten de ene partij rebellen of regeringslegers tegen de nadere partij strijd. Daar de steden verwoest worden, waar de plaatjes o.a. van Rotterdam en Dresden aan doen denken. Met als gevolg mensen in kampen, op de vlucht verkracht, uitgebuit, op zee verdronken, asiel geweigerd. In Nederland worden nog steeds als  illegaal benoemde mensen opgepakt en ingesloten. En als ze niet uitzetbaar zijn naar vele maanden weer op straat gezet, geklinkerd. Daarover werd bij de discussie over een bed, bad, en brood regeling niet gesproken. Het laatste woord over de vermeende oplossing is er nog lang niet. Mensen zijn zich kennelijk ook niet meer gedachtig wat er gebeurde in de dertiger jaren toen Nederland ook vluchtelingen niet welkom waren of geweigerd werden. Bovendien weer een verschrikkelijke aardbeving in Nepal. De situatie in de wereld die elke dag ons via verschillende media bereikt geeft onmacht ondanks het leven in vrijheid. Vrijheid is niet onbeperkt kunnen uiten wat je wil zeggen, soms ten koste van anderen. Vrijheid is gebruik te kunnen maken om misstanden het onrecht dat anderen aangedaan wordt aan te tonen en mee te werken aan mogelijk heden voor vrede.

    Christenen hebben onlangs weer Pinksteren gevierd. Het feest ook bestempeld als feest van de missionaire opdracht. Een missionaire opdracht, moet niet als doel hebben te getuigen van grote daden of zoveel bekeerlingen. Jezus werk begon klein, zoals bij alle mensen, bij zijn doop stelt de aanduiding hem apart. Zoals ook Christenen apart gesteld worden door hun roeping in de wereld middels hun doop. Na Jezus doop volgt eerst bezinning, dan daden, een menigte loopt hem na, weer bezinning (gebed). Een nieuwe strategie: de menigte ontwijken mbt tot wie hij is, maar wel verkondigen en genezen. Bij Marcus heeft Jezus steeds een omslag in zijn strategie na bezinning gebed, in Mc 4. worden leerlingen afgescheiden van de menigte voor inzicht het waarom van Jezus praktijk. Zij krijgen uitleg met andere gelijkenissen/ parabels. 4.10, 33-34. En later de opdracht Jezus werk voort te zetten. Jezus heeft Gods liefde menselijk duidelijk gemaakt. De leerlingen zullen dat voort moeten zetten.

    Leerling zijn is dus ook een kwestie van informatie, analyse en strategie. Keuzes maken wat wel en niet mogelijk is. (Nood)hulp en wederopbouw, moeten worden overlaten aan deskundige en de politiek, die daartoe de gave  en mogelijkheden hebben. Zij kunnen ondersteund worden met financiële bijdrage, maar ook met acties, wake, stilte kringen, vragen en petities om andere beslissingen te maken. Wat ver weg gebeurt komt eerder tot ons dan de problemen in onze straat of wijk of stad. Juist dicht bij is de eerste mogelijkheid om aanwezig te zijn, waar nodig.

    Wat gezaaid wordt, daarvan zien mensen vaak de oogst niet. Aanwezig zijn, schaduwrijk zijn, kan al door een klein woord of gebaar. Individueel een klein gesprekje, met een luisterend oor, zomaar in de supermarkt of in het openbaar vervoer kan door iemand als een schaduw worden ervaren.

    Als geloofsgemeenschap of als gelovige is het juist zaak in eigen omgeving te bezien wat mogelijk is. Samen met andere organisaties kan gewerkt worden aan knelpunten in eigen omgeving. Van belang daarbij is na te gaan wat er mis is en hoe daar verbetering in gebracht kan worden. Verdieping in achtergronden is van belang. Met welke intenties, vanuit welke culturele of ethische opvattingen komen jouw keuzes en die van anderen tot stand?

    De christelijke cultuur heeft tot voor kort door de eeuwen heen ten aanzien van charitatieve werken een leidende rol gespeeld, hetzij positief of negatief, maar de intentie was liefde als beeld van God. En de opdracht van Jezus in zijn liefde te blij ven (joh.15.9-17).Tegenwoordig lijkt het er op dat niet liefde, maar de klassieke maatschappelijke deugden zoals eer, heldenmoed, de deugden zijn die op de voorgrond treden in plaats van recht en gerechtigheid. Militairen worden op allerlei manieren geëerd: medailles, veteranen clubs en veteranen dagen, op ROC's  wordt  geworven voor het leger onder het mom mee te werken vrede en veiligheid. Voetballers, die een kampioenschap behaald hebben, worden als helden ingehaald. Tal van schrijvers, musici en filmproducenten verkrijgen het ene award na het anderen.  In onze neoliberale samenleving speelt prestatie gekoppeld aan de markt, het recht van de sterkste en het individualisme hoogtij. Het lijkt er op dat nationalisme een grotere rol speelt, met als gevolg afwijzing van mensen en culturele uitingen, die niet stroken met de opvattingen van de heersende orde.

    Kunnen geloofsgemeenschappen dan nog een andere rol spelen, door al zaaiend een afspiegeling te creëren als schaduw van de grote boom, het rijk van God, dat is en komende is?
    In onze participatie maatschappij, zal voor geloofsgemeenschappen meer en meer een missionaire taak zijn weggelegd. Zaaien, aanwezig zijn, zoals Jezus aanwezig was in zijn samenleving. Hier en daar schaduw bieden. Maar ook een stem laten horen als het gaat om onrecht. Aantonen waar er een te groot beroep wordt gedaan  op vrijwilligers, terwijl  anderen voor het zelfde werk ontslagen worden. Hulp bieden aan wie geen hulp krijg,t als het gaat om voedsel of onderdak etc.. Diaconale taken zullen ingevuld kunnen worden op een eigentijdse wijze.  Meedoen waar mogelijk met anderen. Initiatieven nemen en anderen daarbij betrekken. Knelpunten zijn daar waar mensen vooroordelen hebben over anderen, niet uit eigen kring. Waardoor mensen niet als gelijkwaardig geaccepteerd worden, mensen zich bedreigd voelen, door andere opvattingen en belevingen t.a.z.v afkomst,  religie, cultuur, sociale rol in de samenleving of geaardheid. Aanwezig zijn in de samenleving heeft een uitstraling. Niet misschien direct op kerkbezoek, maar wel op zingevings- en motivatie vragen. Het woord, de viering, de lofzang, zal daarbij als eerste een ondersteuning zijn voor een geloofsgemeenschap zelf. Het is dan als zaad van God, dat groeit in de harten als zijn Liefde. Daarnaast is toerusting en bezinning intern of met anderen uit de buurt van groot belang, om zicht ter krijgen op problematiek in de omgeving en prioriteiten stellen in de aanpak. Een gebed om verandering of ondersteuning, als de toekomst duister is, valt in onvruchtbare aarde als handen en voeten zich niet inzetten om te werken aan verandering.  Liefdevolle inzet kan als schaduw worden ervaren, al zijn resultaten waarneembaar, of worden deze niet gezien.

    Héleen Broekema (TWG)

    Lied over een heel klein zaadje.

    Een heel klein zaadje waait weg op de wind.  Het ligt ver verloren op straat en niemand die het vindt.
    Zo'n heel klein zaadje dat vang je in je hand. Je dekt het met de aarde toe; dan slaapt het in de grond.
    Zo'n heel klein zaadje wordt wakker van het licht. Het groeit de grond te boven. Het warmt zijn gezicht.
    Zo'n heel klein zaadje is liefdevol gepoot. Dan loopt het uit en wordt een boom, een boom zo sterk, zo groot.
    Zo'n heel klein zaadje groeit langzaam, tak na tak, tot alle vogels zingen in hun grootse dak.
    Zo'n heel klein zaadje is Gods koninkrijk; en groeit en wordt voor iedereen een schuilplaats wereldwijd.
    Dit kleine zaadje, je vangt het in je hart. Het wordt van alle liefde groot, het groeit, als je volhardt.

    Sytse de Vries. (Liedboek zingen in huis en kerk lied 181.)

    7 juni 2015

    1e zondag na Trinitatis 7 Juni 2015

    Het mysterie van Gods Drie-eenheid hoort ons de vorige week aangereikt te zijn als voedingsbodem voor ons leven in Gods schepping.
    Maar mensen halen de meest schandalige ('sjandalige') dingen met elkaar uit, en betichten elkaar van van alles. Het goede nieuws is dat er toch Iemand is die de wil van God wil doen. Welkom in de familie!
     

    Rechters 12:1-6.
    Instrueer de lector in elk geval dat hij of zij dit met verbijstering leest. De hoorder moet het echt verschrikkelijk gaan vinden. Gods volk dat zo te keer gaat op elkaar...

    Zie je overal om je heen conflicten ontstaan? Allerlei ontwikkelingen groeien zo maar tot conflicten uit. Nu weer de roep om meer geld voor defensie, want er dreigen allerlei conflicten bv aan de grenzen van Europa. En de pacifisten maar roepen dat meer wapens nog nooit meer veiligheid opleverden. En iedereen die een andere kant uit kijkt!
    Op de ministeries van defensie is geen afdeling die werkelijk out of the box durft te denken. In termen van 'onze aanpak met inzet van geweld werkt al die duizenden jaren blijkbaar niet – welk alternatief moet er komen'?

    Ik zou in de preek niet te veel op de ins en outs van het toenmalig conflict ingaan; noch op de wat ingewikkelde persoon van de 'sterke leider' die Jefta was.
    Wie wil zal de thematiek van de Bijbel als Boek vol geweld aan kunnen stippen. De feitelijkheid van geweld legitimeert het niet.

    Marcus 3:20-35

    Het is een sandwich-verhaal. Dwz in het verhaal over de familie die de stekker uit het 'Project Jezus' wil halen, wordt een verhaal ingebouwd over gesprekken met 'andersdenkenden'. Wat de familie precies verkeerd aan Hem vindt staat er niet bij. Merkwaardig, want Hij is met goede dingen bezig. Het borduurt voort op het thema dat al eerder opdook: Hij zal weersproken worden. Hij zal dan ook uiteindelijk uit de weg geruimd worden.
    Ik weet eigenlijk niets van dat familie-incident te maken. Het wordt meestal uitgelegd als: “Zelfs zijn familie heeft Hem niet meteen door”. Je denkt dan na over de rol die Maria hier in gespeeld kan hebben. Wat heeft ze hiervan bewaard in haar hart? Maar niet te veel fantaseren over Jozef die niet genoemd wordt. Maar het wordt gauw speculatief.
    Als dat twistgesprek met de schriftgeleerden je boeit – dan moet je verder komen dan dat Jezus zo snedig en ad rem reageert. Geen speld tussen te krijgen. Maar wat is de pointe? Satan als alibi? Satan wiens dagen wel geteld zijn? Is die beeldspraak van de 'Sterkere' (de Messias ?) wel zo vruchtbaar voor ons? We mikken toch liever op Jezus als de Dienstbare, die de wil van God doet! Als de minste van zijn zusters en broeders.

    Van een preek over de 'zonde tegen de Heilige Geest' denk ik steeds, dat die niet landt. Daar zal een echte gedachtenwisseling beter zijn.

    We doen niet zo veel meer aan 'De Wil van God'. Als een onwrikbaar iets vor persoonlijk leven of als bepalend principe van de geschiedenis. Het lijkt me dat de neo-liberale economie aan de markt dat beslissende principe toekent. Die wil gehoorzamen we wel.

    Of het twistgesprek en de familieperikelen op 1 noemer te krijgen zijn? Doe niet te veel moeite, zou ik zeggen. Het zelfde geldt voor de ene noemer van de beide lezingen.
     

    Jan Anne Bos.
     

    24 mei 2015

    Pinksteren 25 mei 2015

    Bijbelgedeelten: Psalm 104, 25-35 Handelingen 2, 1-34 Johannes 14, 8-17

    Aangezien Johannes 14 de afgelopen tijd in het gemeenschappelijk leesrooster niet aan de orde is geweest en aangezien dit bijbelgedeelte ook binnenkort niet in dit rooster aan de orde komt, past het me hier eerst iets in zijn algemeenheid over te zeggen.
    Pinksteren: het is feest en dat moet gevierd worden! Maar wat valt er met Pinsteren dan wel te vieren?
    Uit de naam kun je dat niet zonder toelichting afleiden. Pinksteren - pentekoste in het grieks- is letterlijk immers niet meer dan een rangtelwoord: vijftigste, vijftigste dag na Pasen welteverstaan. Pinksteren is dus geen zelfstandig feest, maar het bestaat bij de ‘gratie’ van Pasen, waarvan het een soort slotfeest vormt.

    Om te beginnen is Pinksteren in Israël van oudsher een oogstfeest geweest: het feest van de eerste vruchten, het wekenfeest. Leviticus 23, 4-22 bericht ons daar uitvoerig over en roept ons tevens op bij het binnenhalen van de oogst niet te inhalig te zijn. Vergeet in Gods naam niet wie van de ‘rand van onze welvaart’ afhankelijk zijn: de arme en de vreemdeling, de ‘marginalen’. Waarschijnlijk herinnert hieraan ook nog het ‘halleluja’-gezang, dat het oude romeinse missaal aangeeft om met Pinksteren te zingen na de voorlezing van Hand. 2, 1-11.: Psalm 104, waarvan vers 30 luidt in de Naardense bijbelvertaling:
    maar zendt gij uw adem,
    zij worden herschapen,
    nieuw maakt gij
    het aanschijn van de bloedrode grond.
    Daarna knielde de hele gemeente en bad: ‘Kom , heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur van uw liefde’.
    Vervolgens werd de beroemde Pinkstersequentie gezongen: ‘ Veni, Sanctus Spiritus’ (zie bijvoorbeeld gezang 238 uit het Liedboek der kerken), waarin de eerste aanspreektitel van de Geest luidt: ’Pater pauperum et dator munerum – Vader der armen en gever der gaven’
    Daarnaast wordt Pinksteren in Israël vanouds gevierd als het ‘feest van de gave van de Torah op de Sinai’. Volgens een oude joodse traditie vond de wetgeving op de Sinai plaats op de vijftigste Pinksteren) dag na de bevrijding uit Egypte (Pasen). Deze Torah bevat alles wat een mens weten moet om naar Gods beeld en gelijkenis met anderen samen te leven.

    De liturgische kleur van Pinksteren is rood als teken van geestdrift en getuigenis. De klassieke evangelielezing voor Pinksteren is Johannes 14, 23-31, maar zoals hierboven aangegeven volgen wij het gemeenschappelijk leesrooster dat Joh. 14, 8-17 als uitgangspunt neemt. Ik vind dat geen bezwaar, als de lezers van deze preekschets zich maar realiseren dat de uitleg van dat gedeelte een ruime plaats in de preek moet krijgen.
    Johannes 14. Dit hoofdstuk behelst de zogenaamde afscheidsrede van Jezus. Zo’n afscheidsrede was destijds zowel bij de Grieken en Romeinen als bij de Joden een geliefd literair genre. Als schrijver kon je daarin nog eens kernachtig weergeven wat degene die heengegaan was volgens jou aan het einde van zijn leven te zeggen had tot hen die na hem leefden en tot hen die achterbleven. In de synoptische evangeliën zult u overigens tevergeefs zoeken naar een parallel van deze afscheidsrede. Deze is typisch Johanneïsch.
    Als afsluiting van deze algemene inleiding wijs ik de lezer nog op de onmiskenbare verwantschap tussen Johannes 14 en 16 (vanaf v. 4b). Er zijn goede gronden om aan te nemen dat de hoofdstukken 15 t/m 17 pas naderhand op deze plaats ingevoegd zijn. Dat wil zeggen dat in de oorspronkelijke opzet van de evangelist het laatste avondmaal besloten werd met de afscheidsrede van Jezus (Joh. 14) en onmiddellijk gevolgd werd door de lijdensgeschiedenis (hoofdstuk 18). Anders gezegd: wat er ook gebeuren mag en hoe de hel ook ieder moment kon losbarsten, ja zelfs wanneer zij Jezus zullen wegmoorden uit de straten van het bestaan, niets kan hem weerhouden om solidair met ons te blijven, ons te bemoedigen door zijn presentie en ons op te roepen zijn woorden te bewaren door ze te doen. Nog voor hij weg is, heeft hij ons dit nota bene al toegezegd! Dat is wat Johannes de hoorders van zijn evangelie in hoofdstuk 14 indringend vertelt door de afscheidswoorden van Jezus aan de eigenlijke lijdensgeschiedenis te doen vooraf gaan. Tot zover een algemene inleiding op Joh. 14

    Omwille van de ruimte ga ik nu wat lijnen uitzetten van Joh. 14, 12-17.
    Deze verzen kenmerken zich door drie beloftes die Jezus doet: In vers 12 lezen we dat de leerlingen als ze op Jezus vertrouwen even grote, ja zelfs grotere werken dan Jezus zullen doen. Dat is een verrassende gedachte. Misschien is het meest verrassende nog wel , dat het doen daarvan rechtstreeks in verband wordt gebracht – dat geeft het woord ‘immers’ in vers 12 aan, in het grieks: oti – met het weggaan van Jezus naar de Vader. Ik herinner de lezer even aan vers 2: In het huis van mijn vader zijn vele woningen: de leerlingen zullen voortaan ‘huis van God’ onder de mensen zijn. Dat kan ook: het huis van de Vader – dat is een aards huis en geen huis in de hemel – is geen eenpersoonskamer, maar heeft veel verblijven. En van hen geldt dan ook wat in vers 10 door Jezus van zichzelf wordt gezegd: : ‘De woorden die wij spreken … uit onszelf zeggen wij ze niet, maar de Vader die in ons blijft, die doet zijn werken’.
    In vers 13 (en 14) horen we de tweede belofte: ‘En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen, zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt.’ Het is niet ondenkbaar dat je als leerling wat bedremmeld staat te kijken bij het horen dat je grotere werken zult doen dan Jezus zelf. Daarom deze toezegging: je kunt vragen in de naam van Jezus, dat wil zeggen een beroep doen op en aanknopen bij datgene waarvoor Jezus heeft gestaan tijdens zijn leven.
    Ontstaat er nu geen tegenspraak tussen ‘ de Vader doet zijn werk ‘(v. 10) en Jezus’ tweevoudige verzekering ‘ik zal het doen’? Het antwoord is nee, want wat Jezus doet is erop gericht dat de grootheid van de Vader zichtbaar wordt. Zo is het uiteindelijk toch de Vader die zowel in Jezus als in de leerlingen zijn werken doet. Daarmee is de gedachtegang bij Johannes rond.
    Voor het eerst in dit hoofdstuk valt in vers 15 het woord ‘liefhebben’. Jezus liefhebben kan volgens Johannes maar op een manier: door zijn woorden te bewaren (doen). Al het andere is franje (vgl. 21, 23 en 24)
    Dan volgt in vers 16 en 17 de derde belofte: ‘ Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven.’ Dit is de eerste van de vijf zogenaamde ‘parakleet-spreuken’ die alleen in de afscheidsredes van Jezus te vinden zijn: in de hoofdstukken 14, 15 en 16. Door over een ‘andere’ parakleet te spreken duidt Jezus hier indirect zichzelf als parakleet aan. Het woord parakleet betekent letterlijk: ‘erbij geroepene’ om te helpen en is bij Johannes een bijzondere benaming voor de Heilige Geest. In hoofdstuk 14 is het de Vader die de Geest geeft (v. 16) respectievelijk zendt (v. 26), terwijl in hoofdstuk 15 en 16 Jezus de ‘zender’ is. ’The Paraclete is the Spirit understood as the presence of the absent Jesus, and by definition the Paraclete and Jesus cannot be on earth together’1
    Deze parakleet kan nader gekwalificeerd worden als ‘de Geest der waarheid’, zoals de weg die Jezus Messias is, nader aangeduid kan worden als ‘de waarheid’. Waarheid, Aletheia, dat wil zeggen dat eindelijk aan het licht zal komen wat de mensen en de dingen in Gods Naam zullen en kunnen zijn.
    De Heilige Geest is een gave van God. Deze kan niet op eigen kracht of met eigen middelen verworven worden. Je ontvangt haar en moet haar delen met vele anderen, die samen haar tempel zijn, het lichaam van de Opgestane, het huis van God bij de mensen. Zo zal deze in jullie zijn en bij jullie blijven (v. 17). Johanneïscher kan het niet eindigen!

    Aanwijzigingen voor de preek
    1. Het gelezen stuk uit Johannes 14 is geen gemakkelijk gedeelte. Er zal veel uitgelegd moeten worden.

    2. Maar als je uitlegt, zal ook over het voetlicht komen wat vers 12 als verrassing oproept: je kunt dezelfde dingen doen als Jezus, ja zelfs nog groter. Als wij als gemeente huis van God zijn, ieder met haar of zijn eigen kenmerken en eigenaardigheden, wat roepen we dan op?

    3. Twijfel: bovenstaande belofte (in vers 12) werd door Jezus gedaan aan ‘wie in hem geloofde’. Hoeveel vertrouwen heb ik zelf nu werkelijk in de woorden die Jezus gezegd heeft, in de keuzen die hij gemaakt heeft, in de weg die hij is gegaan?.. Mag je met onze wijze van geloven niet verwachten, dat er weinig Gods werk uit onze handen komen, omdat we soms te vrijblijvend geloven, te weinig riskant, te kortademig en te weinig creatief? Is dat ook niet het probleem van de spelers in het spel van de verontschuldigingen? Die mensen hebben alles al. Zij hebben helemaal geen feestmaal nodig, die zijn elke dag bij zichzelf te gast!

    4. In het boek Ik geloof van A.A. van Ruler2 staat het volgende over het werk van de Geest: ‘Daarom hebben wij door de Geest ook moed voor de wereld. We leren het zuchten en het jammeren af, zelfs over de zinloosheid van het bestaan […]. Door de Geest gaan we ook met krachtige slag aan de gang. Ieder op zijn eigen plaats. Dat is altijd maar een heel klein plaatsje. Maar de Geest omvat het geheel […].”

    5. We hopen dat uw pinksterpreek zo verrassenderwijs duidelijk maakt dat de hoorders deel van dat geheel mogen zijn.

    Lies van der Zee

    1 R.F. Brown, The Gospel According to John, (xIII-XX1), p. 710-711.
    2 A.A. van Ruler, Ik geloof, Nijkerk 1968.

     

    10 mei 2015

    6e zondag van Pasen/Rogate 10 Mei 2015

    Enige gedachten bij de lezingen van 10 mei, de 6e van Pasen: Jes. 45.15-19, Ps.33.12-22, 1 Joh. 4.7-21, Joh.15, 9-17

    Aan bewust levend als bevrijd zijnde mensen in liefde voor elkaar, de medemens en de natuur, is te zien dat mensen leerlingen van Jezus zijn en handelen in de Geest van God. Een innerlijke weg van het leven en gezonden zijn gaan samen.

    Inleiding:

    10 mei inval van de Duitsers 75 jaar geleden. We hebben afgelopen week, gelukkig, 70 jaar bevrijding kunnen vieren. Deze week wordt de herdenking aan de Hemelvaart van Jezus gevierd. Hij ging ons voor om zijn voorbeelden te volgen voor recht en gerechtigheid, tegen morele onderdrukking, slavernij en mensenrechten, een bevrijding als een 2e Exodus. 

    Bevrijd worden is anders dan bewust bevrijd leven. God redt steeds weer, voor wie naar zijn richtlijnen als beelden van hem trachten te leven. Aan bewust leven als bevrijd zijnde mensen in liefde voor elkaar, de medemens en de natuur, is te zien dat mensen leerlingen van Jezus zijn en handelen in de Geest van God. Een innerlijke weg van het leven en gezonden zijn gaan samen. Uit liefde voor zijn vrienden gaf Jezus zijn leven. Niet in eerste instantie voor de zonde van de wereld, maar door de zonde van hen die zich bedreigt voelde door zijn tekenen en werken. Door daarin te getuigen van zijn voortdurende, tot op het kruis, relatie met God, werd zijn dood, door zijn leerlingen, niet alleen beleefd als de moord op hun leidsman. 

    Zijn leerlingen kwamen langzamerhand tot de ontdekking, dat Jezus onder hen voortleefde. Hij was het zaad in de akker, de weg ten leven en de ware wijnstok. Zijn leerlingen werden in het laatste tafelgesprek, nadat Judas verdwenen was, op het hart gedrukt ranken van zijn wijnstok te zijn. En elkaar lief te hebben en de geboden te onderhouden, zoals hij ze hen had voorgeleefd. Zo werd Jezus ervaren als de ware Messias, die beloofd was. Zijn leerlingen hebben zijn werk, in zijn Geest, de Geest van God voortgezet tot op vandaag.

     Jes. 45.15-19, 

    Context: God spreekt tot Cyrus. Cyrus, een Perzische koning, geen jood, is door God gekozen en gezalfd ,om het Volk in Ballingschap toestemming te geven naar hun land terug te keren.15-19. De reactie van het Volk is het bewustzijn en de dank dat te midden van de goden, het de God van Israël, de Heer is die, steeds weer openbaart en redding brengt. God, die de wereld schiep vanuit chaos, om haar nooit aan chaos ten prooi te doen vallen.
    20 ev. De volken worden opgeroepen God te volgen i.p.v. de goden, die niet redden.

    Ps. 33.12-22.

    Bezingt het geluk van het volk dat de Heer als God heeft. 
     

    1 Joh. 4.7-21, 

    In de context wordt aan de zusters en broeders geschreven niet elke geest te vertrouwen. Slechts de Geest, die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God. Waakt u voor valse profeten. 
    7-21.De zusters en broeders worden bemoedigd elkaar lief te hebben, omdat liefde uit God voortkomt en hij de mensen lief heeft. Door lief te hebben tonen mensen uit God geboren te zijn. God heeft zijn liefde getoond door Jezus, zijn enig geboren zoon. Jezus heeft het voorbeeld van liefde gegeven en zijn leerlingen laten delen in de Geest. Zo zelfs dat hij de redder van de wereld is geworden. Daarom is het van belang dat de geloofsgemeenschap in liefde Jezus voorbeelden volgen. Wie in liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem. Liefde sluit angst uit, angst verondersteld straf. Mensen leveren zich uit aan de machtigen uit angst voor de dood. (Machtigen kunnen ook zijn de mythe van geld, of wapens, waar vrede, welzijn en geluk vanaf zouden hangen).“God redt steeds weer, voor wie naar zijn richtlijnen als beelden van hem trachten te leven.
    God liefhebben is onmogelijk als er geen evenwicht is bij mensen God lief te hebben, door anderen lief te liefhebben. als zichzelf. De innerlijke weg van het Leven. (Marinus van den Berg).Je kunt niet bevriend zijn met een ander, als je niet bevriend bent met jezelf.Je kunt niet trouw zijn aan een ander, als je niet trouw blijft aan jezelf. Je kunt niet samenleven met een ander, als je niet leert leven met jezelf.Je kunt de verschillen van een ander niet aanvaarden, als je jezelf niet leert aanvaarden.Je bouwt een huis op drijfzand, als je niet kunt wonen bij jezelf. Je kunt God niet ontmoeten, als je jezelf niet leert ontmoeten.

    Joh.15, 9-17.

    De innerlijke weg van het leven, gaat samen met gezonden zijn.
    Hoofdstuk 15 -18 beschrijft Johannes als een voortgaand tafelgesprek of als gesprek onderweg nog voor het verlaten van de poort. 

    Context hoofdstuk 15: Ik ben de ware wijnstok. De leerlingen worden gestimuleerd als zijn ranken vruchten te dragen. Dan zal de grootheid van de vader zichtbaar worden. 

    9-17. Jezus zegt ik heb jullie liefgehad, naar het voorbeeld van mijn Vader. Volg dat voorbeeld heb elkaar lief en houdt de geboden, zoals ik die jullie heb voorgeleefd. Dat zal mij volkomen vreugde geven. Ik zal mijn leven geven voor jullie, mijn vrienden, doe alzo. Ik noem jullie geen slaven, want die delen niet met hun meester. Ik noem jullie vrienden, omdat ik jullie heb uitgekozen en onze verhouding transparant is. Ik heb jullie alles doorgegeven wat ik van de Vader gehoord heb. Draag dus vrucht. Wat jullie aan de Vader vraagt in mijn naam, zal hij geven. Mijn opdracht is: Heb elkaar lief.

    10 mei – 5 mei bevrijd zijn of bevrijd handelen.

    10 Mei, een gedenk waardige datum. 75 jaar geleden vielen de Duitsers Nederland binnen. Heftige tijden volgden. Te midden daarvan waren er mensen die hun roeping elkaar en onbekende naasten lief te hebben volgde, door lev te hebben. We hebben enkele dagen geleden herdacht dat Nederland bevrijd is. Maar leven wij als mensen in een 'vrij land', in onze welvaart maatschappij, bewust als door God bevrijd zijnde mensen, zoals Jezus ons heeft voorgedaan? De crisis van de laatste jaren, heeft veel mensen en kinderen getroffen. Er is crises en burgeroorlogen in het Midden-Oosten en in het Westen problematiek t.a.z.v radicalisering van mensen, die de Islam menen te zien als motief voor hun daden. 
    Zijn we ons bewust dat we, wel in een bevrijd land lijken te leven, maar in werkelijkheid in oorlog zijn, onder het moto Responsabiliteit to Protect. Vragen we ons af of wat we doen, persoonlijk of als beslissingen vanuit de regering, uit liefde is of uit eigen belang. Wat is onze inzet, als leerling van Jezus, mee te werken aan gerechtigheid, duurzaamheid van de schepping, die tot vrede zou kunnen lijden?

    Leerlingen zijn er niet alleen onder mensen die zich christen noemen. Cyrus was een Perssier, die door God verkozen werd om zijn volk te leiden. Zo zijn er zoveel mensen in de wereld, die zich geen christen noemen, maar wel gezien kunnen worden als mensen die beelden van God genoemd kunnen worden. Leerling zijn als bevrijde mensen is, om te beginnen in eigen kring, is staken aan haat, geweld en negatie van mensen en trachten mee te werken aan gerechtigheid en vrede van mensen onderling. Elkaar lief hebben houdt dus meer in dan aardig zijn voor elkaar. Het houdt in liefde voor natuur en duurzaamheid, maar ook protest tegen de hele tendens die voortkomt uit de neoliberale opvattingen die dominant zijn in de huidige samenleving. Waarin gezegd wordt: welzijn en geluk hangt van je zelf af. Als je maar goed oefent en hard werkt kom je er wel. Niet iedereen is daartoe in staat of heeft werk. De angst om niet aan deze eisen te voldoen leidt vaak tot gevoelens van achtergesteldheid, rebellie of een burn out. Oudere werknemers die ontslagen zijn door faillissementen hebben weinig kans op de arbeidsmarkt. Onder jongeren, ook met hogere opleidingen, heerst werkloosheid. Jongeren met een naam van een nieuwe Nederlander vangen vaak bot bij sollicitaties. Door de participatie voorschriften moeten mensen 'gedrongen' voor elkaar gaan zorgen. Ouderen worden gekort op hun huishoudelijke hulp, maar ook op hun dagbesteding. Sociale werkplaatsen hebben geen toegang meer voor nieuwe mensen. Zwakkere moet werken in het gewone bedrijfsleven, maar er wordt gekort op hun begeleiding. En zo zijn er nog veel zaken op te noemen. Is dat liefde? De tendens van de maatschappij is ieder een voor zich en misschien een beetje voor een ander. 
    Als het gaat om elkaar lief te hebben, gaat het om evenwicht van delen met elkaar en jezelf niet voorbij lopen. Een harmonie tussen egoïsme en altruïsme, kan troost en schoonheid opleveren. Er zijn voor elkaar, elkaar ontmoeten, luisteren naar elkaars verhalen, motivatie en achtergronden, niet alleen in de eigen geloofsgemeenschap, maar ook naar de verhalen van mensen op ons levenspad, zwart, blank, geel, wat voor kleur, afkomst, godsdienst of filosofie. Dat kan zijn in de wijk, in de trein, in de supermarkt, tijdens een vakantie, noem het maar op. Door een gesprek aan te knopen, is het mogelijk dat mensen even zich kunnen realiseren, niet alleen er te zijn in de massa, hun telefoon of ipad met rust laten en zich geconfronteerd weten met de persoonlijke ander, die naast hen is. Het naar elkaar luisteren, van elkaar leren, stimuleert participeren. Daardoor is protesteren ook mogelijk, omdat opgemerkt is waar knelpunten en onrecht een rol spelen. 
    Protesteren is veelal krachtiger als dat met een groep gebeurt. Geloofsgemeenschappen kunnen daarbij initiatief nemen, maar zich ook aan sluiten bij anderen. Veel geloofsgemeenschappen werken al mee aan problemen in de samenleving. Bezinning(1) intern is daarbij ook van belang. Vragen als: hoe leef ik /leven we als gelovigen en als gemeenschap om vrucht te dragen en lev te hebben om lief te hebben, kunnen daarbij een rol spelen. 
    Opkomen voor anderen en andere keuzes maken wordt vaak niet in dank afgenomen. Ook in de omgeving van Jezus niet. Daarom wordt hij vervolgd en vermoord. Jezus eist niets zijn leerlingen, vanuit een verhouding als slaaf/ knecht en heer/ meester, maar verzoekt als vriend ook na zijn sterven, zijn voorbeeld, in naam van zijn Vader, te blijven volgen. Jezus stimuleert zijn leerlingen op weg te gaan en blijvend vrucht dragen. Ik zal onder jullie voort leven, opdat jullie en mijn navolgers in de toekomst zullen leven en jullie voorbeelden zijn voor leven scheppend leven. Blijf in mijn liefde, door elkaar lief te hebben, dat zal mij vreugde geven, die volkomen zal zijn.

    Jezus stelde in woord en daad knelpunten aan het licht. Hij riep zijn leerlingen op deze taak over te nemen. Het kostte Jezus en veel leerlingen de dood. Maar wat gezaaid wordt, kan vrucht dragen ten goede en ten kwade. Leerlingen worden tot op vandaag opgeroepen goede vruchten te dragen in het krachtveld van de Geest, in het rijk van God dat is en komende is.

    Héleen Broekema (TWG)

    1). PS. De wereldraad van kerken heeft een decennium uitgeroepen met het thema: Pelgrimage van Gerechtigheid en Vrede Ons levenspad is als een Pelgrimage. Voor bezinning en ondersteuning kan de komende tijd gebruik gemaakt worden van materiaal dat ontwikkeld zal worden door een taakgroep van de raad van kerken Nederland  (Zie: www. Raad van Kerken of www. KerkenVrede/ vredesspiraal.) 

    Gezonden zijn.

    Gezonden zijn

    is altijd maar weer risico's nemen om echt mens voor een ander te worden.

    Gezonden zijn is overal en met iedereen vieren dat de dood zich verkeken heeft op het leven van Jezus.

    Gezonden zijn   is niet buitenspel blijven staan,maar jezelf op het spel zetten.

    Gezonden zijn is op weg gaan naar waar je bent naar waar je eigenlijk moet zijn.

    Gezonden zijn is feestmaaltijden bereiden op gloeiende kooltjes van hoop en verwachting.

    Gezonden zijn is woedend worden, wanneer onze stierlijkheden als gouden kalveren bewierookt worden.

    Gezonden zijn is niet alleen aan mensen ver weg te denken maar vooral ook hier en nu aan de slag gaan.

    (Folder Raad van de Zending?)

    26 april 2015

    4e zondag van Pasen 26 April 2015

    Bijbellezingen: Ezechiël 34: 1-10 1 Johannes 3, 1-8 Johannes 10, 11-16

    Voordat ik me zet aan het maken van een preekschets naar aanleiding van de lezing uit het Johannes-evangelie moet mij eerst iets van het hart: ik vind het jammer dat het gemeenschappelijk leesrooster dat wij in onze preekschetsen volgen, niet uitgaat van een lectio continua. Als dat wel het geval zou zijn, zou het verband waarin de gekozen teksten staan veel duidelijker gemaakt kunnen worden. Om een voorbeeld te geven met betrekking tot de evangelielezing voor deze zondag: In Joh. 10, voorafgaand aan de lezing voor deze zondag, noemt Jezus zich zelf de deur waardoor de schapen binnenkomen, en in het gedeelte dat voor deze zondag aangegeven staat noemt Hij zich de goede herder. In een lectio continua zou uitgebreid stil gestaan kunnen worden bij de functie die Jezus heeft in de beeldspraak van Johannes. Nu moeten we het doen met een korte opmerking daarover. Dat vind ik jammer. Maar goed, hier dan de korte opmerking over de beeldspraak van Jezus als de deur: In deze beeldspraak zit iets van rechtsbevoegdheid. Jezus legitimeert zich omdat je nergens anders terecht kunt. Deze deur blokkeert, houdt vreemde elementen buiten en vormt de toegang tot weide, voedsel en leven. De beeldspraak ‘Ik ben de deur’ kan niet anders uitgelegd worden dan aan de hand van 14,6 : ‘ Ik ben de weg, de waarheid en het leven’.
     

    Johannes 10:11 a ‘Ik ben de goede herder’.
    Vanaf vers 1 worden de contouren helder: de herder komt door de deur binnen (v.2), hem doet de deurwachter open, de schapen, die hij bij name noemt, horen zijn stem (v 3). Hij voert ze naar buiten, gaat ze voor, zij volgen omdat ze zijn stem kennen (v4). Dit alles in tegenstelling tot de ‘anderen, de dieven en rovers, naar hen hebben de schapen niet geluisterd’. Luisteren (akouein)heeft hier geen accusativus (‘naar zijn stem’), maar een genitivus, die het gebeuren van het ‘horen’ intensiveert: oplettend horen (vgl. 5,25; 10; 16,27, 18,37),maar dit kan ook betekenen: gelovig horen, gehoorzamen. Horen drukt ook vertrouwdheid en verbondenheid uit, oorzaak is dat de schapen ta idea (‘zijn eigen’) zijn (vss 3 en 4).
    Akolouthein is meer dan iemand volgen, het is gelovig volgen en houdt het leerling-zijn in (vgl. 8-12). Een ander sleutelwoord is het perfectum preasens oida’ (v. 4 en 5). Dit gaat verder dan ‘op de hoogte zijn van’. Het is door en door kennen, en vormt een tegenstelling tot niet kennen. Hier is sprake van een relatie met Joh. 9. Het vaak voorkomen daar van oida is zeker niet toevallig; evenmin als het gebruik van mathetes (9,28 en 29). Is de blindgeborene , genoemd in Joh. 9 niet exemplarisch voor de mens die kent, gelooft en volgt?
    In vers 12 wordt een valse herder een misthootos genoemd, een huurling. Dezen zijn volgens de Misjna bij nalatigheid verplicht tot schadeloosstelling. Het punt is dat een relatie met de hun toevertrouwde schapen ontbreekt, zij ‘doen’ het slechts om het loon! Opnieuw, als in Joh. 9, polemische taal. Daar hebben de valse herders eer nodig van elkaar (vgl. 5,44) en in hoofdstuk 7 vervloeken dezen de schare die de wet niet kent (7,49) en werpen de genezen blinde uit de synagoge (9,34). De huurling in hoofdstuk 10 is hier het contrast, de tegenvoeter van de poimen, de goede herder, en boezemt de kudde gevaar in. Wolf en huurling ( 12) zijn per se de contrasten die het profiel van de goede herder beter uit doen komen. Het negatief maakt het positief tot positief, dit wordt nader uitgewerkt in vss 1-15, 28-30 en 17,6vv.
    Jezus is de herder, de alethinos, de waarachtige, maar nog meer de kalos, de goede. Al in het Oude Testament wordt God de herder genoemd (bv psalm 23, 1), die zijn volk leidt, beschermt en liefelijk verzorgt. Politieke en militaire leiders dragen soms ook die titel, maar nooit regerende koningen! Dat is voorbehouden aan de komende Messias-koning uit het huis van David, die anders dan de ontrouwe herders van Gods volk de ro’eh ‘ehad is (Ez. 34,22vv). In Zacharia 13,7-9 wordt een herder aangekondigd die gedood wordt en door zijn dood een keer brengt in de geschiedenis; hij is misschien wel degenen om wie gerouwd wordt in Zach. 12,10. De profetie van Zacharia vinden we terug in Joh. 19,17 en zou met 12,16 wel eens voor de evangelist een messiaanse profetie, slaande op de dood van Jezus, hebben kunnen zijn.
    Skorpizein, uiteen jagen, vinden we ook in 16,32, een parallelplaats van Marcus 14,27, waar diaskorpizesthai gebruikt wordt , dat weer in Joh. 11,52 - een tekst die nauw samenhangt met 10,16 - gebruikt wordt. Al met al een verduidelijking van de daarachterliggende gedachtegang. De pastorale inhoud van de vorige verzen wordt in 10,11-15 verdiept door de soteriologische noties: de herder zal voor zijn schapen tithenai ten psuchen, zijn leven geven. Hij doet dat vrijwillig om het ook weer (terug) te nemen (10, 11, 15, 17; 13,37vv; 15,13). Dit leven weggeven wijst niet zozeer op een plaatsvervanging, die de evangelist overigens wel kent (vgl. 11, 50vv, 17, 19 en 18,14), maar eerder dient dit om de tegenstelling tot een huurling aan te geven.
    Het vaak gebruikte gignooskein (14) slaat niet op theoretisch-rationele kennis, maar heeft de oudtestamentische notie uit Hosea en Jesaja van persoonlijke verbondenheid en innerlijke gemeenschap.
    In de verkiezing van de Vader en de Zoon zijn de schapen besloten als ‘dritte im Bunde’, ook de schapen die uit een andere schaapskooi komen. Hiermee zijn de volkeren buiten Israël bedoeld.
    Eenheid stamt uit de eschatologische verwachting dat de twaalf stammen van Israël bijeengebracht en verenigd zullen worden (Ez. 37,24), maar iets nieuws is de aanvulling uit de volkeren. God belooft en geeft door de dood van de herder heen (vgl. 11, 51) en op diens voorbede (17, 20) de eenheid onder de ene herder.

    Aanwijzingen voor de preek

    Het lijkt me noodzakelijk een duidelijk verband te leggen met de eerste 15 verzen van Johannes 10, als ook het verband met Joh. 9.

    De vraag die opkomt is: wat betekent het voor ons christenen dat wij door Jezus’ dood en opwekking heen toegevoegd zijn aan Israël? Zeker is niet bedoeld dat we niet kritisch mogen zijn op de politiek van de huidige staat Israël (Dit zou u in de preek kunnen uitwerken).

    Dat Jezus onze goede herder is, is een gave, maar tegelijk een opgave: Uiteindelijk erkennen we maar een als onze koning: Jezus Christus. Hoe gaan wij met zijn grondgebied om? In politiek opzicht, ten aanzien van het milieu en in onze intermenselijke relaties?

    Het is nog maar kort geleden dat wij Pasen vierden en ons weer te binnen brachten dat wij partijgenoten zijn in de opstanding. In hoeverre is dit aan ons te merken? Komen wij op voor de nog steeds groeiende groep armen onder ons? Participeren wij in het werk van de voedselbank, om een voorbeeld te noemen.

    De overheid bezuinigt aanzienlijk op bijvoorbeeld de thuiszorg. Wat voor consequenties heeft dat voor ons? Hebben we oog voor de mensen die hierdoor getroffen worden? Ik denk dan met name aan de ouderen onder ons, zieken en gehandicapten.

    Sociale werkplaatsen worden wegbezuinigd. Mede gelet op wat ik in de vorige alinea geschreven heb, stel ik de vraag: Als wij partijgangers zijn van de armen dichtbij en ver weg, welke taken liggen er nu voor ons? Eigenlijk zouden we als kerken ieder jaar een samenlevingsanalyse moeten maken om helder te krijgen welke taken er op dit moment voor ons liggen.

    We lazen ook een gedeelte uit Ezechiël over hoe de herders hun schapen verwaarloosden. Moge dat voor ons in die zin een profetisch gedeelte zijn, dat wij onder ons de schapen niet verwaarlozen!

    Lies van der Zee


     

    19 april 2015

    3e zondag van Pasen 19 april 2015

    Psalm 98 
    Heil en gerechtigheid voor iedereen die het kwade haat. Deze Psalm beschrijft een theofanie, een verschijning van de Eeuwige. Zoiets gaat gepaard met onweer en aardbeving: daaruit blijkt wie de God van de hele aarde is. 

    Hij laat de volkeren zijn kracht ervaren, tot vreugde van Sion en tot heil van de mensen: Hij heeft iedereen lief die het kwade haat. Het leven van zijn getrouwen behoedt Hij, Hij bevrijdt ze uit de macht van de bozen. Hij is Koning, de aarde juicht tot aan de vele eilanden toe.

    Zo’n psalm moet je lezen als een loflied, dat alles overstijgt wat mensen van elkaar scheidt. Je hoort en je verbeelding helpt je: Sion is van belang, maar het heil geldt de hele aarde.

    Micha 4 vers 1-5
    Micha is een jongere tijdgenoot van Jesaja, uit 750 tot 700 voor onze jaartelling. Een vredesprofetie in Juda, dat nog is overgebleven na de deportatie van Israel. Deze vredesprofetie geldt voor alle volkeren. Toch wisselen in dit boek voorzeggingen van heil en onheil elkaar af. Hij roept Israel op om naar de berg van God te gaan: daar zal Hij hun de weg wijzen, en Hij zal recht spreken over alle volkeren. En dan, dan…zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en de oorlog niet meer leren. Micha wil het volk laten beloven dat het de weg zal gaan van vrede, en niet alleen dit volk: het maakt zo de weg vrij tot wereldvrede. En zelfs als de anderen niet meegaan, dan zal de weg van Gods volk de weg van de vrede zijn. Zelfs als ze zich tegen Israel keren, zal Israel de weg meten en kunnen gaan die de profeet wijst. In andere gedeelten van het boek zie je hoe bedreigd Israel is. En toch klinkt de roep om zwaarden om te smeden tot ploegscharen. Geen volk heft dan meer het zwaard op tegen een ander. Dan zullen ze zitten onder hun eigen vijgenboom en wijnstok, zonder dat nog iemand ze opschrikt. Een visioen om mee te nemen, een richtlijn voor ieder die deze Ene God wil dienen.

    Vrede door vrede, en niet door pacificatie.

    Johannes 21 vers 15-24
    bevat het overbekende verhaal van Jezus die terechtgesteld werd als misdadiger en die verschijnt aan zijn volgelingen. Vóór hij voorgoed van hen zal weggaan, stelt hij Petrus aan om over zijn kudde te waken. Uitgerekend Petrus, die zijn Meester verloochend heeft bij zijn arrestatie: “Ik ken hem niet, ik was er niet bij!” Hij vraagt hem of hij van hem houdt, in bewoordingen die steeds intenser en daarmee confronterender worden. Jezus draagt hem op over zijn volgelingen te waken, als een herder over zijn schapen. Hij kondigt hem aan dat hij nooit meer zijn eigen weg kan gaan, dat deze taak hem zijn leven zal kosten. Petrus informeert dan meteen nog maar even over Johannes, Jezus’ meest beminde leerling. “Dat gaat je niet aan” zegt Jezus, ook al blijft hij tot aan mijn komst.” Zal Jezus dan terugkeren? Zal Johannes nooit sterven? Ze zijn meteen weer uit de plechtigheid van het moment teruggevallen naar een soort competitie.

    Het lijkt of Johannes hier het auteurschap van het Evangelieboek claimt – zeker is dat niet.

    Met deze mensen moet de nieuwe gemeenschap van “mensen van de weg” verder. Naar een situatie van vervolgd worden, de val van Jeruzalem, de verstrooiing en daarmee de verbreiding van het Evangelie van de vrede.

    Janna F. Postma

     

     

    12 april 2015

    2e zondag van Pasen 12 april 2015

    Enige gedachten bij: Jes. 26.1-13, Ps.111(133), 1Joh.5.1-6, Joh. 20.20(19)24-31.
    Deze eerste zondag na Pasen, een loflied vanwege het besef dat Jezus zijn, van God verkregen Geest, overgedragen heeft aan zijn leerlingen. Een bewustzijn dat doop, avondmaal/eucharistie tekenen zijn om in het krachtveld van Gods Geest mee te werken aan gerechtigheid, vrede en duurzaamheid in de wereld, Gods rijk, dat is en komende is.

    Inleiding: Deze eerste zondag na Pasen getuigen de Psalmen van lofliederen op de Naam. De NAAM die woord en vlees/ mens geworden is in Jezus en onder ons heeft gewoond. Jezus heeft een voorbeeld gegeven hoe het is vanuit de Geest van God te leven. 
    Jezus heeft deze Geest, na zijn dood, doorgegeven aan zijn leerlingen. De droefheid over zijn dood is bij zijn leelingen veranderd door hun Paaservaring. De leerlingen gaan langzamerhand begrijpen wat zij gehoord en gezien hebben. In wereld chaos, als woestijn gaan voor hen langzaam rozen bloeien. Het is nu hun opdracht van deze bloei ook andere deelgenoot te maken. De Geest van God, deed profeten opstaan. In de Geest van God ging Jezus zijn leerlingen, dus ook nog ons, voor. Wat stond hen en staat ons dus te doen? Afvragen welke keuzes gemaakt zouden kunnen wordenin wat er op ons pad komt, in navolging van Jezus. Keuzes misschien zelfs tegen de heersende opvattingen in. 
    In Jesaja is het God, waarop wordt vertrouwd, dat hij de vijanden over winnen zal. De Psalmen: een loflied op God, als rots voor het Volk en een Pelgrimslied hoe goed het zou zijn als Zusters en Broeders weer samen zouden kunnen wonen in Sion. In Johannes 20 de herkenning van Jezus als Heer, als bevrijder, en de opdracht voor zijn navolgers, door de gave van de Geest. 1Joh5. Een uitwerking voor de gemeente: kracht ontvangen door de tekenen van water, Geest en bloed. Hierdoor wordt steeds herinnerd aan de verbinding tussen hemel en aarde, die zo centraal staan in het Johannes evangelie. Met name in zijn beschrijving van : de Tekenen en Werken, de Ik ben woorden en het veelvuldig voorkomen van afdalen, opstijgen en kosmos/wereld. 
    De verbinding tussen hemel en aarde wordt, na de inleiding, gemaakt bij Jezus doop. (joh.2.32ev.). De Geest van God daalde op Jezus neer. Dan begint zijn Pelgrimstocht, een leerschool voor Jezus en zijn leerlingen. Waar Jezus voeten gaan, geeft hij inzicht en bewerkt hij heil. In eerste instantie in Galilea, een arme landstreek en de vanuit Jeruzalem bezien een niet al te religieuze mensen (zij die de wet niet kennen). Langzamerhand betreffen de contacten niet alleen zieke Galieers, maar ook Judeers, Samaritanen en zijn confrontaties met Farizeeën, Schriftgeleerden en Sadduceeën. Deze voelen zich bedreigt en brengen hem ter dood. Door wat zijn leerlingen gehoord en gezien hebben ontstaat langzamerhand het besef. Hij is niet dood, hij leeft onder ons voort. Zij vertellen het verhaal van 'Jezus de levende' door en werken in zijn voetspoor. Uit dit allegaartje ontstaan de eerste navolgers van Jezus, groepjes die zijn boodschap in woord en daad trachten uit te dragen op heel verschillende manier in verschillende landen. 
    Hoe goed zou het zijn als broeders en zusters weer samen zouden kunnen leven. Niet zoals Kaïn en Abel. Jacob en Ezau verzoende zich weer met elkaar, maar gingen elk daarna hun eigen weg. Izak en Ismael gingen beide hun eigen weg. De joodse stromingen die Jezus navolgde werden op den duur Christenen genoemd en langzamerhand werden het twee verschillende godsdienst opvattingen. Die helemaal uit elkaar gedreven werden toen het christendom staatsgodsdienst werd, rondom 600. Toen preekte een zekere Mohammed tegen misstanden. Hij verwierf aanhangers. Het leek wel of de belofte van God aan Hagar werkelijk gestalte kreeg toen hij proclameerde nazaat van Ismael te zijn. Joden, moslims en christenen zijn mensen vanhet 'Boek'. Veelal leefde zijn vredig samen. Tot dat de pleuris uitbrak. Vaak vanwege machthebbers of gebrek aan land van Christenen of Moslims. Joden voelde zich overal te gast. En werden vaak aangewezen als 'boosdoeners'. Over hun hoofden heen wilde anderen hun doel bereiken. Antisemitisme laait door de eeuwen heen steeds weer op.
    Uiteindelijk is de blik van Moslims en Joden evenals dat van de Christenen gericht op 'Jeruzalem'. Hoe goed en heerlijk zou het zijn als deze drie loten van Abrahams stam elkaar als broeders en zusters zouden tegemoet treden en alle andere en opvattingen van mensen ook zouden accepteren en respecteren. Dit kan alleen door elkaar te ontmoeten en naar elkaar te leren luisteren, zonder elkaar elkaars overtuiging op te dringen. Als alle volken en mensen samen werken aan een leefbare wereld voor allen, zal de woestijn werkelijk bloeien als een roos.

    Jes.26.1-16 
    Een gedeelte uit de 'eerste' Jesaja. Een toekomst visioen. De Heer zal de vijanden straffen en zal redding gegeven aan het rechtvaardig volk. Andere heren hebben het volk in hun macht gehad, Gij geeft vrede. Het verlangen van het rechtvaardige volk richt zich op de NAAM, hun rots. De NAAM moet gekend, verteld, bemind, beleden, gezocht, verwacht worden en niet te schande/ beschaamd gemaakt. Op de dag dat dit zal gebeuren zal een loflied klinken. Deze lezing kan nu in verband gebracht worden met het Paasfeest.

    Ps.111 Vertrouwen in de kracht van God

    Ps. 133 een pelgrimslied van zusters en broeders die zich verblijden om eens weer samen te zijn.

    1Joh.5.1-6. 
    Deze alias Johannes schrijft aan een geloofsgemeenschap van de tweede of derde generatie. Ieder die gelooft dat Jezus de christus is, is uit God geboren. En ieder die de Vader liefheeft heeft ook lief, wie uit God geboren zijn. Wij zijn Gods kinderen en dat houdt in dat wij zijn geboden naleven. Dat is geen zware last, want ieder die uit God geboren is overwint de wereld door ons geloof in Jezus Christus de zoon van God. Hij is gekomen door water en bloed. De Geest getuigt ervan omdat de Geest waarheid is. Het is zaak dat een geloofsgemeenschap zich steeds weer realiseert en viert dat zij geënt is op: water, geest en bloed.

    Water –> doop.

    Bloed: Jezus kwam door zijn voorleven, in de geest van God, in aanraking met: ziekte en verlangen naar herstel, duivelse dilemma's, chaos, de heersende religie opvatting en regels die vandaar uit voorgeschreven werden. Dit moest hij bekopen met zijn dood. De laatste avond voor zijn dood vierde hij de seder maaltijd met zijn leerlingen. Voor de maaltijd waste hij, als een dienaar, de voeten van de leerlingen. Deze maaltijd duidde hij aan als zijn gedachtenis maaltijd. Avondmaal / eucharistie tot zijn gedachtenis is delen in de gemeenschap, opdat de gemeenschap kan uitdelen in de wereld, in de geest van God. Dan wordt delen vermenigvuldigen.

    Geest: De Geest van God is op Jezus neergedaald bij zijn doop. Jezus heeft deze, tot op heden, doorgegeven aan zijn leerlingen. Opdat zij, met de door God geschonken kracht, bijdragen het leven in de wereld rechtvaardiger en leefbaarder en duurzamer te maken.

    Joh. 20.20(19)24-31. Het evangelie van Johannes werd geschreven rondom de 1e eeuw wisseling. Ook hier gaat het om een alias. In hoofdstuk 20 wordt tot drie maal verteld van een verschijningservaring, waardoor de leerlingen langzamerhand gingen geloven. Eerst aan een vrouw: Maria uit Magdala. Zij vertelt haar ervaring aan de leerlingen, die naar het open graf gaan kijken. Eén leerling, ziet het open graf en gelooft. Daarna verschijnt hij aan angstige leerlingen en dan nogmaals aan leerlingen met daarbij Tomas. Tomas kon het in eerste instantie niet bevatten, toen de anderen hun ervaringen vertelden. De andere leerlingen hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat de beloofde Messias uit de dood zou moeten opstaan.

    Op de avond van de eerste dag verschijnt het Licht aan angstige leerlingen achter gesloten deuren. Hun meester is gekruisigd, wat zal er met ons gebeuren. Zal ook de heersende macht hen gaan doden. Dan komt Jezus in hun midden en groet hen met een vredeswens. De leerlingen waren verblijd toen zij Jezus zagen. Hij toont zijn handen en voeten en wenst nogmaals vrede. Daarna draagt hij aan zijn leerlingen zijn Geest over. Deze is door zijn Vader aan hem gegeven bij zijn doop. Het is nu aan zijn navolgers om, in de Geest van zijn Vader, handen en voeten van God te zijn in de wereld. Door de voortzetting van Jezus praktijk in de hele wereld, zullen zij zusters en broeders in de Heer worden. Ze worden zelfs gemachtigd zonde te vergeven. Dat deed Jezus door genezend, helend bezig te zijn. Vaak tegen de heersende religieuze opvattingen in. Tomas was er de eerste keer niet. Hij geloofde het verhaal van zijn medeleerlingen niet, daar was een volgende ervaring van de leerlingen voor nodig en weer een vredes wens (3de keer) van Jezus. Dan komt ook Tomas tot het inzicht: Jezus is de van God gezondene Messias. Dat lang niet alles over Jezus is opgeschreven zijn is niet nodig voor mensen als navolgers van Jezus, die belijden dat Jezus, de Messias, de zoon van God is.

    Vrede
    Vrede is volkomenheid, het zal vanaf nu goed gaan als jullie goed de door mij voorgeleefde richtlijnen volgen. Het is een andere vrede dan de vrede en veiligheid die voorgespiegeld wordt door de valse profeten. Dit valse gebruik van dit woord klinkt ook nu steeds weer als het in wezen gaat om bewapening. Een vredesmissie is een sluier woord voor een militair bewapende missie.

    Tomas, 
    Tomas betekend:tweeling. Het verwijst naar het altijd benoemen van twee aspecten van de zelfde zaak, overweging en analyse, het een en het ander, voor en tegen. Het zoeken naar de juiste weg.   Tomas heeft eerder aan Jezus gevraagd: als gij gaat sterven, hoe weten we dan de weg. Jezus heeft geantwoord: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. 

    Kosmos / wereld. 
    Johannes gebruikt meer dan 78x keer 'kosmos/wereld' tegenover de rol van Jezus. Dit geldt ook nog voor zijn leerlingen nu. Het gaat er om midden in de wereld te staan, maar niet de conformeren met alles wat de wereld biedt. Dat wil zeggen: onrecht bij de naam noemen, aan het licht doen komen. En zodoende meewerken aan een ander toekomstperspectief.

    Wegnemen van zonde.
    Dat is niet het privilege van bepaalde ambtsdragers. Het gaat erom dat we aandacht schenken en bij de naam noemen wat niet juist is in onze omgeving of in de wereld. Zodat bijvoorbeeld: – machten ontmaskerd kunnen worden, niet door wapengeweld, maar door, vaak o, zo moeilijke, onderhandelingen, – ziekte bestreden worden door wetenschappelijk onderzoek, maar ook nagaan waar medische macht en medische ethiek misschien te ver door zouden kunnen, – schrijven voor Amnesty voor onschuldigen mensen, die beschuldigd worden omdat zij anders denken en/of doen en daardoor een bedreiging vormen voor de heersende opinie of machthebbers, – Of trachten mensenhandel te beteugelen en hun slachtoffers op te vangen evenals vluchtelingen voor oorlogsgeweld, maar ook wegen vinden om mensen die radicaliseren door invloed van bepaalde opvattingen trachten te signaleren en op te vangen, – Ex-gevangenen te begeleiden voor een nieuwe plaats in de samenleving. Ect. Weg nemen van zonde behoort op deze wijze tot het 'ambt van alle gelovigen'.

    Leren geloven, een pelgrimage als levensproces.
    In de lezingen komen de ervaringen van het Volk met hun God en de volgelingen van Jezus Messias samen.

    God die voor de rechtvaardigen een rots is waarop zij vertrouwen in dagen dat de machtigen over hen heersen. Jezus leefde op zijn 'pelgrimsroute', als mens geworden woord, de weg, de waarheid en het leven voor. Hij deed dit als mens gekenmerkt door Geest van God. Deze geest gaf hij door aan zijn leerlingen: Blijf mijn voorbeeld volgen als zaad, dat sterft om te leven. Sta op, geef het door, breng vruchten voort, van geslacht tot geslacht, totdat ik terugkom.

    Heb je naaste lief en werk er aan mee alle mensen, op jullie levenspad, tot hun recht zouden. En als zusters en broeders in vrede samen kunnen leven. Dan zal er leven zijn voor altijd. De wereld nu als een woestijn, zal dan bloeien als een roos. Dat alle mensen zusters en broeders van elkaar zijn staat al in de tien woorden waar het gaat over slaven/werknemers en vreemdelingen, mensen niet uit eigen streek of land. Het besef daartoe ontbreekt bij velen, ook nog vaak bij mensen van geloofsgemeenschappen. Mensen kunnen gedoopt (water) zijn en regelmatig deelnemen aan avondmaal of eucharistie (bloed), terwijl het bewustzijn als christen te leven in het kracht van de Geest, in het rijk van God dat is en komende is niet wakker geroepen is of in praktijk gebracht wordt. De diaconale/missionaire opdracht wordt dan overgelaten aan ambten en vrijwilligers. Geloven bestaat niet uit het volgen van regeltjes, maar uit spiritualiteit als en innerlijke bezinning op inzet tot bevrijding en liefde tot de naaste. Gelovig zijn gaat gepaard met bezinning, die een verankering kan bewerkstelligen in de levenskeuze die mensen maken. Dat kan houvast bieden, te midden van alle zorgen en verwoesting. Uit de oude verhalen kunnen mensen leren dat het anders kan, anders zou moeten, ondanks alle vergeefsheid. Aan verandering meewerken kan door er aan te gaan staan, vanuit eigen gaven en mogelijkheden, zodat minstens mensen in eigen omgeving tot hun recht kunnen komen. Dat gaat niet zonder met vallen en iedere keer weer opstaan. De vinger op de zere plek leggen. De oorzaak van de misstanden en ellende bij de naam noemen. Daar hebben mensen elkaar voor nodig. Deze roeping als christen is iets anders dan onverwoestbaar optimisme, zoals de tendens op het moment is: in 'je zelfen' en het komt wel goed.

    Geloofsgemeenschappen kunnen door hun vorming, toerusting en gezamenlijk gekozen prioriteiten in hun beleid de bewustwording stimuleren dat allen vanuit het 'ambt aller gelovigen' geroepen zijn voor hun taak in de wereld.

    Omdat Jezus als Licht in de wereld voor de wereld gekomen, mogen de deuren van de geloofsgemeenschappen niet voor anderen gesloten blijven. Jezus is steeds weer in hun midden aanwezig. Daardoor worden geloofsgemeenschappen in zijn geest geroepen op te staan en aanwezig te zijn in de wereld dichtbij en verder weg.

    Héleen Broekema (TWG)

    Je hebt toen je vrienden bijeengeroepen.

    Je hebt toen je vrienden bijeengeroepen,
    hun vuile voeten als een knecht gewassen;
    meteen zond jij hen weg om te ontmoeten 
    wie niet in deze kille wereld passen.

    Je vroeg hen: doe als ik en ga naar buiten
    en blijf elkaar met dit gebaar verrassen
    in plaats van je in kerken op te sluiten.
    Je moet steeds anderen de voeten wassen. 

    Het stof van al de wegen van ons leven,
    kom, was het van de stukgelopen voeten.
    Kom, geef dat onze handen hen genezen
    die ver van huis geen goede vriend ontmoeten.

    Het helder water stromend uit jouw bronnen 
    wast onze voeten, zuivert onze wonden.
    Als boden van jouw vrede, hier begonnen,
    zo worden wij de wereld ingezonden.

    (nieuw liedboek, 998)

     

    29 maart 2015

    6e zondag van de veertigdagentijd 29 maart 2015

    Marcus 11,1-11; Marcus 14,1-15,47; Jesaja 50,4-7

    Jezus spoor nog vindbaar?

    Deze Jesajatekst kan een spannend accent geven aan onze reflectie op de intocht in Jeruzalem. Jesaja nodigt ons uit, om als leerlingen aan die intocht deelachtig te worden. Een spiegel: in welke mate, wanneer en hoe, lezen wij het verhaal van de intocht (bijna) alsof wij zelf Jezus zijn.

    De kerninvitatie die wij als geloofsgemeenschap belijden, is immers om in Jezus voetspoor te gaan. De Jezus van Goede Vrijdag tot Paasmorgen. De Jezus zoals nu Iraakse bisschoppen en hun gemeenschappen Hem trachten te belijden: we moeten onszelf toewerken naar vergeving, verzoening, een andere toekomst met God zal er niet zijn, noch voor christenen in Irak, noch in het algemeen.

    Binnen onze westerse samenleving echter is er weinig mogelijkheid dat wij als leerlingen, vergevend en verzoenend daarom, onze weg gaan in de grote wereld. De sociotoop westerse vrije markt waarin wij leven, pusht ons dagelijks om meester te zijn, winnaar, eerste, beste. Het bij het rechte eind hebben. Je niet vergissen want dat is fataal. Wij, de beschaafde wereld, de beste wereld. De anderen als de onderontwikkelden, bozen, afhankelijken of losers.

    Als wij ongeveer bij Jezus achter op die ezel gaan zitten wordt het link. Kunnen wij nog wel die Mens worden Die Zichzelf geeft voor Zijn vrienden, de voeten van Zijn vrienden wast zoals slaven dat eigenlijk behoorden te doen, uitgeput in het stof valt op weg naar de aangedane dood?

    Als wij hier in het westen onszelf bij Jezus achterop de ezel zetten, dan is die Jezus al de Koning, bijna Romeinse Koning, van na Constantijn, toen christenen de staatsgodsdienst, staatstempel en staatskerk werden. Als wij, die zozeer verankerd zijn in deze westerse dominante wereld, die de rest van de wereld lezen door de bril van de financiële markten die het nieuws stevig mee selecteren - als wij bij Jezus achter op de ezel gaan zitten, is de kans erg groot dat ons ontgaat waar het in het lijdensvehaal om gaat en wat toch weer de uitdaging en uitnodiging is aan ons in deze tijd. Tezeer, vrees ik, zijn we tot in onze diepste vezels deel van deze sociotoop vrije marktwereld.

    Jesaja biedt een kleine maar intense mogelijkheid onszelf te corrigeren op die structureel meegegeven dominantie in onze sociotoop die wij leven. „ Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen.”

    Horen zoals leerlingen doen. Ons leven lang die houding vol houden. Blijven beseffen dat ik weliswaar inzichten en de waarheid najaag met de ijver van Paulus, maar dat ik (wij) ten einde toe met momenten van waarheid zou moeten omgaan als leerlingen: blijven zoeken naar waarheid. Altijd weer met argwaan (die slangen naast de duiven) luisteren ook naar ons eigen ‚ weten’, het oor altijd weer open voor nieuwe inzichten, nieuwe kennis. Want die voetsporen van Jezus en Zijn ezel kunnen terugvinden tussen de laarzen van militaire missies, de goudsporen van de grootste beursspelers, de amoniakgeur in de megastallen, dat vergt een goede neus, goede ogen, goede oren.

    Leerlingen: beseffen dat anderen om ons heen ons helpen moeten bij waarheidsvinding. En die anderen zijn dan eerder die mensen die aan de rand werden gedrukt, dan de gouddelvers op de beurzen die anderen aan de rand drukken.

    Als leerlingen. Dat is denk ik de wijze, waarop we die pelgrimstocht van gerechtigheid en vrede kunnen gaan lopen, zonder te blijven steken in de romantiek van padvinders met een tent op hun rug.

     

    Yosé Höhne-Sparborth

     

    22 maart 2015

    5e zondag veertigdagentijd 22 maart 2015

    Bijbellezingen: Jeremia 31, 31-34 Hebreeën 5, 1- 10 Johannes 12, 20-33

    Voordat we op deze bijbelteksten nader ingaan, wil ik wijzen op de gevaren van een al te vrije vertaling en de verwarring die dat kan stichten. Ik neem een voorbeeld uit Joh. 12, de verzen 16, 23 en 28. Het gaat mij er dan om hoe de werkwoordvorm van het begrip doxa, het Griekse woord eren, als roemen en verheerlijken vertaald wordt.
    De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) vertaalt dit achtereenvolgens met: ... ‘ maar … toen Jezus tot majesteit verheven was’, en in vers 23 luidt de vertaling eveneens ‘tot majesteit verheven’. Maar in vers 28 vertaalt de NBV genoemd Grieks woord als ’groot zijn’ van de naam van God. Die grootheid heeft God volgens de vertalers getoond en die zal weer vertoond worden. Maar er worden zo dus op het Griekse begrip doxa verschillende accenten gelegd. Alle andere Nederlandse vertalingen die ik geraadpleegd heb, vertalen op alle genoemde plaatsten ‘verheerlijken’, ook de concordante vertaling van de Naardense bijbel.1
    Ik hoop dat uit onderstaande zal blijken dat ‘heerlijkheid’ hier toch op alle plaatsen de beste vertaling is.

    Barret toont ons dat globaal twee punten in genoemd stuk van Johannes op de voorgrond treden: 1. Het accent op het feit dat Jezus de koning van Israel is, wat verder wordt uitgewerkt in het verloop van de lijdensgeschiedenis.2
    2. de typisch johanneïsche noot in vers 16, waar opgemerkt wordt dat de leerlingen het gebeuren nu niet begrijpen, maar pas later, ‘toen Jezus verheerlijkt was’ . Dit is een echt johanneïsche gedachtegang: pas door de Geest wordt de herinnering van de leerlingen mogelijk.
    We moeten ons realiseren dat bij Johannes Jezus’ dood en opstanding en de uitzending van de Geest het ene gebeuren van de verheerlijking vormen. Om het met M. de Jonge en H. M.J. van Duyne nog scherper te formuleren: ‘Er is een samenhang tussen kruis en opstanding, tussen lijden en verheerlijkt worden… Het kruis, de opstanding, de hemelvaart en de uitstorting van de Geest zijn bij Johannes geen afzonderlijke gebeurtenissen meer, maar worden samengevat onder een hoofd: de verheerlijking van Jezus.’3 En T. Naastepad gaat nog weer een stapje verder door de verheerlijking inclusief te maken voor de armen en de massa . Hij schrijft naar aanleiding van vers 23: ’Welnu dat staat de mensen te wachten, in het bijzonder die mensen die nu … worden veracht: de armen… en de volken…, die zullen worden verheerlijkt, niet langer massa damnata, niet langer kinderen van de rekening, niet langer als stof onder de voeten gelopen’.4 Ik hoop dat ik met het bovenstaande duidelijk heb gemaakt dat we doxa consequent met verheerlijking moeten vertalen, omdat we anders de pointe missen.

    Johannes 12, 20-36 is de afsluiting van Jezus’ publieke optreden. Het uur van zijn sterven komt aan het licht als uur van verheerlijking (v 23), als verhoging (v 32), als bron van nieuw leven voor wie hem dienen en volgen wil. Ik zal me omwille van het aansprekende van de tekst en omwille van de toegemeten ruimte nu hoofdzakelijk beperken tot de verzen 20/26, hoewel je die niet zonder de context kunt zien.

    Er komen nu Grieken voor het voetlicht. De commentaren zijn het er niet over eens of dit nu gaat om Joden van buiten Israel en/of de volkeren van de wereld. Mijn bescheiden mening is dat het een het ander niet uitsluit. Het woord Grieken moeten we niet alleen laten slaan op inwoners van Griekenland, want de titel Grieken wordt wel vaker gebruikt als pars pro toto voor de volkeren. Door deze nu hier in te voegen haalt de schrijver de volkeren voor het voetlicht. De reden waarom de schrijver dit doet is om aan te geven dat zij nu ten volle mogen participeren in het heil. Hoewel deze Grieken verder niet meer genoemd worden, moeten we ze wel theologisch in het oog houden. Voortaan mogen zij delen in het heil tot zegen voor de mensheid

    In vers 23 staat een ‘Stichwort’ van Johannes: de ure is gekomen. Het markeert tevens het keerpunt in het evangelie. Tot dan toe was er sprake van dat de ure nog niet gekomen was: niemand sloeg de hand aan Hem, greep Hem (7,30 en 8,20). Het sterven komt in zicht. Terloops merk ik op dat in 5, 25 Jezus zegt: de ure komt en is nu, waarbij de term ‘ure’ dan slaat op de overgang van dood naar leven voor degenen die naar Jezus luisteren en zijn woord doen. Dat is karakteristiek voor de schrijver van dit evangelie. Immers, alleen al daaruit blijkt dat de term ‘ure’ enerzijds slaat op het uur van Jezus’ sterven, maar anderzijds ook op het uur van de overwinning van zijn dood. Kortom, het is het uur van zijn ‘verheerlijking’, het uur waarin de bevrijdende paradox van zijn doxa openbaar wordt (vgl. 2,4, 11 en 17: 1).
    In vers 24 begint de gelijkenis van de graankorrel. Uit rabbijnse teksten en 1 Kor. 15,37 wordt duidelijk dat het beeld van de graankorrel thuis hoort in de gedachtenwereld rondom de opstanding: als een graankorrel naakt in de aarde wordt begraven en er prachtig bekleed weer uitkomt, hoe meer geldt dat dan niet voor de rechtvaardigen, die zelfs gekleed begraven worden zoals de rabbijnen zeggen. Zo is de weg van de Messias ook, zegt Johannes, de weg die de graankorrel gaat, door de dood naar het leven, en stervend om vrucht te kunnen voortbrengen. We kunnen ons nu nog afvragen wat er met dat vrucht dragen bedoeld wordt. De theoloog Schnackenburg zegt: ´Jesu Tod ist notwendig um reiche Missionsfrucht einzubringen.5 Het gaat om ‘Mission’, de Grieken worden niet voor niets genoemd! Pas na de verheerlijking van Jezus zal op de aarde het nieuwe leven onder de volkeren doorbreken, en zo zal Jezus´ sterven en opstaan dus vrucht dragen.

    Dat vrucht dragen gaat niet buiten de leerlingen om (vgl. 15,2,4,5,8,16). Met name vers 8 is veelzeggend, waar we lezen: ´Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn’. Het is derhalve volstrekt logisch dat Jezus zich nu allereerst tot zijn leerlingen richt (de verzen 24 en 25).
    Typerend is bij Johannes de tegenstelling tussen psyche en zoe aiontas, als respectievelijk staand voor het oude en het nieuwe leven. Daarom moeten de leerlingen ook een kritische distantie van de kosmos houden.
    Als we het hierboven geschrevene mogen samenvatten, kun je zeggen dat het in dit bijbelgedeelte gaat om het diepe geheim van de ondergang en de offergang.

    Aanwijzingen voor de preek

    1. We moeten ons realiseren dat bepaalde termen die Johannes gebruikt niet meer gangbaar zijn in ons taalgebruik. Er valt dus heel wat uit te leggen. Ik denk aan begrippen als ‘verheerlijking’, ‘de ure komt’.

    2. Voor alles zal men in de preek de samenhang tussen de verzen 24 en 25 duidelijk moeten maken. Dus de relatie tussen Jezus’ lijdensweg en de consequenties daarvan voor de gemeente. In hoeverre staan we in de navolging van deze Heer?
    Navolging is een levenshouding, een manier van bestaan die vrij maakt van de terreur van het ik en van behoudzucht. Jezus dienen op de weg van het zaad, maakt kritisch ten aanzien van de wereld. Ja, misschien kom je wel lijnrecht tegenover de wereld te staan. Lang niet elk lijden is echter lijden om Jezus’ wil. Het sterven van een dierbare niet, en ook bijvoorbeeld overstromingen niet. Bonhoeffer zegt: ‘ Kruis betekent geen ongerief en een zwaar lot, maar het is het lijden, dat voor ons voortspruit uit de gebondenheid aan Christus alleen. Kruis is geen toevallig, maar noodzakelijk lijden. Kruis is geen lijden, gebonden aan het natuurlijk bestaan, maar lijden, gebonden aan het christen zijn.6

    3. Om het bovenstaande nog wat te concretiseren. Hoe gaan we vanuit ons christen-zijn om met onze moslim-broeders en -zusters. Na januari in Parijs een actuele vraag. Hoe verschrikkelijk die aanslag ook was. De vraag is: hebben we ervan geleerd?

    Lies van der Zee
    1 Ousoren, P., De Naardense bijbel, Vught 2004
    2 Barret, C.K. The Gospel according tot St John. An introduction with commentary and notes on the greek tekst, Londen, 1972 (p. 416)
    3 De Jonge. M, en Van Duyne, H.M.J., Taal en teken, Nijkerk 1978, p. 27
    4 Naastepad, Th.J.M., Pasen en passie bij Johannes. Deel 1- hoofdstuk 12-17,, Kampen 1986, pag.27
    5 Schnackenburg. Das Johannese evangelium. Freiburg/Basel/Wien 1985
    6 Bonhoeffer, D., Navolging, Amsterdan 1986, p. 67

    15 maart 2015

    4e zondag van de veertigdagentijd 15 maart 2015

    Jozua 4 vers 19-vers 1-12 De Israëlieten in Gilgal Psalm 122 (Johannes 6 vers 1-4) Brief aan de Efeziërs vers 2-10vv

    Jozua 4 vers 19 tot 5 vers 12- Op de drempel in Gilgal 
    Na de uittocht uit Egypte heeft het volk Israel 40 jaar gezworven door de woestijn, onder leiding van twee broers en een zus: Mozes, Aaron en Mirjam. Mozes gaat voor, Aaron gaat graag in op de wensen van het volk Israel, Mirjam bezingt de bevrijding. Dit is kort samengevat, maar het is uitgebreid te vinden in het boek Exodus. Mozes beklimt een berg en blijft daar achter bij de God JHVH, de Éne, en niemand weet hoe. Jozua neemt dan de leiding over. Het volk, “de gemeente” heet het in de Naardense Bijbel, volgt hem. De Jordaan valt tijdelijk droog, ze trekken het gebied in. Ze nemen twaalf stenen mee, voor elke stam één.

    Het hart van de volken aan de Westkant “versmelt” bij het zien van deze invasie. Maar “de kinderen van Israel” mogen niet zomaar aan het veroveren gaan: de mannen worden eerst allemaal besneden. Dan zijn ze dus even buiten gevecht gesteld. Ze moeten maar vertrouwen op God die hun een vaste woonplaats heeft toebedacht. Nuchter wordt nog even vermeld dat de vaders het land niet bereikt hebben, maar de zoons zijn nu besneden: ook zij dragen het teken van de discipline.

    Wij zijn niet helemaal verrukt van zulke verhalen van verovering. Maar zo gaat het wel in de geschiedenis. Hier wordt het begeleid door een besef van disciplinering. Zij komen nu samen in Gilgal. Dat wordt voor hen de plaats waar de Ene de smaad van de slavernij van hen heeft afgewenteld. Zij eten een Pesachmaal van matzes en gepoft graan. Het manna uit de woestijn, die dauw van eetbare schimmels(?) houdt op. Ze moeten weer leren zelf voedsel te zoeken en te verbouwen. Nu moeten ze rondjes gaan lopen om de stad Jericho, met trompetgeschal, en dan vallen de muren om. Ooit was ik godsdienstjuf, en toen ik dat uitspeelde met de klas kwamen er bezorgde onderwijzers binnen vanwege het lawaai. Godsdienstles aan kinderen was leuk: ik legde de nadruk op het geweld dat niet nodig was. De vragen die bij mij opkomen bij zoveel oorlog en zelfhandhaving, ook in het “Heilige Land” die heb ik maar niet met ze gedeeld. Dat kwam later nog wel eens: nu wilde ik de nadruk leggen op thuiskomen na een zwerftocht door de woestijn.

    Onze tweede tekst is Psalm 122: Opgaan naar Jeruzalem, met vreugde. Een hecht gebouwde stad, verbondenheid tussen God en de mensen. De stammen klimmen er heen, de berg op om de Ene te danken. De tronen van recht staan er. Het volk komt binnen om te bidden om vrede. Ook dit is een stem in de Tenach, die wij wel onhandig aanduiden als “Oude Testament.” Deze Psalm moet vooral klinken in de dienst, om iets voelbaar te maken van de vreugde van de samenkomst. Onze gemeenten slinken, en daar kunnen we heel wat oorzaken voor aangeven. De vreugde zoeken met elkaar, en die door te geven: dat komt niet altijd aan bod bij gesprekken die wij voeren over ons voortbestaan. En toch is zij het hart van de gemeenschap: blij zijn om het heil dat wij kunnen beleven met elkaar! Al wordt de kring kleiner, het heil is er, en dat wordt zichtbaar waar wij meeleven - met alle mensen die bij ons betrokken zijn, ook al zijn ze misschien geen lid!

    De tekst uit het Johannes-Evangelie laat zien hoe Jezus de mensen die hem volgen verzorgt met woorden, genezingen en voedsel. Ik denk niet dat ik dit gedeelte er bij ga betrekken in de dienst van 15 maart.

    Efeziërs 2 vers 4 tot 10 vv

    Hier horen wij een heel ander geluid. Als deze brief van Paulus is, dan stamt hij uit begin jaren ’60 van de Christelijke jaartelling. Het zou dan een brief uit de gevangenis zijn. Hij kan ook geschreven zijn door een leerling van Paulus. In dat geval neemt hij de thema’s van de dissidente Jood Paulus op. In het eerste hoofdstuk (vers 13) staat: “Ook u, gelovigen uit de volken, hebt nu het woord van de waarheid gehoord.” De zogenaamde “heidense volkeren” zijn niet langer buitengesloten van het burgerschap van Israel, de beloften van het Verbond gelden ook voor hen. De besnijdenis wordt tussen haakjes gezet. De tussenmuur tussen Israel en de volkeren is weggebroken door de lijfelijke inzet van Jezus, tot aan de dood aan het kruis. En zo wordt de Thora met haar geboden niet langer richtinggevend voor de nieuwe gelovigen. Inzet van het leven en sterven van de Jood Jezus is: de vijandschap doden, Israel en de gojim herscheppen tot één nieuwe mens. Jezus bewerkstelligt vrede tussen wie ver weg zijn en wie nabij zijn. De nieuwe gemeenschap is het huis van God. Jezus, Gods Gezalfde, is de hoeksteen. Wij weten niet met zekerheid of de tempel nog overeind stond toen deze brief werd geschreven. Dat maakt wel iets uit voor het begrijpen er van. Mensen zijn nu het gebouw, mensen van vrede, die medeburgers zijn en geen “bijwoners” meer.

    Zo werkt het ook nu nog niet altijd. Maar deze tekst biedt ons een opening to inclusief denken. Uit het verhaal van Jezus weten wij dat de prijs voor vredestichten hoog is, lijfelijk en emotioneel lijden meebrengt. Dat is meer dan geloofsijver: het is ruimte maken voor anderen, inclusief denken. Zo kun je werken aan verzoening.

    Janna F. Postma

    8 maart 2015

    3e zondag van de 40-dagentijd 8 maart 2015

    Jezus wordt kwaad vanwege de geldwisselaars in de tempel. God en Mammon dienen in het huis van zijn vader, dat kan niet.     In naam van religie worden tegenwoordig allerlei wetten opgelegd en oorlogen gevoerd, die suggereren bevrijding te bewerkstelligen. Machtsvertoon uit onmacht?

    Ex. 20.1-17, Ps.19. 8-15, Rom.7.14-25, Joh.2. 13-22(25)
    8 maart 2015. Oculi, de 3e zondag in de 40 dagen tijd.

    Inleiding: Het woord is vlees / mens geworden en heeft bij ons gewoond (1.14), schrijft Johannes. (1.18). Hij getuigt van de doop van Jezus als een verbinding tussen hemel en aarde (1.32). Jezus kiest zijn eerste leerlingen uit. Dan volgt een verhaal over een tweede verbinding, een bruiloft. Dit doet denken aan verschillende teksten uit het eerste /oude testament, waar God de bruidegom is en Sion/ Israël de bruid. Johannes lijkt dit te vergelijken met water. Het gevolg van Jezus boodschap zal zijn als 6 vaten vol wijn, Israël inclusief de volken. Zeven vaten zouden zijn als volmaakt. Dat is het dus net niet. Het is de afspiegeling van een nieuwe verbinding, een nieuw verbond. In de tekst voor deze zondag gaat Jezus voor Pesach, het feest van de herdenking van de bevrijding/uittocht uit Egypte; naar Jeruzalem. Op het tempelplein, ziet hij de verbinding tussen economie, tempelpolitiek en godsdienst. Twee goden die gediend worden, deze verbinding moet verbroken worden, wil Gods woord bevrijden en onder alle mensen kunnen gaan wonen. De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn door Jezus gekomen, zegt Paulus. Jezus Christus heeft de wet anders leren interpreteren. En zodoende door zijn praktijk, als de enige zoon van God, God doen kennen, als bevrijder van alle mensen. Het is de opdracht van zijn volgelingen bevrijding te bewerkstelligen, niet van de Romeinen, maar door liefde tot God en de naaste als zichzelf, in woord en daad . Dit in het krachtveld van Gods Geest die, tot Jezus wederkomst, overgedragen is aan zijn leerlingen. Mensen gedoopt met water en Geest, leden van geloofsgemeenschappen zijn als navolgers van Jezus, geroepen tot het bewerkstelen van gerechtigheid, duurzaam leven voor de gehele schepping, en zodoende tot het bevorderen van een vrediger samenleven.

    Ex. 20.1-17. Het verhaal gaat dat God de slaven, de nakomelingen van Jacob, bevrijd heeft uit Egypte en een verbond met hen gesloten heeft. Hij heeft hen geen geboden, maar richtlijnen gegeven. Richtlijnen om te leven als bevrijde mensen, niet alleen zelf, maar samen met personeel en de vreemdelingen. Houdt mij in ere als jullie bevrijder, door geen andere goden, idolen, achterna te lopen of te vereren. Want dan zullen die jullie gaan be- of overheersen.

    Als een veldheer, in de oudheid, een volk overwonnen had en mensen onderwierp, sloot hij, met groot vertoon, een vredesverbond met hen. Als mensen zich aan dat verbond hielden, zou hen niets overkomen. Waarbij ook vaak vermeld werd dat de overwinnaar nu als god vereerd diende te worden. Zie hiervoor ook de verhalen in de Makkabeeën tijd over de keizer en zijn beeld in de tempel van Jeruzalem.

    Er staat dan ook geschreven, ik ben de Heer, uw God. Een klassieke aanhef dus, maar nu gebruikt door de nakomelingen van Jacob, die zich, in latere tijden, gingen afvragen waar hun godsdienst op gebaseerd was in tegenstelling tot wat zij rond om hen zagen aan godenverering. Hun God werd ervaren als een ware bevrijder, daarover vertelde mensen elkaar de verhalen van Egypte, Mozes en het volk, generatie na generatie. Deze werden langzaam op schrift gesteld. Zij hebben tot op heden gediend voor de Joden om, ondanks alle vervolgingen, een volk, als volk te blijven. Deze 10 bevrijdende woorden zijn in details uitgewerkt. Uitwerkingen zijn beschreven in de Tora. Zij worden tot op vandaag nog geïnterpreteerd in het licht van de ethische contexten en levensvragen. Zo ontstonden Misjna, Talmoed en vele commentaren daarop. Definitieve ethische beoordelingen kunnen, ook vandaag nog, alleen gefiatteerd worden door geleerde mannen in Jeruzalem. In sommige perioden waren de regels scherper dan de leer. Dit lijkt ook het geval in het verschil tussen de interpretatie van de verschillende stromingen van Tora geleerden en de visie van Jezus, zoals beschreven in het tweede/nieuwe testament.

    De 10 woorden zijn richtlijnen geworden voor Christenen. Ook de Koran bevat teksten ervan.

    Joh.2. 13-22(25) Ten tijde van Jezus bepaalde de Farizeeën en Schriftgeleerden en Sadduceeën, vanuit verschillende opvattingen, wat al of niet zonde was volgens de Tora. Ze onderdrukten met al hun regels het volk. Bovendien leken ze te proberen goede maatjes te zijn met de Romeinen. De tempel was, in die tijd, naast het religieuze bovendien het economische hart van Jeruzalem. De tempel had zijn eigen munt systeem. Pelgrims, en allen die de tempel bezochten, moesten eerst geld wisselen en daarna konden zij hun offergaven kopen. Zoals in vele heidense tempels was de handel voor de offergaven verhuisd naar het tempelplein, de voorhof van de heidenen.

    Johannes schrijft zijn evangelie, op het eind van de eerste eeuw. De Tempel was toen allang door de Romeinen verwoest. De nieuwe blijde boodschap van Jezus was al verspreid in de toen bekende wereld. Johannes laat de Tempelreiniging plaats vinden op de eerste Pesach van Jezus' openbare optreden. Marcus en Matheus beschrijven deze gebeurtenis in samenhang met de Intocht in Jeruzalem en de verdorde vijgenboom..(Mc.11.15-20, Mt. 12-17). Ook Lucas beschrijft dit na de Intocht, maar dan zit Zacheus in de vijgenboom. Johannes is de enige die niet alleen beschrijft dat Jezus de handelaren verdreef, maar dat hij dat doet door een zweep/ gesel te maken. Het lijkt erop dat Johannes hier refereert aan Jesaja 10.26. De ander evangelisten beschrijven de scheur van het voorhangsel van het heilige der heilige in de tempel als Jezus op het kruis de geest geeft (Mc. 15,38, Mt.27.51, Lc. 23,45). Johannes beschrijft dit niet. Johannes beschrijft hier al dat er, door middel van Jezus, een 'scheur', een verandering, komt in de interpretatie van de godsdienst. Hij illustreert door middel van de tekenen, werken en de 'Ik ben' woorden, steeds het meer bewust worden van de leerlingen dat Jezus de verbinding is tussen hemel en aarde. Hij gebruikt hiervoor de woorden: 'opstijgen' en 'neerdalen'.

    De te lezen Johannes tekst bestaat uit 2 delen.

    Het eerste gedeelte (13-18) vertelt over de boosheid en agressie van Jezus over het bedehuis van zijn Vader, waar de voorhof tot een marktplaats is geworden. Er wordt hier geen verband beschreven met de intocht, maar met de profetische traditie (Amos, Jesaja, Jeremia). Waarmee Johannes wil aantonen, dat deze Jezus de eind-tijdelijke beloofde profeet is. Deze zal een eschatologische omkering van boete en vernieuwing bewerkstelligen. Pas na PASEN zal dit, de leerlingen, duidelijk worden. Het gaat hier niet om kritiek op de religie, maar om de praktijk van het oneigenlijk gebruik maken van het tempelcomplex, naar voorbeeld van heidense tempels. God dienen en de mammon gaan niet samen. Volgens Amos 5,21-25, Jer.7,3 vv en Zach 14,21 zal bij de komst van de Messias de tempel weer geheiligd worden, er zullen daar geen handelaars meer aanwezig zijn. Er wordt geen reactie beschreven op Jezus' daad, door de tempelpolitie. Wel van anderen.

    De leerlingen dachten aan Ps.69.10.

    De Joden vragen naar een teken van zijn volmacht, zijn papieren, om zo op te treden.

    Jezus' antwoord in het tweede gedeelte (19-22) van deze tekst is onbegrijpelijk. Hij spreekt over de afbraak van de tempel, als die van zijn lichaam, en de opbouw in drie dagen. De tempel zal vervangen worden, door Gods aanwezigheid onder alle volken. Zo schetst Johannes hier, na zijn inleiding direct waar het omgaat, nu het woord vlees/ mens geworden is.

    In de context was op de bruiloft van Kana, de beste wijn voor het laatst – de toekomst. Door Jezus' optreden worden zijn leerlingen zich langzaam bewust van verandering door alles wat ze gezien en gehoord hebben.

    De omstanders volgen Jezus en zullen in eerste instantie hem volgen vanwege zijn uiterlijke teken en werken.

    De tempelgeleerden voelen zich bedreigd, maar reeds bij één van hen ontstaat een scheur in zijn opvattingen. Nikodemus durft alleen in de nacht, vanuit de Nacht, Jezus verheldering te vragen. Aan Nikodemus legt hij uit dat niet alleen water een mens tot gelovige maakt, maar dat leven vanuit de geest daarbij een cruciale rol speelt.

     

    Rom.7.14-25, Paulus schrijft zijn brief (56) aan de gemeente van Rome, eerder dan Johannes (90) zijn evangelie. Paulus spreekt tot mensen die de samenvatting van de 10 woorden (mat. 22.37-40) tot hun wet hebben, als richtlijn voor een leven van recht doen aan zichzelf en de naaste. Door inzicht in de deze leefregels, vanwege de interpretatie van Jezus, is Paulus zich bewust geworden van zijn eigen zonden. Zijn verkeerde interpretatie en de religieuze ijver, die tot de zonde van de vervolgingen van de navolgers van Jezus had geleid, heeft hem misleid en bijna de dood gekost. Jezus' kruisdood heeft de mensen bevrijd. Hij heeft de zonde op zich genomen. De wet van de Geest (8.1) heeft de navolgers van Jezus, in Rome, bevrijd van de wet van de zonde en de dood. Elk mens wil het goede doen, maar of het altijd goed uitpakt is een tweede. Paulus heeft het niet over de erfzonde, dat is een interpretatie van Augustinus.

     

    Ps.19. 8-15,De volmaakte wet van de Heer, als levenskracht voor ieder mens.

    Kwaad 
    Kwaad heeft heel veel verschillende interpretaties. Ik noem er enkele.
    Kwaad worden/ zijn: boos, toornig, nijdig, misnoegen wekken, slecht gedrag tozv de zedenleer, zwakte, schadelijk, hinderlijk,
    kwetsen. kwaad stichten, slechte bedoelingen hebben.
    Kwaad willig, kwaadaardig, kwaad doen. Bijbels wordt dit aangemerkt als zonde: foute keuzes maken, verbreking van het verbond, overtreding van een goddelijke wet, een andere stem gehoorzamen dan die van god . Het gaat dan om schuld of het gevolg van een misstap, de weg kwijtraken, een relatie verbreken, al dan niet ivm de menselijke wil. Kwaad kan het gevolg zijn van een macht die van buiten komt, waarvoor mensen bezwijken. Het kan ook het resultaat zijn van onmacht gevoelens.

    Als gevolg van een gevoel:
    Het gevoel dat jou of de maatschappij iets wordt aangedaan kan onmacht geven, kwaad maken tot verzet leiden, al of niet gewelddadig. Het gevoel er niet bij te horen, waarbij ook religieuze en culturele motieven een rol kunnen spelen, met als gevolg psychische problemen, terugtrekking in eigen schulp of opstandig worden.

    Jezus maakt zich kwaad, omdat hij ziet dat het huis van zijn vader tot een marktplaats is verworden. Hij maakt zich zelfs zo boos dat hij een zweep maakt. Hij is dus echt kwaad, toornig. Een gemoedstoestand die niet vaak van Jezus beschreven wordt. Ondanks zijn agressie verwondt hij de mensen niet, maar jaagt ze weg. Dat schept wel angst bij de mensen. God dienen en de mammon gaan niet samen.

    Paulus heeft mensen vervolgd en aangebracht in naam van zijn idee over de uitvoer van de 'Wet van Mozes'. Hij ziet dit na zijn omkeer als zonde tegen de wet, zoals samengevat door Jezus.

    Het gevoel als land overvleugeld te worden door een andere macht, kan tot radicalisering en verzet leiden. Zoals al 30 jaar bijvoorbeeld het Midden-Oosten, waar groepjes rebelleerden tegen de dictators. Daarna langzamerhand een onderlinge strijd tussen verschillende opvattingen van moslims onderling. Later kwam er ook protest tegen de invloed van het 'Westen'. Dit kreeg een etiket Islam t.o. Christendom.

    Het gevoel wat zonde is, als interpretatie van de tien woorden is veelal tijd gebonden. Kwaad of zonden worden in verschillende contexten of levenssituaties anders geïnterpreteerd. Denk maar bijvoorbeeld aan het niet mogen fietsen op zondag of het stiekem snoepen uit het vastentrommeltje. Deze zonden zijn nu geen punt. Een punt is wel dat door de invloed van de neo-liberale economische opvattingen er een 24 uurs economie is. Alles moet uitgedrukt worden in geld. De laatste tijd worden sommige mensen zich weer bewust het rustiger aan te moeten gaan doen. En dat een andere economie gewenst zou zijn. In elke religie is waar te nemen dat uiterlijke zaken in wezen niets met geloof en liefde te maken hebben

    Een ander kwaad  , vanuit onmacht en onbekend, is tegen elkaar opstaan, elkaar verketteren, vooroordelen hebben, negeren, andere gewoonten afkeuren, geen respect hebben voor andere opvattingen en niet vragen naar motieven. Mensen, leven vaak in twee werelden. Voor moslim jongeren komt vaak wat op school geleerd wordt niet overeen met de religieuze of culturele opvattingen thuis. Jongeren moeten vanuit deze situaties, hun eigen weg leren vinden in de samenleving. Komen bij christelijke jongeren opvattingen van school en thuis niet met elkaar overeen, dan is meestal in de opvoeding plaats voor inzicht waarom de ouders andere opvattingen hebben. In het maatschappelijk verkeer is dat niet gemakkelijk, omdat er vanuit gegaan wordt dat de 'zuilen' zijn opgeheven en iedereen zich moet conformeren aan algemene standpunten.

    Was jaren het kwaad door rebellen en oorlogen voor velen alleen iets ver weg gerapporteerd door de media. Door IS en hun acties in Europa, de strijd in Oekraïne en de politieke ontwikkelingen in Griekenland, Frankrijk, Spanje en Portugal, maar ook de toename van de sympathie voor de PVV komen angst en onmacht hoe langer hoe dichterbij. Wat nu als kwaad ervaren wordt is nog niet eens zozeer de oorlogen en wat voor ernstig kwaad, angst en schade de verschillende legers en rebellen teweeg brengen, maar de aantasting van de vrijheid van meningsuiting in Europa, met name door de aanslagen en de dreigingen. Door de opeenvolgende berichtgevingen worden mensen bang en voelen zich onmachtig. Er wordt geroepen om steeds meer beveiliging, wapens, politie en marechaussee inzetwapens. Daarnaast in eigen omgeving, de gevolgen van de participatie wet voor de zorg, de toenemende armoede bij de middenklasse door werkloosheid met als gevolg huurschuld etc.

    Bij het waarnemen van kwaad, angst en onmacht in welke vorm dan ook is het van belang eerst, met elkaar, de oorzaken te zoeken en bij de naam te noemen. In plaats dat er steeds meer scheiding gemaakt wordt tussen wij – zij, haat gezaaid wordt en vijandsbeelden gecreëerd. Na inzicht kan pas getracht worden plannen te maken voor veranderingen. Niet bedacht vanuit ivoren torens, maar samen met mensen die het betreft. Dat geldt zowel persoonlijk, plaatselijk als wereldwijd. Alleen in eigen context is het voor de meeste mensen mogelijk hieraan een steentje bij te dragen.

    Hoe zouden geloofsgemeenschappen hiertoe kunnen bijdragen in eigen context.

    Wat is haar strategie: zich terugtrekken op eigen terrein en slechts aandacht besteden aan huisgenoten van het geloof? Of juist vanuit haar missionaire opdracht, nagaan waar het aanwezig zijn in de samenleving, gezien de problematiek vandaag, noodzakelijk is.

    Het is de derde zondag in de 40 dagen tijd. Een tijd van bezinning. Afgelopen vrijdag was er de wereld gebedsdag, met als thema: 'Begrijpen jullie mijn liefde'. De komende woensdag staat in vele kerken de biddag voor gewas en arbeid op de kalender. Tegenwoordig wordt hier veelal aandacht besteed aan het leven in de eigen geloofsgemeenschap, aan de economie, actualiteiten en de wereld in het algemeen. Bidden is van belang.

    Dit jaar zijn er veel zorgen in eigen omgeving en conflicten in de wereld, die ons ook niet ongemoeid laten en onzekerheid, angst en onmacht en verzet met zich mee brengen. De problematiek is niet eenvoudig. Heel de wereld is erin betrokken. Onmacht en angst is overal te merken in de samenleving. Aan de grote politieke vraagstukken kunnen de meeste mensen niets doen, behalve samen bekijken wat de oorzaken zijn en af en toe gebruik maken van stem gedrag. Bidden en stemmen is niet voldoende. Het gaat erom ook te streven naar liefde en gerechtigheid, de eigen samenleving komt dan als eerste in vizier. Wat zijn de oorzaken en/ of gevolgen van alle problematiek in eigen omgeving. Hoe kunnen we als geloofsgemeenschap initiatief nemen of samenwerken met anderen aan de problematiek die in eigen omgeving speelt. Door mensen samen te brengen, elkaar leren kennen, en vanuit verschillende achtergronden eerst luisteren naar elkaars verhalen en (religieuze) motieven. Aandacht voor anderen en onbekenden kan gevolgen hebben ook voor toekomstige samenleving met mensen van verschillende afkomst en nationaliteiten.

    De Iraakse bisschop Mirkis, onlangs op bezoek bij Kerk en Vrede en de Raad van Kerken zei over jonge Europeanen die zich aansluiten bij IS: ''Wij dienen te analyseren, waarom deze mensen bereid zijn te doden. En bereid zijn zelfs te sterven. Zij zijn veelal zonen uit de suburbs van jullie grote steden. Zij hebben geen toekomst, geen hoop. Ze hebben niets te verliezen. Op zulke jongeren mikt IS”. Hij voegde er aan toe:'als jullie niet humaan weten om te gaan met jullie Moslim immigranten, betalen wij, zoals op het moment al gebeurt, de rekening. De problematiek van Moslim immigranten zal niet direct in elk dorp of wijk spelen. Maar bijv. wel weer die van vluchtelingen in AZC of die gehuisvest worden in de omgeving, armoede, voedsel banken etc. Helpen waar geen helper is, al is het onder protest. Maar dan ook duidelijk maken waartoe dat protest of verzet dient.

    Mensen in een geloofsgemeenschap kunnen zich evenals anderen heel onmachtig voelen. Iedere keer weer is het van belang elkaar te herinneren aan haar opdracht haar volmacht, om vanuit haar geloof, hoop en liefde te verspreiden, en onrecht te bestrijden, zonder aanzien van personen, zoals Jezus daarin is voorgegaan.

    Héleen Broekema (TWG)

     

    Verschillen zijn niet bedoeld, om voor verdeeldheid te zorgen of om afstand te scheppen. We verschillen juist van elkaar om te beseffen dat we elkaar nodig hebben.

    Desmond Tutu.

     

     

     

     

     

    Er moet niet vergeten worden de de bevrijdende leefregels oorspronkelijk gegeven voor Israël. Ook geleden voor Christenen samengevat door Jezus als:

    Je naaste liefhebben als jezelf, geldt niet alleen voor bekenden, maar ook voor hen die in onze nabijheid wonen, arme, werkloze, of zij die vreemdeling zijn. Een groot gedeelte van deze leefregels staan ook in de Koran.

    De contextuele inzet kan heel divers zijn: opvang van vluchtelingen, meewerken aan voedselbanken, protesteren tegen het nog altijd opsluiten van 'illegalen', meewerken aan de bed, bad en brood voorzieningen die er nu overal moeten komen voor mensen die (nog) illegaal zijn, maar vooral voor hun begeleiding opdat zij kunnen werken aan een toekomst, hoe en waar dan ook.

    Het is mensen eigen dat onbekende onbemind zijn, dat door angst, onwetendheid en onmacht zondebokken en haat gecreëert worden. De ene keer zijn het Joden, dan Communisten, Molukkers, nu zijn het 'Moslims' en voor Moslims weer Joden, vanwege het conflict tussen Palestina en Israël.

    Conlicten gestoeld op ideologische gronden zijn er door de eeuwen heen geweest. Bij de kruistochten ging het in wezen om uitbreiding van land vanwege de toenemende adel. In Spanje leefde de joden, moslims en katholieken gewoon samen. In de cultuur zijn nog overblijfselen van joodse en moslim motieven in een gebouw. De katholieke vorst en vorstin hadden land nodig. Dus probeerde ze de joden als eerste te bekeren. De Paus gaf zelfs in 1467 zijn fiat aan een inquisitie. Toen de bekeringen niet veel succes hadden kwam er een wet (1492) dat alle Joden Spanje moesten verlaten. Ook de tachtigjarige oorlog ging niet om godsdienstige, maar om economische belangen. Evenals de strijd tussen de Protestanten en Katholieken in Noord Ierland.

    Voor Bush was 9/11 de aanleiding om de 'war on terror' af te kondigen. Dat geweld beantwoorden met geweld heeft tot op heden gewelddadige gevolgen.

    Op het moment wordt er vooral gesproken over IS. IS komt niet uit de lucht vallen. Het is één van de vele groeperingen in het Midden-Oosten, die opstaan tegen de westerse sublimatie. Het westen is 'christelijk', zij gebruiken nu de islam om land, kalifaten, te bemachtigen voor hun strijd. Het doel van de verschillende verzetsgroepen is niet zozeer de godsdienst, als wel het eigen territorium. IS is zeer geavanceerd in wapengeweld, maar gebruiken ook op een professionele manier de wereldwijde media om vooral jongeren, bij hun strijd te betrekken. Ze trachten hen te overtuigen van deze zaak als een goede zaak, evenals sommige Imans. Jongeren, zelfs met een goede baan, worden er door aangetrokken, omdat zij zich op de een of andere manier zich toch niet zo thuis voelen in het land waarin zij nu leven.

    Door de invloed van IS op de media, zijn andere terreur groeperingen die veel slachtoffers maken onder het mom 'een zuivere Islam' te bewerkstelligen, minder in beeld.

    Wat kunnen we met deze wereldwijde problematiek in onze geloofsgemeenschappen.

    Daarnaast is ook belangrijk te bezien wat in eigen leef omgeving mogelijk is en al gedaan wordt om het samenleven voor alle bewoners leefbaar te maken en te behouden. De gaven en mogelijkheden vanuit de geloofsgemeenschap kunnen worden ingezet om daaraan mee te werken. Een eerste verzet, is het probleem helder te benoemen. Daarnaast is voorlichting over politiek, economische en historische achtergronden van essentieel belang. Het gaat om een multiculturele uitvoering.

    Wat zonde is naast de tien woorden is veelal tijd gebonden. Was in mijn jeugd fietsen op zondag een zonde, dat is nu geen punt. Een ander punt is wel dat door de invloed van de neo-liberale economische opvattingen er een 24 uurs economie is. De laatste tijd worden mensen zich weer bewust het rustiger aan te moeten gaan doen. Zoals sporten, mobieltjes uit een uur voor het slapen gaan. Eerst ontbijten dan pas weer kijken enz. In wezen gaat het om ongenoegen, economische en politieke conflicten, die ideologisch, religieus, vertaald worden. Wordt er wapengeweld gebruikt dan heeft dat tot gevolg dat er veel burgerslachtoffers vallen. Oorlogsgeweld heeft verwoesting van infrastructuur, veel ellende en vluchtelingen tot gevolg.

    • Zowel Syrië als Irak hebben een lange voorgeschiedenis van dictatuur, interne strijd, van steun én boycot door het buitenland. Wie die voorgeschiedenis niet kent, kan de snelle opkomst van en de steun voor IS niet begrijpen. IS is mede ontstaan uit de verschrikkingen van oorlog, bezetting, moordpartijen, foltering. Dertien jaar van brute sancties en de invasie van 2003 door de Amerikanen hebben geleid tot de dood van ongeveer een miljoen Irakezen. De stad Fallujah viel als eerste in handen van IS doordat de bevolking alle vertouwen en hoop op een andere toekomst verloren had: Fallujah werd compleet verwoest door de Amerikanen in 2004, en de inwoners kampen als gevolg daarvan met kanker en misgeboorten. Het militair ingrijpen van de VS vond plaats zonder instemming van de VN Veiligheidsraad en op oneigenlijke gronden: de vermeende aanwezigheid van massavernietigingsmiddelen en de aanstaande mogelijkheid van Irak nucleaire wapens te fabriceren. Beide bleken niet waar. Daarbij heeft het militair ingrijpen van de VS niet geleid tot waar het de VS om zei te gaan, namelijk het vestigen van een democratie in het land waar ruimte zou zijn voor alle groepen. Integendeel. Door het optreden van de VS in Irak werd het land in een chaos gestort: de Amerikaanse bewindvoerder ontsloeg het gehele leger, dat vooral bestond uit Soennieten, een stroming binnen de Islam die in Irak in de minderheid was, maar met de steun van Saddam Hoessein de meerderheid van Sjiiten onderdrukte. Toen in 2006 de Sjiitische Al-Maliki via democratische verkiezingen aan het bewind kwam, leidde dat allengs tot steeds grotere achterstelling van de Soennieten. En het is onder deze groep, en in het bijzonder onder de ontslagen militairen, dat IS zijn aanhang vindt. Het leger van het nieuwe bewind, getraind door de VS, bleek weinig voor te stellen en weinig gemotiveerd. In de confrontatie met IS sloegen de militairen al snel op de vlucht, met achterlating van hun wapens, die door IS in dank aanvaard werden. Dit alles verklaart de snelle opmars van IS in Irak. IS maakte de oversteek naar Syrië toen dat land in een burgeroorlog terecht was gekomen vanwege het verzet tegen dictator Assad. Het verzet tegen Assad is echter verdeeld, zodat buitenlandse steun voor het verzet geen reële optie is. IS is in het geheel van de oppositie tegen Assad echter een krachtige partij. Dat heeft het Westen, dat sympathiek stond tegenover het verzet tegen Assad, en in het bijzonder de VS, in een moeilijk parket gebracht. De facto aanvaardt Obama nu met de militaire strijd tegen IS Assad als partner. Dit alles voedt in het Midden Oosten de haat tegen het Westen en de VS in het bijzonder en vergroot de steun voor IS.
    • Het probleem is echter niet beperkt tot Irak en Syrië: het conflict moet geplaatst worden in het geheel van de regio, die een bijzondere geschiedenis kent, verschillende islamitische stromingen en uiteenlopende politieke en economische belangen, intern en internationaal.

    IS heeft dus veel diepere en verder reikende wortels en veel machtiger bondgenoten dan dat het eenvoudigweg ‘weg te bombarderen’ zou zijn. Integendeel: de gewapende strijd tegen IS zou wel eens heel veel nu nog sluimerende vuurtjes kunnen opstoken en kunnen uitlopen op grotere steun vanuit veel meer hoeken.

    Conflicten IS, Oekraine, Israel/ Palestina, Afrika, staan in historische context. Zonder dat heeft luchtsteunen wapenleverenties geen zin. geen zin.

    De verontwaardiging over geweld is terecht, maar zou, indien beter geïnformeerd, zich toch regelmatig anders moeten richten dan momenteel het geval is. Als we willen meewerken aan een oplossing, moet toch eerst de vraag gesteld worden of we niet deel uitmaken van het probleem, en daardoor oplossingen zelf doelbewust tegenhouden of minimaal in de weg staan.

    Geweld wordt gezaaid

    Er lijkt een blind vertrouwen te bestaan in de oplossende werking van geweld.

    De verontwaardiging over het geweld van IS is groot. Terecht. Maar we moeten de vraag durven stellen, waarom die verontwaardiging vaak uitblijft bij andere vormen van geweld die regelmatig tot nog grotere aantallen onschuldige slachtoffers leiden onze norm, ons referentiepunt is de westerse blanke

    Deze opsomming maakt wel duidelijk dat het al dan niet ingrijpen bij conflicten en mensenrechtenschendingen en geopolitieke belangen niet los van elkaar gezien kunnen worden.

    22 februari 2015

    1e zondag van de veertigdagentijd 22 februari 2015

    Bijbellezingen: Genesis 9, 8-17 1 Petrus 3  Marcus 1, 12-15

    De goede boodschap
    In de preekschets voor zondag 25 januari over Marcus ben ik vooral nagegaan wat het begrip overleveren van Johannes hier voor consequentie had. Ik kwam tot de conclusie dat het overleveren van Johannes in vers 14 zich doorzet in de Zoon des Mensen: Judas die Hem overlevert aan Pilatus die hem overlevert aan de heidenen. De vraag kan opkomen hoe dan toch in Marcus 1 tot twee maal toe gesproken wordt van het evangelie, de goede boodschap. Daarover wil ik middels deze preekschets met u van gedachten wisselen.

    Het evangelie van Marcus is het enige dat de naam evangelíe reeds in de introductie noemt. Het evangelie naar Matteüs dient zich aan als het boek van de wording van Jezus Christus, en Lukas noemt zijn relaas ’een verhaal van de dingen’… Wij als lezers zijn hier zo aan gewend, dat het nauwelijks opvalt.
    Het woord zoals het aan het begin van het Marcus-evangelie gebruikt wordt en wederom in vers 15 vertaal ik letterlijk als de goede boodschap. Dit woord wortelt in de profetische verkondiging van de profeet Jesaja (Jes. 52, 7) in de vertaling van de NBV:
    ‘Hoe welkom is de vreugdebode
    Die over de bergen komt aangesneld
    Die vrede aankondigt en goed nieuws brengt, die redding aankondigt en tegen Sion
    zegt:
    uw God is koning.´
    De betekenis en de inhoud van het woord evangelie kan vanuit deze tekst verduidelijkt worden: vrede en heil bereiken hun hoogtepunt als tot Sion gezegd kan worden: uw God is Koning.
    Marcus schrijft zo ‘begin van het evangelie’. Uit het bovenstaande kan duidelijk zijn dat hier meer gezegd wordt dan slechts ‘hier begint het relaas van het leven van Jezus’. Bovendien gaat die eerste regel van Marcus parallel met de volgende ´Gelijk geschreven staat´. De uitdrukkingen ‘begin’ en ´gelijk geschreven staat´ ondersteunen elkaar, zij leggen elkander uit. 1) Het begin is gelijk geschreven staat, maar dat mag ook betekenen dat wat geschreven staat bij de profeet Jesaja de grondslag en het fundament is van hetgeen Marcus wil schrijven. De spreuken en de visioenen van de profeet, de troost die hij in zijn gezangen zingt, gaan aan het verhaal van Marcus vooraf, ja zij maken het verhaal van Marcus alleen maar mogelijk. Die profetieën zijn het beginsel, ze zijn het principe voor de evangelist. Marcus heeft de intentie te zeggen dat het ‘gelijk het geschreven staat’ ook zo is geschied. Dat is de kern hiervan. Daarom is het principe van zijn evangelie ‘ gelijk geschreven staat bij de profeet’.

    Het gewicht van dit principe kan en mag niet ontkracht worden door een vertaling als ´Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God. Het begon zoals het bij de profeet Jesaja staat beschreven´. In de vertaling Groot Nieuws voor U is het citaat van de profeet als aanvulling ten overvloede gegeven. Echter, de profeet ligt dan niet meer principieel ten grondslag aan het evangelie …

    Dit ‘begin’ waarvan de evangelist schrijft, dit beginsel ‘gelijk geschreven staat’ maakt de nieuwtestamentische literatuur tot een bijzonder fenomeen. Nergens elders in het nieuwe testament wordt er zo gesteund op hetgeen geschreven staat, het behoedt het geheim van de eenheid van de schriften. Volgens dit beginsel zal het geschieden.
    In vers 2 hebben we een samengesteld citaat dat ook aan Jesaja wordt toegeschreven. Maar dit citaat is niet alleen van Jesaja. De profeet Maleachi (Mal. 3,i ) is erin te herkennen en eveneens Ex. 23,20a in de Septuagint-vertaling. Toch blijft er veel voor te zeggen om de profeet Jesaja met name te blijven noemen. Het citaat is grotendeels genomen uit het veertigste hoofdstuk van Jesaja. Daar begint het troostboek van de profeet, de zogenaamde Deutero-Jesaja. In het evangelie van Marcus begint het citaat uit het veertigste hoofdstuk bij vers 3. De verzen 1 en 2 worden niet vermeld. En toch zijn dat verzen die alles te maken zouden kunnen hebben met de goede boodschap en het heil dat tot Sion mag worden gezegd. Die verzen luiden in de vertaling van B. Hemelsoeti als volgt:
    ‘Troost, troost mijn volk, zal uw God zeggen
    spreekt tot het hart van Jeruzalem
    en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is
    dat haar ongerechtigheid verzoend is
    dat zij van de Heer ontvangen heeft dubbel voor al haar zonden’ (Jes 40,1,2).

    Doordat Marcus deze niet geciteerde verzen niet uitschrijft, maar enkele verzen uit Maleachi geeft, die de klankkleur hebben van Ex. 23, 20 en deze vervolgens toeschrijft aan de profeet Jesaja, kan de lezer inzicht krijgen hoe de troost aan Jeruzalem is gebracht. Nu kan de lezer weten hoe de weg bereid zal worden: er zal troost aan Jeruzalem worden gebracht.

    ‘Gelijk het geschreven staat’ bij de profeet, zo zal het geschieden. Daarom schrijft Marcus tot enkele malen het woord geschieden voluit neer. (Geschieden is een geschieden van Godswege). Met behulp van dit woord ligt dan ook de indeling van dit ‘begin’ of ‘beginsel’ van het evangelie voor de hand:
    Begin van het evangelie
    Gelijk geschreven staat
    (vers 4) geschiedde: Johannes de Doper
    (vers 9) en het geschiedde in die dagen: Jezus.
    Het ‘gelijk geschreven staat’ draagt zowel de geschiedenis van Johannes de Doper, als ‘in die dagen van Johannes de Doper’ de geschiedenis van Jezus. De geschiedenis van hen beiden gaat langs de weg die voeren zal tot in het hart van Jeruzalem om daar de troost te brengen, de goede boodschap tot Sion: Uw God is Koning.
    Johannes de Doper is betrokken op deze goede boodschap, hij is de voorloper van degene die na hem komt. Jezus – die na hem komt, en die sterker is dan Johannes de Doper – gaat in die dagen de wegen die Johannes heeft geëffend, de paden die hij gelijk gemaakt heeft.

    Tot zover enige connotaties bij het begin van Marcus 1. We gaan nu over tot het einde van de proloog van Marcus, waar we in de verzen 14, 15, lezen: ‘Nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea , waar hij Gods goede boodschap verkondigde.’ Dit was wat hij zei: ‘ De tijd is vervuld, het Koninkrijk van God is nabij gekomen: kom tot inkeer en geloof deze goede boodschap´.
    Met veel commentaren ben ik het eens dat er in deze proloog sprake is van een inclusie: de inclusie van de verzen 2 tot en met 13 wordt omsloten door de vermelding in de verzen 1 en 14 van de goede boodschap. Aangezien het accent ligt op deze goede boodschap, besteed ik geen aandacht aan de verzen die tussen het begin en de verzen 14 en 15 liggen, maar leg ik tenslotte het accent op de verzen 14 en 15.
    Jezus komt naar Galilea in zijn eentje. Van leerlingen van Johannes die hem volgen is bij Marcus geen sprake. In Galilea verkondigt Hij de goede boodschap van het koninkrijk Gods. Deze uitdrukking maakt al duidelijk dat dat evangelie op deze plaats niet gelezen mag worden als ‘verhaal van het leven van Jezus’. Goede boodschap heeft hier klaar en helder zijn wortels in de profetische verwachting, in de troostwoorden van Jesaja (52,7): ‘tot Sion wordt gezegd uw God is Koning.’ Ver van Jeruzalem, in Galilea wordt dit verkondigd. Zo is de weg al geschetst tussen Galilea en Jeruzalem. Daardoor is de spanning opgebouwd en de weg uitgezet tussen Galilea en Jeruzalem. Zo is ook de weg al geschetst van Galilea tot in het hart van Sion. Zo schetst Marcus Jezus’ leven op aarde. Zijn weg en zijn leven zijn erop ingesteld om in Sion te verkondigen dat God Koning is.
    Wij als lezers, als hoorders van het evangelie naar Marcus kunnen nu aanvoelen wat het betekent als Jezus tenslotte in Jeruzalem komt en daar wordt overgeleverd om gekruisigd te worden.
    Jezus komt aan in Galilea, en de tijd is vervuld om deze weg te gaan. De tijd is vervuld dat al degenen die het horen worden geroepen tot ommekeer, tot inkeer en terugkeer, opgeroepen zich op deze weg te begeven. Wat zegt ons dat, als hoorders op deze eerste zondag van de veertig-dagen-tijd?
    In ieder geval heeft de ommekeer en de terugkeer te maken met de oriëntatie op Jeruzalem. Jezus komt aan in Galilea, en Hij verkondigt dat het koninkrijk Gods nabij is gekomen. Marcus gebruikt het woord ‘nabij gekomen’ maar drie keer in zijn evangelie. Hier in hoofdstuk 1, in hoofdstuk 11 als zij nabij Jeruzalem zijn gekomen en tenslotte als geschreven wordt in de hof van olijven: ‘zie, hij die mij overlevert is nabij gekomen ‘(14, 42). Dat Jeruzalem en degene die Hem overlevert met het woord ‘nabij komen’ worden verbonden hoeft de hoorders nu niet meer te verbazen. Immers, zo wordt tot het hart van Jeruzalem gezegd: uw God is Koning. Jezus nadert de stad met deze goede boodschap, en zo komen ook nabij degenen die de overlevering in gang zetten, tot en met Pilatus, die Hem overlevert om gekruisigd te worden: zo is Gods koninkrijk naderbij gekomen.

    Aanwijzingen voor de prediking.

    Wat zegt het ons op deze eerste zondag van de veertig-dagen-tijd dat Gods koninkrijk is nabij gekomen?
    Waar vinden we in onze gemeente de nabijheid van Gods koninkrijk?
    In hoeverre bouwen we verder op het fundament dat Jezus heeft gelegd?
    Hoe gaan we de veertig-dagen-tijd gestalte geven nu het koninkrijk van God is nabij gekomen?
    Als het goed is heeft de theologische werkgroep van Kerk en Vrede voor de Aswoesdag een manifest doen uitgaan om op een geweldloze wijze tegen het optreden van IS te protesteren. Wat doet u daarmee in uw gemeente?

     

    iB. Hemelsoet. Marcus. Verklaring van een bijbelgedeelte, Kampen 1977, blz. 7. 

    8 februari 2015

    5e zondag na epifanie 8 februari 2015

    De Romeinen verkondigden hun wapenfeiten, in Rome, als evangelie. Marcus schrijft een tegen-evangelie voor de vervolgde na- volgers van Jezus in Rome. Jezus als heraut van een ander evangelie. Bare tijden toen, bare tijden nu. Zijn geloofsgemeenschappen bereid en instaat, in eigen context heraut te zijn, naar Jezus voorbeeld.

    Bij: 2.Kon.4. 18-21(22-31)32-37, Ps. 142, Mc.1.29-39

    Inleiding.

    De Romeinen verkondigden hun wapenfeiten, in Rome, als evangelie. Marcus schrijft een tegen-evangelie voor de vervolgden na-volgers van Jezus in Rome. Hij beschrijft woorden en daden van Jezus en de reactie daarop van de gewone mensen en de tempelgeleerden, de theologen, die dachten dat ze het zo goed wisten. Maar door de vele regels hielden ze de mensen beklemd; velen bestempelden ze als onrein. Het volk leed daaronder, zoals nu onder de Romeinen.
    Jezus' nieuwe leer met gezag, brengt genezing /heelheid. Hij is niet de heraut van de overwinningen van de keizer, maar van het koninkrijk van God dat is en komende is.

    Marcus schrijft ter bemoediging van de navolgers van Jezus, die naar Rome gedeporteerd zijn na de joodse oorlog van 70, en vervolgd worden.  Er heerst grote teleurstelling, Jezus is nog niet teruggekomen. De tegenstellingen tussen de maatschappelijke situatie waarin geleefd wordt kunnen niet openlijk beschreven worden. Hij wil zeggen: sta op, ga door met het bannen van een nieuwe weg te midden van de 'woestenij' en 'wilde beesten'. Woestenij, demonen en wilde beesten zijn code namen voor de toestand in Rome en de Romeinen. Evenals Johannes dat deed in de Apocalyps/Openbaringen.

    Het is van belang dat het goede nieuws verspreid blijft worden. Jezus is daartoe geroepen en ook zijn navolgers, in het krachtveld van zijn Geest. Het gaat niet om te heersen, maar te dienen, diaken te zijn, door heelheid, gerechtigheid trachten te doen aan mensen die in de knel zijn gekomen. Dit in tegenstelling tot wat de Romeinen veroorzaken.

    Marcus illustreert, na zijn inleiding, direct het hele levenswerk van Jezus. Een nieuwe kijk op de Thora, een leer met gezag, als eerste opstandingsverhalen van de zonen en dochters van het volk en verder op ook erbuiten, vernietiging van en strijd met de demonen, bevrijding niet van de Romeinen, maar als een nieuwe exodus.

    Jezus begint zijn levenswerk niet in Jeruzalem, maar in het noorden, in Galilea. De mensen die daar woonden waren, in de ogen van 'Jeruzalem' tweederangs mensen voor zowel de economie als de tempelgeleerden. Zij werden gezien als het volk dat de wet niet kent.

    2.Kon.4. 18-21(22-31)32-37,

    De werken van Elisa, in het Noordrijk, worden wel vergeleken met Jezus. Hij kreeg de geest over van Elia, aan de Jordaan. Hij deed veel voor arme weduwen (Israël) om deze weer een leefbaar leven te laten leven.

    In deze tekst heeft een sterke welgestelde Sunamitische (3x) gehuwde vrouw, die leeft te midden van haar volk. Haar man speelt slechts een bijrol. Ze heeft een kamer laten maken voor de man Gods (6x), Elisa. Ze heeft geen zoon. Een zoon is toekomst. Ze krijgt op haar oude dag, in de lente, nog een kind. (16 = gen.18.10-14 Sara!). Deze sterft als KIND in de oogsttijd. Ze legt het kind op het bed van de man Gods, en doet de deur dicht, en gaat, met spoed, naar hem toe.(22-31, haar reis en de reactie van Elisa). Als Elisa aankomt gaat hij naar zijn kamer, en sluit de deur achter hen beiden. Hij is alleen met het kind en God. Het kind  wordt, door Elisa, weer tot leven gewekt en de moeder krijgt hem terug als ZOON, als nieuwe oogst, als toekomst. Een verhaal over het wel en wee van Israël.

    Mc.1.29-39.

    De zoon, de Messias, nieuw toekomst perspectief? Nu alleen rampspoed. Dit is de situatie van de vervolgde navolgers van Jezus weggevoerd naar Rome in 70, na het desastreuze einde van de joodse oorlog.

    Context: Jezus start zijn openbare werk vanuit of in de 'woesternij' met zijn vele verzoekingen. Nadat hij in de Jordaan gedoopt is en de geest van God heeft ontvangen. Hij roept 4 leerlingen al gaande langs de zee van Galilea richting Kafernaüm, waar Petrus en Andreas woonden. Op de eerst volgende sabbat onderwijst hij de mensen in de synagoge van Kafernaüm. Iedereen had daartoe de mogelijkheid. Hij sprak als iemand met een nieuwe leer en groot gezag. In de synagoge krijgt hij al direct te doen met een mens met een onreine geest.  

    Jezus is zijn opdracht in Galilea gestart. Aan het eind van het evangelie krijgen de leerlingen, maar ook Petrus, de opdracht op te staan en naar Galilea terug te gaan (16.7) om zich te herinneren hoe Jezus hen heeft voorgedaan om het goede nieuws te verspreiden. Zij moeten het voortzetten, ondanks de gebeurtenissen.

    30-31. Jezus, grijpt, op de sabbat, de hand van de koortsige schoonmoeder van Petrus, en doet haar overeind komen, opstaan van haar ziekbed.  Zowel de schoonmoeder als Jezus zijn daardoor volgens de wet onrein geworden. Bovendien zegt de wet dat alleen een genezing op een sabbat plaats mag vinden als een mens of dier in hoge nood verkeerd. De schoonmoeder van Petrus verkeert niet in hoge nood. Daarom gaat het hier ook om iets anders.
    Ze begint voor hen te zorgen (NBV)/zij diende hem (ST. V) (diakonei),  evenals de engelen (1.12). Diakonei houdt veel meer in dan huishoudelijk verzorging! Zo is zij één van de eerste 'diakenen'. Diakonia is dienst aan de wereld waartoe leerlingen toen en geloofsgemeenschappen nu geroepen zijn.
    Jezus gaat onreine mensen niet uit de weg, ze worden genezen. Hij geeft mensen hun menselijke waardigheid terug. De maatschappij mijdt of veroordeeld in veel gevallen mensen die anders zijn.

    32-34. Na de sabbat brengen mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe. De bezetenen wordt niet toegestaan om iets te zeggen over hun genezing. Want zij wisten wie hij was. 'Ben je gekomen om ons te vernietigen' (1.24). De demonen willen de strijd, met Jezus aan gaan door aan te geven wie deze Jezus is.  Jezus verbied hen dit. Want de macht van God, Jezus, is sterker dan de demonen van de wereld (ook in Rome).

    35-38.Jezus wil gaan bidden op een eenzame plaats (NBV), woeste plaats (ST.V), plek in de woestijn (NV), (erémos topos: 5x in Mc en plaats 10x). Bidden, alleen terugtrekken, is bijna onmogelijk gezien de maatschappelijke (romeinse) context. Jezus, wordt dan ook achtervolgd en gezocht. Evenals degene die deze tekst toen lazen. Jezus wil dan ook niet op deze plaats blijven. Hij wil ergens anders heengaan. Om het goede nieuws verder te verspreiden. Want dat is zijn opdracht. Maar ook die van de mensen na 70. Zijn leerlingen wensen dat hij ingaat op de vragen van de menigte als wonderbaarlijke genezer.  Jezus heeft een ander doel, het brengen van de goede boodschap. Niet als overwinningsmare, zoals de herauten van de keizer,  maar  als het tegendeel. Het gaat om een volledig nieuw bestaan, nu reeds. Het Koninkrijk van God is nabij. Ingaan in heerschappij van het Koninkrijk van God,  houdt meer in dan de boete oproep van Johannes. Het is proclamatie van Gods heerschappij, missionair zijn in woord en daad.

    Jezus weet zich van God gezonden; 'daartoe is hij uitgegaan'
    Context: 39 ev. Jezus brengt in heel Galilea het goede nieuws in de synagoge en geneest.

    Ps. 142, Bestaat uit twee hoofdelementen

    1-5 de penibele situatie van de hoofdpersoon.

    6-8 Smeekbede om Gods hulp

    Sunamitische

    Deze vrouw uit Sunam staat in de lijn van verhalen van oudere onvruchtbare vrouwen, die toch nog een zoon krijgen. En een rol spelen in de toekomst van het Volk, o.a. Sara en Elisabeth. Een Sunamitische is bovendien herkenbaar voor de lezers als een prachtige vrouw, onafhankelijk en dienstbaar. De vrouw uit Hooglied is een Sunamitische. Ook Abisag, de vrouw die David verpleegde toen hij stok oud en steenkoud was. (1 kon.1.4).

    Onrein

    Volgens de joodse wet, zijn zieken en mensen die met zieken in aanraking komen onrein. Een zieke is onrein en mag eigenlijk niet in de synagoge komen, voordat hij/zij zich gereinigd heeft. Jezus trekt zich daar niets van aan. De heelwording van de mensen staat bij hem centraal.

    Bidden.

    Op adem komen door gebed en bezinning, even terugtrekken, als passen op de plaats om de situatie te overzien, is van groot belang. Niet alleen voor Jezus, maar ook voor onszelf. In de drukte van de tijd of situatie lijkt dat soms onmogelijk. Maar toch is het in elke situatie mogelijk, al lijkt het of er iets anders gedaan wordt.

    Zwijgen/ spreken.

    Het zwijgverbod (11x) geldt niet alleen de demonen of onreine geesten, maar ook de leerlingen en andere genezen personen. Dat is het Messias geheimenis. Dit wordt in eerste instantie niet begrepen/ verstaan (10x) moet eerst rijpen, voordat er na de Paaservaring begrip komt en er openlijk over gesproken kan worden door de vrouwen en de leerlingen.

    Demonen.

    De demonen, de Romeinen en de tempeldienaren, kennen de angst voor de andere houding van Jezus. Ze voelen zich bedreigt. Daarom willen ze hen uit de weg ruimen. Gods geest is sterker dan de geest van de demonen.

    Maatschappelijke tegendruk of ongewenstheid, psychische en lichamelijke ziekten zijn, als demonen, blokkades voor het ik. Waardoor keuzes en (normaal) maatschappelijk functioneren vaak onmogelijk is, of onmogelijk gemaakt wordt. Genezen worden van demonen, is (weer) inzicht krijgen in eigen en/of het politiek en economisch functioneren. Hetgeen vrijheid geeft om eigen keuzes te maken en andere daardoor de hand te reiken.

    Herauten van de goede boodschap.

    De wereld is een dorp geworden. We leven in een vrij land, maar zijn op allerlei fronten betrokken bij oorlogen en conflicten. De media berichten bijna alle gruwelijkheden. Hierdoor neemt de angst toe. Er wordt een zondebok gezocht.
    In veel gevallen is dat op het moment de Islam.

    De Sunamistische verweet Elisa in eerste instantie toen haar kind gestorven was, dat hij dat geschenk maar nooit had moeten geven. Haar toekomst, haar zoon wordt achter gesloten deuren opgewekt. Jezus wekt de mensen op in het openbaar. Zijn leerlingen, de toekomst van de Zoon, moeten niet met koorts in bed blijven liggen. Hij blijft hen de hand reiken om op te staan en te dienen, ook na 70, door het krachtveld van zijn Geest.

    De heraut van de keizer trekt door het land verkondigde het nieuws van zijn overwinningen. Marcus schrijft een tegen-evangelie, over de heraut van het koninkrijk van God. 
    Jezus blijft ook niet op één plek. Hij trekt verder als een heraut om het goede nieuws te verkondigen. De vruchten van zijn leer met gezag, worden zichtbaar in zijn daden.
    Zijn volgelingen worden geroepen om op te staan en als diakenen er te zijn in de wereld, zoals de schoonmoeder van Petrus. Niet alleen intern in eigen geloofsgemeenschap, maar vandaar uit elkaar ondersteunend in de eigen maatschappelijke context. Bestrijden van  de IS en alle andere brandhaarden, daar kunnen gewone mensen niet zoveel aan veranderen. Bidden is daarvoor de eerste mogelijkheid.
    Iets doen aan de gevolgen.Gods hoop, zijn/ haar  handen en voeten zijn, in eigen context is de tweede. Mensen opvangen tegen de 'beesten' die hun bedreigen door de economische en politieke situaties  en hen niet aan hun lot overlaten. Zoals het zorgen  van de engelen, de schoonmoeder en later meerdere vrouwen.

    Hier liggen aanknopingspunten voor bezinning op mogelijkheden voor veranderingen in de natuur, duurzaamheid, faire trade etc. Maar ook omtrent het bestrijden van vooroordelen over Islam, vluchtelingen, mensen die vanuit het buitenland hier werk zoeken. Door voorlichtingen en contacten, maar ook door misschien door de week een kerkzaal open te stellen, om als geloofsgemeenschap sprankjes van hoop te bieden.   Door middel van een beetje contact, een luisterend oor, een kopje koffie voor mensen in de buurt die dakloos zijn, geen werk of schulden hebben, vluchteling of illegaal zijn of een andere nood.  Zo kunnen mensen die elkaar anders nooit zouden ontmoeten met elkaar in contact komen, waardoor vooroordelen of leefwijze of geloofs-inspiratie ten aanzien van elkaar ook kunnen veranderen.

    Door ervaringsdeskundigen wordt aangegeven, dat als er in het Westen geen contacten zijn en respect is voor mensen met een andere religie, met name de Islam, dat er hoe langer hoe meer mensen gaan denken dat een kalifaat een betere samenleving zal zijn dan bijvoorbeeld in Nederland. Terwijl juist Nederland bekend is als een land van vrijheid, respect en vrije meningsuiting. Om deze opvattingen als samenleving waar te laten blijven is het van belang dat christenen, humanisten, atheïsten, islamieten, joden etc. met elkaar in gesprek gaan. Geloofsgemeenschappen kunnen daartoe het initiatief nemen, of zich aansluiten bij de reeds bestaande initiatieven. Het gaat vanuit het perspectief van gemeenschapsopbouw erom dat zaken zoveel mogelijk geen individuele acties zijn, maar  minstens gedragen worden door, een gedeelte, van de geloofsgemeenschap. 'De beste manier om datgene te bereiken wat vandaag nog onmogelijk is, is datgene te doen wat vandaag al mogelijk is”. (Paulo Freire).

    Héleen Broekema (TWG)

     

    Naar Psalm 142.

    Met de stem die ik had

    riep ik mijn ziende aan;

    ik maakte een gebed

    met de stem die ik had.

    Ik liet mijn klacht voor hem stromen

    dat hij mijn benauwdheid zou zien.

    Toen mijn geest in mijn kracht zou verzinken

    werd mijn pad gezien,

    waar strikken hadden gelegen

    door velen gelegd.

    Ik zag naar een rechterhand uit –

    zal mensenhand mij kennen?

    Mij stond geen toevlucht klaar,

    geen mens weet mijn ziel.

    Toen riep ik de ziende aan, zei:

    weest u dan mijn hoop:

    bij u ligt

    het deel van mij dat leeft.

    Sla acht op mijn geschreeuw,

    die komt van zeer laag.

    Immers, ik wordt achtervolgd

    door wat sterker is.

    Haal van mijn oog de tralies

    dat ik u goed mag noemen

    en wat mij omringde, rijkdom:

    veelheid die u mij zag wedervaren.

     

    Lloyd Haft

     




     

    25 januari 2015

    3e zondag na epifanie 25 januari 2015

    ‘Bij overlevering hebben we gehoord’

    Sommige verhalen leveren we gemakkelijk over aan bijvoorbeeld onze kinderen. We leveren onze levensverhalen over. Over onze jeugd, wat we daarin meegemaakt hebben, kattenkwaad dat we uitgehaald hebben. We leveren wellicht - als het zo te pas komt - de verhalen over van onze eerste verliefdheid.
    Tradities worden van geslacht op geslacht overgeleverd. Zo mocht, nee moest de kerstboom blijven staan tot driekoningen, ‘want dat deden mijn ouders ook’.
    U vindt dit wellicht wat triviale overleveringen. Het wordt al spannender als we bedenken hoeveel jongeren de traditie van geweldloosheid overleveren. Een voorbeeld: In oktober was ik op de conferentie van Wereldwerk van de doopsgezinden. Een instelling die vanuit de doperse traditie op geweldloze wijze onder andere kritiek uit op de bewapeningswedloop, waar ook ons land aan mee doet. Toen ik met de trein naar de locatie reed waar de conferentie zou worden gehouden, bladerde ik wat in het doopsgezind jaarboekje. Ik ontdekte toen dat meer dan 60 procent van de predikanten ver boven de vijftig jaar zijn. Zelf ben ik 66 jaar en ik hoop dat, als ik krakkemikkiger word, een jongere mijn taak als predikant wil overnemen. Maar goed, ik kwam dus wat down bij het conferentieoord aan. Wat schetst mijn verbazing? Van de zestig deelnemers bleken er ruim dertig beneden de vijf en dertig jaar te zijn! Jonge mensen die zich met hart en ziel inzetten voor gerechtigheid en vrede! Dit gaf me weer moed en vertrouwen.

    Het bijbelgedeelte uit Marcus dat we hier nu aan de orde stellen, riep bovengeschetste overpeinzingen op. Jonge mensen die zich gedreven weten door de Geest en, als de eerste leerlingen toen, vissers van mensen willen worden op de pelgrimage van gerechtigheid en vrede. Dat probeert ook Kerk en Vrede onder andere door haar werkgroepen. Zo is er een pamflet, geschreven door Janneke Stegeman over de kwestie IS. Zo worden er waken voor vrede in het Midden-Oosten gehouden. Zo komt er in februari op aswoensdag vanuit Kerk en Vrede een manifest dat onder meer gaat over de vraag hoe het Westen kan onderhandelen in plaats van schieten om de gemoederen binnen IS tot bedaren te brengen. Nee, wij zijn niet machteloos.

    Nu gebruikt Marcus 1: 14 - 20 het begrip overleveren in een ander verband dan hierboven geschetst, maar we kunnen ons wel afvragen wat zijn begrip voor overleveren voor ons te betekenen heeft. Ook de andere synoptische evangeliën spreken van het optreden van Jezus in Galilea, maar zonder dit te verbinden met de overlevering van Johannes de doper aan Herodes en de zijnen. Door Jezus’ optreden te verbinden met de overlevering van Johannes, klinkt dit bij Marcus onheilspellender. Vertalers hebben dit wel trachten te verdoezelen door te spreken over Johannes die ‘gevangen genomen is’ of: ‘na de arrestatie van Johannes’. Door op dergelijke wijze te vertalen – wat de NBV ook doet - doe je echter het gewicht van het gebeuren tekort. Marcus spreekt in 1:14: ‘Nadat Johannes overgeleverd was, ging Hij naar Galilea, zijn werkterrein. Totdat Hij geroepen wordt naar Jeruzalem te gaan.’ Marcus weet wat hij moet schrijven als iemand in de gevangenis gebonden is (vgl. Marc. 6,17), maar daar gaat het hem in het veertiende vers van zijn eerste hoofdstuk niet om: Hij kiest niet voor niets hier het woord overleveren. We komen daar straks op terug. Nog even dit: Marcus vermeldt hier noch de naam van Herodes, ook niet de naam van Herodias of haar dochter. Zo komt al in het begin van dit evangelie het volle pond te liggen op de weg die Jezus moet gaan tot in Jeruzalem. Vlak voor de kruising neemt Marcus het begrip overleveren weer op. Het woord ‘overleveren’ is bijna altijd gereserveerd voor de Zoon des Mensen die ze zullen overleveren aan de heidenen. Het lijdensverhaal gaat van overlevering naar overlevering: Wat in Mat 1: 14 staat zet zich door in de Zoon des Mensen: Judas die Hem overlevert aan Pilatus die Jezus overlevert om gekruisigd te worden.
    Door in vertalingen steeds wisselende woorden voor het begrip ‘overleveren’ te gebruiken, wordt het feit verdoezeld dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de overlevering van Johannes en van Jezus. Als we bedenken hoe Jezus overgeleverd gaat worden, lezen we ook het overleveren van Johannes anders. Wat hier van Johannes geschreven staat zal later in het evangelie ook van Jezus verteld worden.

    Aan het begin van Jezus’ gang naar Galilea wordt in vers 14 de naam van Johannes, de voorloper nog eenmaal vermeld; er wordt aan zijn duistere lot gerefereerd, maar op zo‘n manier dat wat Jezus zal overkomen er in staat getekend. Wat nu van Johannes staat geschreven - wil Marcus zeggen - zal in het evangelie ook van Jezus worden verteld.
    Jezus komt naar Galilea, alleen. Hij is ook de enige Galileër die zich door Johannes laat dopen en hij verkondigt dat Gods rijk nabij is gekomen. De evangelist gebruikt dit woord ‘nabij gekomen’ slechts drie maal in zijn evangelie. Het wordt in het door ons gelezen gedeelte gebruikt, namelijk in hoofdstuk 11, als ze in de nabijheid van Jeruzalem zijn gekomen en ook als geschreven wordt in de hof van Olijven: ‘zie hij die mij overlevert is nabij gekomen (14, 42)’. Dat Jeruzalem en degene die Hem overlevert met het woord ‘nabij komen’ worden verbonden, hoeft ons nu niet meer te verbazen: Want zo wordt tot het hart van Jeruzalem gezegd: uw God is Koning. Jezus komt nabij de stad met deze blijde boodschap, en zo komt ook nabij degene die de overlevering in beweging zet, Judas, tot en met Herodes die Hem overlevert om gekruisigd te worden; zo is het koninkrijk van God naderbij gekomen.

    Zo klinkt in Galilea ’bekeert u, sluit u aan bij deze weg. Z0 heeft zij handen en voeten gekregen door wat de voorloper heeft gemeld’: een doop van bekering; degenen die het horen worden opgeroepen te geloven, vertrouwen te hebben dat zo de blijde boodschap van Gods heerschappij in Jeruzalem komt.

    Vissers langs het meer, twee broederparen, twee maal twee getuigen van dit evangelie, volgen Jezus´
    oproep. Zij zullen mensen boeien met deze boodschap, hen vangen.
    Zij gaan ´gelijk´ achter Jezus aan. Ze bewegen zich op een weg die door de voorloper is aangekondigd, die door de Doper is uitgezet, die weg, die begaan kan worden ‘nadat Johannes was overgeleverd geworden.’

    Nog enige aanwijzingen voor de preek:

    1. Ga na waaraan wij mensen ons overleveren: de macht van de gewoonte, onze welvaart. Hoeveel blijft er voor hen die het niet florissant hebben? Kunnen wij werkelijk delen?

    2. Herkennen wij ons in die broederparen die Jezus volgden. Hoe doen wij dat dan in onze actualiteit?

    3. Kan het soms zo zijn dat Johannes aan ons is overgeleverd? Laten wij hem wel ruim baan maken voor Jezus?

    4.Is ons geestelijk leven, ons leefpatroon dusdanig dat wij als Galilea zijn, het werkterrein van Jezus?
    Wat en hoe zouden we nog een vruchtbaarder werkterrein kunnen zijn?

    5. Laten we het krachtenspel van de politiek voor wat het is of gaan we met creatviteit wegen zoeken in onze buurt, in ons land en internationaal om te getuigen dat Gods rijk werkelijk onder ons is? Zo ja, hoe doen we dat?

    Lies van der Zee


     

    11 januari 2015

    1e zondag na Epifanie 11 januari 2015

    Romeinen verkondigden hun wapenfeiten, in Rome, als evangelie. Marcus schrijft een ander, een tegen-evangelie. Ter bemoediging van de navolgers van Jezus, die vervolgd worden. Baan de nieuwe weg te midden van de 'woestenij' en 'wilde beesten'. Welk 'evangelie' betreffende hun wapenfeiten verspreiden christenen vandaag.

    Enige gedachten bij: Jes. 55.1-11, Dan.3.52-56, Mc.1.1-11 voor zondag 11 januari, 1e na Epifanie. Doop van de Heer. Kerk en Vrede.

    Inleiding.

    Marcus beschrijft zijn verhaal over Jezus levenspraktijk ter bemoediging van zijn volgelingen, ongeveer 70 jaar na Chr. waarschijnlijk in Rome. Deze Joden hebben amper de joodse oorlog overleefd. Velen zijn tot slaven gemaakt. De verwachte terugkomst van Jezus blijft, al 40 jaar, uit. Jeruzalem en de tempel zijn verwoest. In Rome worden de volgelingen gearresteerd, opgesloten, gekruisigd of verscheurd door wilde beesten. Marcus wil hoop geven en aantonen dat Jezus werkelijk de beloofde Messias is. Dat leven in en door zijn Geest zal leiden tot recht doen en vrede geven, ook aan de vijand en de vreemdeling ondanks alles. De volgelingen moeten vooral doorgaan naar Jezus' voorbeeld. Ondanks het feit dat ze evenals Jezus in een maatschappelijke woestenij verblijven, door de 'duivel' (de Romeinen) verzocht worden om hun geloof te verloochenen. Vanuit deze maatschappelijke en politieke situatie codeert Marcus zijn tekst. Evenals Johannes vanuit Padmos dat deed met de tekst van openbaring/apocalyps.

    Marcus is de enige evangelist die het woord evangelie zelf noemt. Dit woord komt niet uit de Tenach, maar uit de Romeinse tijd. Het was Romeins krijgsnieuws, als blijde -, overwinningsmare. Marcus maakt gebruik van dit woord om de tegenbeweging aan te geven. Een andere, gecodeerde, boodschap van een leger dat niet zomaar klein te krijgen is. Het goede nieuws voor navolgers van Jezus, die lijden onder het juk van de Romeinen. Marcus eindigt zijn evangelie met een bemoediging: De vrouwen die de leerlingen zeggen dat Jezus hen voorgaat naar Galilea. Terug naar eigen huis, Galilea, daar zul je hem zien (Mc.16.7,8). D.w.z. ga door, met wat Jezus jullie leerde, door het krachtveld van zijn Geest. In Galilea waren Jezus eerste praktijken van opstaan tegen onrecht en onheil, als andere mogelijkheid, herinner dat.

    Jes. 55.1-11

    Een oproep: 1-5. Een zegen voor Jeruzalem als mensen zich bekeren. komt tot mij dan levensonderhoud voor noppes. Water = Thora. Brood, wijn en melk = levenskracht, Thora leren. Waarom zou je je inspannen, in het leven, zonder de Thora, dat leidt tot niets.
    3-5. is de beloning als mensen zich bekeren. Dat houdt in: aandachtig horen, naar Gods woord, de geboden onderhouden, dat is het goede zoeken voor de ziel (nefesh) d.w.z. ethische en spirituele bevrediging. Dan zal er een eeuwig durend verbond komen, als bevestiging aan de belofte aan David = messiaans een verbond. Met een voorganger en gebieder van de volken, die velen zal aantrekken ter wille van God.
    6. oproep zoekt de Heer, nu hij zich vinden laat.
    7.Oproep aan de goddeloze zich te bekeren.
    8-11. Gods wegen en gedachten zijn anders. Gods woord zal niet leeg naar de hemel terugkeren, want het is als regen die de grond vruchtbaar maakt.
    Context: 12 ev. Dan zult gij uittrekken (uit Babylon) met vreugde.

    Dan.3.52-56, zie Willibrord vertaling. Een loflied op God.

    Mc.1.1-11.

    Marcus' inleiding bestaat uit 4 delen.

    • aanhalingen uit de Tenach 1-3. 

    • De bode die vooruit gezonden wordt, Johannes, is niet waardig. 4,6,

    • Hij doopt mensen, in de woestijn uit Judea en Jeruzalem in de Jordaan. 5,7,8.

    • Gij zijt mijn zoon, in u heb ik vreugde/ welbehagen. 9-11-13.

    1.Marcus begint met: Het begin van het evangelie/ de blijde boodschap van Jezus Christus de zoon van God. Dus niet met geboorte verhalen, zoals Lucas, een geslachtsregister zoals Matteüs of het Woord, zoals Johannes. Maar met verwijzingen naar de Tenach: Gen. 1.1, en Jes. 40.3.

    2.De bode die voor uitgezonden wordt, duidt Marcus in vers 4 aan als: Johannes de Doper.
    Bij de Jordaan roept Johannes mensen op tot inkeer te komen om zo vergeving van zonden te krijgen, door zich te laten dopen. Tot inkeer komen en zonde belijden lijkt ook te refereren aan de vele profeten die opriepen tot omkeer op de weg van de Heer. Daar wordt beschreven, dat door de zonde van het afwenden van de Thora vijandelijke onderdrukking plaats vind of zal vinden. Nu wensen de mensen verlost te worden van de Romeinen.
    5. Daarom lopen velen – heel Jeruzalem en Judea – en lieten zich dopen, om vergeving van zonden te verkrijgen
    4,6. oproep tot bekering, levenswijze van Johannes en zijn (nederige) rol.
    7. Ik ben niet jullie bevrijder, maar degene die na mij komt.
    8. Dopen met water t.o. dopen met de heilige Geest.
    9. Jezus komt vanuit Nazareth, in Galilea, helemaal naar Judea om door Johannes, in de Jordaan, gedoopt te worden. Ogenschijnlijk een gewoon mens, maar uit een tweede rangsstreek. De doop vindt plaats vlak bij het economisch en theologisch centrum. Jezus zou daar pas veel later terugkeren.
    10-11. Met Jezus gebeurt iets als hij uit het water komt. Hij ziet de hemel open scheuren en de Geest als een duif op hem neerdalen. (de vervulling van de wens geuit in Jes. 64.1) Hij ziet niet alleen, maar hoort ook: Jij bent mijn geliefde zoon, in jou vind ik vreugde. Daardoor is een verbinding tussen hemel en aarde aangeduid. Aanduiding van Jezus als Geliefde zoon, waarin God vreugde/ welbehagen vind. In Jezus doop komen hemel en aarde, water en Geest samen. (In de Tenach wordt Israël aangeduid als geliefde zoon).

    Context: 12-15 Deze kan hier niet bij gemist worden.
    12.Zodra Jezus, maar daarna ook zijn volgelingen, zich door de Geest aangeraakt weten, ontstaan ook de moeilijkheden vanuit de omgeving: beproevingen en bedreigingen door 'wilde beesten'. 40 dagen wordt Jezus op de proef gesteld in de woestijn. (Exodus – uittocht, bevrijding, maar ook 40 jaar het volk Israël in de woestijn. 40 jaar een generatie, na Jezus afscheid). Jezus heeft vertrouwen in God, ondanks alles. De engelen zorgden voor hem. Zo ook voor zijn volgelingen.
    14,15 Verkondiging van het goede nieuws. Niet het romeinse rijk, maar Gods rijk is nabij. Daarom, blijf vertrouwen hebben. Er wordt ondanks alles voor je gezorgd. Niet buigen (voor de vervolgers). Blijf erin geloven, houdt vol. Dit evangelie geeft een totaal andere mogelijkheid dan het evangelie van de wilde beesten (Romeinen).

    Bij de tekst.

    Marcus schrijft zijn proloog in code. Hij verwijst naar de Tenach. Johannes de Dooper schetst hij als een profeet, een bode, maar ook als weg bereider. Die wijze van beschrijven sprak de mensen wel aan. Hoge romeinse heren werden vooruit gegaan door knechten om de weg te effen of te ontdoen van zaken die niet gezien mochten worden door hun meester. In deze tijd is dat nog niet zoveel anders, als de koning of een hoge buitenlandse delegatie ons land bezoekt. Er is een enorm protocol en de wegen worden afgezet. De politie gaat voorop, soms sluit zelfs een ambulance de stoet.

    Johannes stelt zich dan ook heel terughoudend op. Hij kleed zich en eet als sommige profeten. En zegt zelfs niet goed genoeg/ niet waardig....te zijn om voor hem die na hem komt te bukken. Marcus laat hem duiden op dopen met water tegenover aangeraakt/ gedoopt worden met de Geest van God, die Jezus zijn leerlingen zal meegeven. De Geest die er was vanaf het begin, toen de aarde nog woest en ledig was.

    In deze proloog worden snel achter elkaar een aantal tijdsaanduidingen beschreven: Begin (1), het gebeurde(4), in die tijd (9), op dat moment (10), In de context: meteen (12), 40 dagen (13), nadat (14). de tijd (15).(vlgs opsomming NBV). In een notendop ook plaatsaanduidingen waar het over het zal gaan in dit evangelie: Jordaan, (Rivier zijn wateren, angst, hel gezien vanuit het tijdsbeeld van toen. (De aarde, er boven de hemelen en de wateren daaronder). Onderdompeling als reinigings-ritueel dat bevrijde van zonden en angst. Aanvankelijk werden alleen proselieten gedoopt. Woestijn, Judea, Jeruzalem, Galilea, (Samaria wordt verondersteld door Jezus reis), aarde, hemel, Koninkrijk van God.

    En personen: Johannes, alle inwoners van Judea en Jeruzalem, Jezus. Geest/duif. (context duivel, wilde beesten, engelen). 

    Dan komt er een wending in het verhaal van het gebeuren rond Johannes, daar bij de Jordaan. Jezus komt in beeld. Hij komt vanuit Nazareth, ver weg in Galilea naar Johannes om gedoopt te worden. Dit is een lange reis. Hij ontmoet daarbij geen muren met checkpoints, waar hij uren moet wachten, omdat hij niet uit Judea komt. Maar hij moest waarschijnlijk wel door het land van de Samaritanen. Onopvallend staat hij daar, als zovelen. Als hij uit het water omhoog komt, komt er een voor hem zichtbare verandering in zijn leven en bovendien een verandering in de geschiedenis. De verbinding tussen zijn leven op aarde en zijn opdracht wordt bezegeld. Hemel en aarde worden verbonden door wat hij zag en hoorde. Jezus wordt aangeduid vanuit de hemel als: mijn geliefde zoon. In het vervolg wordt verhaald dat vanaf dat moment zijn leven niet meer het zelfde is. Zijn leven is vol verzoekingen en belagers, zowel vanuit de politiek als vanuit de synagoge en de tempel. Hij gaat aan het werk in zijn geboorte streek, Galilea. Daar vindt hij leerlingen. Door zijn praktijk en toelichtingen geeft hij met gezag een nieuwe kijk op de wet en de profeten.

    Woestijn, de weg. 
    Johannes en Jezus (12) worden door Marcus direct in de woestijn gesitueerd: Woestijn: 4x (1,3,4,12,13). Dit moet niet direct gezien worden als een geografische aanduiding. Er wordt eerder de gruwel van de verwoesting en de verwoesters (De Tempelgeleerden en de Romeinen) mee aangeduid. Zowel Johannes, als Jezus en Jezus' volgelingen ontmoeten geweldig veel tegenstand, ontbering en beproevingen. Woeste en woestijn zijn tevens plekken voor rust en bezinning. Het bereiden van de weg van de Heer, heeft dan alles te maken, met recht maken, omkeer tot Gods weg (=Thora doen). Te midden van de woeste maatschappij, recht en onheil bestrijden, al word je belaagd door 'wilde dieren' en de 'satanische mensen'. Dan komt het koningschap van God nabij.(15). Heel de structuur van Jezus' leven wordt door Marcus beschreven als een heelheid brengende weg. Van Galilea, het begin van de weg, naar Jeruzalem en terug naar Galilea.

    Dopen / Reinigen/ Bekeren.

    Johannes doopte met onderdompeling in stromend water. Dat behoorde tot één van de reinigingsrituelen in het jodendom ten tijde van Jezus. Het gaat verder dan de reinigingsrituelen in een Mikwe. Proselieten (zij die tot het Jodendom toetraden) en ernstig zieken na herstel of om te herstellen moesten zich onderdompelen in stromend water. Jezus laat genezen zieken ook deze rituelen voltrekken, omdat mensen dan weer in de maatschappij konden worden opgenomen. Johannes lijkt op te roepen tot bekering omdat de mensen afgedwaald zouden zijn van de weg van God. Jezus heeft het meestal over een andere wijze van omkeer, niet uiterlijk, maar van het hart. Als mensen die zich bewust zijn beelddragers van God te zijn. Mensen die trachten te handelen als Gods handen en voeten, naar Jezus voorbeeld. En zodoende te streven naar recht en gerechtigheid en vrede met de naaste, de verworpene en de vreemdeling,

    Met het verhaal over de doop van Jezus, die speciaal van Galilea naar de Jordaan kwam, wordt aangeduid dat hij ogenschijnlijk als gewoon mens gedoopt werd. Een aanduiding dat Jezus werkelijk degene was waarvoor Johannes de weg bereidde was de Geest als de duif, die hij zag en de stem uit de hemel.

    De Geest, als duif, daalde op hem neer en zou ook overgedragen worden op zijn volgelingen, waar God eveneens vreugde in zou hebben.
    De doop is een wending in Jezus leven geweest. Christenen zouden zich bewust moeten zijn, dat hun doop ook oproept tot een wending in hun leven. Anders reageren, niet zoals in een eerste menselijke impuls, maar wegen slechten, omdat er andere mogelijkheden zijn.

    En nu?

    In het afgelopen jaar, van internationale spanningen, hebben zich heel wat situaties van onmacht voorgedaan. Muren en hekken zijn opgetrokken voor illegalen, vluchtelingen en om volken van elkaar scheiden. Mensen vermoorden elkaar omwille van een ''onjuiste leer''. Burgeroorlogen woeden. De politiek gaat er over het algemeen vanuit dat of de één of andere partij in de burgeroorlogen ondersteuning nodig heeft met wapens. En dat de Navo weer parate troepen aan de grenzen van de EU moet stationeren. Er zijn toenemende tegenstellingen tussen arm en rijk, autochtonen en allochtonen, verschillende religies, Wij en Zij, blank – gekleurd, zorgen vanwege de participtiewet en de zorg. Dit alles geeft onmacht gevoelens. Geloofsgemeenschappen kunnen daar ook niet direct, in het groot, veranderingen in brengen.

    Op 6 januari is de kerst periode afgesloten. Velen, tot supermarkten toe, spanden zich in om via voedselbanken en Leger des Heils mensen deze dagen een rijkere maaltijd voor te zetten. BNers lieten daklozen en illegalen een nacht in hun huis overnachten. Goede intenties. En daarna??

    Jesaja vraagt: Waarom zou je voor water, brood, melk en wijn betalen als het geen voeding geeft.
    Gelovigen weten dat zij gedoopt zijn. Dat zij 'gevoed' worden door de maaltijd van de Heer, en zodoende in het krachtveld van zijn Geest wegen mogen banen, door te zoeken naar andere mogelijkheden. Mogelijkheden om met elkaar, zodanig te leven dat (alle) mensen tot hun recht komen. Niet alleen in de gemeenschap zelf door gebed en omzien naar elkaar, maar ook daar buiten. Daar helpen waar geen helper is, al is dat onder protest. Contact trachten te maken met mensen, die niet dagelijks op onze weg komen, gaat niet vanzelf. Ervaringen delen, naar elkaar luisteren en bij vorming en toerusting mensen uitnodigen om elkaar te leren kennen en zodoende inzicht verwerven in normen, waarden, opvattingen van anderen. Samen zoeken naar knelpunten en leren benoemen wat nog niet juist is. Zodoende wegen banen om muren te slechten.

    Héleen Broekema (TWG)

    Scheur toch de wolken weg en kom,

    Scheur toch de wolken weg en kom.
    Breek door de blinde muur en kom.
    Doodsnacht regeert ons her en der.
    De tijd is vol, uw naam is ver.

    De vloed van tranen komt tot u.
    Bloed uit de aarde roept tot u.
    Al uw verworpen kinderen staan
    op uit hun graf en zien u aan.

    Mocht het toch waar zijn dat gij hoort.
    Dat niet vergeefs dit mensen woord,
    O God sinds mensen heugenis,
    dat niet vergeeft dit lijden is.

    Mochten wij zien dat gij bevrijdt,
    dat gij geen god van doden zijt.
    Breek door de blinde muur en kom.
    Scheur toch de wolken weg en kom.

    Naar Jes.64.1. Huub Oosterhuis.

    5 januari 2015

    Epifanie 4 januari 2015

    Lezingen Jesaja 60: 1-6; Efeze 3:1-12; Mattheus 1:1-12

    Geen exegetisch fijnzinnigheden van mij bij de teksten. Het is elk jaar Epifanie. Ik geef hier wat gedachten, die me bespringen als ik een en ander lees met als invalshoek gerechtigheid op aarde en geloof in geweldloosheid. Overtuigd als ik ervan ben dat een alternatief voor het 'duister dat over de volken' ligt, steeds nodiger wordt. 

    1. De bijna overrompelende feestelijkheid van Jesaja 60. Het kan allemaal niet op. Mijn valkuil is in elk geval dat ik dat kwijt raak. Gezien de nieuwjaarsboodschappen en -beschouwingen over de toestand in de wereld. (Na de rotzooi in de Nieuwjaarsnacht begin ik een jaar met steeds meer chagrijn; sorry). De verkondiging kan in elk geval niet om die spanning heen. 

    2. Die fantastische uitdrukking in Efeze 3: het beheer van Gods genade. Ook daar een spanning als je het mij vraagt. Nu tussen a. dat Paulus beseft dat hij dat beheer heeft en b. dat het het beheer is van een/het heilsgeheim.
    We kunnen nog zo zeer de mond vol hebben van negatieve theologie: 'het is van Gods genade en zijn barmhartigheid' wordt er terecht gezongen bij de goede vruchten (lied 841 ),- allemaal waar, maar staat en valt er niet ook van alles met ons beheer/ onze bediening/onze administratio? Epifanie overkomt ons - epifanie zijn we zelf.

    3. Wie het aandurft legge op tafel de verhouding Israël en de volken. De staat Israël is in elk geval het spoor bijster qua geweld. Die weet blijkbaar niet dat haar eigen veiligheid ook gebaat is bij een dialoog en niet bij wapenbeurzen en -deals met o.a. Nederland. Relateer dat, zou ik zeggen, aan het geheim dat volgens mij het Joodse volk onderdeel zou horen te zijn van de 'beheer van Gods genade'; onderdeel van de Epifanie: 'uw heil gaat op!!'. Alles wat dat blokkeert, ook in de beeldvorming bij Israel en haar 'onopgeefbare vrienden', daar zouden we aan moeten werken.

    4. Nog nooit legde iemand uit hoe je kunt zien dat een ster boven een bepaalde plaats stil staat. Voor houtsnijdende suggesties daarbij zou je een klein prijsje kunnen uitloven. Ga je daarmee het 'gesprekje met de kinderen' aan?

    5. Volgens mij zul je Mattheus 1 helemaal moeten lezen. De heerlijkheid die heidenen zien/brengen aan dit Kind is alleen verkrijgbaar/zichtbaar als vervolgd. Wel loop je dan het gevaar diep in te willen gaan op Herodes als type van 'Het Kwaad'. Of ga je het dan maar eens hebben over de bijdrage die 'nette staten' aan dat kwaad leveren? Witteboorden Kwaad. De geschiedenis heeft wel vlotweg Herodes als Het Kwaad weg gezet, à la Bin Laden, à la IS, maar als we op ons eigen kwaad een VN-mandaat weten te plakken dan komen we ermee weg! Dat soort heel lastige kwesties. (vandaar schilderij aanslag op TwinTowers ter overweging hierbij). (voor achtergrond info zie Pamflet "Met IS voor de deur" op deze site.

    6. Ik weet niet of ik nog veel zou doen met het opvallend rammelen van dit verhaal. Daardoor is het optreden van Herodes ongeloofwaardig knullig. Een beetje misdadiger doet dat beter. (Misschien toch maar niet aan de verleiding toegeven om clips op de beamer te zetten met scenes vol suspense uit enige misdaadserie; al waan je je wel in die sfeer). 

    aloude liederen: 

    PSALM 72

    lied 518 519 756

    jan anne bos papendrecht

    28 december 2014

    28 December 2014

    Bijbellezingen: Jeremia 31 : 15-17, Openbaring 21 : 1-7, Matteüs 2 : 13-18.

    Uitgangspunt voor deze preekschets: Mat. 2 : 13-18.
    Welke vertalingen je kunt gebruiken als uitgangspunt voor je preek is afhankelijk van het antwoord op twee vragen die je aan de tekst mag stellen: Welke vertaling geeft zo getrouw mogelijk de oorspronkelijke tekst weer? Welke vertaling geeft een bruikbare vertaling? Om een antwoord op deze vragen te vinden geef ik u twee vertalingen van Mat. 2 : 13-18, te weten die van de Nieuwe Bijbelvertaling en die van drs. F. H. Breukelman 1.
    De vertaling van de NBV luidt als volgt: 13 Kort nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: ‘ Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’14 Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. 15 Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’ 16 Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Bethlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen. 17 Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: 18 ‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’


    De vertaling van Breukelman luidt als volgt:
    13 En als zij waren uitgeweken
    zie! De bode van de Heer verschijnt in de droom aan Jozef
    zeggende:
    Sta op, neem het kind en zijn moeder tot u
    en vlucht naar Egypte,
    en wees daar totdat ik het u zal zeggen,
    want Herodes zal het kind zoeken om het te doen verdwijnen.
    14 Hij dan stond op, nam het kind en zijn moeder tot zich, des nachts
    en week uit naar Egypte
    15 en hij was daar tot het einde van Herodes,
    opdat vervuld zou worden hetgeen de Heer heeft gesproken door de profeet die zegt:
    uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.
    16 Toen is Herodes
    als hij zag dat hij door de wichelaars was bespot
    in hevige woede geraakt,
    en hij zond heen en bracht alle kinderen om,
    die van Betlehem en van geheel dat gebied
    vanaf twee jaar en daaronder
    volgens de tijd die hij nauwkeurig was te weten gekomen
    van de wichelaars.
    17 Toen werd vervuld wat gesproken is door Jeremia de profeet, die zegt:
    18 Een stem werd gehoord te Rama
    een groot wenen en klagen
    Rachel beweende haar kinderen;
    en wilde niet getroost worden
    omdat zij niet zijn.

    Het gaat er niet om welke vertaling het gemakkelijkst leest, maar welke vertaling zo nauwkeurig mogelijk recht doet aan de oorspronkelijke tekst. We zullen zien.

    Zodra de wichelaars zijn uitgeweken, moet ook Jozef uitwijken. Het Griekse woord dat in vers 13 en 14 voor uitwijken wordt gebruikt is typisch voor Matteüs (vgl.ook 2 : 22; 4 : 12; 12 : 15; 14 : 13; 15 : 21; vgl. ook Ex. 2 : 15 LXX). De NBV vertaalt in vers 13 met ‘de wijk nemen’ en in vers 14 met ‘uitwijken’. Zo wordt vertroebeld dat het hier om hetzelfde woord gaat en om dezelfde handeling.
    De bode van de Heer verschijnt aan Jozef in een droom en zegt in een participium: ‘sta op’ en in een imperativus ’neem tot u… en vlucht … en blijf daar.’ In het Nederlands moeten we dit participium met een werkwoordsvorm in de gebiedende wijs weergeven.
    Mat. 2 : 13,14 moeten we vergelijken met Ex. 2 : 15 en Mat. 2 : 19-20 met Ex. 4 : 19. Het vluchten van Jozef naar Egypte en zijn terugkeer naar het land Israël, wanneer Herodes is gestorven, worden door Matteüs met vrijwel dezelfde woorden beschreven als die waarmee in Exodus over het vluchten van Mozes voor Farao wordt gesproken en over zijn terugkeer naar Egypte, wanneer Farao is gestorven.
    Zoals Farao Mozes zoekt te doden, zoekt Herodes het kind om te doden, en zoals Mozes uitwijkt voor Farao, wijkt Jozef uit naar Egypte. Het vluchten van Jozef naar Egypte is het begin van het uitwijken van de Messias.
    In het vervullingscitaat in vers 15 laat Matteüs ons woorden uit Hosea 11 : 1 horen: ‘Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.’ Net als in 1 : 23 en 2 : 6 biedt Matteüs ons ook hier in deze tekst in het Grieks zijn eigen weergave van de Hebreeuwse tekst. In afwijking van de Septuaginta waar we vinden: ‘uit Egypte heb ik mijn kinderen geroepen’ zegt Matteüs: ‘uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen’. Zoals eerst Abraham en later Jacob en zijn zonen naar Egypte moesten afdalen om daarna weer naar het land Israël te gaan, moet nu ook de Messias naar Egypte uitwijken om later weer het land Israël in te gaan. Alles van heel de existentie op het land, dat God hun gaf, concentreert zich in de existentie van deze ene zoon van Abraham, de Messias Jezus, die in het huis van David werd geboren als zoon van David. Wat van Israël geldt, geldt daarom nu van Hem: Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.
    Aan het begin van vers 16 gebruiken zowel de NBV-vertaling als de vertaling van Breukelman het woordje ‘toen’ als bijwoord van tijd: dat is terecht. Minder terecht is het dat de NBV-vertaling meldt dat Herodes zich ‘misleid’ voelt door de magiërs: er staat in het Grieks dat hij zich bespot voelt. In het parallellisme van de twee pericopen 2 : 1- 12 en 2 : 13-23, waarin Matteüs koning tegenover koning stelt, wilde hij de bespotting van de valse koning tegenover de aanbidding van de ware koning stellen. De aanbidding van de ware koning kan niet geschieden zonder dat de valse koning zich bespot weet. Want als Herodes merkt dat de magiërs, die niet aan Jeruzalem voorbij naar Bethlehem werden geleid, nu wel aan Jeruzalem voorbij terugkeren naar hun land, moet hij in zijn hart gezegd hebben: zij zijn gekomen om Hem te aanbidden en ze hebben mij bespot.
    In de vertaling van Mat. 2 : 16 moeten we de bestanddelen van de tekst zo veel mogelijk in dezelfde volgorde laten voorkomen als waarin ze in de Griekse tekst op elkaar volgen, want dan horen we ook in de vertaling, hoe nadrukkelijk Matteüs aan het slot in drie regels de plaats en de tijd vermeldt. Helaas doet de NBV-vertaling dit niet, maar Breukelman wel (zie de teksten zoals in de inleiding vermeld).
    Ook dit stuk van de pericoop wordt nu afgesloten met een vervullingscitaat. Maar het wordt niet afgesloten met ‘opdat vervuld wordt’, zoals in vers 15. Alleen van het goddelijk handelen mag worden gezegd dat het geschiedt, opdat de schriften van de profeten vervuld zouden worden.
    Als echter het voortgaande goddelijk handelen boosaardig wordt onderbroken door menselijk handelen, dan zegt Matteüs niet ‘opdat vervuld zou worden’, maar ‘Toen werd vervuld…’
    Als vervullingscitaat laat Matteüs ons in vers 18 de woorden van Jeremia 31 : 15 horen over Rachel, die weent om haar kinderen en weigert om getroost te worden, omdat ze niet meer zijn (vgl. Gen. 37 : 35) .
    In het parallellisme van de twee pericopen 2 : 1-12 en 2 : 13-23 laat Matteüs op drie plaatsen de woorden ‘het kind en zijn moeder’ horen. Bij de kindermoord van Herodes denkt Matteüs aan de moeders van Bethlehem, en bij de moeders van Bethlehem moet hij denken aan alle moeders van heel Israël, en dan ziet hij in het midden van hen allen de gestalte oprijzen van de aarts-moeder Rachel, die hen allen vertegenwoordigt. Zij weigert getroost te worden. Indirect wordt hiermee door Matteüs op de Messias gewezen als de ‘trooster’ van zijn volk. Zij die niet te troosten zijn, zij zullen vertroost worden en de tranen zullen van hun ogen worden afgewist (vgl. Luc. 2 : 25).

    Het mag duidelijk zijn dat ik als vertaling, de overzetting van Breukelman qua nauwkeurigheid en betrouwbaarheid prefereer boven de NBV-vertaling. Als je niet in staat bent zelf een vertaling te maken van de grondtekst van de bijbel, verdient het altijd aanbeveling op zoek te gaan naar een vertaling die zo dicht mogelijk blijft bij de grondtekst. Dit zal het maken van een preek die uit wil gaan van de oorspronkelijke bedoeling van de bijbelschrijvers alleen maar vergemakkelijken

    Toepassing van Mat. 2 : 13-18

    Wie zijn de valse koningen in onze tijd? In ons land moet ik dan bijvoorbeeld denken aan politici die zwakken in onze samenleving de dupe laten worden van bezuinigingen. Ik denk aan bezuinigingen op de gezondheidszorg, waardoor bijvoorbeeld bewoners van verpleeghuizen zeer te lijden hebben.
    Ik denk aan asielzoekers die we maar moeizaam een plek in onze samenleving gunnen.
    Ik denk aan jonge en oudere mensen die maar moeizaam een positie op onze arbeidsmarkt kunnen verwerven.
    Ik denk aan kinderen die lijden onder de verwijdering tussen hun ouders.
    Internationaal denk ik op dit moment aan het regime van IS, dat meedogenloos is naar allen toe die het niet met hen eens zijn.
    Als ik deze preekschets maak, is het precies 25 jaar geleden dat de muur in Berlijn gevallen is. De vraag doet zich voor waar politieke systemen nieuwe muren opgeworpen hebben, waardoor een vrij verkeer van haar burgers niet (meer) mogelijk is.
    Ik denk aan de vele kinderen in Afrika die door ebola hun ouders kwijt geraakt zijn. Doen wij genoeg om hen bij te staan?
    Ik denk aan onszelf als leden van Kerk en Vrede. Hoe is het met ons élan en met onze spankracht? Bemoedigen we elkaar genoeg? Welke tekenen van vrede kunnen we aan elkaar doorgeven? Hoe creatief zijn we daarin?

    Ik denk aan onszelf als leden van de gemeente van Christus. We hebben zo juist weer kerstmis gevierd, het feest van de geboorte van onze leidsman. Laten we ons door Hem leiden of is onze maatschappelijke positie belangrijker voor ons dan ons lid zijn van zijn gemeente?

    Lies van der Zee

    1 Breukelman, F.H., Bijbelse theologie 2. De ouverture van het evangelie naar Mattheüs. Kampen 1984.

    21 december 2014

    Kerstmis 21-26 december 2014

    Gedachten rond het Kerstgebeuren 21-26 december 2014

    Het Evangelie van dit jaar is Lukas. Op de Tweede Kerstdag kan Johannes 1 gelezen worden. De samenstellers van het rooster hebben daarbij teksten uit 2 Samuel, Jesaja 8 en de (tweede) Jesaja, hoofdstuk 52 uitgezocht. En daar gedeelten uit brieven van apostelen bijgevoegd. Het feest van de overdaad. Een overdaad aan liturgische gebeurtenissen, ook.

    Dit jaar zal ik voor het eerst de Kersttijd alleen beleven als toehoorder en niet als voorganger. Al bladerend in het oecumenische rooster, en lezend kom ik uit bij de teksten van Tweede Kerstdag: Johannes I, Psalm 98, Jesaja 52 vers 7-10 en Hebreeën I vers 1-12. Hoofdstuk 1 uit het Johannes-Evangelie komt hier te voorschijn naast al die mooie verhalen van engelen, sterren, herders, wijzen, ezels, schapen en runderen. Zulke verhalen worden verteld en uitgebeeld in kerststallen en nagespeeld door kinderen. Iedereen onder mijn lezers die zich engageert in een kerk weet dat: al vertellend, zingend en uitbeeldend dragen wij de verhalen verder, van generatie op generatie.

    Vandaag ga ik daar aan voorbij. Want zeggen we niet met Kerstmis dat het licht schijnt in het donker? In het geheel van de Schriften neemt dat donker een belangrijke plaats is. Het gaat er nu juist om hoe je in dat donker het licht ziet, hoe je in de ballingschap de hoop vindt en in de verwoesting de kracht tot opbouw. We kunnen daar niet overheen zingen: het donker in onszelf moet een plaats krijgen in ons lied. Er is engagement nodig met hen die zo zeer in het donker leven dat er geen uitweg lijkt te zijn.

    Mensen die bezig zijn met het donker van geweld, stigmatisering, onderdrukking en oorlog zoeken naar licht en engelenzang, maar weten dat die niet goedkoop zijn. Zij kunnen niet langer verhalen van onmenselijkheid wegfilteren, ook niet als ze van “je eigen soort mensen” komen. Het vergt strijd met het donker om het licht te bereiken. 
    Onze teksten van vandaag zijn bij lange na niet zo gruwelijk als veel passages in de Bijbel en heel wat beelden in het nieuws. Het donker ligt overal aan de grenzen van het licht, ook met kerstmis.

    De teksten. In psalm 98 zingt Israel een nieuw lied voor zijn God: dat sluit de volkeren in! De hele wereld met haar ingezetenen prijst de Ene God, die het huis van Israël, en de volken! zal redden en richten.

    Jesaja 52 vers 7-10 gaat over de vreugdebode. De context is hier de terugkeer van het volk Israël naar zijn land: dat betekent dat het weer in genade wordt aangenomen na alle eigen misstappen, na alle onderdrukking die het heeft ondergaan. De vreugdebode met zijn lieflijke voeten zal vrede laten horen: alle einden van de aarde zullen het heil zien van “onze God”!

    Binnen dezelfde context in Jesaja kom je een Jeruzalem tegen dat opstaat in kracht, en waarin een “onbesnedene en besmette” niet binnenkomt. Maar in het volgende hoofdstuk, 53, wordt ons de lijdende knecht van de Heer getoond. Zo moeten wij zelf onze weg vinden in de teksten, in samenspraak en tegenspraak met mensen van het Boek.

    Het Evangelie naar Johannes en de brief aan de Hebreeën gaan een stap verder in de richting van inclusiviteit: mensen uit alle volkeren worden ingesloten. Hier kunnen wij niet achter terug: wie exclusief denkt en handelt, kan uitkomen bij het vernietigen van ongewenste minderheden. Ook Christenen hebben hier weet van, als vervolgden en zelfs als daders!

    Johannes 1, In den beginne was het Woord: zo staat het in veel Bijbelvertalingen. Het Johannes –Evangelie wordt dan opgevat vanuit het Griekse filosofisch denken van de Logos. De Naardense Bijbel zegt: “Sinds het begin is er het spreken.” God is nabij in dat spreken, en Zijn woord is daad, Zijn spreken wordt een mens van vlees en bloed die in ons midden komt wonen. Daarmee sluit Pieter Oussoren, de vertaler aan bij het Hebreeuwse denken van de Tenach (de Joodse geschriften die wij Oude Testament noemen). Maar, met de apostel Johannes gaat hij een stap verder naar de hele wereld, die licht is uit Gods Licht. De mensen zijn allemaal bedoeld om te leven uit genade en waarheid, en te worden tot kinderen van het licht.

    De Hebreeënbrief stamt uit de kring van de Joodse Schriftgeleerde Paulus. De auteur spreekt hier over de woorden van God aan de vaderen, geuit door de profeten, en over de Zoon die de afstraling is van Gods glorie en de afdruk van Zijn bestaan. Hij spreekt over de aarde die weer zal worden opgerold als een kleed – een inzicht dat bij ons nu ook wetenschappers omhelzen. Blijvend is de Eeuwige die wij niet kunnen bevatten, maar die ons van Zijn grootheid iets heeft getoond in de Zoon. Hij is het Licht dat de wereld schept, het Licht ook dat in het donker schijnt van “kosmisch” leed en van de gruwelen die mensen begaan.

    Het leed in het wereldbestel, daar kunnen we maar beperkt iets aan doen. Bevatten kunnen we het niet, maar als we God daarop aanspreken staan we, met Job, in een goede traditie. Als we rechtvaardige verhoudingen nastreven, en daarentegen onrecht, geweld en lijden bestrijden, dan staan wij in een lange rij die niet pas bij Jezus begint en zich ook niet beperkt tot het Joods en het Christelijk mensdeel.
    Hebreeën heeft het hier over engelen: “Zijn niet allen geesten die in de heilige dienst staan en die uitgezonden worden ten dienste van hen die heil gaan beërven? “

    Ik wens iedereen zulke engelen op haar/zijn pad in de donkere dagen die we nu beleven!

    Janna F. Postma


     


     


     

    14 december 2014

    3e zondag van advent 14 december 2014

    Zondag Gaudete. Kerk en Vrede.

    Inleiding: Zondag Gaudete, vreugde. Wat verwachten Christenen deze derde advent, als voorbereiding op het Kerstfeest. Overal wordt in vele variaties over vrede op aarde gezongen. Wat voor vrede in een tijd van dreigingen? Dit jaar staat IS centraal, met al haar wreedheden. Toch beloven zij een heilsstaat aan hun volgelingen. Zij trekken moslims uit vele landen aan om dat te bewerkstelligen. En spannen de Koran voor hun karretje. Hoe vaak in de loop der eeuwen is dat ook niet door Christenen gedaan. Ook bij de orthodoxe Joden speelt het visioen van een nieuwe aarde een belangrijke rol in hun landspolitiek. 

    Jesaja bemoedigt de joden,die leefden in ballingschap, in Babel. Zij treurde om het verlies van Jeruzalem. Hij moedigt de Joden aan in actie te komen en terug te keren. Dat kon doordat Kores, als knecht van God, door de koning van Babel aangesteld werd om Joden naar hun land te de laten terug en de tempel te herbouwen. Jesaja beschreef een visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een herschepping van Jeruzalem, in een paradijselijke toestand. Als God ons verlost uit de ballingschap, als dat meer is dan een visioen welk een vreugde zal het resultaat zijn (Ps. 126). Zie afbeelding van schilderij naar Henri Mattisse.

    De terugkeer werd een feit. De paradijselijke toestand niet. Kores, als knecht van God, werd later geïnterpreteerd als de Messias, die verlossing zou brengen. Het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde van Jesaja is door Christenen overgenomen als Openbaringen / Apocalyps. De verwachte Messias kwam, dat wordt beschreven in de evangeliën. Johannes de Dooper wordt gezien als profeet, wegberijder van Jezus. Hij geeft naar de omstanders en zijn leerlingen duidelijk aan, dat hij niet de belangrijkste persoon is die bewustwording van de politieke en religieuze omstandigheden preekt. Hij roept mensen op zich om te keren van hun toenmalige levenspraktijk. En geeft aan dat Jezus, de Messias is. Zijn leerlingen zien hem als een Goeroe. Maar Johannes geeft verschillende keren aan dat hij slechts een bescheiden rol heeft. Jezus leeft op een andere manier kijken naar de normen en de geboden. Hij blijft de geboden respecteren, maar legt ze anders uit. Zijn praktijk is een voorbeeld van liefde en recht doen aan mensen en aan zijn leerlingen inzicht geven dat hij gezonden is door God, zijn Vader.

    Jes. 65.17-25, 
    De derde Jesaja heeft visioenen die de weggevoerde joden in Babel weer hoop moeten geven. Sommige zaten te treuren aan Babels-stromen. Anderen hadden zich geassimileerd. De context beschrijft dat het erop lijkt dat beiden God en zijn mogelijkheden vergeten zijn. Het volk is op de verkeerde weg. Ze doen van alles dat niet strookt met de voorschriften van de traditie. Zij vragen niet naar God. Toch blijft God actief. Hij gedenkt zijn belofte aan Jacob. Mijn dienaren zullen eten en vreugde hebben. Maar jullie maken mij te schande. 65.17-25 Een nieuw perspectief voor Gods dienaren. God zal een nieuwe hemel en aarde scheppen en Jeruzalem herscheppen in een jubelende stad. God zal daar zelf ook vreugde van hebben. Want er zal geen geween en weeklaag meer zijn. Geen kindersterfte en mensen zullen pas sterven als honderd jarige. Wie daarvoor sterft is vervloekt. Mensen zullen weer de vrijheid hebben om zelf huizen te bouwen, wijngaarden te planten en ervan te eten. Iedereen zal gezegend zijn, met heel hun nageslacht. God verhoord hen al voor zij spreken. Iedereen zal leven in vrede ook de dierenwereld. Een paradijselijke toestand. In het visioen van Jesaja wordt de mens honderd jaar. Honderd staat in de bijbel voor een groot getal, maar ook voor hoge ouderdom. Abraham was honderd jaar, toen Izak geboren werd! Honderd jaar in de tijd dat mensen maximaal 40 werden is drie tot vier generaties. Als mensen leven volgens Gods instructies, zal er ook in het derde en vierde geslacht nog vreugde zijn. De 10 woorden spreken van negatieve doorwerking in het derde en vierde geslacht, als mensen andere goden vereren en dus op God geen acht op slaan. Willen mensen weer bevrijd leven, dan zullen zij op moeten staan en terugkeren / opgaan naar Jeruzalem. Maar dan daar een leven gaan leven, dat leven gevend is. Dat is te volbrengen, vanuit ieders mond en hart (deut.30). Mensen zijn wel teruggekeerd, maar van een leven volgens het visioen van Jesaja is niet veel terecht gekomen. Niet alleen vrede verwachten, ook aan Vrede meewerken is mogelijk. Jezus, heeft daarvoor, door zijn praktijk, vele voorbeelden gegeven.

    Joh. 3.22-30 
    Johannes schrijft in de aanhef van zijn Evangelie: Vanaf het begin was het woord, het woord was God. Het was in de duisternis leven en licht onder de mensen. Het woord is mens/ vlees geworden en heeft onder ons gewoond, vol goedheid en waarheid. Over die mens, Jezus, getuigt Johannes de Dooper als degene die na hem komt en toch er al eerder was (1.15). Hij is meer dan ik (1.30). Ik ben niet waard is zijn schoenriem/ riem van zijn sandaal vast te maken (1.27), Johannes beschrijft geen geboorte verhalen. Maar direct de ontmoeting met Jezus, in Betanië aan de overkant van de Jordaan en zijn doop. Jezus verzamelt leerlingen om zich heen en gaat werken in het openbaar. ( Bruiloft te Kana (2.1-12), reiniging van de tempel (2.13-22), gesprek met een Nicodemus – geboren worden uit water en geest (3.1-21) en na deze passage gesprek met een buitenlandse vrouw,een Samaritaanse – levend water. (joh.4).)

    Jezus is, na zijn doop, begonnen aan zijn missie. Hij gaat, met zijn leerlingen naar Judea en hij doopte er. Velen komen naar hem toe. Johannes blijftf dopen in Enon. De leerlingen van Johannes komen, na discussie, met een Jood / Joden (St.V), / Judeer (NV) over het reinigingsritueel, opheldering aan hem vragen. Waarom deze concurrentie van een leerling? Wat Johannes zijn leerlingen zien als concurrentie, ziet Johannes anders. Hij geeft zich zelf een bescheiden rol. Hij antwoord, nogmaals, dat hij de Messias niet is. Dat Jezus de bruidegom is, die uit de hemel, door God, gezonden is en dat hij slechts zijn vriend, zijn 'ceremonie-meester', is. Daarom moet Jezus groter worden en hij zelf op de achtergrond raken. Mensen moeten door de zoon ervaren en leren zien, dat God betrouwbaar is.(33ev). En zodoende Jezus navolgen

    Ps. 126, 
    Een bevrijdings-psalm, Een vreugde psalm. Gezongen als mensen opgingen naar Jeruzalem, als pelgrims, ter gelegenheid van de hoge feestdagen. Het houdt in: opstaan, bezinning, terugkeer, omkeer, bekering, herdenking van de bevrijding uit ballingschap. Nieuwtestamentisch ook de praktijk in navolging van Jezus tot aan, het visioen, van de eindtijd. 
     

    doop en reinigingsritueel. 
    Een reinigingsritueel gebeurde door onderdompeling o.a.: Voor de hogepriester op grote verzoendag, als men verboden voedsel had gegeten een lijk of een onrein dier had aangeraakt, na melaatsheid, na coïtus van beide partners, na genezing, voor vrouwen na de menstruatie en bevalling. De doop als bekering werd al voor de tijd van Jezus gepraktiseerd. Dat Jezus zelf doopte is omstreden, alleen te vinden in deze tekst. Jezus spreekt over rein zijn van hart. Hij reinigt mensen door genezing van lijf of hart. Hij heeft wel kritiek op de reinigingswetten, maar geeft genezen melaatse bijv. wel de opdracht de reinigingsrite te volbrengen. 

    Is zelf meewerken aan meer vrede, op een geweldloze manier mogelijk?
    Is de verwachting van vernieuwing, van vrede in de wereld tussen mensen en volken alleen een droom of worden we geroepen om mee te werken aan de realisatie? Niet door middel van respectloosheid, agressie of (wapen)geweld, maar door in eigen context liefde en gerechtigheid uit te stralen, mee te werken aan een leefbare wereld; dat zou tot meer vrede kunnen leiden.
    Jezus heeft daartoe voorbeelden gegeven. Christenen worden gesterkt om aan vrede mee te werken vanuit het krachtveld van zijn geest. 
    De wetenschap voorspelt dat de volgende generaties, dank zij de wetenschappelijke medische vooruitgang, drie D-print van organen, verbeterde voeding etc. velen ouder dan honderd jaar zullen worden. De vraag is of van God of van de wetenschap veranderingen te verwachten zijn als mensen geen rekening houden mer gevolgen voor anderen in eigen omgeving, koopgedrag en de aarde Mensen en kinderen voelen zich snel bedreigd en kunnen reageren met agressie of geweld. 
    Zo ook groepen en staten die hun belangen willen verdedigen. Niet iedereen, leeft in vrijheid, voelt zich vrij of kan genieten van eigen verworvenheden. Velen worden uitgebuit, of voelen zich miskend. In Nederland worden vele medelanders niet gerespecteerd of geaccepteerd, al zijn ze hier geboren. Vreemdelingen uit oorlogsgebieden worden niet hartelijk toegelaten, illegalen vastgezet om hun terugkeer te bevorderen. Als zij niet terug kunnen worden zij aan de barmhartigheid van de straat overgelaten.
    Vrede, in de samenleving en in de wereld is nog verre van gerealiseerd. Zijn we, als mensen, ons daarvan bewust.

    Er is nog geen vrede op aarde: in de eigen samenleving, op de markt, met de aarde en onder de volken. Er is angst. De angst voor IS en haar gevolgen staat deze weken centraal. Verhalen over ketterse en terroristische bewegingen zijn er al vanaf de oudheid. Door de internationale bewegingen, zoals de NATO en de massa media, zijn niet alleen regeringen maar ook alle mensen er bij betrokken.
    Een nieuwe hemel en nieuwe aarde kunnen mensen niet bewerkstelligen, en zeker niet door geweld, dat weer geweld oproept. Zij kunnen wel vrede bevorderen door telkens weer aan te geven wat in hun context, knelpunten zijn en daar waar mogelijk iets aan veranderen.

    Over ballingschap
    Het gevangen denken nu, waardoor worden wij, als mensen, in de tang gehouden worden.
    Hoe zouden daarin sociaal, economisch, ecologisch en politiek veranderingen aangebracht kunnen worden.
    Waakzaam zijn op onrecht dat mensen en volken treft.
    Onrecht benoemen en trachten mee te werken aan veranderingen.
    Dit kunnen Christenen niet alleen. Samen werken met anderen is tegenwoordig een vereiste.
    Betrouwbaar zijn uit zich in wat je doet en voorstaat. 
    Johannes de Dooper stond niet op zijn strepen. De leerlingen van Johannes begrepen niet waarom Jezus nu het zelfde leek te doen als Johannes. Zij wilden dat Johannes daarover hoog van de toren zou blazen. Johannes maakte hen duidelijk dat hij zichzelf een mindere rol toebedeelde dan Jezus.
    Zijn wij ons bewust hoe we overkomen t.o.z.v. onze naaste, die vanuit andere culturen andere gewoonten, normen en waarde leeft. Proberen we door contacten en te luisteren hen zich te laten thuis voelen in de omgeving waarvan zij verwachten dat het in ieder geval beter, anders, zou worden dan hun land van herkomst. Proberen wij, als christenen, 'niet alleen te willen dopen', maar ook Jezus na te volgen, zoals hij bijvoorbeeld met Nicodemus of de Samaritaanse vrouw contact zocht. Met als voorbeeld de betrouwbaarheid van God en Jezus, zoals in de lezingen en de Psalm. Dat is ook houding van de gemeente, waartoe Paulus de Christenen uit Thessaloniki oproept.

    Het zal een droom zijn
    als God ons eens thuis brengt
    uit onze ballingschap.

    Daarvoor maakt God gebruik van onze mogelijkheden als: handen, voeten, gedachten, gebeden. 

    Héleen Broekema (TWG)

    14.10.2014.

    23 november 2014

    laatste zondag kerkelijk jaar 23 november 2014

    Preekschets voor zondag 23 november 2014 over Matteüs 24, 14-35

    Een lied voor de voleinding1

    Zoals het witte bliksemlicht
    dat in het oosten is ontstaan
    de hemelen is doorgegaan
    en naar het westen is gericht,

    zo zal de komst zijn van Gods Zoon,
    Hem die de zoon des mensen is,
    een flits in de geschiedenis,
    een schittering verblindend schoon,

    een snelle, felle tekening
    van alles wat onmogelijk scheen
    rondom de grote aarde heen,
    een nieuwe hoop, een hunkering,

    een glans die oost en west verbindt
    en oude en nieuwe wereld saam
    verenigt in de enen naam
    van Christus die zijn rijk begint.

     

    Bijbellezingen: Daniël 12, 1-4 1 Tessalonicenzen 5, 1-11 Matteüs 24, 15-35.

    Matteüs 24, 14-35; vgl. Mk. 13, 4-32; Lk. 21, 6-33.

    In de verzen 4-14 gaat het over de tekenen voorafgaande aan het laatste lijden om te volharden tot het einde. Het einde moet opgevat worden als die tijd waarin de ene aeon in de nieuwe aeon overgaat. In de verzen 15-28 gaat het over de beproevingen die in Judea zullen plaats vinden.
    Vers 15. Met woorden en beelden die volledig aan het jodendom ontleend zijn, wordt in dit gedeelte (vs 15-28, vgl. Marc. 13, 14-22 en Luc. 21, 20-26) gesproken over wat Jeruzalem en Judea te wachten staat. De val van de stad Jeruzalem en de oorlogsellende worden samen gezien met het einde van deze aeon (d.i. het zichtbare tijdperk). De gruwel van de verwoesting is een uitdrukking die ontleend is aan het boek Daniël (vgl. Dan. 11,31 en 12,11, vgl. ook Dan. 9,27). In het Oude Testament is ‘gruwel’ alles wat niet met God in aanraking mag komen, omdat deze zijn boosheid opwekt. Vanzelfsprekend heeft het begrip dan vooral betrekking op de afgodendienst. Bij Daniël wordt gesproken over de gruwel van de verwoesting. Sedert 1 Macc. 1: 54 neemt men aan dat hier de ontwijding van de tempel en het tempelaltaar bedoeld is in december 168 voor Christus door de Syrische koning Antiochus IV Epiphanes. De God van de hemel, die naamloos in de tempel in Jeruzalem werd vereerd, werd geregistreerd als Zeus Olympios. Het is niet waarschijnlijk dat er voor hem in de tempel een beeld werd opgericht. Het oprichten van ‘de gruwel der verwoesting’ was mogelijk niets anders dan het plaatsen van een altaarsteen op het altaar. Daardoor werd dit laatste niet meer dan een voetstuk. Op grond o.a. van deze heiligschennende handeling begon de Maccabeese oorlog. Het succes van die oorlog leidde tot de reiniging en de herinwijding van de tempel op 25 december voor Christus. Dat gebeuren houden de joden in het Chanoekafeest in levende herinnering. Matteüs verbindt het aanbreken van de nieuwe aeon met deze belangrijke gebeurtenis voor de joden: wat toen gebeurd is zal nu weer gebeuren op weg naar het einde van deze aeon. Gesproken wordt er over het staan van de gruwel van de verwoesting op de heilige plaats. Wat wordt er met dit ‘staan’ bedoeld? Naar mijn mening gaat het hier niet om een bepaald beeld of een bepaalde persoon. Het gaat hier eerder om een typering van de hele situatie die gekarakteriseerd wordt met het voor joden zo zwaar geladen begrip ‘gruwel van de verwoesting’. Als die situatie zich voordoet bij de tempel en in de heilige stad – lezer, begrijp dit goed - , dan is de tijd van het einde aangebroken.
    Vers 16. Dan moet iedereen de bergen in vluchten.
    Het ligt voor de hand, vooral gelet op Luc. 21-20, de gehele situatie te betrekken op de voorvallen die na 70 na Christus hebben plaats gevonden. Toen was er sprake van een nationale noodsituatie die Judea en Jeruzalem trof. Toch moeten we deze nood niet losmaken van zijn eschatologische betekenis: het is een teken van de eindtijd die nabij is.
    De bergen golden al in het Oude Testament als het gebied waarheen men kon vluchten (vgl. o.a. Ezech. 7, 16)
    Vers 17, 18 en 19. Als de vlucht aanstaande is, is er grote haast geboden: Men kan niet meer het huis binnengaan om huisraad mee te nemen, men kan niet meer van de akker naar huis om een mantel te halen. Wee daarom degenen die in hun gang belemmerd worden door zwangerschap of door kinderen aan de borst.
    Vers 20. Bidt dat jullie niet in de winter zullen moeten vluchten en ook niet op de sabbat. Het eerste deel van dit vers is wel duidelijk, denk ik. Kou en regen belemmeren de vlucht. Maar dan het tweede deel van dit vers, de waarschuwing tegen het vluchten op de sabbat. Berichten uit rabbijnse literatuur maken melding van vrees om openlijk advies te geven op sabbat te vluchten. Daarom ben ik van mening - en daarin sta ik niet alleen - dat het hier toch moet gaan om christenen die gezien de consequente sabbatsrust bij de joden in de tijd waarin het Matteüs-evangelie werd geschreven, door hun vlucht op sabbat juist als christenen opgevallen zouden zijn: een extra handicap.
    Vers 21. De aankondiging van de grote verdrukking wordt weer beschreven met woorden die sterk herinneren aan de woorden van Daniël, wanneer deze spreekt over ‘een tijd van verdrukking (thlipsis =verdrukking), zoals er niet geweest is, sinds er volken bestaan’ (Dan. 12, 1; vgl. ook 1 Macc. 9:27).
    Matteüs spreekt over de ergste verdrukking sinds het begin van de wereld en zegt dat er na deze niet weer zo een zal plaatsvinden. Zo wordt een unieke situatie onder woorden gebracht.
    Vers 22. En als die tijd niet verkort zou worden. Er staat ‘ekoloboothesan’ (aor. pass.) om aan te geven dat het God is door wie de dagen van de verdrukking worden ingekort; het daarop volgende dan zou geen enkel mens worden gered (‘esoothe’, eveneens aor. pass.) is weer bedoeld om aan te geven dat het God is die redt.
    Maar omwille van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort. Het begrip ‘uitverkorenen’ heeft bij Matteüs in ieder geval eschatologische betekenis (vgl. Mat. 22:14; 24:22 en 31).
    Dat ter wille van de uitverkorenen de tijd van de grote verdrukking bekort wordt, vindt noch in het Oude Testament noch in de apocalyptische en rabbijnse geschriften van het jodendom enige steun. Anders gezegd: Het is dus een verbreding en een verdieping. Dit betekent noch particularisme noch sektarisme, maar eschatologie die zich universalistisch verbreedt en verdiept. Dat dit niet inhoudt het aflossen van Israël als uitverkoren volk Gods door de universele gemeente van de eindtijd, lijkt me op grond van de hele strekking van het Mattteüs-evangelie ook op deze plaats evident. Bij het universele van de eindtijd hoort ook Israël. Het nieuwe volk van God (= de uitverkorenen) kent niemand die a priori die is uitgesloten.
    De verzen 23, 24 en 25. In die tijd van grote vervolging zal het ook voorkomen dat iemand tegen u zegt, zo waarschuwt Jezus: Zie (idou, in de betekenis van: Let op!) hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. Ook in vs. 5 werd al gezegd dat velen zich zullen uitgeven voor de Messias. Jezus waarschuwt hun geen geloof te schenken. Er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen. Met Let op (idou),Ik heb het u voorzegd wordt het waarschuwende karakter van Jezus’ profetische woorden onderstreept.
    Vers 26. Voor de derde keer komt de waarschuwing voor de valse christus (vgl. vs. 5 en vs. 23). De algemene berichten: hier is de christus, of: hier, gelooft het niet (vs. 23) worden geconcretiseerd:
    Kom mee (idou), hij is in de woestijn, ga er dan niet heen of Kijk (idou), hij is daarbinnen, geloof dat dan niet. Bij de woestijn speelt het joodse verwachtingspatroon dat de Messias daar zal verschijnen. Bij de binnenkamer wordt al gauw gedacht aan Mat. 6,6. Eerder moet echter gedacht worden aan de joodse opvatting dat de Messias voor zijn optreden in het openbaar ergens op een geheime plaatst zou vertoeven. Echter, de komst van de Zoon des mensen zal openbaar, publiekelijk, in alle duidelijkheid plaats vinden.
    Vers 27. Want zoals een bliksemschicht vanuit het oosten weerlicht tot in het westen, zo zal ook de Mensenzoon komen. Anders gezegd: even onverwacht als de bliksem en even duidelijk voor iedereen zichtbaar komt de Mensenzoon.
    Vers 28. Er wordt wel gedacht dat het hier om een spreekwoord gaat. In elk geval wordt hier hetzelfde bedoeld als in vers 27, namelijk het voor iedereen zichtbare teken.
    Vers 29. Opnieuw wordt gesproken over de verdrukking (Ithlipsis ; vgl. vs. 9 en 21) en over die dagen (vgl. vs. 22). Wanneer deze verdrukking ten einde is, zal terstond de zon verduisterd worden, de maan haar glans niet meer geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten van de hemelen zullen wankelen. Opnieuw worden hier beelden gebruikt ontleend aan het jodendom (vgl. bijvoorbeeld Jes. 13, 10, IV Ezra 5:1 vlg.). Zowel de zon, de maan en de sterren als de machten van de hemel zullen betrokken zijn bij de apocalyptische catastrofe.
    Vers 30. Na al deze kosmische gebeurtenissen dan zal het teken van de Zoon des mensen aan de hemel verschijnen.
    Veel commentatoren hebben zich het hoofd gebroken wat hier met dat teken bedoeld wordt: is dat een kruisteken aan de hemel, is dat de verschijning van de Mensenzoon zelf? Dat laatste kan al niet omdat i.t.t. Marcus en Lucas bij Matteüs het teken voor de komst van de Mensenzoon verschijnt. Is het teken dan een laatste oproep tot bekering? Dit zou goed passen bij het tweede deel van dit vers, waarin Matteüs enige woorden van de profeet Zacharia (Zach. 12, 10 vlg) citeert. Het moet een diepe zin hebben gehad de tekst uit Zach. 12 te citeren; immers, in deze tekst gaat het over het herstel van Jeruzalem na een verwoestende oorlog, waarna een nieuwe periode begint. Over de inwoners van Jeruzalem zal de geest van de genade en van de gebeden uitgegoten worden door God. Zij zullen hem aanschouwen die ze doorstoken hebben. Dit gedeelte van Zach. 12,10 wordt door Mattteüs wel geciteerd, maar het volgende gedeelte, waarin staat dat zij een rouwklacht zullen aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, citeert Matteüs niet. Mogelijk wil hij zo het volle accent leggen op de wijze waarop de Messias ter dood wordt gebracht. Degene die ter dood wordt gebracht is dezelfde als de Zoon des mensen die zal wederkomen.
    Wat het teken precies is, is moeilijk te zeggen. De commentaren verschillen hierover nogal. Mogelijk kunnen we ook denken dat het verbonden is met het lichtverschijnsel. Daarop zou ook het slot van dit vers kunnen wijzen, dat spreekt van ´heerlijkheid´. Hoe het ook zij, de verbinding die Matteüs in vs. 30 legt tussen Zach. 12,1 en Dan. 7, 13 doet duidelijk blijken dat Jezus zich als Messias dezelfde heeft geweten als de Zoon des mensen die in heerlijkheid zal wederkomen.
    Vers 31. Dat de Zoon des mensen met grote macht en heerlijkheid wederkomt, wordt in dit vers nog geaccentueerd door de mededeling dat Hij zijn engelen zal uitzenden met luid bazuingeschal. Ook nu weer wordt gebruik gemaakt van joodse voorstellingen, engelen en bazuingeschal (vgl. o.a. Jes 27,13).
    Het ogenblik van het gericht is aangebroken, maar daar wordt met geen woord over gesproken. Alle accent ligt op het verzamelen van de uitverkorenen uit de vier windstreken (vgl. Ezech. 39, 9 en Zach. 2,6), uit de uitersten van de aarde.
    Vers 32/36. Het kan zijn dat de gelijkenis van de vijgenboom erop wijst dat vanzelfsprekend ook de joden bij deze verzameling horen. Zoals het uitspruiten van de vijgenboom wijst op het aanbreken van de zomer, zo zou deze gelijkenis verwijzen naar de presentie van de joden bij het verzamelen.
    De vraag die overblijft is de vraag naar het tijdstip waarop dit zal geschieden (vgl. Mat. 24,3).
    Dat het zal geschieden is helder geworden en zeker, maar dat geldt niet voor het tijdstip. Daarom is waakzaamheid geboden. Tot die waakzaamheid roept Jezus op, waarbij de verzen 43, 44, maar vooral de gelijkenissen in Mat. 25, 1/1e3 en 14/40 voor de illustratie zorgen.
    Vers 33. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is.
    ´Dat alles´ heeft betrekking op alles wat in de voorgaande verzen naar voren is gebracht. Met het einde wordt bedoeld: het einde van de oude aeon.
    Vers 34. Met een plechtig Ik verzeker jullie zegt Jezus dat dit geslacht zeker niet zal voorbij gaan, voordat dit alles is geschied.

    De vraag is wat er met dit geslacht bedoeld wordt. Gaat het om tijdgenoten van Jezus, of van Matteüs, in zonderheid de gemeente? Om een antwoord op deze vraag te krijgen zullen we eerst na moeten gaan wat ‘dit alles’ in dit vers betekent. Naar mijn mening heeft dit dezelfde betekenis als in vers 33, namelijk het geheel van de aan het einde van deze aeon en aan de verschijning van de Zoon des mensen voorafgaande gebeurtenissen zoals beschreven in de verzen 5 tot en met 31.
    Maar ‘dit geslacht’ slaat dan niet alleen op de tijdgenoten van Jezus en evenmin op de gemeente(n) die present zijn ten tijde van Matteüs. Verder moeten we niet teveel nadruk leggen op het tijdstip van het einde. Immers in de verzen 32 en 33 ging het om de zekerheid dat, en niet om het tijdstip waarop. Nog duidelijker blijkt dat uit vers 36, waar we lezen: Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken.
    Op grond hiervan zouden we de volgende interpretatie van ‘dit geslacht´ willen geven: Het gaat om de mensen die in deze oude aeon leven en in afwachting zijn van de nieuwe aeon die aanbreekt met het komen van de mensenZoon.

    Dit besproken bijbelgedeelte gaat dus ook over u en mij. De vraag is: hoe waakzaam zijn wij en hoe geven wij die waakzaamheid gestalte? Hoe geven wij de kerken en Gods vrede gestalte?

    Lies van der Zee
    1 Gezang 761 uit Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk.

     

    9 november 2014

    8e zondag van de herfst 9 november 2014,

    Mensen hebben verschillende rollen, daarin zijn altijd tegenstrijdigheden. Op veel zaken is er weinig invloed mogelijk. Toch is de vraag: Welke keuzes maken mensen en geloofsgemeenschappen om hun talenten in te zetten? Voor eigen gewin of voor bevordering van gerechtigheid en vrede in een levenslang proces van waakzaamheid en inzet.

    Inleiding:  Deze zondag wordt waarschijnlijk in veel geloofsgemeenschappen aandacht besteed aan ‘dankdag voor gewas en arbeid’. De lezingen dagen uit tot dankbaarheid en bezinning. Bezinning met betrekking tot de vraag: wat kunnen we doen om onze talenten in te zetten om gerechtigheid en vrede te bevorderen.

    Jesaja 48.17-24 roept op Babylon en zijn gewoonten te verlaten en de weg van de Heer te volgen. Op te staan en terug te gaan naar Jeruzalem. Dit kan letterlijk en figuurlijk worden opgevat. In ieder geval gaat het om de bepaling bij de oproep van God terug te gaan naar de roots van het geloof en die in praktijk te brengen.

    Zo ook in het verhaal over de toevertrouwde talenten.

    Matteüs 25.14-30 M.schrijft aan een groep christenen na de val van Jeruzalem. Zij verwachten het einde der tijden, de spoedig terugkomst van Jezus. Na Jezus intocht in Jeruzalem, vertelt hij een aantal gelijkenissen/parabels, daarin worden varianten beschreven m.b.t. de praktijk van de gelovigen in de tijd van het wachten op de terugkomst van Jezus. Met als perspectief wat er zal gebeuren bij de beoordeling van God op hun gedrag, als het zover is.

    Vanuit de gelezen teksten zou te formuleren zijn: Een geloofsgemeenschap die haar inzet motiveert als een (pelgrims) proces door: 'uit te trekken uit Babylon op weg naar Jeruzalem'. Haar talenten gebruiken zaaiend (mat. 13.1-24) en werkend (mat. 20.1-16) Licht laten schijnen in de wereld, niet om zichzelf op de borst te slaan, maar om zo haar taak in de wereld op zich te nemen. (Mat. 5-6) De tafelgemeenschap van de Heer sterkt om te mogen en kunnen werken en daardoor tot zegen te zijn. Dit mag zij doen in het krachtveld van de Geest in het Rijk van God, dat is en komende is.

    Jes. 48.17-21, De bevrijder, de Heer spreekt, dat het onderricht, de geboden in het eigen belang van het volk zijn. Daar heb je zelf baat bij. Ga dus weg uit Babel. Het gevolg van deze praktijk zal zijn: weer gerechtigheid en vrede te kennen. Zij moeten dit niet voor zichzelf houden, maar laten weten dat de Heer zijn volk vrijkoopt en voert door, een vruchtbare woestijn.(-->ex 17.6, num 20.11).

    Mat. 25.14-30  In de context het verhaal van de dwaze en wijze meisjes, die wachten op hun bruidegom. En het verhaal van de komst van de mensenzoon, die beoordeelt wat er gedaan is aan het bevorderen van gerechtigheid en vrede t.o.z.v. de naaste: de 'werken van barmhartigheid'. Waakzaamheid en inzet in het voetspoor van Jezus.

    In 14-30 het verhaal van de man die op reis ging en zijn dienaren het geld dat hij bezat in beheer gaf, de één 5, de ander 2, de ander één. De e eerste twee gaan er mee aan de slag. De laatste is angstig, omdat zijn heer streng is en verstopt het geld. Bij de beoordeling wordt ook hier, zoals in mat. 22, scheiding gemaakt tussen de tafel van de heer en de verwerping. Het lijkt hier te gaan over individuele personen, maar ook over de houding van de gemeenten. Zij hebben, elk in verschillende situaties Jezus leren kennen, waren blind en hebben het Licht gezien. Licht dat zij niet onder de korenmaat moeten verbergen, maar laten schijnen, gerechtigheid beoefenen, als beelden van God. (mat. 5-6). Angst is een slechte raadgever. De mens met het ene talent begroef het uit angst voor zijn heer. Uitlenen aan een vreemdeling was mogelijk geweest. Uitlenen aan aan joden voor rente was voor joden verboden (ex.22.24, deut 23,21, 15,6).

    De terugkomst van Jezus is nog uitgebleven. Zijn leerlingen zijn geroepen anders te leven dan de omgeving. Want de koninkrijk-teksten slaan op wat er gedaan moet worden in de wereld: Godszaak is de zaak, de opdracht, van mensen. Het zijn nu spannende tijden in de wereld. Oorlogen en geruchten van oorlogen. In Nederland zijn er oplopende onderlinge spanningen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Angsten worden aangewakkerd. Hoe gaan christenen om met hun gegeven talenten?

    Ps 70: een smeekgebed om Gods hulp voor ons 'zwakke' mensen. Maar gesterkt als we ons gesteund voelen te werken in opdracht van God.

    Talenten: Wat zijn talenten:
    1.(Bij de oude grieken) een bepaald gewicht en een geldsom (de waarde van het gewicht in zilver).In het oude Israël vermoedelijk 34 kg in de romeinse tijd 41 kg. In de bijbel wordt er op verschillende plaatsen over geschreven: Uit een talent louter Goud maken o.a.ex25.39, 37,24. ex.38 over verhouding van de talenten tot zilver.
    2.Een gave (door God geschonken) met betrekking tot het gebruik wat men ervan maakt Het gaat dan om: natuurlijke begaafdheid, bekwaamheid tot enige kunst of werkzaamheid; kundigheid.

    Hoe zouden christenen met hun talenten kunnen omgaan?

    Ieder mens als beeld van God heeft gaven. Al lijken deze soms zo nihil bij sommige gehandicapte mensen. En toch zijn ook zij niet voor niets op de wereld. God heeft vele namen en vele mensbeelden. Het gaat erom hoe mensen met dat wat zij meegekregen hebben aan gaven en mogelijkheden in de praktijk omgaan, zowel individueel als als groep.

    Al op school worden leerlingen gestimuleerd hun gaven zo goed mogelijk te gebruiken. Het doel is zo goed mogelijk te presteren. goede cijfers halen, snel carrière maken. En genieten van de resultaten, die liefst veel geld op brengen. Onze samenleving zit in de tang van globalisering, individualisering en neoliberalisme. Egoïsme en de homo economicus vieren hoogtij. De westerse landen willen bepalen wat goed is voor de overige. Investeringen in landen in ontwikkeling vloeien terug naar het westen. Mensen leven en werken in veel landen in een systeem dat veel weg heeft van moderne slavernij. Geld, energie bronnen en macht moeten verdedigd worden als zij bedreigd worden, verdedigd met concurrentie, uitbuiting en geweld.

    Er zijn ook andere manieren om te trachten gaven en mogelijkheden aan te wenden ten behoeve van anderen, dichtbij en verder weg om voor zoverre dat in het vermogen ligt, talenten te gebruiken, om mensen tot hun recht te laten komen.

    In zowel het eerste als het tweede testament zijn er veel verhalen dat het anders kan, anders zou moeten. In de context van de lezingen ging het om waakzaamheid en inzet.

    Wegen zoeken om bestaande toestanden te veranderen, daarvoor is een lange adem nodig. Mensen kunnen dat niet alleen. Geloofsgemeenschappen zijn bestaande groepen, waar bezinning plaats kan vinden. Voor inzicht is bezinning nodig, die tot bewustwording leidt. Van daaruit kunnen mensen keuzes maken om aan veranderingen mee te werken.

    Zich bezinnen, analyseren en andere mogelijkheden zoeken is tijdrovend en vaak teleurstellend. De resultaten zijn vaak zichtbaar op zeer lange termijn.

    Haalt het wat uit?

    En toch... kijk eens in de geschiedenis van vele van onze eigen generaties.

    Sinds de club van Rome (1968) is er een langzaam proces gaande, zowel binnen als buiten geloofsgemeenschappen. Vaak ook eerst van buiten komend en langzaam ook door geloofsgemeenschappen geïntegreerd en dan weer door geloofsgemeenschappen samen met anderen aan gewerkt in de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan de moeizame introductie van de Max Havelaar koffie in de kerken en de andere fair trade produkten, terwijl er nu faire trade gemeenten zijn. Oiko-Credit startte vanuit de WereldRaad van Kerken en nu zijn er verschillende micro credit acties. Waarbij koningin Maxima nu als promotor optreedt. De acties tegen de kernwapens en nu het burgerinitiatief van Pax om dit onderwerp, na zoveel verloren processen, toch weer op de agenda van de kamer te krijgen, gezien de taken van de JSF in de toekomst. Acties, die vaak beginnen in geloofsgemeenschappen en kleine groepen, initiatieven die de duurzaamheid, gerechtigheid en vrede willen bevorderen. 

    Iedereen heeft verschillende sociale rollen. Een omgeving vraagt om verschillende inzet, op het werk, in het gezin – soms heel intensief door de gezinssituatie of mantelzorg –, in de sportclub, in de organisatie die zich inzet voor een goed doel, of in de geloofsgemeenschap. In sociale verbanden worden mensen gevormd en zoeken ze op wat hun aanspreekt. In de ene rol kunnen mensen hun talenten verstoppen, terwijl ze in een andere rol ze gebruiken, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor en met anderen. Dat levert tegenstrijdigheden in de rol van één persoon op. Privé kiezen mensen zoveel mogelijk duurzaam te leven en de ander tot zijn/haar recht te doen komen. Toch blijft iedereen ook een onderdeel van beslissingen waar de meerderheid het mee eens lijkt te zijn, zowel in een groep, als in de democratische politiek.

    Er is heel wat aan de hand in de wereld.

    De wereld vandaag is een dorp geworden. In Nederland wonen 'naasten' uit meer dan 180 nationaliteiten afkomstig. 'Vreemdelingen' worden vaak gezien als spelbreker. De wens wordt geuit, dat deze zo spoedig mogelijk ons land zullen verlaten. De andere kant is dat er handig gebruik van gemaakt wordt, door deze voor een hongerloon te laten werken. Dit betreft zowel Nederland al elders. Bij sommige mensen wekken ze angst op met hun gewoonten of door de 'bedreiging' van hun baan.

    Gelovigen kunnen zich inzetten in hun eigen gemeenschap. Daarnaast Licht laten schijnen onder de mensen. Dat is een opdracht van Jezus aan zijn leerlingen. Dat wil zeggen contacten zoeken met anderen buiten de geloofsgemeenschap. Gaven en mogelijkheden inzetten om alle mensen, in hun waarde de laten, door te luisteren en trachten te begrijpen wat hen motiveert. Waarom zijn er angsten, praten mensen die elkaar aan door vooroordelen, worden ze bevordert door het nieuws, is er armoede, zijn er schulden, is er werkloosheid of dreigt dat. Is men illegaal en/of dakloos.......

    Stop feiten en meningen niet onder de grond. Kijk samen wat reëel en irreëel is en wat er aan gedaan zou kunnen worden. Veranderingen kunnen geloofsgemeenschappen in deze tijd niet meer in hun eentje bewerkstelligen Daarom is het van belang contacten te zoeken met andere mensen of instellingen. Zo kan er samen gezocht worden naar de mogelijkheid om samen te werken aan goede leefomstandigheden in buurt, wijk of elders. Door elkaar te ontmoeten leren mensen elkaar kennen: onbekend maakt onbemind. Een unieke kans voor een een nieuw project zou bijvoorbeeld een nieuwe AZC kunnen zijn,. Te beginnen met 'er te zijn' voor deze vluchtelingen, ook al verstaat men elkaars taal niet.

    De missionaire taak van geloofsgemeenschappen is vaak onzichtbaar. Van belang is het naar buitentreden en samenwerken met anderen. Heel veel mensen zetten zich in voor gerechtigheid en vrede. Zij onderbouwen hun motivatie niet meer vanuit een geloofsstandpunt, maar ijveren wel voor meer humaniteit.

    Talenten gebruiken is als zaad dat gezaaid wordt. Waar het terecht komt is vaak onzeker. De opbrengst is vaak niet waar te nemen. Het valt tussen doornen en distels. Maar af en toe, op lange termijn, is er resultaat zichtbaar. Al is dat soms een topje van de ijsberg.

    Héleen Broekema (TWG). 15.10.2014.

    Tegenstrijdigheid van onze rollen.

    Ik ben een ééndagsvlieg, die over het wateroppervlak
    van de rivier glijdt.
    En ook ben ik de vogel,
    die neer duikt om hem te snappen.

    Ik ben de kikker, die genoeglijk
    in het heldere water van een vijver zwemt.
    En ik ben de ringslang, die in de stilte
    de kikker oppeuzelt.

    Ik ben het kind uit Uganda, slechts huid en botten,
    met beentjes, zo dun als bamboestokken;
    en ik ben de wapenhandelaar
    die dodelijke wapens
    aan Uganda verkoopt.
     

    Ik ben het twaalfjarige meisje,
    vluchtelinge in een kleine boot,
    dat door piraten werd verkracht
    en nog slechts de dood zoekt in de oceaan;
    en ik ben ook de piraat –
     

    mijn hart is nog niet in staat
    om een oordeel te vellen en lief te hebben.

    Thich Nath Hahn (Vietnamees Boeddhist, strijder voor mensenrechten, vrede en gerechtigheid.)

     

     

     

     

    26 oktober 2014

    6e zondag van de herfst 26 oktober 2014

    Bijbellezingen:

    • Deuteronomium 6, 1-9
    • 1 Tessalonicenzen 1, 1-10
    • Mattheüs 22, 34-46 (vgl. Marc. 12, 28-34, Luc. 10: 25-48)

    Het is midden in de vredesweek, dezelfde week waarin Mark Rutte aankondigt dat Nederland mee gaat doen  aan de strijd tegen ISIS in Irak. Ons land levert 6 F 16 en 250 militairen. Op slag voel ik me unheimisch worden. Nederland is in oorlog. Wat kan hierop de reactie van Kerk en Vrede zijn?

    Toen we op 15 september in onze theologische werkgroep de strijd in Irak en Syrië, als ook de strijd in de Gaza strook tussen Israël en Hamas bespraken, kwamen we tot de volgende conclusies:

    • verlegenheid bij onszelf, pacifisme als ruimte om de goede vragen te stellen.
    • de geschiedenis terughalen, de werkelijke rol van de westerse wereld. Geen kritiekloze identificatie met de westerse wereld.
    • je leren verplaatsen in de positie van de ander. Dat wil ook zeggen: een andere taal vinden.

    In onderstaande preekschets bespreken we het grote gebod ten aanzien van het liefhebben van God en de naaste. Als we het grote gebod en het gebod daaraan gelijk : het liefhebben van de naaste gelijk onszelf serieus nemen, dan mogen we niet zwijgen tegen onze overheid, maar moeten we accentueren dat de militaire interventie in Irak in flagrante tegenstelling is met genoemde geboden.

    Ik beperk ik mij in deze preekschets tot de verzen 34 tot en met 40 uit Mat. 22.

    De drie synoptische berichten ( Marcus 12: 28-34 en Luc. 10 : 25-48, en hier) zijn niet in overeenstemming met elkaar.
    Mattheüs geeft daarbij het treffendst het coloriet van het jodendom weer; dat blijkt uit de talrijke semitismen die hij gebruikt. 

    Vers 34. De vraag die in de verzen 34-40 aan de orde komt, is: welk gebod is het grote en eerste gebod? De Farizeeën hebben gehoord dat Jezus de Sadduceeën tot zwijgen heeft gebracht( -ephimoosen-, hier bijna in de betekenis van de mond snoeren). Het zou kunnen dat de Farizeeën als verklaard dogmatische tegenstanders leedvermaak hebben gekoesterd, al waren ze eensgezind in hun antipathie jegens Jezus. In elk geval komen de Farizeeën bij elkaar (epi to auto, een semitisme, vgl. hebreeuws jachdav) Vers 35. Een van hen, een wetgeleerde ( nomikos) stelt Jezus een vraag om hem te verzoeken (peirazoon). Gebruikelijk is in het NT de term schriftgeleerden (grammateus). Wellicht gebruikt Jezus de term nomikos om aan te geven dat het hier om een specialist in wetskennis gaat. Mattheüs die zich met name richt op joden- christenen, geeft dus precies de juiste term.

    Vers 36 Deze wetgeleerde spreekt Jezus aan met het gebruikelijke Meester (didaskale = hebreeuws: rabbi, vgl. Mat 8:19;22:16 en 24). De vraag die hij stelt, luidt: wat is het grote gebod in de wet? Het bijvoeglijk naamwoord ‘groot’ heeft hier de betekenis van ‘grootste’ . Dat kun je ook afleiden uit de parallelle tekst in Marcus 12:28: welk gebod is het eerste van alle? Deze en soortgelijke vragen ten aanzien van de wet golden als omstreden, want de beantwoording gaf ook de beslissing over waar en niet waar, betrouwbaar en niet betrouwbaar in het joodse geloof. Een andere reden waarom deze vraag omstreden was, was het feit dat bij de beantwoording van deze vraag verscheidene rabbijnenscholen eigen wegen gingen. De vraag van de wetgeleerde is begrijpelijk tegen de achtergrond van het complexe geheel van de joodse geboden, maar heeft tegelijk een testend karakter: Jezus wordt verzocht (peirazoon !) . De oude synagoge kende 613 geboden/ verboden op grond van de Thora. De letters van het woord Thora vormen in het hebreeuws het getal 613. Daarvan zijn er 248 geboden –evenveel botten als het menselijk lichaam telt-- en 365 verboden -evenveel dagen als het jaar telt. Al deze 613 geboden /verboden waren ingedeeld in lichte en zware geboden. Licht waren die welke aan de krracht of het bezit van de mens weinig eisen stelden. Zwaar waren die welke veel geld kostten of ook levensgevaar inhielden. Lichte geboden werden al snel als minder belangrijk beschouwd. Als nu de wetgeleerde vraagt welk gebod Jezus als grootste beschouwd, dan is die vraag een vraag naar de waarderingsmaatstaf van Jezus en daarin ligt het toetsende element, d.i. de mogelijkheid om Hem klem te zetten.

    Vers 37 Het antwoord van Jezus is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Jezus citeert hier het sjema (vgl. Deut. 6: 4,5). Opvallend is dat Jezus volgens Mattheüs niet de inzettingswoorden van het sjema weergeeft. Marcus doet dit wel. Jezus antwoordt evenals in Deut. 6:4-5 drieledig: Gij zult de Heer, uw God, lief hebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand..

    Vers 38 Jezus noemt dit gebod het grote en het eerste. Het is het grootste, d.i. het belangrijkste op grond van zijn inhoud en daarmee het eerste. Het is het gebod dat het eerste is op grond van zijn betekenis, omdat het aan alle andere geboden hun eigenlijke betekenis geeft, en daarom het grootste.

    39 Onmiddellijk daarop laat Jezus volgen: Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf , )Lev. 19± 18, vgl. Mat. 5±43 en 7±12.) Jezus noemt dit tweede gebod even belangrijk als het eerste wat de inhoud betreft. Het gaat er hier om dat wij deze geboden in hun onderlinge samenhang lezen: Deze geboden zijn niet los van elkaar te krijgen. Het gaat hier om een wederzijds op elkaar betrokken zijn: van God en mens enerzijds en mens en naaste anderzijds. Deze geboden betekenen voor elkaar fundament en doel. Het gaat hier niet om of-of, maar om en-en. Ze zijn ook niet inwisselbaar: de liefde tot God kan niet verwisseld worden voor de liefde tot de naaste en omgekeerd. Wel kunnen we zeggen dat het liefhebben van de naaste even belangrijk is als het liefhebben van God en omgekeerd. Het Oude Testament werpt op dit gebod van de naastenliefde meer licht dan het Nieuwe Testament. In het OT komt het begrip ‘naaste’ meer dan tweehonderd keer voor, en in het NT slechts zestien keer en dan op twee uitzonderingen na (Rom. 15,2 en Jac. 4,12) altijd in een OT citaat of in verband met een Oudtestamentische uitdrukking.

    Wat maakt iemand tot jouw naaste in de bijbelse zin van het woord? Niet het nabij-zijn, niet ruimtelijkheid, maar het gebeuren. De naaste is degene die met jou te maken krijgt, zoals in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan de gewonde man tee maken krijgt met deze barmhartige, en daar bepaald niet minder van wordt. Een naaste word je door een gebeuren. Stel, je zit in de tram en je bent nog wat vergaderstukken aan het doornemen. Naast je zit een man de krant te lezen. Jullie hebben geen contact. Maar dan moet de tram plotseling hard remmen. Je vliegt naar voren, je komt met je hoofd tegen de leuning van de bank voor je. De man legt zijn krant neer, buigt zich naar je toe en vraagt of het gaat en of hij iets voor je kan doen. Hij raapt je papieren op en legt ze op volgorde. Zo wordt deze man, totdat je opgeknapt bent, je naaste.

    Alleen Mattheüs meldt in vers 40 nog dat aan deze twee geboden de hele wet en de profeten hangen. Het wezenlijke van Gods wil, geopenbaard in de Schriften, wordt in de verzen 37 en 39 uitgedrukt in de genoemde geboden. Hoewel beide geboden afzonderlijk in de Thora voorkomen, is er niet zozeer naar een samenhang gezocht. Het is Jezus geweest die ze als onlosmakelijk met elkaar verbonden weergegeven heeft. Jezus blijft daarbij op de bodem van de Thora, maar Hij stelt zijn geboden veel radicaler dan de rabbijnen. Dat blijkt ook uit de Bergrede. Jezus doorbreekt zode interpretatie die de joodse wet wel bij de rabbijnen had gekregen. Jezus doorbreekt de middelaars positie van de Thora. Niet meer de Thora en de verhouding tot de Thora beslissen over de verhouding van de mens tot God, maar de positieve, totale en persoonlijke gerichtheid tot God en de naaste.

    Lies Brussee

    19 oktober 2014

    5e zondag van de herfst 19 oktober 2014

    DE ENE GOD, ZIJN VOLK EN DE HEERSERS

    Hoe moeten we omgaan met de machthebbers, die schijnbaar doen wat ze willen? Een oude vraag: voor Israel en ook voor de volgelingen van Jezus. In de hele Schrift vind je daarop dit antwoord: de ENE is koning, er is niets buiten Hem om. Onze omgang met heersers staat in dit teken. Dat is het thema van de lezingen voor deze zondag.

    Het is niet gemakkelijk dat te zien in de situatie van nu. De kranten staan vol van heersers die hun volkeren naar believen arm houden en zelfs doden, en die privileges uitdelen als hun dat uitkomt.Heersers die rechtvaardigheid nastreven en die hun volk aan het woord laten komen halen minder vaak het nieuws. Dit is in onze democratie wel het geval, ook al zijn er mensen die het onderspit delven. En er bestaan ook hier taboes waardoor niet iedereen gehoord wordt.Onze teksten gaan er over hoe je je als volk van de Ene God kunt verhouden tot machthebbers.
     

    Psalm 93 De Ene is koning (geworden), vast staat nu de wereld, zij wankelt niet. Dit is een lied in het genre van troonsbestijging. Maar er staat ook: “Sinds eeuwig zijt Gij daar!” Zijn geboden zijn betrouwbaar. En hoe is dat met de geboden van hen die over ons regeren? voeg ik er aan toe. Het is de moeite deze psalm te lezen; hij heeft een poëtische zeggingskracht.

    Jesaja 45 vers 1-7: Zo spreekt de Ene tot Kores, zijn gezalfde, die Ik bij de rechterhand heb gevat... Kores is Cyrus, Koresh in het Perzisch. In 550 v.Chr. wordt hij koning van de Meden en Perzen: hun gebied strekt zich uit over delen van het huidige Turkije en Iran. Het Babylonische Rijk houdt hiermee op te bestaan. Cyrus staat de gedeporteerde Judeërs toe terug te keren naar hun thuisland. Voor Jesaja maakt dat hem tot een door God uitverkoren heerser, omwille van “Jacob, mijn dienaar, en Israël, mijn uitverkorene.” De Ene wordt hier genoemd “de formeerder van het licht en de schepper van het duister, de maker van de vrede en de schepper van het kwaad.” 

    Vóór we hier van schrikken: de Perzen hadden een God van het licht, Ahoera Mazda, en een God van het duister, Ahriman. De tweede Jesaja ziet in alles wat bestaat en leeft, in al het onvatbare kwaad, de hand van de Ene die het heil voorheeft met zijn mensen. Israël komt eerst, maar in hoofdstuk 49 zegt hij: “Ik stel u [Israel] aan om een licht voor de volken te zijn: Mijn heil moet reiken tot de uithoeken van de aarde.” Voor deze profeet is JHVH een God van vrede: Hij wil alles ten goede keren, ook in tijden van strijd. Uit de Schriften weten we van landverovering, slachtpartijen en deportaties: dat alles ligt ten grondslag aan de stichting van rijken en rijkjes, ook van Israel en later Israel en Juda. Maar bij bestudering van de Schriften wordt steeds duidelijker dat JHVH geen oorlogsgod is. Hij wil heil, shalom, voor alle mensen.

    Mattheüs 22 vers 15-22: Geef aan de keizer wat van de keizer is, en geef aan God wat van God is! 

    Judea is bezet gebied en wil weer vrij worden. De vrijheidsstrijders provoceren de Romeinen tot nog meer geweld. Jezus weent over Jeruzalem (Lukas-Evangelie 19 vers 41 vv): “Och, wist je op deze dag maar wat tot je vrede dient!” Volgens het verhaal in Hoofdstuk 22 gaan Farizeeërs en Herodianen een gelegenheidscoalitie aan om Jezus in de val te lokken. De Herodianen waren een politieke partij die wilde dat er iemand uit de dynastie van Herodes zou regeren, zonder Romeinse bezetting. De Farizeeërs waren religieus, en wilden liever geen Herodes en al helemaal geen Romeinen. Ze waren onderling niet altijd even vriendelijk gezind. Door de nood gedwongen moesten ze zich verstaan met de Romeinse bezetter. Een complexe situatie, zoals die zich voordoet in een bezet land. Samen stellen ze Jezus een strikvraag: “Moet je belasting betalen aan de Romeinse keizer?” Zelf wisten ze best dat er weinig anders opzat. Maar Jezus trapt niet in de valstrik: “Van wie is de afbeelding op je muntstuk?” ”Van de keizer.” “Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en geef aan God wat van God is.” Iets om over na te denken, want wat houdt dat in? Wat wil God van ons in tijden van bezetting? Wat moeten wij zeggen tegen mensen in situaties van bezetting en terreur? Of moeten we iets doen, misschien? Ik denk daarbij aan mensen van Peace Brigades International en Christian Peacemaker teams, die volwassenen en kinderen escorteren in situaties van geweld. Wij hebben geen recept om gewelddadige machten om te turnen, maar een persoonlijke en gemeenschappelijke inzet voor alternatieven is mogelijk. En laten we vooral laten zien hoe werkzaam die kunnen zijn. 

     Janna F. Postma

    12 oktober 2014

    4e zondag van de herfst 12 oktober 2014

    God nodigt alle mensen aan de tafel van zijn Zoon. Wat de mensen, die de uitnodiging aannemen, in hun levenspraktijk doen, blijft hun verantwoordelijkheid. Het is de taak van de geloofsgemeenschap elkaar toe te rusten om handen en voeten van God te leren zijn in de wereld.

    Inleiding

    Joden hadden en hebben een verwachting dat in de toekomst, als uit alle volken het volk weer verzameld zal zijn op de berg Sion, de tempelberg, de Messias zal komen. ( zionisme).Voor Christenen is de Messias gekomen. Zij verwachten de terugkomst van Jezus. Na Jezus' Hemelvaart verwachtte men deze spoedig. Dit in aansluiting aan de teksten o.a. uit Jesaja. 25. Matteüs schrijft zijn evangelie waarschijnlijk kort na de val van Jeruzalem, om de eerste (vervolgde) Christenen uit de Joden een hart onder de riem te steken, dat Jezus echt de beloofde Messias was. Hij deed dit met veel verwijzingen naar het eerste testament. Dat kende ze immers. Dat was voor hen de enige referentie aan de verhalen van God als bevrijdende liefdevolle Almachtige God, die nu zijn belofte vervuld had, door zijn zoon te zenden. Deze verhalen uit de traditie kon men ook doorvertellen aan hen die zich, uit de volken, bij hen aansloten. In de tijd dat het evangelie van Matteüs ontstond leefde men onder de heerschappij van Romeinen, die Jeruzalem en de tempel verwoest hadden. Zij vereerden de keizer als hun God. Matteüs, evenals Johannes op Patmos, kon niet openlijk schrijven over de spoedige toekomst verwachting. Dat zou gevaarlijk zijn als de Romeinen dat onder ogen kregen. Daarom moest er op een apocalyptische wijze over geschreven worden. Er zijn nog al wat overeenkomsten in de gelezen tekst van Jesaja en Matteüs. De teksten vragen dus om een decodering, een onthulling.

    De codering en onthulling

    Matteüs legt Jezus de woorden in de mond als een gelijkenis over het koninkrijk van de hemel. Niet in de hemel. Het gaat om het leven op aarde. Hoe de mensen leven in de navolging van Jezus.

    Waar gaat het over: een Koning (God), een Zoon (Jezus). De koning organiseert een bruiloftsfeest voor zijn zoon (de bruiloft van het Lam). De koning heeft dienaren, die hij er op uit stuurt om zijn bekenden uit te nodigen. Deze zien de bruiloft van de zoon niet zitten en excuseren zich, ondanks een tweede uitnodiging. Waarop zij zich nogmaals excuseerde en zelfs de dienaren gevangen namen, hen mishandelde en doden.(Saulus en consorten  21.35,36 Het doden van dienaren betreft ook de profeten in het verleden). Hun excuses betroffen wereldse zaken. We zouden nu kunnen zeggen een keuze voor de 24 uurs economie. Je laten voortdrijven door de eisen van de Markt, die geluk voorspelt en/of helemaal in beslag genomen worden door internet, twitter en facebook. Waardoor mensen meer zijn gericht op ‘hebben’ (voldoen aan de eisen van de omgeving), dan op ‘zijn’(een andere levensstijl dan algemeen gewenst, in het voetspoor van Jezus). Het is een vraag of het zou kunnen slaan op de zelfde personen die ‘als tempel bouwers de steen afkeurden’. ( 21.42-43). Wat slaat op de tempeldienaren, die in dispuut met Jezus waren en zochten naar een motief om hem uit te schakelen. De koning wordt woedend en stuurt zijn troepen op de weigeraars af. Hij liet de moordenaars ombrengen en stak hun stad in brand. ( verwoesting van Moab. ). De dienaren krijgen daarna de opdracht iedereen uit te nodigen die ze tegen komen. Ze brengen zoveel mogelijk samen, goeden en slechten (kinderen van het licht en kinderen van de duisternis, uit alle volken).Allen hebben de mogelijkheid, genodigden van de koning te worden. Als zij zich, volgens de uitnodiging, eerst kleden in witte kleren. Alleen één persoon heeft dat niet gedaan, zonder motivatie.(deze is als 'blinde', niet ziende geworden). De genodigden hebben tussen uitnodiging en de maaltijd dus tijd gehad om ‘witte kleren’ te kunnen aantrekken. Een proces van de praktijk van navolging.

    Witte kleren

    Witte kleren worden toegeschreven aan de priester en de gelovigen in de joodse traditie is ook de gebedsmantel gedeeltelijk wit. Heiligen en martelaren hebben in de chr. traditie witte kleren. (Zij hebben in Openbaringen hun kleren wit gewassen in het bloed van het Lam). Wit is de kleur van zuiverheid, de kleur van licht. Wit licht omstraalde Jezus bij de verheerlijking op de berg.(Mat. 17.2) Het licht dat christenen in de wereld moeten laten schijnen (mat. 5.16). Zij die hun kleren schoon hielden (Openb. 3.4). Wit is ook de kleur van het doopkleed.

    Een geweld(d)adige koning.

    In het eerste testament heeft God twee gezichten. Een Almachtige gewelddadige en een weldadige bevrijdende God. God heeft vele namen. In de gelezen teksten: Heer; u bent mijn God; de heer van de hemelse machten; God de Heer; mijn Herder; Koning. De koning in dit verhaal lijkt een zeer menselijke gewelddadige koning. Hij wordt woedend en stuurt zijn troepen op de moordenaars af. Hij laat degene die geen wit kleed draagt in de buitenste duisternis gooien. Hier doet zich één van de vele godsvoorstellingen in het eerste testament voor. Zoals op elke koning heeft het volk de hoop van bevrijding op hem gevestigd. De bevrijdende, verlossende liefdevolle God als: toevlucht voor de zwakke en de armen in hun nood.(Jes.25.4). Deze koning voedt hen die met een goede intentie ingaan op de uitnodiging voor het bruiloftsfeest van zijn zoon. Velen mensen liepen en lopen Jezus achterna, maar staan niet op zijn voorbeelden te volgen niet zijn. (Scheiding schapen en bokken).

    De zoon
    Over de zoon wordt in dit verhaal niet verder gesproken. In andere verhalen lezen we dat hij zelf niet wil dat in zijn omgeving wapens gebruikt worden. Zoals door zijn leerling, bij zijn arrestatie. Terwijl hij elders wel aangeeft dat wapens in de wereld gebruikt zullen worden. En dat er oorlogen en geruchten van oorlogen zullen zijn. En zelfs door Hem te volgen er ook wapens gebruikt zullen worden en gezinnen gespleten.

    Gij zult niet doden

    Dit is één van de richtlijnen uit de tien woorden die God het volk Israël en vervolgens de navolgers van Jezus voorhield. Door de eeuwen heen zijn de mensen gewelddadig. Mensen doden elkaar in oorlogen, maar ook om verschillende andere redenen economisch en sociaal (slavernij, uitbuiting, lage lonen, uitsluiten van vluchtelingen, racisme, drugshandel, antisemitisme,haat, nijd, pesten etc) Het is in het dagelijks leven vaak moeilijker om niet gewelddadig, maar rechtvaardig te zijn.

    In de huidige politieke situatie worden mensen vermoord, zoals tijdens de inquisitie en de kruistochten. Mensen vechten om stukken land vanuit ideologie of etniciteit. Waardoor vele onschuldige slachtoffers vallen. Er is nu politiek in de wereld grote verwarring en verstrengeling. Wie moet /kan wie helpen, wie levert wapens aan wie?

    Toegangswegen van de stad / Kruispunten (NB/ NBG) Uitgang der wegen (StV).
    Deze woorden roepen een associatie op. De stad zou kunnen staan voor het nieuw Jeruzalem. Een andere vraag is: wie staan er nu op de 'kruispunten', die onze aandacht vragen? We kunnen daar vinden: hang/ zwerf jongeren gezellig of verveeld, daklozen soms al een uur voor een inloop opengaat, illegale vluchtelingen die steeds zwerven van het ene pand naar het andere uit angst weer gedetineerd te worden, mensen die verslaafd zijn aan alcohol of drugs of massamedia, eenzamen en rouwenden, zij die troost nodig hebben, of mensen onderweg, die zomaar haken naar een vriendelijk woord. Maar ook politici en zij die in beslag genomen worden door hun drang te moeten presteren, hun angst ontslagen te worden. Angst drijft zowel goeden als slechten voort. Waar kunnen mensen rust vinden om keuze te maken, herder te zijn voor elkaar, in vrede te leven. Aan de tafel van de Heer zijn allen gelijk.

    Uitgenodigd zijn aan de feestmaaltijd, al of niet daartoe op weg gaan.
    God nodigt allen aan de tafel van zijn Zoon, De goeden en de slechten, uit alle volken rassen en naties, mensen van verschillende seksuele geaardheid, armen en rijken. De verantwoordelijkheid om op de uitnodiging in te gaan ligt bij mensen zelf. Er is een keuze: mensen die trachten subject te zijn van het subversieve verhaal van God en mensen of zij die leven als objecten van de maatschappij an sich..

    In een viering wordt gelezen of gezongen over: ‘De Heer als mijn Herder’. De tekst van deze gelijkenis gaat over het gedrag van mensen in het Rijk van God, dat is en komende is. Namens God worden de aanwezigen in de geloofsgemeenschap uitgenodigd aan de maaltijd in herinnering aan de Zoon. Aan tafel gaan wordt niet zomaar gedaan. Vooraf is er een tafelgebed of wordt een formulier gelezen. Dit bepaald steeds weer erbij wat breken en delen inhoudt. Het is een samen delen om kracht te krijgen met als consequentie te delen met de wereld.

    De vraag, die samenhangt met de maaltijd is: voor wie ben ik als mens een herder. Welke keuzes kan / wil ik maken om handen en voeten van God te mogen zijn. Anders gezegd: waar sta ik in deze wereld. Wat zie ik als mijn verantwoordelijkheid, waartoe ben ik instaat, met mijn gave en mogelijkheden, als er een apèl op mij gedaan wordt in kleine en grotere zaken. Welke keuzes maak ik tussen hebben en zijn. Keuzes maken, daar hebben mensen elkaar voor nodig. Keuzes zijn gemotiveerde of onbewuste zaken. Hoe komen mensen tot keuzes. Door wat mensen lezen, horen en zien, door er samen over te praten. Om bewust te worden van keuzes en eigen mogelijkheden kan de geloofsgemeenschap via toerusting ook een rol spelen, door de bevrijding en verlossing van God samen te trachten te vertalen naar de wereld. Bewuste keuzes maken gaat niet van de ene dag op de andere. In verschillende levensfase kunnen dat andere zijn. Het leven is te vergelijken met een Pelgrimage: bezinning, afzien en steeds een ander landschap, maar met een doel voor ogen. Volgelingen van Jezus hebben een doel met als wegwijzers: de Joodse traditie: de Tora en de interpretatie die Jezus daaraan gaf en voor leefde. Om nu als mensen ‘bruiloftsgasten te zijn, als ‘kinderen van het licht’, in de wereld, gaat het om een levensstijl waarin getracht wordt recht te doen in voorkomende situaties. Woorden als gerechtigheid, vrede, behoud van de schepping/ duurzaamheid, geweld niet gewild, kunnen worden ingevuld in het licht van Christus. Zodat mensen in alle situaties, elk op zijn / haar plaats in het leven het goede trachten te zoeken, zodat er vrede kan ontstaan, tussen mensen, religies en volken. Vrede ontstaat niet door wapens, agressie of geweld, maar door liefde en dialoog, waakzaamheid en protest waar nodig, in de hoop en het geloof dat het anders kan, anders zou moeten.

    Actualiteit:
    Joodse feestdagen: Sjemini Atseret 15, 16 okt. Simchat Tora t/m 17 okt.

    16.okt. wereldvoedseldag

    Het begin van een Tafelgebed.

    Naar u zijn wij op weg.
    Vader, (moeder),
    naar u zijn wij op weg.
    Wij danken u voor uw liefde,
    die zin en richting geeft aan onze pelgrimstocht.

    Gij zegent ons met uw goddelijke onrust.
    Gij houdt ons af van valse tevredenheid.
    Gij laat ons wegen gaan door donkere diepten, 
    ook als wij ons daarvoor niet sterk genoeg voelen.
    Gij ondersteunt ons door mensen die ons begeleiden,
    die ons sterk maken als wij zwak zijn,
    die ons troosten en bemoedigen,
    als wij denken niet meer te kunnen…….

    ( uit Dienstboek, een proeve PKN blz. 307)

    Héleen Broekema (TWG)

     

    5 oktober 2014

    3e zondag van de herfst 5 oktober 2014

    Israëlzondag

    We hebben in onze gemeente besloten niet aan sluiten bij het thema van de landelijke campagne, maar te kiezen voor een eigen thema. De laatste jaren werd er al best vaak over de gelijkenis van de wijngaard uit Math 21:33-43 gepreekt. Maar voor wie wel met die tekst aan de slag gaat, hierbij de link naar het landelijke thema: http://www.pkn.nl/Lists/PKN-Bibliotheek/20141005-Handreiking-Israel-zondag-Zoeken-naar-erkenning.pdf

    Wij kozen voor een serie lezingen en preek rond de cyclus van Jakob en Esau. Tevens sloot dat aan bij ons kindernevendienstmateiaal. En misschien moeten we de kiem van het antisemitisme wel terugvoeren op de grondlegger en naamgever van Israël, de 'beetnemer' (Nico ter Linden) Jakob. Jakob die op slinkse wijze samen met zijn moeder de zegen voor de neus van zijn oudste broer Esau wegkaapt.
    Vers 35 Maar Izaäk zei: Je broer is met bedrog gekomen en heeft je je zegen afgenomen (HSV). Ik zet dit vers centraal, omdat het in mijn ogen het verhaal kernachtig weer. Het laat ook meteen de onrechtvaardigheid van dit verhaal zien: Jakob komt met bedrog; Hij neemt de zegen af. Esau en Izaäk blijven met lege handen achter. In deze ‘bedrieger’ vindt het Joodse volk haar oorsprong. Daar valt veel over te zeggen, misschien klinkt in deze personificatie van Israël onze worsteling met haar door, ook vandaag de dag nog. Er is een hoofdpersoon (die broer van jou) en er is een lijdend voorwerp (jou, Esau, de zegen afgenomen), verder niets. Ja, door het handelen van Jakob is God, die toch bij de zegen hoort, ook tot afwezige gemaakt. In dit vers klinkt niet de aanwezigheid van God bij zijn zegen door, maar die van Rebecca. En de man die alles lijkt te ondergaan is Izaäk. Spanning in dit verhaal: heerser worden over de ander, onder de zegen van God, terwijl je die status door bedrog verwerft? Kan dat wel? Niet bepaald een christelijke houding van bereidheid de ander te willen dienen? Maar wat is erger om mee te leven? Leven met een vloek, of leven met een onterecht verkregen zegen? 
    Zo gaat Jakob bezwaard door het leven: wel een zegen, maar op de vlucht. En jarenlang met angst in de benen voor zijn broer. Daar ben je dan mooi gezegend mee... 

    De zegen is oorspronkelijk ontstaan in een situatie van het  afscheid, de naderende dood (verg. Gen 24:60). In de zegen wordt degene die afscheid neemt de levenskracht doorgegeven aan de ander die het leven ingaat. Bij dit doorgeven van de zegen bestond de gedachte dat de lichamelijke handeling direct verbonden was met de geestelijke woorden die gesproken werden. Daarom kan de zegen niet ook op een ander worden overgedragen of worden teruggedraaid. Ik heb hem gezegend, gezegend zal hij zijn, zegt Izaäk tegen Ezau. Dat is een verschil al met de dood van Jakob (Gen. 49), die al zijn twaalf zonen een eigen zegen meegeeft. Hier probeert Izaäk dat ook wel voor Esau, maar het wordt toch meer een nette vloek. De zegen zal in de Torah uiteindelijk doorontwikkelen tot een zegen, die zonder daadwerkelijke handoplegging door de priester voor het gehele volk kan gelden. 

    4 personen. 4 verschillende invalshoeken. 2 winnaars, 2 verliezers. Opvallende afwezige is God zelf. Niet in de laatste plaats omdat Rebecca en Jakob geen geduld hebben. Ze moeten Gods plannen een handje helpen. Lopen ze God voor de voeten? We zullen het niet weten, maar hun handelen levert uiteindelijk wel hetzelfde effect op: de oudste zal de jongste dienen, maar dit gebeurt pas vele jaren later, als de beide broers zich weer kunnen verzoenen. Tot die tijd levert het voor de voeten lopen vooral verwijdering, haat en onvrede op. En voor Jakob betekent het: weg uit de eigen omgeving, op de vlucht en schuilen voor wraak. Leven in ballingschap. 

    Uiteindelijk komt alles toch goed: van een kromme stok kan God nog een rechte maken. Maar ondanks de inzet van Jakob en Rebecca. En die last dragen ze nog jaren met zich mee. 
    Deze geschiedenis stelt ons als lezers de vraag: Op welke persoon lijken wij, als we nadenken over onze (vredes)plannen? Denken we er niet over na, zoals Ezau? Als ik maar mijn natje en mijn droogje heb? Of laten we het gebeuren, zoals Izaäk hier toch lijkt te doen? (weet hebben van bedrog, maar de confrontatie uit de weg gaan) Of zijn we als Jakob en Rebecca bezig met het plan dat God met ons leven heeft, maar helpen we de Heer graag een handje?

    In alle vier kunnen we ons bij tijd en wijle verplaatsen. In alle vier klinkt de vraag door: waar laten we ruimte voor de Eeuwige zelf om met ons Zijn weg te gaan?

    Joost Schelling, Sliedrecht

    (het beeldmateriaal is van de webredactie KenV)

    28 september 2014

    15e zondag van de zomer 28 september 2014

    Jezus beantwoordt de vraag van hogepriesters en de oudsten van het volk naar zijn bevoegdheid met drie gelijkenissen. Ja, wie heeft Hem die bevoegdheid gegeven? De eerste gelijkenis komt in de plaats van een rechtstreeks antwoord omdat zij geen antwoord weten op de vraag in wiens bevoegdheid Johannes doopte: ”We weten het niet”. Zo onttrekken zij zich aan een antwoord op de vraag van Jezus: ”Wie heeft de wil van de vader gedaan?” Hebben die drie gelijkenissen een meerwaarde boven een rechtstreeks antwoord?

    Bijbellezing: Ezechiël 18,1-4 en 25-32 Filippenzen 2, 1-13 Matteüs 21, 23-32

    Eerst een opmerking over de tekst van de gelijkenis (Mat. 21: 28-32). Als we vertrouwd zijn met de Statenvertaling, merken we dat de NBV (Nieuwe Bijbel Vertaling) nogal afwijkt in de verzen 30 en 31. De volgorde is namelijk verwisseld, de verzen 29 en 30 zijn verwisseld. Ik ben zo vrij hier niet in mee te gaan. Die afwijking komt door de verschillen die er zijn in de Griekse handschriften van dit fragment. De moderne vertalingen, waarbij ik me op tekstkritische gronden aansluit, hebben zich laten leiden door een later verkregen kritisch inzicht omtrent de oorspronkelijke Griekse tekst. Nog een reden om de moderne vertalingen, met uitzondering van de NBV, te volgen is dat daar gesproken wordt over twee kinderen in plaats van zonen. Hoewel Hieronymus hier al twee zonen heeft gelezen, gebruikt Matteüs hier het woord ‘zonen’ niet. Er staat ‘tekna’, kinderen. Het verschil tussen ‘zonen ‘ en ‘kinderen’ mag minimaal lijken, maar het biedt wel de sleutel tot het verstaan van deze gelijkenis. We weten verder dat de bijbel heel weloverwogen kieskeurig is als het erom gaat voor het begrip ‘zoon’ te kiezen. Bij twee zonen denkt de ingevoerde lezer aan Ezau en Jakob, de oudste die de jongste dienen zal, en aan Israël en de volkeren, Jood en heiden, de erfgenaam en de mede-erfgenamen; het is een geschiedenis, die als een goddelijke beleidslijn staat uitgestippeld in heel de wet en de profeten. Matteüs gaat ervan uit dat zijn hoorders die geschiedenis voor ogen hebben, van twee zonen van een Vader die in de hemelen is. En vanuit dat vertrekpunt, dat de hoorders aan zonen denken, noemt hij hen opeens geen zonen meer, maar kinderen! Het zou zo kunnen zijn dat we aan dat verhaal over twee kinderen kunnen aflezen waar men de ware zoon moet zoeken, de zoon door wie wij kinderen genoemd worden en het ook zijn. Met de keuze van het woord ‘kinderen’ onttrekt Matteüs zijn gelijkenis van te voren aan de toepasselijkheid van een gebruikelijk schema. De hoorder is gewaarschuwd voor de dialectische wendbaarheid van deze gelijkenis! Het lijkt zo op het eerste gehoor zo´n eenvoudige gelijkenis: de een zegt ja en hij gaat niet; de tweede zegt nee, krijgt berouw en gaat later wel. Was het nu zo nodig dat Jezus nog een verklaring van deze gelijkenis geeft? (Mat. 21: 32 ‘Als Jezus dan vraagt wie de wil van de vader gedaan heeft, komt direct het antwoord: de laatste. Het is een antwoord dat door de gelijkenis is uitgelokt. Een ander antwoord lijkt niet mogelijk.) Met hun fixatie op dit antwoord gaan de schriftgeleerden en de oudsten nog aan een nijpend probleem voorbij. Er ontgaat de schriftgeleerden en de oudsten van het volk al het nodige uit de gelijkenis. Zoals bijvoorbeeld de draagwijdte van de vraag: wie heeft de wil van de vader gedaan? Wie zal het zijn, wil er nog hoop wezen dat God hen en ons niet laat vallen? Waarom ontgaat hun het neusje van de zalm, de schriftgeleerden en de oudsten van het volk? Waarom ontgaat het hun dat het met die vraag: wie heeft de wil van de vader gedaan, gaat om het uiterste, het laatste. Dat woord uiterste, laatste vinden we in de verzen 30 en 31. Op het nippertje, op het uiterste , als het eigenlijk nog maar nauwelijks meer kan, doet het tweede kind het uiterste, het laatste .. . In vers 30 noemen de schriftgeleerden en de oudsten hem dan ook ‘de laatste’. Het is maar op het nippertje dat het de tweede berouwt. Zijn speelruimte is maar klein. Dit is het uiterste, het laatste. En degene die deze mogelijkheid aangrijpt is zelf de laatste. De oudsten en schriftgeleerden nemen dit woord prompt mee in hun antwoord. Meer zeggen ze ook niet. Ontgaat het hun dat ze met dit antwoord alle grond onder hun voeten kwijt raken, dat ze nergens meer zijn? Nergens, tenzij die vraag opnieuw wordt gesteld en niet meer zo snel wordt beantwoord: Wie heeft de wil van de vader gedaan? Het antwoord moet luiden: noch de eerste, noch de laatste. Want de wil van de vader is een unieke wil, en deze wordt alleen gedaan met een volmondig ja in de beginne dat zich voltrekt tot aan het einde. Die wil van de vader zit niet in het zeggen, maar in het doen van zijn wil. Daarom gaat Jezus ook niet in op het voorbarige antwoord van de schriftgeleerden en de oudsten. Hij zegt: amen . Als Jezus dit woord gebruikt, is het altijd aan het begin van wat hij zeggen zal. Zijn woord en zijn leven zijn de bevestiging van de Schriften en de verhoring van alle gebeden. Alleen al in dit woord is besloten dat Hij de zoon is die de wil van de vader steeds heeft beaamd en deze ook zal volbrengen tot het eind. Maar is nu alles gezegd: de schriftgeleerden en de oudsten doen niet het werk wat de vader wil en de tollenaars en hoeren ontdekken die weg als ze al een eind op weg zijn op hun levenspad. Is dat nu alles? Nee, als eerste woord dat Jezus op aarde spreekt staat bij die doop door Matteüs opgetekend: “ Aldus betaamt het alle gerechtigheid te vervullen.” Tegen dit woord moeten we deze vraag lezen: “wie heeft de wil van de vader gedaan?” Een gelijkenis moraliseert niet, maar predikt het koninkrijk, een nieuwe gang van zaken. Jezus verkondigt in deze gelijkenis zichzelf. Dat wil zeggen de wil van de vader, en hij past het toe met zijn leven, met zijn opstanding uit de dood. Als we nu met de woorden van de laatste zin die ik hiervoor geschreven heb, weer naar de gelijkenis kijken merken we dat deze niet klopt. De tollenaars en de hoeren enerzijds en de hogepriesters en de oudsten anderzijds komen niet overeen met die twee kinderen. Kun je halfslachtig ja zeggen op de wil van de Vader?Het is bij de wil van deze vader onmogelijk dat men met ja begint en met nee eindigt. De breuk heeft al gezeten in het ja’ zeggen. ”Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij”. Er staat trouwens ook niet dat de tollenaars en de hoeren Gods wil gaan doen. Er staat dat zij gaan geloven op het woord van Johannes. En Johannes leidt hun aandacht naar de Zoon die komen moet. Er staat ook niet dat de schriftgeleerden en de oudsten niet zullen volgen in Gods rijk. Er staat alleen dat ze niet zullen voorgaan, als ze tenminste het geloof in zich zelf zullen verliezen en alle waarheid van de Zoon en de Vader verwachten. En je kunt de volkeren wel schetsen als een ontrouwe vrouw, maar hoe dit ook zij, ze is wel beschikbaar. Wie meent met de Schrift in de hand de mensen te kunnen indelen in goede en slechte, heeft het mis. In de profeten staat het verhaal van Rachab, de hoer in Jericho, die door haar beschikbaarheid de intocht van het volk in het land veilig stelde. Matteüs laat de intocht van Jezus in Jeruzalem beginnen bij Jericho, daar was Matteüs, zelf een gewezen tollenaar, Jezus allang gevolgd . (9, 9). In Jezus heeft het afgedaan de wereld in te delen in goeden en slechten. Alleen de zoon heeft de wil van de vader gedaan. De kinderen hebben in hem een broeder.

    Suggesties voor de preek

    Ik ben zo diep op deze gelijkenis ingegaan, omdat deze zo verraderlijk eenvoudig lijkt. Daarom lijkt me het ook noodzakelijk de gemeente iets te vertellen over de problematiek die in deze gelijkenis zit.

    Hebben we allen niet de neiging om mensen in hokjes onder te brengen en een selectie te maken op grond van zelf gestelde criteria met wie we al dan niet om willen gaan?

    Laten we veel van ons doen en laten niet afhangen van wat men ervan vindt?

    Voelen we ons niet het meest op ons gemak bij mensen van onze eigen soort, qua opleiding en sociale klasse?

    Hoeveel oog hebben we voor asielzoekers, met name voor hen die nu via Italië met duizenden in de week binnen komen?

    Ga verder na welke vanzelfsprekendheden bij u in de gemeente heersen ten aanzien van verdeling in goeden en slechten.

    Wie mogen van harte deelnemen aan onze gemeenteactiviteiten? Zijn we soms mensen uit het oog verloren?

    Laat op het bovenstaande onder ´´suggesties voor de preek´´ het licht van Matteüs schijnen zoals hij dat verwoordt in Mat. 21,23- 32.

     

     

     


     


     


     


     

    21 september 2014

    14e zondag van de zomer 21 september 2014

    Vredesweek.

    Het thema: ‘Wapen je met vrede’ (ontwapening). De teksten van deze zondag zijn niet rechtstreeks aan dit thema te koppelen. Maar wie een spade dieper steekt, raakt wel aan een spiritualiteit – in Tenach en Nieuwe Testament – die ons innerlijk bij de weg van de vrede betrekt. De weg van gerechtigheid en vrede van de Eeuwige stelt de menselijke wegen steeds weer onder kritiek. 

    Jesaja 55
    Hier klinkt Gods nodiging om de vrede die Hij bereid heeft te zoeken (vs. 6). Dat is, na vervreemding en ballingschap, weer mogelijk in Jeruzalem! ‘De HEER’ zoeken is in deze context bijna synoniem met ‘opgaan tot het heiligdom’, volgens dr. Beuken. Tot omkeer worden diegenen geroepen (goddeloze en de man van bedrog) die zich aan Gods handelen niets gelegen laten liggen en niet in beweging komen. In Babel is geen toekomst, volg niet hardnekkig je eigen weg, maar waag een nieuw begin. Durf omdenken! En God zal zich over je ontfermen. De vrede ligt voor je, ga haar tegemoet!
    Jesaja 55 is allereerst een heilswoord voor de terugkerende ballingen, maar wijst ook over de grenzen van Israël heen. Zie in dit verband Jes.2, waar de oproep klinkt naar Sion te gaan waar God zijn wegen zal wijzen, zodat geen volk het zwaard meer tegen een ander heft en de oorlog niet meer geleerd wordt (vs. 1-5).

    Psalm 145
    Deze psalm bezingt de goedheid van de Eeuwige en zijn bevrijdend koningschap. Gods handelen - Zijn ‘wegen’ – is rechtvaardig, brengt gerechtigheid voort. (vs. 17) Liefdevol staat er in hetzelfde vers. Het rijmt op het ‘rijkelijk vergeven’ van Jes. 55,7.

    Epistellezing – Filippenzen 1 
    Hier horen we woorden die de apostel schrijft met de dood voor ogen. Maar de grondtoon van de brief is blijdschap over het goede nieuws van Jezus dat ondanks alles voortgang vindt. Geen oproep je te wreken of uit de wereld terug te trekken, maar een leven te leiden dat het evangelie van Christus waardig is. ‘Wapen je met vrede’, zo zou je de oproep van de apostel kunnen vertalen.

    De gelijkenis over de arbeiders van het elfde uur 
    Matt. 20 gaat vooraf aan Jezus’ woorden over het lijden dat hem te wachten staat (20,18-19). Om Hem op zijn weg naar Jeruzalem te volgen, hebben de discipelen alles opgegeven: status, sociale zekerheid, de vertrouwde manier van geloven. Op hun inzet is niets aan te merken!
    Voorafgaande aan de gelijkenis (19,16 vv) vertelt de evangelist over de ontmoeting met de rijke jongeman. ‘Ga uw bezit verkopen en geef het aan de armen... en volg Mij’, zegt Jezus. Hij vraagt hem niets anders dan wat de discipelen ook gedaan hebben: alles achterlaten om de weg van Jezus te gaan. Maar de rijke jongeman durft het waagstuk niet aan.
    Zelfs de discipelen schrikken van Jezus’ woorden. ‘Wie kan er dan nog gered worden als de prijs zo hoog is?’, vragen ze zich af. Zeker, zelf hebben ze alles opgegeven, maar geldt dit ‘alles of niets’ ook voor deze sympathieke zoeker? En Jezus zegt: ‘Ja, want de rijke moet door het oog van de naald. Eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten eersten.’ Deze wereld omgekeerd!
    ‘Maar wat is dan de beloning als je zoveel opgeeft’, vragen de discipelen zich af. Zo wordt er toch gedacht: hoe meer er van je gevraagd wordt, des te groter moet de beloning zijn. Het antwoord op de vraag naar de beloning horen we in de gelijkenis van de arbeiders van het elfde uur.

    Bouwstenen

    Omstreden goedheid

    ‘Wij hebben veel opgegeven. Wat is onze beloning?’
    Bij bekende bijbelgedeelten - zeker bij gelijkenissen als deze – stuiten we op de moeilijkheid dat wij – en onze hoorders! – menen de ‘moraal’ van het verhaal al te kennen. We schrikken niet meer van de vreemdheid en de ‘onrechtvaardige’ gang van zaken.
    In de gelijkenis ergeren de arbeiders zich - dat blijkt uit de reactie als er uitbetaald gaat worden - aan het willekeurig gedrag van de landeigenaar. Mensen die héél de dag gewerkt hebben - en dat moet niet onderschat worden: ze hebben de last van de dag en de brandende hitte verdragen - krijgen evenveel als de mensen die één uur gewerkt hebben. ‘En dat is niet eerlijk!’ De vakbondsvertegenwoordigers hebben hun advocaten al achter de hand. Onrecht! Maar Matteüs 20 is geen verhaal dat voor of tegen vakbondsoptreden pleit. Het is ook geen pleidooi voor ‘gelijke beloning voor alle mensen’, alsof dát rechtvaardig zou zijn als iedereen precies hetzelfde krijgt. Als je goed leest wordt er namelijk in Mattheus 20 niet gelijk beloond! Het uurloon van de ‘eersten’ is heel wat lager dan het uurloon van de ‘laatsten’. Niets gelijke behandeling. En om elke misverstand op deze Vredeszondag voor te zijn, kunnen Jezus’ woorden niet één op één toegepast worden op de vragen van oorlog en vrede.

    Het geheim tevoorschijn luisteren
    Er wordt wel gezegd dat Jezus’ onderwijs zo eenvoudig was, omdat hij met gelijkenissen uit het dagelijks leven werkte. Over het gewone leven gaan ze zeker, maar in hun eenvoud verbergen ze een geheim. Een geheim dat Jezus aanduidt met ‘Rijk van God’. Het is de manifestatie van Gods ‘weerloze overmacht’, zoals de theoloog H. Berkhof het noemde.
    Onder de heerschappij van de Eeuwige gaat het anders toe dan onder ons mensen. Niet onze menselijke aspiraties en behoefte aan erkenning staan daarin centraal, maar Gods genadevolle toewending naar zijn zuchtende schepping/schepsel. Zolang de ‘sjaloom’ uitblijft zal Hij niet rusten (Jesaja 42,4-6),
    Jezus vertelt dat ogenschijnlijk zo simpele verhaal van de landeigenaar die 's morgens arbeiders huurt. Zo ging dat: elke dag werden arbeider gehuurd en 's avonds kreeg men uitbetaald. In de wet van Mozes staat immers dat je het loon van een arbeider geen nacht mocht vast houden.
    Ze komen ‘s morgens een dagloon van een denarie overeen. Het is het dagloon van een goedbetaalde arbeider in die tijd. Men kon er bijvoorbeeld een schaap voor kopen.
    Wie weet was het, vergeleken met andere eigenaars van wijngaarden, wel goed betaald. Maar deze gelijkenis gaat niet over de richtlijnen voor een cao.
    Al lezend - ‘de beloning zal rechtvaardig zijn’ (vs. 4) – horen we een belangrijk bijbels grondwoord. Het is volgens 1 Joh. 1,9 Gods rechtvaardigheid die de grond is van de vergeving van zonden. De landeigenaar heeft de trekken van de rechtvaardige God, die rijkelijk (ver)geeft, zoals we in Jes. 55 hoorden.

    Ons recht laten gelden
    Aan het eind van de dag ontvangen de arbeiders van het eerste uur - die vroeg begonnen zijn - een dagloon. Inderdaad, de heer (kurios !) van de wijngaard doet hen geen onrecht! Voor wie thuis is in de Schriften resoneert hier de profetische prediking waarin Israël de wijngaard is en de Eeuwige (‘Kurios’) de eigenaar die verwacht dat de wijngaard vruchten voortbrengt (Jesaja 5,7). Terug naar de gelijkenis: wat met de arbeiders overeengekomen is ontvangen ze.
    Maar van hun gezichten valt af te lezen dat hen onrecht is aangedaan. Waarom die boosheid? Omdat de anderen hetzelfde krijgen! Terwijl die er maar een uur of slechts enkele uren voor gewerkt hebben.
    ‘U behandelt hen zoals u ons behandelt’, zeggen ze. En dat is het ergste wat ons mensen blijkbaar kan overkomen: gelijk gesteld te worden met anderen. Wij willen onszelf altijd onderscheiden of onderscheiden worden. Als onrecht wordt ervaren als mensen het ‘recht’ op méér onthouden wordt. Waarom ervaren mensen dat zo? Omdat zij menen dat wie meer doet recht heeft op een groter deel van de koek van het leven. Het is de wortel van de onvrede: zorg dat je niet te kort komt!
    Maar in de dienst van de Heer van het Rijk Gods gaat het er nu juist niet om dat wij onze rechten kunnen doen gelden. Dat wij zouden kunnen zeggen: Wij hebben meer geleerd. Wij hebben meer gegeven - in de collecte, aan kerkelijke bijdrage of Kerkbalans. Wij hebben meer gebeden: wij zijn vromer. Wij hebben meer losgelaten: denk aan de discipelen die hun netten en hun schepen hadden achter gelaten. Daarom hebben wij recht op meer dan anderen! ‘Laat ons maar links en rechts van uw troon zitten’ (Matt. 20,21), Het aanstootgevende van de gelijkenissen van het Rijk Gods is dat daarin een God wordt verkondigd die geen boekhouder is. Een God die zichzelf niet rijk rekent, maar gekomen is als dienaar (Matt. 20,28). Uitslovers en ‘hard werkende Nederlanders’ staan bij Hem niet hoger aangeschreven dan wie aarzelen of kansarm zijn.

    Gods goedheid delen
    In de invloedssfeer van de Eeuwige (Rijk Gods) bestaat onze vreugde niet in wat en hoeveel we allemaal wel doen. De pijn van baanverlies is niet allereerst dat het werk weg valt, maar dat je niet meer nodig bent! Als er niemand is die een beroep op je doet, niemand is die je nodig heeft - ik denk aan 55 plussers of jongeren die zich suf solliciteren - wat is dat dan niet erg. Als je niet (meer) nodig bent, dan wordt je helemaal op jezelf teruggeworpen en gaat aan jezelf twijfelen. ‘Waar deug ik voor’, ‘Waar leef ik voor?’ ‘Wie ziet er iets in mij?’ 
    De vreugde van het evangelie is dat we gezien zijn, er is iemand is die ons roept. Jezus vertelt dat er iemand naar de markt van het leven is gekomen waar mensen werkloos staan. In ons woord be-roep horen we daar nog steeds iets van terug: geroepen worden tot... Zeker, er moet ook geld verdiend worden, maar wat wezenlijk is in ons levensopdracht valt niet in geld uit te drukken. 
    Het gevaar - dat ons allemaal bedreigt - is dat je bijna zou vergeten dat het daarom gaat. Wij mogen delen in/van de goedheid van onze Heer. Ons geloof is, als we wat ouder zijn, door de hitte en de kou van het leven gegaan. Mensen kunnen dat gaan zien als eigen verdienste: ‘Ik heb mijn hoofd boven water gehouden’. En wat op die lange weg verworven is wil men niet meer delen. Dan zie je de ander als concurrent van eigen geluk. Gelijke behandeling, wat schiet ik daar mee op?

    Als God ons gelijk behandelt, dan zit het ‘gelijke’ daarin dat Hij goed voor alle mensen wil zijn. Wat een geluk dat we niet de gelijke behandeling krijgen waarop we recht menen te hebben! Werd iedereen naar verdienste behandeld in de wijngaard van de Heer, wat zou het een vreugdeloze boel zijn. Het zou een ‘baantje’ worden, overgeleverd aan de cultuur van stukloon, tijdelijke contracten en bonusjacht. Onder Gods heerschappij worden we geroepen anderen te laten delen in de goedheid van de Heer. Dat is roeping en beloning in één.

    Pelgrims naar de vrede
    ‘Wapen je met vrede’ is het thema van de Vredesweek. Hoe maken we de gelijkenis vruchtbaar voor onze vredesinzet? Matteüs wil ons bevrijden uit onze vooringenomen posities. De heren en heersers in deze wereld (zie 1 Kor. 8,5-6) misbruiken hun vrijheid om wegen van geweld en onrecht te gaan. Wie maakt ze wat!? Van de heer in de gelijkenis wordt gezegd dat het hem vrijstaat goed te doen! Hij is een rechtvaardige die onverplicht, onverwacht goed doet. Die vrijheid is geen willekeur, maar juist het afwijzen van elke menselijke willekeur.
    Want als er iets willekeurig is, is het wel de manier waarop wij geneigd zijn onszelf met anderen vergelijken. Onszelf daarmee (voor)rechten aanmatigend die ons niet toekomen en anderen tekort doen. Dat is de bron van onrecht en conflicten.
    Maar de Eeuwige geheel anders! Hij doet geen onrecht: Hij schenkt wat Hij belooft en rijkelijk! ‘Jullie wegen zijn niet mijn wegen’, zegt de profeet namens God. Méér dan het levensonderhoud (dagloon) schenkt Hij. Want zijn roeping verlicht onze ogen en doet ons elkaar als medepelgrims zien die de vrede voor ogen hebben. Hij schenkt ons Zijn dagelijks brood en tegelijk schenkt Hij ons aan elkaar om Zijn gaven te delen en zo vrede te vermenigvuldigen.

    Gebed

    Geef nieuw leven

    Gij, in Christus levenwekkend nabij gekomen,
    vernieuw ons bestaan met uw leven brengend water.
    Sta ons bij, dat wij onze levensdorst niet lessen
    uit de echoputten van gemakzuchtig napraten
    en onze zekerheden niet bouwen op geld en goed.
    Zendt ons Uw Geest van voorspraak en tegenwind,
    om te helen wat verdeeld is door twist en haat.
    Spreek uw Woord in onze nacht van vervreemding
    en laat uw Leven sterker zijn dan wat mensen verdeelt.

    Geef ons uw Geestkracht om geduldig te bouwen aan vrede
    en breng aan het licht hoeveel waardevols mensen samen delen.
    Kom, Schepper Geest, wees onze bron voor nu en altijd!

    Rob van Essen
    Gepubliceerd in ‘Kerugma’, uitg. Gooi en Sticht/VBK media, Utrecht.  Jaargang 57, nr. 4.

    Literatuur: De prediking van het Oude Testament, Jesaja deel IIb, dr. W.A.M. Beuken. Callenbach 1983 
    Website: http://www.ministerievanvrede.nl/vredesweek

    Drs. Rob van Essen, Emeritus predikant, publicist.Kolk 11, 2611 KC te Delft
    Email: robvan.essen@hccnet.nl

     

    14 september 2014

    13e Zondag van de zomer 14 September 2014

    Als het kwaad goede mensen treft, is er verontwaardiging, onmacht, vragen waarom. Er ontwikkelen zich nieuwe rituelen, zowel in als buiten geloofsgemeenschappen. Hoe zouden Christenen betreffende goed en kwaad in hun leefomgeving kunnen handelen?.

    Inleiding.

    Een gedragscode en spelregels zijn nodig om leden van een groep te kunnen aanspreken als groep. 
    Joden hebben de tien woorden. Tot op heden nog steeds bestudeerd in commentaren op commentaren. Zo vinden zij ook nu nog antwoorden op contextuele vragen.
    Matteüs en Paulus gaven de eerste Christenen richtlijnen voor het leven onderling. Deze stoelden ze op de joodse wortels. Zij interpreteerden deze aan hun overgeleverde voorbeelden door Jezus' bevrijdend handelen. Jezus verwierp de 10 woorden niet, maar gaf er een andere praktisch dynamische invulling aan. Dit in tegenstelling tot de uitleg die Farizeeën en Schriftgeleerden er in die tijd aan gaven: Gij zult niet…. Terwijl de Schrift beschreef: omdat ik uw bevrijder ben, leef dan als volgt….

    De gelezen teksten illustreren hoe langzaam veranderingsprocessen verlopen. Hoe mensen steeds weer zich moeten bezinnen op hun praxis om te leven naar de richtlijnen in de Geest van God en Jezus.

    Ex 32,7-14,
    Context: in ex.20 heeft God zich bekend gemaakt als de God die het volk bevrijd heeft uit Egypte. Zoals bij iedere bevrijder, in die tijd, wordt beschreven dat God spelregels opstelt. Het volk heeft ingestemd met de daarbij horende leefregels. Nadrukkelijk staat daarin geen goden beelden maken van goud of zilver om die naast mij te vereren (20.3). Mozes krijgt de opdracht, voor de ondertekening van de verbondsluiting en ontvangst van de tabletten/ de overeenkomst, de berg Sinaï op te gaan. Waar hij een lange rij instructies ontvangt over de uitwerking in de praktijk en de inrichting van deze godsdienst. Mozes blijft lang weg. Het volk is het wachten zat en vraagt haar leidende priester Aaron en andere god te scheppen, een stierkalf,die hen voortaan voor kan gaan op hun weg. Aaron kan deze vraag niet weerstaan.
    De woede van God, het pleit van Mozes. (de woede van Mozes).
    32.7-14, bestaat uit drie delen.
    7.8.De woede van God uit zich in het taalgebruik. Jouw volk, (niet mijn het volk) dat jij uit Egypte geleid heb, misdraagt zich! (NBG)/ het verdorven heeft (NBV) Mijn woede zal hen verdelgen. Daal af./ ga terug. Weg wezen dus! 
    9-10. God is klaar met zijn inspanningen voor dit hardnekkige volk. .... jij, u/jou maken tot groot volk. Mozes gaat een dialoog aan met God.
    11-14 Pleit van Mozes. En afwijzing hem tot groot volk te maken. Hij komt voor het volk op, zoals Abraham voor Sodom. “Uw eigen volk verdelgen. Wat zouden de Egyptenaren daar van vinden?” Hij roept God op tot God bekering. “God heb berouw, wees niet langer toornig, zie ervan af onheil over uw volk te brengen. Denk toch aan uw belofte aan Abraham, Isaak en Israël (niet Jacob!)”. Dan ziet God af van dit plan voor zijn volk.
    15. Dan pas gehoorzaamt Mozes aan Gods opdracht, hij keert zich om en gaat de berg af.
    Context. Dan uit Mozes zijn woede door het stuk gooien van de stenen platen met de tekst van de 10 woorden.
    Stierkalf verering. Het verhaal betreffende de verering van het ‘gouden kalf’ is terecht gekomen bij de hoofdstukken over de gave van de tien woorden en de verbondsluiting. Het illustreert hoe moeilijk het is de voorschriften van de Tora te houden. Een voortdurend proces om God te dienen, te midden van alle twijfel en onzekerheden in het leven van alle dag te midden van de volken. 
    Een stierkalf, het symbool van potentie en macht, verering hiervan vond in veel omringende volken plaats.
    Over stierkalf verering wordt geschreven in verhalen over koning Jerobeam. Hij verleidt het volk tot deze zonde. Door de afscheiding van het 10 stammen rijk was er geen tempel meer. Uit angst voor terugval, van het volk, op het koningschap van David, maakt hij vereringspunten op de noord en zuid grens in Bethel en Dan (1 kon.12.26vv). Een dergelijk verhaal staat in Hosea (13.2vv) over het einde van Efraïm. Met verwijzing naar het uittocht verhaal en de zonde door Efraïm nu bedreven. Dit duidt waarschijnlijk op de slapheid van de priesterkaste, die na de ballingschap de macht in handen had en kennelijk de eisen van het volk niet kon weerstaan, zoals ook Aaron.
    Symbolen van macht en potentie, als gouden kalveren die, noch door politici, noch door anderen, weerstaan worden, zijn ook vandaag nog aan de orde van de dag. Zoals: de markteconomie, het consumentisme, (burger)oorlogen en twisten, wapenhandel, (economisch)racisme, antisemitisme, schending van oorlogs- en mensenrechten, mensenhandel etc.

     

    Mat. 18.15-20. (Rom 12.9-21).

    Matteüs baseert zijn verhalen over Jezus op de gebeurtenissen, zoals hem bekend in de Joodse geschriften. Daarin worden verhalen beschreven hoe God in eerste instantie optrok met Abraham, Isaak en Jakob (Israël). God, die de nakomelingen van Jacob, de Israëlieten, uit Egypte bevrijde. Steeds weer gingen er dingen mis tussen God en zijn volk. De kracht van de kern van het volk bestond er uit dat zij, ook in de vreemde, vanuit de Tora bleven leven. God belooft een nieuwe bevrijder, een Messias. Matteüs wil, na de val van Jeruzalem, duidelijk maken dat Jezus deze Messias is. Zodoende zal de kracht van het volk de hernieuwde kracht van Jezus moeten zijn.

    In vers 15-20 wordt een gesprek beschreven van Jezus met zijn leerlingen. De leerlingen denken, conform de samenleving, in hiërarchische patronen. Zij vragen naar de grootste in het koninkrijk van de hemel. De hemel is een van de vele namen van God! Jezus, geeft dus antwoord over het gedrag van de leerlingen in de samenleving van mensen, broeders en zusters, onderling. In gerechtigheid en vrede samenleven daar ging het al na de uittocht over, samenleven binnen de grenzen van de Tora, in het koninkrijk van God, dat is en komende is. God wil niet dat één van de geringste mensen verloren gaat (14). Dus als een van je broeders of zusters, tegen je zondigt. Spreek die persoon er dan op aan. Als dat niet lukt doe het dan met twee mensen erbij vanuit je geloofsgemeenschap en als dat niet lukt betrek dan de hele gemeente erbij. Lukt dat nog niet behandel hem dan als een heiden of een tollenaar. En contextuele zin zoals de samenleving toen op deze reageerde. In andere verhalen wordt verteld dat Jezus ook met heidenen/anders denkende en tollenaars in gesprek gaat en met hen eet, liefdevol en heilzaam.

    Ook Paulus gaf 20 jaar eerder al instructies aan de gemeente van Rome: doe het goed, geef oprechte liefde, verafschuw het kwaad, vergeld geen met kwaad, bestrijd vijanden niet, geef ze te eten en te drinken. Dit zal een andere reactie bij hen teweeg brengen. Weet je ertoe in staat want de gave daartoe die heeft God gegeven.

    Hoe gebruikt een geloofsgemeenschap de gave die God gegeven heeft door zich te wapenen met vrede.

    ‘Wapen je met vrede’ is het thema van de vredesweek die volgende week begint. Wapenen met vrede is geen individuele zaak. Om je met vrede te bewapenen tegen zonde en kwaad is oefening nodig. Dat kunnen leden van een geloofsgemeenschap gezamenlijk. Geloofsgemeenschappen zijn groepen met een achtergrond. Er zijn verschillende gaven in vertegenwoordigd. In de geloofsgemeenschap kunnen mensen elkaar ontmoeten van uit de verhalen van het verleden. Zoekend hoe het nu anders zou kunnen met betrekking tot de toekomst in het krachtveld van Gods Geest, naar de voorbeelden van God en de praktijk van Jezus. Van hieruit kunnen mensen elkaar helpen een visie te krijgen op situaties van ongerechtigheid, die tot onvrede en haat kunnen leiden. Naast gebed zullen keuzes gemaakt moeten worden, wat gezamenlijk aangepakt zou kunnen worden in de samenleving. Traditioneel ging het, als eerste, om het heil van de gelovigen en het doen van de werken van barmhartigheid (mat.25). De context waarin geloofsgemeenschappen nu leven is anders dan in de tijd van Matteüs en Paulus. Nu gaat het er om als geloofsgemeenschap midden in de moderne leefwereld te staan.

    Vanuit de geloofsinspiratie kan er naar buiten getreden worden, om in wereldlijk taalgebruik in de omgeving zich bij anderen aan te sluiten of contact te zoeken met anderen om te werken aan vrede. God heeft gaven gegeven aan alle schepselen. Samen delen met mensen buiten de geloofsgemeenschap kan tot vruchtbare samenwerking leiden. Politiek zijn mensen als Mozes nodig die volken kunnen leiden. Gezamenlijk kan actie ondernomen worden t.a.v. zonde en kwaad: economisch en politiek. Gelovigen zijn eveneens een onderdeel in hun denken en doen van macht en potentie.

    Een moeilijke opgave. Sinds 9/11 is er veel in de wereld veranderd. ‘War against Terror’, revoluties en onrust in het Midden Oosten, steeds korte oorlogen tussen Israël en Hamas, economische crisis. Bonje in Oekraïne verschillen in Oost en West en annexatie van de Krim. De oorlog kwam twee maanden geleden wel heel dicht bij. WH17 werd uit de lucht gehaald, 298 doden. Heel Nederland was er, door middel van gevoelens van onmacht, woede, verdriet, verschillende rituelen, en nationale rouw, bij betrokken. Toen werd er veel met elkaar gedeeld. Er werd heel verschillend gedacht over het wijze besluit van het kabinet de Oekraïne missie niet te bewapenen. Je wapenen met vrede wordt steeds actueler nu er voor en tegen demonstraties plaats vinden inzake ISIS en Israël /Hamas, nu duizenden moslims en christenen in Irak bedreigd worden. Amerika, Engeland en Frankrijk gaan humanitair ingrijpen. Nederland stelt geld beschikbaar. Poetin sluit de grenzen voor handelswaar uit de EU. En dit alles vond plaats in de dagen van de herdenkingen van de Grote oorlog en Hiroshima en Nagasaki. Wat er ook verder nog zal plaats vinden het blijft noodzaak om op te staan tegen macht en geweld dat onrecht veroorzaakt.

    In de eerste instantie is het nodig gezamenlijk te blijven protesteren tegen wapenhandel, militair ingrijpen. Geweld roept geweld op. In eigen omgeving is het misschien mogelijk nabestaande van de WH17 te blijven steunen in hun verlies en de telers bij te staan door meer van hun producten in Nederland te kopen. Vluchtelingen op te vangen. En mensen met verschillende meningen met elkaar in contact te brengen, zodat mensen aan elkaar hun verhalen kunnen vertellen om zodoende begrip voor elkaar te krijgen. Je gezamenlijk wapen met vrede, tegen zonde en kwaad, houdt in : samen mogelijkheden hiertoe proberen te creëren. Het gaat dus om, zowel gezamenlijk als privé keuzes te maken. Niet voor eigen macht/geld en potentie/geweld. Het gaat erom de gouden kalveren te benoemen en te bezien hoe een samenleving opgebouwd kan worden waarin mensen tot hun recht komen, te beginnen in eigen omgeving. Dit omdat we naast vieren en bidden, samen brood mogen delen en zodoende de kracht ontvangen te delen met de wereld. Niet de belangrijkste mens willen zijn, maar het tot zegen proberen te zijn is de belangrijkste taak in het Koninkrijk van God dat is en komende is.

    Laat uw woorden in ons branden, als een vuur voor hart en handen. (ps.119.40 Liedboek zingen en bidden in huis en kerk)

    Héleen Broekema (TWG)

     

    7 september 2014

    12e Zondag van de zomer 7 september 2014

    Enkele gedachten en invalshoeken bij Mattheüs 18:1-14

    Het kind, de geringe, als het middelpunt (vers 3-5, 10-11) 
    Deze week is het gewone leven weer begonnen. Op school, op het werk en in het verenigingsleven wordt alles weer opgestart. De spandoeken om het kraanwater 2 minuten te laten lopen zijn opgeborgen en vervangen door de slogan: Wij gaan weer naar school. En anders dan andere jaren leken we als land te snakken naar dit moment. De zomer zorgde door de Russische boycot wel voor een overvloed aan komkommers, maar komkommertijd wilde het maar niet worden.
    Persoonlijk ben ik zeer blij dat mijn kinderen nu weer naar school zijn. Want het acht uur journaal kijken, iets waar je als predikant in de zomermaanden wel tijd voor hebt, was met die kleine kinderogen in huis een hele opgave. Nu liggen ze weer ‘gezond’ voor acht uur op bed.
    Want het Acht uur Journaal kijken, wordt ineens een heel ander journaal, als je kinderen nog wakker zijn. Zij ontregelen als het ware het grotemensennieuws. Waarom schieten ze dan raketten op huizen af? Zijn ze zo kwaad, papa? vroeg mijn dochter op een avond. Je moet ruzie toch uitpraten, niet erop slaan?

    Kinderen ontregelen met hun blik en vragen onze wereld, die gebouwd is op onze aannames, onze ideeën over macht en recht, en vooral: we bevragen haar zelden op die aannames. Kinderen stellen vragen, waar wij al aan voorbij zijn gegaan. Maar omdat het in onze wereld altijd zo is gegaan, stellen wij die vragen niet meer. Kinderen stellen ons die vragen wel, omdat wij hen hebben geleerd dat het in hun wereld niet zo hoort te zijn. Gelukkig leren wij hen dat oorlog en ruzie niet goed zijn, dat vrede en vergeving geboden zijn. Maar hoe vasthoudend zijn we als volwassenen daarin om ons met die waarden (op) te voeden?

    Ik ben blij dat mijn kinderen straks weer veilig op bed liggen te slapen, als het wereldnieuws om 20 uur onze huiskamer binnenkomt. Dan kan ik het voor ze doseren.

    Hoe zouden de ouders van de kinderen al die ellende in die landen voor hun kinderen doseren? Ik vrees dat dat helemaal niet gaat. Kinderen ontregelen daar het nieuws helemaal niet, zij worden erdoor ontregeld.

    Marco Borsato schreef destijds voor de organisatie War Child het prachtige maar ook confronterende nummer De Speeltuin

    En vooral het laatste zinnetje is de link naar de Bijbeltekst.

    Door kapotgeschoten straten
    zonder vader, zonder land
    loop je hulpeloos verlaten
    aan je moeder's warme hand

    Als een schaap tussen de wolven
    Naar bestemming onbekend
    En niemand ziet hoe klein je bent
    Niemand ziet hoe klein je bent

    Morgen zal het vrede zijn
    en zal de zon je strelen
    zal de wereld weer een speeltuin zijn
    en kun je rustig spelen

    Na de winter komt de lente
    wordt de grijze lucht weer blauw
    maar al ben je uit de oorlog
    gaat die oorlog ooit uit jou?

    Mooie ogen zijn vergiftigd
    zijn aan het geweld gewend
    en niemand ziet hoe klein je bent
    niemand ziet hoe klein je bent

    Daarom zet Jezus hier vanmorgen een kind in het midden. Niet dat Jezus van zijn volgelingen verwacht, dat ze nu kinderlijk moeten geloven, wat wij vertaald hebben met naïef, je hersens uitschakelen, omdat het om je gevoel alleen moet gaan.
    NEE, Jezus stelt hier een kind centraal, omdat het kleine, het kwetsbare onze macht en ons denken ontregelt. Daarom gaan we er het liefst aan voorbij, daarom zien we het niet staan, want dan kunnen wij door met ons gewone leven.

    Nu de regering terug is van zomerreces, lijkt het of het leed volgens datzelfde 8 uur journaal weer is afgenomen. Schijn bedriegt, maar we moeten allemaal weer door. We zijn overgegaan tot de orde van de dag en kunnen ons druk maken over het wel of niet laten uitlekken van de miljoenennota.

    Maar wat gebeurt er in onze wereld, als we het antwoord van Jezus als uitgangspunt nemen voor ons denken over de grootste? De omkering is doeltreffend. Juist het kleine ontregelt de macht van de grootste. En Jezus geeft aan: als wij op aarde hen niet zien, dan zijn het engelen, die recht in Gods aangezicht mogen kijken (vgl. Jesaja 6), die zich over hen ontfermen. Dat het hier niet alleen om kinderen gaat, laat vers 10 zien. Het zijn de engelen van de geringen. Letterlijk: op hen op wie wordt neergekeken. Kinderen die niet mee tellen, maar ook de verschoppelingen, de mensen die van vluchtkerk naar vluchtflat worden verdreven, de bootvluchtelingen, de zwervers die niet meer mee kunnen of willen in onze wereld, de armen, kinderen, die sterven aan ziekten, die wij kunnen bestrijden.

    Maar ook dichterbij huis de mensen op wie wij neerkijken, mensen die wij in ons eigen leven klein en monddood maken. Waar komen wij het kleine in ons leven tegen? Hoe gaan wij in de kerk om met het kleine in ons midden? Mogen zij ons leven nog wel ontregelen? Of gaan we er gemakshalve maar aan voorbij? Het telt toch nog niet echt mee. We lopen maar snel door, er is nog zoveel te doen. Waar zitten de kleinen, de geringen in ons midden? En gaan wij daar op af, of laten we ze uit ons beeld verdwijnen, zodat wij rustig verder kunnen? Het zijn die schapen waar Gods hart naar uitgaat. Dat wat sterk is, kan wel even op eigen kracht in de wildernis verblijven. Maar de verdwaalde schapen zoekt hij op. Want dat is het wezen van God zelf, daarom die felle bewoordingen (vers 6-9) ook, als wij dat niet doen. Of anderen van die weg van vrede afbrengen.

    Brengt je voet je op de verkeerde weg, hak hem af. Brengt je oog je op de verkeerde weg, ruk hem uit. Vaak las ik over deze teksten heen, want ik wilde niet geloven dat het geloof zulke radicale lijfstraffen, zoals IS dat doet, zou suggereren. Totdat ik de uitleg hoorde, dat deze overdrijvingen bedoeld zijn, om aan te geven hoe lastig het is een ingesleten gewoonte, gedrag af te leren. Stoppen met roken is als het afhakken van je hand. Iedereen die een slechte houding tegenover een ander probeert te veranderen, ervaart dat als het uitrukken van je oog. En je gewoontes en houdingen veranderen zijn de moeilijkste.

    De hand afhakken die niet aan de arme wil geven, de voet afhakken die niet de weg van de vrede wil bewandelen, het oog uitrukken dat de kwetsbaren, de kinderen, niet wil zien. 

    Joost Schelling

    17 augustus 2014

    9e zondag van de zomer 17 Augustus 2014

    Mijn huis zal een huis van gebed heten voor alle gemeenschappen!

    Psalm 67, Jesaja 56 vers 1-7, Mattheüs 15 vers 21-28 en Romeinen 11 vers 13-24

    Alle teksten vandaag gaan over insluiting. Inclusief denken en handelen. De Bijbel is een bibliotheek waarin veel stemmen klinken - ook stemmen van uitsluiting. Maar kan dat het hart van de boodschap zijn?

    Een tijd geleden heeft zich bij mij een twaalfjarige aangemeld die meer wilde weten over Bijbels geloven. Wij spraken om te beginnen over alle mooie verhalen die hij al kende. Als wij samen de verschillende verhalen en de diverse meningen in de Schriften naast elkaar leggen, dan wordt mij duidelijk hoe zeer we kiezen voor één van de meerdere doorgaande lijnen: de inclusieve. Tussendoor kijken we nog naar de tekeningen van Gustave Doré: hij geeft alles weer, de lieflijke maar ook de gruwelijke gebeurtenissen in de geschiedenis van Israel en de volkeren.
    Omgaan met de Bijbel is reageren op wat je leest, oog hebben voor de historische achtergrond en de actualiteit van nu. En waar de lijnen uiteenlopen, kun je niet alles harmoniseren: je maakt keuzes. Zo hoort wederzijdse uitsluiting en het vormen van een ideologie van eigen voortreffelijkheid ook bij het Bijbelse erfgoed. Historisch gezien is dat verbonden met de strijd om het bestaan in een gebied met herdersvolken en met landbouwers. Hun strijdmiddelen zijn elementair. In onze tijd is daar onder anderen als strijdmiddel toegang tot computergestuurde (wapen) systemen bij gekomen.
    In ons eigen Europa zien we op dit moment een machtsstrijd tussen volkeren die Christelijk heten, rondom de Oekraïne. Honderden burgers uit andere landen zijn bij hun strijd recent omgekomen: Nederland rouwt. Ook hier gaat het om uitsluiten van anderen en verheerlijken van het eigene. Het lijkt als twee druppels water op een aloude tribale strijd, met inmenging van buitenaf om er garen bij te spinnen.

    Ik woonde een keer een lezing bij van iemand van Pax Christi die jongeren uit twee groepen met elkaar liet voetballen: dat speelde zich wat verder naar het Zuiden af, in Afrika. In Israel-Palestina zijn we nu in een situatie beland waarin ze niet meer met elkaar kunnen voetballen. Het is daar bittere ernst: we zien dagelijks hoe jongeren en kinderen geofferd worden op het altaar van het eigen gelijk. En iedereen beroept zich daarbij op oude geschriften en op overgeleverde rechten.
    In de Bijbelse bloemlezing van vandaag is gekozen voor een andere lijn. De lijn die Jewish Voice for Peace volgt, de lijn van Palestijnen die weigeren de weg van het geweld te gaan. Van het Mennonite Central Committee, dat zorgt voor Palestijnse kinderen en bidt om vrede voor beide volkeren. En bij ons in Nederland: de lijn van Een Ander Joods geluid.
    Veel van mijn lezers kiezen voor deze geest, geïnspireerd door teksten als deze, zoals ze vandaag op het rooster staan.

    Psalm 67. Een gebed om genade en zegen. De vraag aan de Ene, om de volken Zijn weg en bevrijdend werk te leren kennen. Want Hij is het die gemeenschappen en naties eerlijk berecht. Op deze weg bevindt zich eerlijke rechtspraak. Dan zal de aarde haar gewas geven en God zal ons zegenen.

    Jesaja 56. Wie zijn weg vindt naar de Ene God, zal niet worden uitgesloten van de gemeenschap omdat hij niet van Joodse afstamming is. Wie zijn vruchtbaarheid verloren heeft, is welkom binnen het Verbond: God zal hem in zijn huis een groter goed geven dan zonen en dochters.

    De weg van God met de mensen verloopt niet langs natuurlijke of tribale scheidslijnen: het engagement van de mensen bepaalt deze weg met hen. In Mattheüs 15, vanaf vers 21 hebben we dan nog dat prachtige verhaal van Jezus die worstelt met zijn zending: “Ik ben alleen maar uitgezonden naar de verloren kinderen van Israël!” Hij durft “het brood voor de kinderen” niet aan de hondjes, de heidenen te geven. De vrouw is slim en zegt: “Maar ook de hondjes eten mee van de brokken die van de tafel vallen.” Dan breekt het licht door bij Jezus: “Je geloof is groot!” en het kind van de vrouw wordt genezen.

    Paulus, de Jood op de tweesprong, doordenkt in Romeinen 11 vers 13-24 de situatie nu ook mensen uit de volkeren deel hebben gekregen aan de beloften van Israël. Het is iets om eens rustig te lezen. Wij zijn als het ware een wilde olijfloot, geënt op de olijfboom Israel. Als er loten van Israël wegvallen om hun gebrek aan geloof, dan kan ons dat ook overkomen. Want het gaat om die olijfboom.

    De worsteling om inclusief denken gaat door. Wat voor mij beslissend is vandaag, dat is de compassie van Jezus die in een Godgegeven impuls handelt. Mijn hoop is, dat bij ons deze compassie het wint van het exclusief denken en de snelle conclusies.
    Janna F. Postma

     

     


     


     

    10 augustus 2014

    8e zondag van de Zomer 10 augustus 2014

    Enige gedachten bij: Jona 2.2-11, Mat.14.22-33, Ps. 29
    Elk volk en elk mens schept eigen goden. Joden en Christenen zijn door God geroepen handen en voeten te geven aan zijn schepping, zodat alle mensen tot hun recht komen. Joden zijn door hun geboorte Jood. Christenen zijn op de een of andere manier tot het christendom toegetreden. Voor beide is de vraag of zij zich bewust willen zijn van hun opdracht.

    Jona moet gehoor geven aan zijn roeping hij vlucht daarvoor weg. Hij moet overboord gegooid worden waardoor de chaos die hij veroorzaakt heeft opgeheven wordt. De wind gaat dan liggen. Om zijn vertrouwen in God te herkrijgen, heeft hij lange tijd nodig.
    De leerlingen zijn bevangen door angst en vrees voor het water. Petrus is het voorbeeld van een aarzelend mens die zijn vertrouwen in Jezus, doordat hij de omgeving waarneemt, verliest. Met Jezus - aan boord - verandert alles.

    Betreffende het wonder van Jona in de vis en het lopen van Jezus en Petrus over het water zijn heel veel speculaties en verklaringen gegeven. In wezen gaat het over heel iets anders. Het negeren van de roeping, de leerschool van het leven, het vertrouwen in God, de relatie tussen God en Jezus.
    Dit zijn dus geen wonderen, maar verhalen over het leerproces van Joden en volgelingen van Jezus..

    Jona 2.2-11. Het boek Jona behoort tot de 12 kleine profeten. Het zou een verhaal kunnen zijn over de vele profeten, maar ook over het volk en hun leiders, die hun opdracht verzaakten om in woord en daad de Tora te praktiseren. Dit niet alleen t.oz.v. eigen volk, maar ook ten opzichten van de gojim, de omringende volken. Jona, is eigenlijk geen boek waarvan alleen een hoofdstuk gelezen kan worden. 
    In de context wordt verteld dat Jona de opdracht van God, uit de weg gaat. Hij vlucht niet alleen, maar valt ook in een diepe slaap. Vlucht/diepe slaap betekent: dood willen zijn voor zijn opdracht. Hij trekt zich niets aan van de storm om hem heen. Zijn opdracht verzaken, er voor wegvluchten, leidt tot een chaos waarin onwetenden meegesleept worden. Als de scheepslieden Jona wekken vertelt hij wie hij is en dat hij vlucht voor Gods opdracht. Als oplossing geeft Jona aan hem overboord te zetten, dan zal de storm gaan liggen. De zeelieden roepen Jona's God aan als dank voor hun verlossing. Jona wordt opgeslokt door een vis.

    In hoofdstuk twee wordt verteld hoe Jona, langzaam, na drie dagen en drie nachten, - zijn eigen duidternis - vanuit zijn beklemming tot God angstig schreeuwt en belijd hoe ver hij van God verwijderd is. God is`op de berg, hij aan de wortels. God hoort. Jona kan daarna Gods lof zingen Hij vertrouwt weer op de Heer die redt. De vis spuugt hem uit. Hij mag het licht weer zien. Context. Op nieuw de opdracht. Vluchten kan niet meer.

    Mat.14.22-33, Matteüs schrijft zijn evangelie waarschijnlijk rondom 80 na Chr. In 70 is Jeruzalem gevallen. De eerste Christenen verwachten een spoedige wederkomst van Jezus, deze blijft uit. Hij wil hen bemoedigen met ervaringen van de leerlingen met Jezus. Hoe de ogen van de leerlingen langzaam geopend worden voor de woorden en daden van Jezus, opdat zij dat in hun praktijk zullen kunnen doorgeven aan alle volken. Hij kent zijn Tenach en wil laten zien dat Jezus de vervulling is van Gods belofte daarin gedaan. En daarmee aantonen dat Jezus werkelijk de Messias is.
    Context: Jezus is geschokt door de dood van Johannes de Doper. Hij wil alleen zijn, maar de menigte kruist zijn weg en doet een appèl op hem. Dat appèl geeft hij voorrang. Hij geneest en geeft hen te eten. (Het vermenigvuldigde brood doet denken aan Manna, de vis aan kwartels). Daarna komt Jezus echt voor zich zelf op.

    22. Jezus stuurt de leerlingen het meer op, de menigte weg. En gaat de berg op om te bidden. Op het meer steekt een heftige tegenwind op. Zoals vaak in het leven van mensen. In het duister, alle hens aan dek, een strijd tegen het water, de chaos. En dan, aan het eind van de nacht, in het ochtendgloren, is er een gestalte te zien. De eerste reactie is een spook. Nog meer angst, paniek zelfs. Dan horen ze Jezus zeggen: blijf kalm, ik ben het. Petrus, maakt geen analyse van de situatie, maar vraagt spontaan over het water naar Jezus toe te mogen komen. Als hij de wind voelt, is zijn vertrouwen weg, hij wordt klein gelovig en zinkt. Roept om redding, Jezus steekt zijn hand uit. Met Jezus aan boord, gaat de wind liggen, wijkt de chaos. In de boot belijden de anderen: “u bent waarlijk de zoon van God”.

    Waarom deze belijdenis?  Matteüs brengt door dit verhaal teksten uit de Tenach in herinnering. God is schepper van hemel en aarde. “Bijv: Hij spant het hemelgewelf, hij alleen en wandelt op de hoog oprijzende zee. (Job 9.8): Door de zee liep uw weg, door de wijde wateren uw pad, maar uw voetsporen bleven onzichtbaar. (Ps.77.20): De stem van God is boven de wateren (Ps 29)”. De leerlingen refereren dus aan het feit dat Jezus Gods zoon moet zijn, omdat hij doet wat ook aan God toegeschreven is, op het water wandelt en dat beheerst. Zo worden door middel van een verhaal de eigenschappen van Jezus, zowel als die van God geïllustreerd. Jezus, moet dus wel Gods zoon zijn, de beloofde Messias. Het gaat dus om een conclusie, niet om een wonderverhaal!

    Wereldbeeld. Het wereld beeld in de oudheid was verticaal. God van de hemelen, woont op de berg. De mens op aarde. De zeeën onder de aarde, als onbekende, onberekenbare, de chaos, het rijk van de dood, de onderwereld waar het kan spoken.
    Een later wereldbeeld. God woont bij de mensen en trekt met hen mee. Zij hebben de verantwoording voor de wereld om er geen chaos van te maken, te trachten mee te werken de schepping in stand te houden of te herstellen.

    De wind is ook symbool van Gods Geest van voor het begin al zwevend over de wateren.(gen 1) Gods begeleidt zijn schepselen, die op hem vertrouwen. Dat gaat nog al eens mis. Toch is God aanwezig. Storm en wind zijn vaak symbolen van zijn aanwezigheid, maar hij antwoordt in de stilte in de verhalen. Nu via mensen. In Gods Geest worden Jezus en zijn leerlingen gezonden. Tot op vandaag mogen Christenen zich bewust zijn te leven in het krachtveld van Gods Geest.

    Angst en vrees Dat herkent iedereen in het leven bij zichzelf en anderen. Dagelijks zijn er berichten van vluchtelingen, op de vlucht niet voor zichzelf, maar door politiek veroorzaakte chaos. Zij staan angst en vrees uit tijdens hun vlucht, in de wankele bootjes op zee, maar ook in de vele vluchtelingenkampen.

    Belijden, Bidden, danken, bezinnen, bewustzijn, vertrouwen. 
    Hoe gaan gelovigen individueel en als geloofsgemeenschap om met hun twijfels en vertrouwen jegens God?

    • Hoe met de levenslange opdracht er aan mee te werken dat alle mensen, op aarde, tot hun recht komen, ongeacht hun religie of levensovertuiging?
    • God liefhebben en je naaste als jezelf, is niet zomaar iets, het moet liefde, compassie – van binnen uit – zijn voor mensen of zaken die op je weg komen.
    • Iedereen heeft daarin eigen gave en mogelijkheden. Als iedereen roept, zoals de veel gehoorde kreet:” het komt wel goed”, dan gebeurt er in wezen niets.
    • Hoeveel spoken, leeuwen en beren zien mensen op hun levensweg bij zich zelf en in de wereld.
    • Hoe wordt er mee omgegaan en waar ervaren mensen steun van anderen (met een gevoel, als ‘van God’).

    Geloven en belijden, is niet iets eenmaligs. Het bestaat niet alleen uit kerkbezoek en op gezette tijden bidden en danken. Kerkbezoek is een middel om met elkaar bewust te worden dat alles nooit gaat zoals mensen het zouden moeten doen, Er is Kyrie, maar ook gloria, vanuit het bewust zijn, dat het anders kan, anders zou moeten. Bovendien is er de mogelijkheid om samen te delen aan de tafel van de Heer. Als een versterking om te delen met de wereld om ons heen en verder weg. Naast de vieringen is het belangrijk elkaar te ontmoeten in groepjes. Elkaar te vormen en toe te rusten voor taken in de wereld, daarin keuzes te leren maken, elkaar te troosten en te bemoedigen.

    Bidden en danken is meer dan dit alleen op gezette tijden doen,. Het is een vorm van erop bezinnen en bewust zijn wat er gebeurt met ons zelf en anderen in de rustige of woelige baren van de levenszee. Het kan ook een verzuchting zijn van vrees, angst, verdriet of dankbaarheid in een ‘theedoek’, ‘achter het stuur of een PC’, of tijdens een wandeling. Even een gedachte aan anderen, even stilstaan als er wat gegeten of gedronken wordt (zoals in de joodse traditie of de mindfulness). Of bij de ‘glimlach’ die gegeven of ontvangen werd. Want handen en voeten van God zijn slechts die van mensen. Liefde te verspreiden, in woord en daad, naar de naaste en een stem te verheffen tegen onrecht is een levenslang leerproces, met vallen en opstaan. Het gaat in eerste instantie om kleine dingen, die elk mens- als beeld van God - zou kunnen doen. Meewerken als vrijwilliger of professional aan omvattender zaken is een keuze of soms zomaar een appèl dat op je weg komt van uit een situatie of de vraag van anderen. Het is allemaal mensen werk, hoe vaak ook onvermogend en beschamend. Toch is vertrouwen mogelijk dat God , steeds weer, roept om onverwachte wegen te bewandelen. Christenen kunnen dingen doen waarvan ze zich bewust zijn dat te doen vanuit hun christen zijn. Het is alleen een ander die kan beoordelen of het bijgedragen heeft aan hulp of verandering, als een hand van God.

    Héleen Broekema (TWG)

    Een geloofsbelijdenis voor onderweg.

    Ik geloof in een God die liefde is
    en die de aarde heeft toevertrouwd aan alle mensen.
    Ik geloof in Jezus Christus
    die gekomen is om ons heel te maken
    om ons te bevrijden van alle onderdrukking.
    Ik geloof in de Geest van God
    die werkt in en door allen die zich toekeren naar de waarheid.
    Ik geloof in de gemeenschap van gelovigen
    die geroepen is tot dienst aan alle mensen.
    Ik geloof in de belofte van God
    dat Hij uiteindelijk zal vernietigen de macht van de zonde in ons allen
    en dat Hij op zal richten het rijk van gerechtigheid en vrede
    voor de hele mensheid.

    (uit: Bron van Leven, nr. 25, Indonesië)

    3 augustus 2014

    7e zondag van de zomer 3 Augustus 2014

    Nehemia 9, 15-20; Psalm 78, 13-22; Rom. 8, 31-39; Mat. 14, 13-21
    Teksten met een fraaie spanningsboog. En mooi weerbarstige thema’s.
    Eucharistisch: ‘Geeft Gij hen te eten’, en dan staat er niet dat Jezus beveelt dat er mensen moeten worden uitgesloten. Allen krijgen te eten van dit brood.
    Paulus kan gelezen worden als de grote legitimatie van ons als het ware volk Gods, de uitverkorenen. Maar of Paulus dat zo schreef? Zeker hebben we hem door de eeuwen heen zo misbruikt. Daartegenaan is de tekst van Nehemia heilzaam, mits we hem lezen zoals hij geschreven werd. Zeker werd Nehemia ook eeuwenlang misbruikt. Ter ondersteuning van Paulus: zie je wel, wij christenen zijn nu de uitverkorenen en wie zou ons kunnen beschuldigen? En zie, Nehemia zegt zelf dat de vaderen misdadig handelden…

    Eeuwenlang lazen wij christenen in Europa deze teksten ter rechtvaardiging van onszelf en in vijandschap tegen de Joden.
    Hoe lees je deze teksten op een eerlijke wijze?
    Allereerst: Nehemia werkt uit dat God altijd weer genadig was (is), altijd kunnen we terugkeren tot deze God. En wat nog veel sterker is:
    In de Joodse geschriften is ruimte voor zelfreflectie, zelfkritiek, zich realiseren dat de eigen geschiedenis vol is van misstappen, verdwalen als volk Gods, en dan de weg terug zoeken. Precies die houding maakt, dat een volk steeds weer Gods volk kan worden.
    Die zelfkritische en zelfreinigende inzichten ontbreken nagenoeg in de teksten van de eerste christenen. En meer nog ontbreken die inzichten in onze dogmatische teksten uit de Traditie.

    Zelfreinigende inzichten over hoe wij als christenen, als complete geloofsgemeenschappen, de weg kwijtraakten, verdwaalden in zelfgenoegzaamheid, kennen we nauwelijks. We verdwaalden in apologetiek tegenover andere groepen christenen. De ‘Bekennende Kirche’ is een heilzame uitzondering. Maar dat we juist in ons zelfverstaan als christenen de weg kwijtraakten… hebben we dat Nehemia ooit nagezegd? Wij christenen zijn erg sterk geworden in het onszelf gelijk geven. Heilzaam was dat niet.

    En het zou kunnen gaan over de samenhang: een geloofsgemeenschap die meent andere christenen te mogen uitsluiten van de Tafel des Heren, moet zich allereerst de vraag stellen hoezeer ze is verdwaald in zelfgenoegzaamheid.

    Voor wie enkel wil uitwerken “Geeft Gij hen te eten”: in Groningen stelde de basisgroep De Vier Handen in de jaren tachtig een moratorium in op ‘het Brood breken”. Motivatie: in een wereld waarin we onmachtig zijn om allen voldoende brood te geven, willen we geen ritueel praktiseren dat door de dagelijkse praktijk wordt ontkracht.

    Yosé Höhne-Sparborth

    Voor de spannende verhouding tussen “Oude” (zelfkritisch) en “Nieuwe” Testament (zelfbevestigend) zie het boek van Klaas van der Kamp: Raven.

     

    27 juli 2014

    6e zondag van de zomer 27 juli 2014

    ‘God roept ons tot het Evangelie van Zijn koninkrijk. En waar Hij roept, daar wil Hij ook de kracht schenken om het te volbrengen. Het is een lieflijke boodschap, een boodschap des Vredes, geen ijdel geluid, geen menselijk geschetter. Wie zich eraan toevertrouwt, ook al schijnt het dwaasheid, die wordt uit de donkerheid en de ondergang verlost, die zal Gods heerlijkheid aanschouwen’.

    Aan het woord is wijlen Ds. A. Mulder Doopsgezind predikant. Hij huisvestte gedurende de oorlog zes joodse onderduikers. 
    Het citaat is uit een serie preken over gelijkenissen met betrekking tot Gods Koninkrijk. Daarin verder: ’Doopsgezinden, dat zijn eigenlijk mensen die dromen van het Godsrijk.... '

    Lezingen voor deze zondag: 1 Koningen 3, 5-12 Romeinen 8, 26-30 Matteüs 13, 44-52

    In Mattheus 13:44 tot en met 48 vinden we drie gelijkenissen, waarin musteria (geheimenissen) van het Koninkrijk onthuld worden. In de eerste twee gelijkenissen gaat het om het geheimenis van het discipelschap. De laatste gelijkenis, die alleen bij Matteüs voorkomt, zou met de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe (Mat. 13, 34-30) en meer nog met de uitleg van deze gelijkenis (Mat. 13: 36-43) een dubbelgelijkenis kunnen vormen, zoals ook de eerste twee gelijkenissen een dubbelgelijkenis vormen. Afgezien van veel uitdrukkingen die overeenkomen, is het hoofdthema gelijk: Pas op de dag van het oordeel zal een scheiding gemaakt worden tussen de ”slechten” en de “goeden”. Tot zolang zitten allen in één net of in één akker die de wereld is.
    De beeldspraak van de eerste twee gelijkenissen is bepaald door de wijsheidsliteratuur. De wijsheid wordt vergeleken met een grote schat (Spr. 2, 4; 8, 18 en 19), maar ook met een parel (Spr. 3: 14 e.v.; 8, 11 Job 28, 18). De dubbelgelijkenis zou haar oorsprong kunnen hebben in het feit dat ook al in de wijsheidsliteratuur het dubbele beeld van schat en parel voorkomt (Spr. 3, 14 e.v.; Job 28, 17 e.v.)
    De drie genoemde gelijkenissen beginnen met een formule, waarmee veel gelijkenissen beginnen: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met ..’ . Als je op deze zin zou willen parafraseren – en dat kan nodig zijn om de spanning aan te geven tussen wat geschied is en geschiedt, de komst van Jezus Christus én de eindtijd, die geschieden zal - dan zou dat op de volgende wijze kunnen: “het gaat in het Koninkrijk der hemelen, dat er reeds is en komen zal onder andere zo toe als in het volgende verhaal”. Op deze manier wordt duidelijk dat het Koninkrijk een gebeuren is én een weg gaat.

    De gelijkenis van de schat in de akker ontleent zijn beeld aan het gebruik om kostbare schatten te begraven, om ze veilig te stellen in tijden van oorlog en in verband met mogelijke diefstal. Zo nu en dan, als bijvoorbeeld de bezitter van zo’n schat omkwam, werd de schat vergeten en later op verrassende wijze door een ander gevonden. Wie die ander is wordt in de gelijkenis niet duidelijk en is ook niet zo belangrijk. Ik ben het met Walter Grundmann eens: (Das Evangelium nach Matthäuss, p. 352. Anm. 5) als hij schrijft: ‘insofern handle der Finder formalrechtlich korrekt, indem er den Schatz nicht einfach mitnimmt, sondern den Acker kauft’.
    Maar waar het werkelijk om gaat, is wat er geschiedt ná en dóór het onverwachte vinden van de schat in de eerste gelijkenis—de schat: die intense vreugde teweeg brengt bij de vinder. Die vreugde zet hem ertoe aan zijn hele bezit te verkopen en precies deze akker te kopen. Als we deze gelijkenis eschatologisch vertalen en in het hier en nu vertalen krijgen we het volgende: wie het Koninkrijk vindt, die wordt verheugd, en gaat al het andere voor dit Koninkrijk over hebben. Voor de goede hoorder betekent dit dat in de boodschap van Jezus en in zijn arbeid Gods Koninkrijk verborgen zit. Wie het vindt in Hem verlaat alles en volgt Hem. Het omgekeerde vinden we in Mat, 19, 16-26 (de gelijkenis van de rijke jongeling).

    V. 47, 48. Met Evenzo (palin) is de gelijkenis van de kostbare parel verbonden aan de daaraan voorafgaande gelijkenis van de schat in de akker, .
    Het begrip anthropoi emporooi geeft aan dat het om een mens gaat die in het groot handel drijft. Het kan een koopman in parels zijn geweest, maar dat hoeft niet, maar zeker is dat hij een grote belangstelling had voor mooie parels. ‘Opeens ging hij heen en verkocht alles wat hij had en kocht die kostbare parel die hij boven al wilde hebben.’
    In de beide gelijkenissen handelen de vinders op dezelfde wijze, beiden reageren ze gelijk: de schat in de akker en de parel betekenen op dat moment alles voor hen, al het andere moet wijken. Anders gezegd: ook de rijke koopman richt zich volkomen op het koninkrijk van de hemel zoals de mens in de eerste gelijkenis dat deed.

    De derde gelijkenis wordt evenals de vorige ingeleid door 'Ook', of 'Evenzo' (palin). Net als in de voorafgaande twee gelijkenissen gaat het niet om de vergelijking met een sleepnet zonder meer, maar om de wijze waarop ermee omgegaan wordt. Daarmee moet het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden. Het sleepnet is neergelaten en alles zit er nog in. Wanneer het net vol is, haalt men het op de oever. Hier komt de evenknie met de oogst. Op de oever wordt het net geleegd, men verzamelt de goede vis in vaten, maar wat niet deugt werpt men weg.
    V. 49, 50. Wat de vissers doen, dat moeten Jezus’ discipelen doen en overgezet in onze tijd: zijn Gemeente, Wat er zal geschieden in de eindtijd horen we in de verzen 50 en 51: De Zoon des mensen (vgl. vs. 41) wordt niet genoemd evenmin dat wat er met de “goeden” gebeurt (vgl. vs. 43). De engelen zullen uitgaan om de “slechten” (vgl. Mat. 13, 38 “de kinderen van de boze”) uit het midden van de rechtvaardigen (toon dikaioon) af te zonderen.
    Anders gezegd er vindt dus géén voorselectie plaats !
    V. 51en 52. Met een vraag aan de discipelen wordt deze serie gelijkenissen beëindigd: “Hebt gij dit alles verstaan?”. Hierbij wordt het trefwoord “verstaan” uit de verzen,13, 14, 15, 19 en 23 weer opgenomen: Hebben zij aan wie het gegeven is de geheimenissen van Gods Koninkrijk te kennen (v. 11) “verstaan” wat er allemaal aan de hand is? Het antwoord “Ja” wijst erop dat ze het allemaal verstaan hebben: . “Dit alles (tata panta) heeft ofwel betrekking op het geheel van de gelijkenissen in de verzen 1-50, of op de speciaal voor de discipelen uitgelegde gelijkenissen. In de essentie maakt het geen verschil: Het gaat om het geheel van de consequenties die uit de komst van het koninkrijk Gods voortkomen, voor hen zelf en voor de wereld. Jezus sluit op het antwoord “Ja” aan met: ’Zo lijkt iedere schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden op een huismeester die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen te voorschijn haalt.’
    Dat wil zeggen het oude, dat hij als schriftgeleerde heeft geëerd , blijft. Het nieuwe van de komst van het Koninkrijk in Jezus Christus, wordt toegevoegd. Het moge duidelijk zijn dat nieuwe en oude dingen hier geen tegenstelling vormen: Het oude heeft betrekking op de Thora, de geschriften, de profetie, de leer en de traditie. Het nieuwe is het in Jezus Christus gekomen Gods rijk dat aangebroken is én nog komt. Nieuwe en oude dingen zijn in gelijke mate nodig: ze hebben betrekking op elkaar.

    Aanwijzingen voor de preek:
    Het lijkt me verhelderend om eerst plastisch de gelezen gelijkenissen te schilderen, aangezien ze er door hun beknoptheid gemakkelijk toe kunnen leiden dat er over de pointe heen gelezen wordt.
    Het lijkt me goed stil te staan bij het snelle handelen van de mens en de koopman. Bij de mens staat dat hij zeer verheugd is. Zijn wij verheugd dat het Koninkrijk van God in Jezus Christus gekomen is? Wat voor consequenties trekken we daaruit, voor ons persoonlijk, kerkelijk en maatschappelijk leven?
    We kunnen ons ten aanzien van de eerste gelijkenis afvragen: vindt nu een mens de schat of vindt de schat degene die graaft? O. Noordmans zegt (Gods Poorten, ’s-Gravenhage 1949, p.34): ‘Wij zullen maar zeggen: de schat vond de delver.’ Anders gezegd het Koninkrijk Gods en het vinden ervan is een zaak van genade, geen prestatie.
    Wat betekent het discipelschap vandaag voor ons als gemeente? Enerzijds de roep vanuit Gods Woord tot discipelschap, anderzijds ons vastzitten aan ons oude bestaan. Tussen deze twee voegt zich een derde mogelijkheid: de ontdekking, de vondst. Pas als we deze mogelijkheid ontdekken zal het eerste tot zijn recht komen en het tweede overwonnen worden.
    De kernvraag bewaar ik tot het laatst:’kunnen we echt de werker en de koopman begrijpen, wanneer deze afstand doen van alles om het ene te bezitten? We kunnen in onze tijd denken aan geld, eer, roem, genot en eigen vroomheid, maar ook aan arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, echtscheiding en zorg om de kinderen. Deze en dergelijke situaties kunnen ons belemmern en soms zelfs verhinderen Gods Koninkrijk te ontdekken.

    Lies van der Zee

    20 juli 2014

    5e zondag van de zomer 20 Juli 2014

    Psalm 86: Luister naar mij, Heer, bescherm mij en wijs mij Uw weg!

    Gods goedheid. Tegenover de hulpzoekende mens.
    En onze onderlinge uitsluiting dan?
    De schokkende gebeurtenissen van de afgelopen tijd in Israel/Palestina maken deze psalm pas echt aangrijpend.

    • Heeft niet de Christen-Palestijn Daoud een aanhoudend beroep gedaan op de wet die hem recht gaf op zijn land? En toch werden zijn vruchtbomen verwoest.
    • Hebben niet Christian Peacemaker Teams, Peace Brigades International en EAPPI van de Wereldraad van Kerken zich ingezet voor rechtvaardige verhoudingen?
    • En was er niet een christelijk Kairos-document, waarin een rechtvaardige uitweg werd gezocht?


    “Doe aan mij, ons een teken ten goede” bidt de psalmist. De ouders van vermoorde tieners uit beide kampen troostten elkaar. Dit gaat allemaal niet buiten ons om, hier in de Noordelijke landen.

    Jesaja 40 vers 12-25 Hier gaat het over de grootheid van God. Het hoofdstuk begint met de woorden over de vreugdebode: “Spreek tot het hart van Jeruzalem, dat haar strijd vervuld is, haar ongerechtigheid geboet.” Het volk mag terugkeren uit de ballingschap. God is als een herder voor zijn schapen. 
    Vervolgens gaat het alleen nog over Zijn majesteit. En die gaat ons begrip te boven. Geen enkel beeld dat wij maken van hem kan Hem bevatten: “Wie mat de wateren in Zijn holle hand…?”(vers 12-14) Misschien wordt dit besef pas herkenbaar voor ons, als we ons realiseren hoe klein de aarde is in de kosmos- of we nu in God geloven of niet. Wie kan zichzelf, de eigen cultuur, het eigen volk dan nog absoluut stellen? Eigenlijk moet je in deze dagen het slot van het hoofdstuk er bij lezen, waar sprake is van jonge jongens die omvallen. Maar wie hopen op de Ene, krijgen nieuwe kracht!

    Mattheüs 13: 24-30 en 36-43 Jezus vertelt een gelijkenis over het hemels Koninkrijk. Een goed mens zaait tarwe in zijn akker. Dan komt er iemand met kwade bedoelingen die er wilde planten (“raaigras “ volgens de Naardense Vertaling) tussen zaait. Jezus laat de werkers op het land aan de eigenaar vragen of ze dat er niet uit moeten wieden. Maar de eigenaar wil alles met elkaar laten uitgroeien tot de oogst: je zou de tarwe mee kunnen uitrukken! Je kunt ook voorzichtig wieden – dat zal elke tuinman, tuinvrouw of tuinkind met mij eens zijn.
    Het is natuurlijk een gelijkenis: De akker is de wereld, de mensenwereld. Jezus bedoelt dat je voorzichtig moet zijn, want anders ruk je de “kinderen van het Koninkrijk” er uit, samen met de “kinderen van de Boze.” En Hij, de zoon van de mensen, heeft zelf de tarwe gezaaid. Jezus rekent met een oogst aan het einde van de tijden: dan zal het onderscheid duidelijk worden.
    Wat kunnen wij ons voorstellen bij zo’n oordeel aan het eind van de tijden? Hoeveel tarwe is er dan intussen niet gestikt in het onkruid? Moeten we daar niet eerder iets aan gaan doen? En dan zitten we midden in een, o zo vertrouwd, dilemma: moet er niet een macht van buiten ingrijpen als een volk verstikt wordt door “kinderen van de Boze?” En toch, het is in de geest van Jezus om de groeikracht van de tarwe te versterken! Dat laatste ligt dus op de weg van Zijn volgelingen. Dat is niet gemakkelijk. Want we staan niet op een afstand te kijken, we zitten er midden tussen. En toch zoeken wij naar een andere weg om de tarwe te laten groeien tussen het onkruid.

    Janna F. Postma

     

    13 juli 2014

    4e zondag van de zomer 13 juli 2014

    Alles wat mensen en groepen doen en ontvangen kan worden gezien als zaad.

    • welke kwaliteit en samenstelling
    • waar komt het terecht
    • wat kan het uitwerken
    • welke rol kan een geloofsgemeenschap daarbij spelen?

     

    Gedachten bij Jes. 55.6-13, Mat.13.1-9, 18-23, Ps 65, voor Zondag 13 juli 2014. 4e van de Zomer.

    Jes. 55.6-13, Dit laatste hoofdstuk van Deutro Jesaja. De (onbekende) schrijver roept de mensen in de Babylonische Ballingschap op tot terugkeer naar hun traditionele wortels. Door opnieuw de Heer te zoeken. Het gaat niet alleen om terug naar de Heer, maar ook naar het land. Dat is mogelijk gemaakt doordat de Perzische koning Kores – de knecht - hiervoor toestemming heeft gegeven. Tijdens de +50 jarige ballingschap was men in contact gekomen met allerlei culture invloeden. Veel van de religies rondom hadden intermediaire figuren tussen hen en de goden. Bovendien circuleerden er scheppingsverhalen. Zo ontstonden er vragen als: waar komen wij vandaan en wie is onze God. Hoe is dat zichtbaar?
    Conclusie: Onze God is de schepper van Hemel en Aarde, de mens heeft er een puinhoop van gemaakt. Als we leven conform de Tora zal er een betere toekomst zijn. Zodoende ontstaat een nieuw Godsbeeld. De bevrijdende, meetrekkende God (Sinaï), de wonende God (tempel) wordt nu de scheppende God. De mens heeft, via de 'duivel', de goede schepping verstoord. Er zal een nieuw verbond gesloten worden, dan zal de wereld weer Gods vrede kennen. Als dat plaats vind zullen allen uit de diaspora in vrede terugkeren naar Jeruzalem en zal de natuur weer veranderen in een geheel vruchtbaar landschap. (→ Ps. 65). Het gewenste perspectief bleef uit. Men begon een andere 'knecht' hiervoor te verwachten.

    Mat.13.1-9, 18-23, Jezus gaat vanwege de grote menigte aan de oever van het meer in een boot zitten en vertelt gelijkenissen. Deze keer van een zaaier. Zaaien ging eeuwen lang met de hand. Niet in gelijkmatige voren zoals nu met machines. Vanuit zijn schoot nam de zaaier een hand zaad en verspreidde dat van links naar rechts over een ongelijke akker. Zo kwam een deel terecht op de weg, voedsel voor de vogels, een deel op rotsachtige grond, waar het geen wortel kon schieten, elders werd het zaad verstikt tussen door doornen en distels. Maar gelukkig viel er zaad in de goede grond en dat bracht vrucht voort 100/60/30voud. 
    In vers 10 vragen de leerlingen waarom Jezus in gelijkenissen sprak. Alleen de leerlingen mogen de geheimen van het koninkrijk kennen. Want de toehoorders begrijpen het niet, ze zijn ziende blind en horende doof. Dan citeert Hij Jes.6.9-10. De toehoorders hebben hun hart verhard. De leerlingen zijn gelukkig, omdat zij geleerd hebben te horen en te zien. Een gave waar veel profeten naar hebben verlangd.

    18. uitleg: Op de weg gezaaid zaad is ieder mens die het woord van het koninkrijk hoort, maar niet begrijpt, daar wordt het weggepikt door degene die het kwaad zelf is/ de boze (STV). Zij die zijn als zaad dat op de rotsachtige bodem valt nemen het woord dat zij horen met vreugde op, maar blijven oppervlakkig. Als zij beproefd worden houdt het geen stand. 
    Zij die het horen, maar gefocust zijn op welvaart, zijn ook niet vruchtbaar.
    Mensen die het woord horen en het begrijpen, en proberen ernaar te leven, kunnen vruchtbaar zijn 100/60/30voud.

    Het Woord, dabar in het Hebreeuws, betekent altijd woorddaden. Jezus is daar een duidelijk voorbeeld van geweest. In deze gelijkenis/parabel van de zaaier legt hij zijn leerlingen uit waarom zij wel de uitleg mogen horen en de menigte niet. Motieven en opvattingen in de menigte, om Jezus achterna te lopen, waren zeer divers. In de loop van de eeuwen, zijn er bovendien vele opvattingen over de invullingen van geloof bijgekomen. 
    Welke opvattingen mensen hebben, daarover bestaan ten opzichte van elkaar vaak vooroordelen. En dat niet alleen tussen christenen onderling, maar ook ten aanzien van andere geloven en religies. Hoe verschillend de interpretatie van bijbel woorden ook mag zijn. Als iemand zich christen noemt, zal dat uit haar/zijn daden moeten blijken. Geloven is meer dan rituelen, het vraagt een betrokkenheid bij de werkelijkheid van alle dag t.a.z.v. gerechtigheid, vrede en verdraagzaamheid. Dat is wat mensen horen, zien en beoordelen positief of negatief.

    Zaad. Een goede hoorder kent de verschillende betekenissen van zaad in de joodse traditie. 
    – Zaad. Vruchtbaarheid als zaad van dieren en mensen (Gen.). De zegen die zijn oorsprong heeft in Gods schepping.
    – Nakomelingschap van de aartsvaders. De zegen die de aartsvaders ontvangen hebben als groeikracht van de schepping. Daarom is er de aanklacht betreffende het gebroed van de boosdoeners.
    – Israël is het zuivere zaad, zoals God het heeft bedoeld (Jes. 6.13c). Tegenover het volk dat afdwaalt en het verderf bewerkstelligt.
    – In het tweede /NT wordt zaad, in gelijkenissen, gebruikt voor het verborgen werk van God in Jezus en zijn volgelingen.
    – De leerlingen moeten het werk van Jezus voortzetten, dan wordt het gezien als nakomelingschap. De gemeente als zaad in het verlengde van de Abraham en David. 
    – De Tora blijft richtlijn. Matteus geeft voor het zijn als zaad, een aantal duidelijke aanwijzingen. (25.35-45).

    • Waar valt het zaad bij u 
    • Waar en hoe tracht uzelf in woorden en daden te zaaien.
    • Hoe tracht u als geloofsgemeenschap te zaaien in woord en daad.

    Christen zijn is bewust zijn van een levenshouding, die geïnspireerd wordt door de joodse en christelijke tradities. Het is altijd de vraag, gezien de context van de lezingen hoe iedereen dat invult. In naam van het christendom zijn heel veel onchristelijke zaken verkocht en uitgevoerd, zowel in onderlinge zorg, als in oorlogen. Geweld lokt altijd weer geweld uit. Met niet alleen gevolgen voor de betreffende mensen lichamelijk, maar ook psychisch.
    De wereld is een dorp geworden. Haat, tweedracht en geweld zijn voor de media interessanter dan liefde en zorg voor elkaar of voor onbekenden. Ieder mens heeft vele rollen in de context van het dagelijks leven, zowel privé, in kleine kring als in de geloofsgemeenschap.
    Waar het omgaat is dat mensen proberen vanuit eigen gave en mogelijkheden zaad te zijn dat hopelijk vrucht draagt. In kleine dingen gaat het o.a. om liefde voor de naaste, verdraagzaamheid, een glimlach voor een onbekende, een luisterend oor, op het werk, in de vrije tijd en vrijwilligers werk.
    Geloofsgemeenschappen hebben als groep intern een mogelijkheid elkaar te ondersteunen in het individuele werk, maar ook in het werk dat in leefomgeving en wereldwijd gedaan wordt. In de maatschappij hun inzet zichtbaar te maken. Zaad te zijn.
    In het verleden waren er christelijke instellingen op elk maatschappelijk vlak. De regeringen hebben de verzuiling doorbroken door het subsidiestelsel. Nu worden allerlei zaken weer terug gedraaid. Het gaat niet alleen meer om werken van barmhartigheid vanuit eigen groepering. Individueel kunnen mensen aan een bepaald doel samenwerken. In een geloofsgemeenschap is het mogelijk samen te zoeken naar oorzaken die te maken hebben met problemen die men in de eigen context of samenleving tegenkomt. Van hier uit kan men contact zoeken met anderen buiten eigen kring. Samenwerking daar waar de (verborgen) maatschappelijke nood zich aandient, met andere instellingen of geloofsgemeenschappen is noodzakelijk. Als geloofsgemeenschap in deze crisis tijd is het bovendien belangrijk om elkaar te informeren over de Joodse wortels van Christendom en Islam. Indien dat contextueel mogelijk is het initiëren van dialoog of trialoog. Om een beter begrip te krijgen van elkaar in plaats van alleen een vooroordeel. Onbekend maakt onbemind

    Vooroordelen kunnen haat zaaien dat tot een verkeerd beeldvorming leidt ten aanzien van bijv. Moslims of Joden en andere (minderheids)groepen. In iedere context zijn vele voorbeelden: - antisemitisme steekt weer overal de kop op. De uit de middeleeuwen stammende protocollen van Zion worden weer verspreid. In crisis tijden duiken deze vooroordelen over de Joden steeds weer op en zaaien verderf en ellende.
    – Haat en pesten kunnen veel verderf zaaien, mensen en kinderen levenslang tekenen.
    – Valse berichtgeving zoals nu in de hybride oorlogspropaganda tussen de Oekraïne en Rusland, de Toearegs in Mali.
    – Verhalen over vermeende 'bedreiging' van werk door buitenlandse werknemers.
    – Vluchtelingen problematiek, detentie van illegalen etc.

    Verschillende mensen in een geloofsgemeenschap kunnen prioriteiten kiezen naar eigen interesse, gaven en mogelijkheden. Wie haat zaait, zal storm oogsten. Liefde, attentie, verdraagzaamheid en luisteren naar elkaar kan harten openen tot begrip, acceptatie.
    Mensen wonen in Gods hof; daar ontvangen ze zaad om te zaaien, zodat de omgeving en de hele aarde vruchtbaar zouden kunnen worden. Dan zal de woestijn bloeien als een roos. (Ps 65).

    Héleen Broekema (TW). 12.06.14

    6 juli 2014

    3e zondag van de zomer 6 Juli 2014

    Zach. 9, 9-12; Ps 145,1-12; Rom. 6, 16-23; Mat. 11, 25-30

    Indachtig wat aan het gebeuren is in de streek waar Jezus leefde… Syrië, Irak, Palestina-Israël- Jordanië. Paus Franciscus bezocht de drie landen samen met een imam en een rabbijn. Hij luisterde vooral, was zich zeer bewust van de ernst in dat gebied. Hij nodigde de presidenten van de twee conflictlanden uit voor gebed. Op Pinksteren baden ze samen in het Vaticaan.
    Als zoiets gebeuren kan, dan is God gro.ot.

    Groter dan wij. Maar dat is meteen ook een gevaarlijke uitspraak, omdat we neigen onszelf daaraan te verheffen. ISIS verovert en moordt in naam van God. Zoals Engeland en Frankrijk in naam van God dat hele Midden-Oosten in 1918 samen verdeelden: er was een paar jaar vóór die grote oorlog olie gevonden onder dat zand. De verdeling had meer te maken met “onze” olie onder ‘hun’ zand, dan met de mensen die in dat zand leefden. Europese grootmachten werkten de hele 19de eeuw eraan om Ottomaans gebied in te pikken. In naam van God. En in 2003 braken westerse landen, waaronder Nederland, binnen in dat gebied en ontwrichtten het weer behoorlijk.
    Dat soort grootheid is onze God niet. Naar Zacharias komt ‘deze uw koning’ rechtvaardig en zegevierend. Rechtvaardig voorop. Hij rijdt op een ezel, is deemoedig. Ezel, het dier van het volk, tegenover een paard dat toen en daar het dier van militaire leiders was. De strijdwagens weg, de strijdboog gebroken. Niet vanwege de militaire eindzege, maar vanwege de gerechtigheid en deemoed.

    Kunnen we Paulus en zijn spreken over zonde nog verstaan, sinds we het individualisme belijden? Is het begrip zonde niet verworden tot moralistisch de maat nemen? Met strakke controle op het seksuele gedrag, bij voorkeur controle over de seksualiteit van vrouwen?
    Onze God roept toch allereerst het volk en daarbinnen de individuen, zonde duidt altijd allereerst op het onrecht dat binnen het volk leeft, of tussen volken. De Bijbel is altijd allereerst een spiegel voor onszelf, gelovige gemeenschap. Terwijl we erg neigen anderen de maat te nemen. Die moslims, die niet willen deugen bijvoorbeeld.

    Wat kunnen we in samenhang met deze teksten met Mattheus?
    Komt tot Mij die belast en beladen zijt en Ik zal u verkwikken, en tegelijk: neem Mijn juk op uw schouders… Juk klinkt naar zwaar, onderwerpen, eigen bewegingsvrijheid geheel uit handen geven…
    Het bijzonder is al ‘neem het juk op’. Doorgaans krijgt men (of een os) een juk opgelegd. Dit is dus een ander juk.
    Bij dit juk vind je rust…
    Wat kan dat juk zijn? Afzien van winnen, beheersen, controle hebben, baas zijn; afzien van de eerste zijn, de enig ware, afrekenen met het testosteron dat ons feitelijk regeert?

    Is deze Mattheustekst te verstaan, als we vergeten wat de oorspronkelijke belijdenis is:
    God is onze Heer. Wij christenen die ons toch beelden van God maakten, zijn dat gaan verstaan als een genderaanduiding van God. God is mannelijk, man, krijger. Maar “God is onze Heer, de Enige”, was ooit een belijdenis tegen alle Heren en onderwerping aan Heren. Wij hebben geen Heer, tenzij God. Niemand zal ons een juk opleggen, en wij ook niemand… Dat is wel ver weg geraakt. De spiegel van de Bijbel hebben we nog steeds nodig.
    Zo ook de aanduiding door Jezus: “God is uw Vader”; Jezus wil God weer nabij brengen, zoals die God van Genesis die met de mensen wandelde. Tegen de God van de priesters, die God hadden ingesloten in een tempel en zich God hadden toegeëigend. God hadden ‘gemined’.

    Dat volgens Jezus God onze Vader is, is geen duiding  tegen moeders, maar een duiding tegen een tempelgod, een ‘geminde’ God (van het Engelse ‘minen’).
    Een God, ik zou bijna zeggen, met wie je kunt bidden, samen, dat wij mensen werkelijk tot inzicht mogen komen. Niet elkaar de maat nemen. Maar vooral eerst weten wat onze erfgeschiedenis is in dat gebied waar het nu zo slecht toeven is, die zandbak van dat Midden Oosten. 
    Moge God hen nabij zijn en genadig. Laten we samen met God bidden, dat wij, arrogant westen, deemoedig gaan worden en onze historische hebzucht en oorlogszucht erkennen. Misschien gaat het dan nog goed komen in die landstreek waar Jezus ooit rond liep.

    Yosé Höhne-Sparborth

     

    29 juni 2014

    2e zondag van de zomer 29 juni 2014

    Omgaan met 'fundamentalistische Bijbeltekst'.
    Vrede en gerechtigheid zouden wel eens het best gediend zijn met fors in grijpen. 
    En als Jezus het nou zelf zegt...
    Maar lees dan Jeremia 29 ook. En begrijp Jezus eens minder vanuit je eigen primitieve gevoelens.
    En zingen lied 945!!

     

    Jeremia 29:1, 4-14
    De situatie is als volgt. De joden leven in de vijandige wereld van Babel als balling.
    Jeremia reageert op begrijpelijke gevoelens in de trant van 'als God nou eens fors ingreep; dan konden ze daar vandaan. Naar Jeruzalem'.
    Babel staat voor alles wat God verboden heeft. En toch krijgen ze te horen dat ze niet mogen uitstappen.
    De heldere zwart-witte lijn tussen het volk van God en de wereld van de boze, zit er gewoon niet in! BIDT VOOR DIT BABEL.… Dat betekent niet dat onrecht wel o.k. is.

    mat 10:34-42
    Dit is 'Jezus voor fundamentalisten'. Het zwaard brengen. De bizarre combinatie van religie en geweld en haatcampagnes. Als het goed is, wil je dat niet zo ruigweg horen van Jezus. Schrikken is goed.
    Er zijn oude handschriften waarin die woorden over de ‘vader tegen de zoon opzetten enz.’ niet voor komen.
    Denk ook aan: Paulus heeft het er tenminste over dat "in Christus" de (elke?) scheidingsmuur weggevallen is.
    bij vs 37: zou dat kunnen: waardig is hier geen morele of psychologische term maar praktisch: het werkt niet ??

    Ik hoor ook liever die tekst: “Laat het zwaard ONGEBRUIKT”. In de hof van Gethsemane. Dat is overigens net het moment, dat HIJ ZELF aan het verzet ten onder gaat. Het zwaard wordt wel tegen HEM gebruikt. En de relatie met ZIJN familie is heel erg uit de hand gelopen.

    Maar wat doe je met die woorden?
    1) Misschien was je idee over Jezus net aan revisie toe. Ga je maar realiseren dat Hij niet alleen lieve en aardige zinnetjes heeft gezegd. 'Jesus the musical' wordt de norm, lijkt het wel. Maar “Jezus is wel o.k.!” is niet voldoende voor Jezus' medewerkers op hun zendingsreis.
    NB De hele Joodse setting van Koninkrijk en gerechtigheid en vrede is voorondersteld. Ze hoeven het wiel niet opnieuw uit te gaan vinden.
    Daarom kan de hoofdzaak van hun taak wel op de nagel van je duim. kwalijke geesten uitdrijven. de kapotmakers moeten er allemaal uit. Jezus gelooft in ze. 'Als de mensen jullie tegenkomen, hebben ze met mij te maken. Hij identificeert zich met ons; niet andersom.
    2) De ervaring van de eerste christenen was ook dat het niet gladjes verliep. Dat kruis,- daar hoefde je niet eens om te vragen! Dat kreeg je heus wel te pakken!
    Als Jezus zegt: “ik ben het zwaard komen brengen”, moet je Hem dat horen zeggen met intens verdriet. Hij is geen sadist. Het is niet zijn boze opzet. Dat het vaak zo loopt en liep, getuigt niet van Jezus’ slechte bedoelingen, maar het is een PROTEST tegen hoe mensen ermee omgesprongen hebben.
    3) Jezus zegt het van tevoren. Maar het gaat dan ook wel ergens om!! Het gaat erom een verziekte stand van zaken om te zetten in sjaloom. God klopt aan bij mensen en situaties die niet meer gezond reageren. Gods koninkrijk wordt niet in onontgonnen, vrij land gevestigd, maar in BEZET land. Er is weerstand. Er moeten zaken WEG.
    4) Realiseren dat gelovigen ook deel zijn van de weerstand. Gelovigen zijn niet zonder meer een succesformule.
    5) Je zit heel makkelijk bij de vraag van militair ingrijpen voor wereldvrede of humanitaire projecten. Dat we in de familie van de Heer daarover tot op het bot verdeeld kunnen raken. De linkse en de rechtse vrienden van Jezus in de kerk worden in extreme gevallen zelfs VIJANDEN van elkaar. We zouden die polarisatie nu voorbij moeten zijn; en die lastige thema's wat blijmoediger kunnen agenderen, dan we nu doen!

    Ik zou uit het oude Liedboek vast Gezang 37 op de beamer laten zetten.
    'Bidt voor haar want in haar vrede
    schuilt ook voor u het heil....
    huizen bij de tijd.
    Hier zal ik u mijn vrede tonen.

    En uit het Nieuwe Lied 723 waar God de heer zijn schreden zet voorstellen.

    Achtergrond bij religie en geweld: Kerk en Vrede boekje: 'Hand in eigen boezem'.

    Jan Anne Bos.

    22 juni 2014

    1e zondag van de zomer 22 Juni 2014

    Op de conferentie van de Wereldraad van Kerken in Busan is de weg ingeslagen van een jarenlange weg van een pelgrimage van gerechtigheid en vrede. Voor deze pelgrimage is het noodzakelijk de bijbel te lezen tegen de actualiteit van onze situatie. Deze situatie betekent nog altijd dat wij op stoffelijk en geestelijk gebied, wat de vrijheid van denken en spreken betreft, bevoorrechte mensen zijn.

    Bijbellezingen: Jeremia 20, 7-13 Romeinen 5, 15-19 Matteüs 10, 16-33 

    De uitleg beperkt zich tot Matteüs 10, 16-33.
    Onze pericoop uit Matteüs begint met de uitdrukking: Idou, in de NBV is dat vertaald met : ‘Bedenk wel ‘. We denken echter dat het hier niet zoiets betekent als ‘je te binnen brengen’, maar veel meer is het een aanscherping van het voorafgaande en een waarschuwing voor wat er in de volgende pericoop komen gaat. In deze zin wordt ‘idou’ gebruikt.
    Het beeld van schapen te midden van de wolven is redelijk duidelijk, de vraag is alleen op wie de evangelie schrijver doelt met de wolven: (vgl. Jes. 11, 6 en 65 25, waar de Messiaanse vrede hen samenbrengt). Schapen zijn weerloos, de minste. Dat Jezus met de schapen de discipelen bedoelt is in het licht van het vooraf gaande duidelijk. De vraag is wie de wolven zijn. Het kan zijn dat Matteüs hier al de vervolging beschrijft die ten tijde van zijn schrijven plaats vindt, maar – en dat heeft mijn voorkeur – we kunnen ook denken aan de leidslieden van het joodse volk, die in Ez. 22, 27 wolven genoemd worden en in Ez. 34, 1 e.v. te kort schieten in het weiden van schapen. In het vervolg van vs 16 worden de discipelen vermaand ‘scherpzinnig als een slang’ te zijn en ‘de onschuld van een duif’ te bewaren. Het is de vraag of de NBV vertaling de respectievelijke begrippen phronimos en akeraios’ adequaat vertaald heeft. In beide situaties gaat het om het karakter van beide dieren, om positieve eigenschappen : Voorzichtig, niet in slimme diplomatieke berekening, ook niet de grenzen van waarheid en leugen verdoezelend, maar wel: de situatie scherp in het oog houdend, paraat, slagvaardig.
    ‘De onschuld van een duif’: dat wil zeggen: open, zonder vooringenomenheid, onbedorven. Concluderend kunnen we zeggen dat de twaalf apostelen zich positief dienen op te stellen voor de taak, die hen wacht.
    Hierop volgt in schril contrast met het voorafgaande nu de waarschuwing op te passen voor dé mensen ( het lidwoord staat er in het Grieks niet voor niets!). Wie zijn die mensen? In eerste instantie geldt dit mensen in Israël, degenen met wie de apostelen in contact komen Maar de hele pericoop (vs 17-23) wijst op een algemene haat reactie op de boodschap van het rijk Gods (vgl. Marcus13, 9:-13 en Johannes 15,:18- 27).
    Vers 17: De gerechtshoven die hier ter sprake worden gebracht moeten gesitueerd worden in plaatselijke comités van drieëntwintig personen, die in steden bestonden met minimaal honderd en twintig volwassen mannen 
    In vers 18 wordt de horizon verbreed: niet alleen de joodse gerechtshoven, maar ook stadhouders en koningen zullen het nieuwe volk van God veroordelen, en naast de stadhouders en de koningen worden hier de volkeren genoemd. De reden wordt gegeven in ‘omwille van mij’ (vgl. Mat. 5,11 en 10,22.) Het zal zijn tot een getuigenis voor hen en voor de (niet joodse) volkeren. De NBV vertaalt hier m.i. onterecht met ‘heidenen’. Maar in het Grieks staat hier een vertaling van het Hebreeuwse goiiem, wat volkeren betekent.
    Verzen 19 – 21. Het woord merimnaoo, bezorgd zijn vinden we ook in Mat. 6,25,dat klinkt hier door. Degenen die voor stadhouders en koningen geleid worden staan er niet alleen voor: Wat ze moeten zeggen, wordt hun gegeven (dothesetai: aoristus passivus ) nl.door God zelf, op het moment zelf. Ook in de familiekring wordt men niet gespaard ( dit vinden wij in Marcus ook, zowel de stadhouders, de koningen als de familiekring. in Marcus 13 de verzen 9 en volgende). In vers 21 wordt Micha 7, 6 vrij weergegeven.
    Vers 22. In 22b gaat het om het standhouden tot in de dood (het eis telos kan anders vertaald worden: volledig, helemaal, tot het laatst toe), eis telos , is hier adverbiaal gebruikt, zonder lidwoord. Wie zo volhardt zal behoren tot het rijk dat God in Messias Jezus opricht en tot voltooiing zal brengen.
    Van vers 23 zijn twee uitleggingen mogelijk: de ene is, dat men mag vluchten (dus geen martelaarschap tot elke prijs) met een beroep op Jezus zelf, de andere legt de nadruk op de haast, waarmee vanwege de vervolging het nieuwe geloof van stad tot stad verbreid moet worden, zolang de Mensenzoon nog niet teruggekomen is op aarde.
    Een derde mogelijkheid is de twee interpretaties met elkaar te verbinden: omdat de twaalf apostelen niet alle steden van Israël zullen zijn rondgekomen – hun taak ten einde gebracht zullen hebben, voordat de wederkomst van Christus zal hebben plaats gehad- daarom moeten zij, als ze vervolgd worden van de ene stad naar de andere vluchten Het gaat er bij deze derde interpretatie om de tijd goed en effectief te gebruiken.
    De verzen 24 en 25. Beiden, Jezus en de apostelen staan voor dezelfde opdracht: de verkondiging dat het rijk van God gekomen is. In vers 25 vertaalt de NBV arketon met’moet er genoegen mee nemen’ Dat is mij te negatief, mijns inziens is het beter hier te vertalen: het is voldoende. De taak van de Heer en de apostelen is dezelfde, met dit verschil, dat het lijden van Messias Jezus het lijden is van Hem in wie Gods koninkrijk gekomen is (zie Mat. 10,7) en dat het lijden van de apostelen het lijden is van hen die getuigen van dat rijk (vgl. Mat. 10,18).
    Vers 25,b. Men heeft Jezus in verband gebracht met de vorst der duisternis, Beëlzebul, de leider van het rijk van de duisternis (vgl. Mat 9, 33 en 12, 24). Maar Jezus en de zijnen vormen een huisgemeenschap. Als de mensen de heer des huizes Beëlzebul noemen, hoeveel temeer (dit is een conclusie a minore ad maius) zijn huisgenoten.
    De verzen 26-33 Tot drie maal toe (in de verzen 26, 28 en 32) worden de apostelen opgeroepen niet bang te zijn als het gaat om het belijden van Jezus’ naam. Het werk dat God in Messias Jezus begon en dat door de apostelen verder gaat zal geopenbaard worden en zal bekend worden. In het Grieks wordt voor deze begrippen een passieve vorm gebruikt: apokaluphtheseta en gnoosesetai. Zo wordt aangeduid dat het Gods werk is.
    In vers 27 worden opnieuw twee paralllelle beelden gebruikt. Alleen wordt hier aan toegevoegd dat de apostelen het bekend moeten maken.
    In vers 28 heeft het lichaam de betekenis van de mens in zijn lijfelijke kwetsbare verschijning en de ziel de mens als persoon, als persoonlijkheid.
    De strekking van vs, 28 is, dat Jezus degenen, die bij de verkondiging van het evangelie in moeilijkheden zijn geraakt en als martelaar zullen vallen, moed geeft; de dood van het lichaam is niet het laatste.
    Verzen 29,- 31.God wil de dood van ziel en lichaam niet zoals wij misschien met een blik op vers 28 denken. Vers 29 en volgende geven uitsluitsel. Jammer genoeg is dat in de NBV niet duidelijk omdat daar vertaald wordt; er valt er niet één neer als God het niet wil.  Als je het zo vertaalt komt onwillekeurig de gedachte op aan predestinatie. Beter is het letterlijk te vertalen: Als één mus al niet zonder de nabijheid van uw Vader ( aneu tou patros humoon) ter aarde zal vallen… hoeveel te minder hoeft gij te vrezen , gij, die (in waarde) vele mussen te boven gaat.
    Verzen 32, 33. In twee parallel gebouwde zinnen wordt positief en negatief gewezen op het feit dat men het martyrium niet moet vrezen: Die vrees ontbreekt bij Jezus: die Mij belijden zal voor de mensn die zal ik ook belijden voor mijn Vader die in de hemelen is. Immers soms kan het niet anders dan dat het belijden voor de mensen gepaard gaat met de bereidheid om te sterven. Wie dat doet, met hem zal Jezus zich ook solidair verklaren (vgl. Rom. 8,34).

    Aanwijzingen voor de preek
    Veel van wat in de uitleg genoemd wordt is ook actualiteit en kan met voorbeelden verhelderd worden: Want als het gaat om de boodschap dat het Koninkrijk van God nabij gekomen is, vraagt dat om verduidelijking in een wereld waar totaal andere rijken en machten het voor het zeggen hebben, Deze zullen moeten komen van de gezonde(n) gemeente, die leeft uit die boodschap.
    Niemand zal uit zichzelf kiezen voor de weerloosheid van het schaap, zeker niet met wolven in de buurt. Wij mensen huilen liever mee met de wolven in het wereldbos, die klagen over de achteruitgang maar die intussen sterk en machtig zijn. Toch vraagt Jezus van mensen die leerlingen en apostelen willen worden, een keuze voor het zwakke, voor weerloosheid als het Lam Gods te maken.
    Je kunt je pas als schaap opstellen als je precies weet wie de wolven zijn. Daarom is het noodzakelijk altijd een situatieanalyse te maken. We moeten machten onderkennen die de samenleving bedreigen; de consequenties durven trekken uit het geloof, dat nu juist het kruis onze kracht is. Deze analyse hoeft ons niet machteloos en moedeloos te maken. Het Koninkrijk is nabij gekomen. De verstandigheid van de slang en de onbedorvenheid van de duif. kunnen ons behoeden voor doemdenken. We mogen ‘erop afvliegen’ op Gods toekomst, want die is net zo reëel als de haat van allen uit vers 22. Onze duidelijkheid moet blijkbaar beginnen binnen eigen (kerk)muren (vs. 17), dus onze verantwoordelijkheid ten opzichte van de overheden moet niet geschuwd worden.
    Sinds de conferentie van de Wereldraad van Kerken in Busan kunnen we bezig zijn met onze pelgrimage van gerechtigheid en vrede. In de preek kunnen hiervan voorbeelden genoemd worden en er kan opgeroepen worden onderdeel van deze pelgrimage te zijn
    Lies van der Zee

    15 juni 2014

    zondag van de drie-eenheid 15 Juni 2014

    Mattheüs 28:16-20 De lezing uit het Mattheüs-Evangelie staat aan het slot: “Ga uit, maak alle volkeren tot mijn discipelen…” De doop in de naam van Vader, Zoon en Heilige Geest zal dat discipelschap bekrachtigen. Als je een afbeelding van Vader, Zoon en Geest zoekt, vind je inderdaad heel wat doopceremonies. Wat mij is bijgebleven uit mijn Mennonitische kinderjaren in Brazilië: het beeld van volwassen mensen die vrijwillig achterover kopje onder gaan. Gehuld in een wit gewaad. Zo wordt meteen zichtbaar dat discipelschap iets kost: het is navolging. Hier is het daar meestal te koud voor, dus wij nemen een handjevol water. De Drie-ene God: wat kunnen wij ons er bij voorstellen? Zoiets als een matroesjka misschien: er zit meer in God dan we denken. Er komt meer te voorschijn dan je verwacht, als je probeert te onderhouden wat Jezus heeft geboden en voorgeleefd.

    Psalm 150  Ook al aan het slot van een Bijbelboek. Een lofpsalm. Israel looft God in het heiligdom, en in zijn machtig uitspansel: het heelal voor ons. Zijn grootheid is mateloos, er kan nog van alles te voorschijn komen als je Hem zoekt. Dat doe je, net als het lofzingen, met alle instrumenten die je ter beschikking hebt. Israel nodigt hier alles uit dat adem heeft, en noemt daarbij de Godsnaam: Hij die is wie Hij zijn zal. Met minder kan Israel niet toe, hoe uitzonderlijk het zich ook voelt in het aanbidden van de Ene.

    Exodus 34 vers 5-9 Dit gedeelte uit het boek van de Uittocht roept dubbele gevoelens op. Mozes bleef lang weg op de Godsberg, en toen maakten zijn broer en het volk een gouden stierkalf: een vruchtbaarheidsgod. Die moest maar voor hen uit gaan op hun tocht door de woestijn. Als Mozes terugkomt met de stenen wetstafels, gooit hij ze van woede kapot. Hij beklimt opnieuw de berg Sinai en probeert de onuitspreekbare God tot vergeving te bewegen. Hij spreekt Hem aan als de Genadige en Trouwe: Hij bewijst goedheid tot in het duizendste geslacht, maar straft de misdaden van ouders tot in de derde en vierde generatie. Dat vinden we ook terug in beide versies van de Tien Geboden, Exodus 20 en Deuteronomium 5. Het valt aan te nemen dat het ook op de oorspronkelijke wetstafels stond. We weten hoe het verder gaat: Mozes keert terug met de vernieuwde Tien Geboden, en zo kan Israel weer verder. Duizend geslachten van goedheid, maar drie of vier van bezoeking. Wat moeten we daarmee? Is het misschien vooral een ervaringsgegeven dat hier opgeschreven staat? Je tobt generaties lang met onrecht, begaan door het voorgeslacht. Dat geldt voor ontmenselijking door slavernij: dan lijkt het eeuwig te duren. Het geldt voor antisemitisme, oorlog en vergelding, kolonisatie, discriminatie… Het brengt ons bij de gewelddadige verdrijving van volkeren: dat wordt beschreven in de boeken van Mozes, en het wordt daar gezien als noodzaak om Israel een plaats te geven in hun midden. Als volgelingen van Jezus willen we daar niet langer aan, maar verovering, kolonisatie en stigmatiseren van mensen hoort ook bij onze eigen geschiedenis. Daar moeten we goed naar kijken.

    2 Kor.13:11-13: Wij lezen alleen het slot, als we het rooster volgen. We gebruiken dat in de liturgie als “apostolische zegen.” Wie zegent Paulus hier? Een gemeente in de Griekse havenstad Korinthe in Achaje, gekoloniseerd door de Romeinen. Via de Joodse gemeenschap had Paulus hier toegang. Er ontstond een gemeente uit Joden en heidenen. Dat ging gepaard met conflicten, zoals je kunt nalezen in het boek Handelingen, het 18e hoofdstuk. Paulus houdt zich daarbij aan de wetten van de stad, als er rondom de “nieuwe leer”een geschil optreedt binnen de synagoge.

    Vragen bij al deze – zoals gewoonlijk – enigszins bij elkaar geraapte Schriftgedeelten zijn:

    • hoe vinden wij een weg die ons leidt uit een geschiedenis van oorlogen, veroveringen en brandmerken van mensen naar de weg van die Ene God die er is voor ons allemaal?
    • Hoe vinden wij die weg, als nabestaanden van slachtoffers, als nabestaanden van daders, en hoe kan de geschiedenis van de eerste Christengemeenten ons daarbij helpen?
    • En, vooral: hoe kunnen gelovigen die wij ontmoeten, hier, in Kingston en Busan of op een andere reis, ons de weg wijzen?

    Janna F. Postma


     


     

     


     

     


     


     


     


     

    8 juni 2014

    Pinksteren

    Iedere evangelist beschrijft de gave van de Geest op een andere wijze. Lucas laat dit plaats vinden op een oogstfeest: Pinksteren. Ontvangen van de Geest betekent in woord en daad, op weg gaan in eigen context en in de wereld. Jezus voorbeeld volgen, de volken ontmoeten als naasten.
    Zodoende meewerken aan gerechtigheid, dat tot vrede kan leiden.
    Christenen, als zijn leerlingen, kunnen daaraan meewerken in het krachtveld van Gods Geest.

    Enige gedachten voor Pinksteren 2014. Ez. 11.17-20, Ps. 104. 25-35, Hand. 2.1-24, Joh. 14,23-29.

    Inleiding.
    De evangelisten hebben ieder op een andere manier geschreven over de opdracht van Jezus aan zijn leerlingen. De kern is dat de Geest /de trooster hen kracht zal geven. In Mateus 28 en Marcus 16.15 krijgen de leerlingen de opdracht uit te gaan naar alle volken / De wereld rond te trekken en ieder schepsel het goede nieuws, in woord en daad, bekend te maken. Als mensen geloven, doop hen dan in mijn naam. De leerlingen gaan op weg Jezus zal bij hen zijn alle dagen tot de voltooiing /voleinding (St.V) van de wereld. 
    In Johannes wordt een Trooster / pleitbezorger beloofd. (14.16,26/ 15.26 / 16.7) en gegeven (20.22)
    Lucas eindigt met dat na het lijden en sterven en opstaan van de Messias in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. De leerlingen en de vrouwen krijgen de opdracht getuigenis af te leggen van het inzicht dat ze door Jezus` gekregen hebben. Blijf in de stad tot jullie, door mijn vader, bekleed zullen worden met kracht uit de Hemel. Terwijl hij hen zeggende werd Jezus opgenomen in de hemel (hfdst. 24). In handelingen beschrijft Lucas uitgebreid de uitstorting van de Heilige Geest als begin van de oogst van navolging en situeert zijn verhaal op het Pinksterfeest.

    Ez. 11.17-20
    In Ezechiël worden verschillende visioenen beschreven betreffende de terugkeer naar Jeruzalem van de ballingen uit de volken. Hun eerste taak is de afgoden uit het land verwijderen. God zal eensgezindheid doen ontstaan doordat de harten weer loyaal zijn aan God. Er zal hen een nieuwe geest gegeven worden. Deze zal gevoeligheid en verantwoordelijkheid bevorderen. Het oude verbond zal hernieuwd worden. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. Opnieuw een herinnerring aan de gave van de Tora en de verbondsluiting op de Sinaï.

    Joh. 14,23-29.
    Aan het einde van de Seider maaltijd, als Judas Iskariot al vertrokken is, heeft Jezus een laatste gesprek met zijn leerlingen, naar aanleiding van de vraag waarom Jezus zijn leerlingen dingen bekend maakt en niet de wereld. In zijn antwoord bereidt Jezus hen nogmaals voor op zijn heengaan en hun toekomstige rol.
    Hierin komen informatie die nog niet voor de wereld bedoeld is en een aantal bemoedigende aspecten naar voren, met als doel dat de leerlingen het geloven als het zover is.(29).

    • Niet ongerust zijn en de moed verliezen.(27).
    • ​Een al eerdere belofte was: hen niet als wezen achter te laten (18).
    • Hij moedigt hen aan hem en zijn Vader lief te hebben, zich te houden aan zijn geboden die zij kennen en aan wat hij gezegd heeft. (zijn voorbeeld praktijk). Dan zullen zijn Vader en hij hen ook liefhebben en bij hen wonen.(23)
    • Alles wat Jezus gezegd heeft is ingegeven door zijn Vader, die hem gezonden heeft. (24)
    • Later zal het allemaal duidelijk worden door de pleitbezorger, de Heilige Geest, die zijn Vader hen namens hem zenden zal.(25).
    • Jezus, zal bij hen weggaan, maar terugkomen, daarom zouden de leerlingen, uit liefde voor hem, blij moeten zijn met de gang van zaken. (28)
    • Hen wordt een andere vrede (sjaloom) nagelaten, dan dat de wereld geven kan (27).

    Vrede 
    In de context beschrijft Johannes, wat de vrede is die de wereld niet geven kan. Als Jezus verschijnt op de avond van de eerste dag wenst hij hen 2x vrede. Na de vredeswens toont Jezus zijn handen, voeten en zijde. Hij is het die door zijn lijden de vrede gebracht heeft, die de wereld niet kon schenken. Dan volgt de tweede keer vrede, gevolgd door de opdracht in de kracht van de Geest. Zoals de vader mij gezonden heeft zend ik jullie uit. Dan blaast Jezus de Heilige geest over hen.

    Hand. 2.1-24, Dit Pinksterfeest, een terugblik op het verleden, met het oog op de toekomst.
    In zijn laatste hoofdstuk vermeldt Lucas dat de leerlingen voortdurend in de tempel waren en God loofden (24.53). Hij herhaalt dit in hand.1. Petrus neemt de leiding. Er wordt een vervanger van Judas gekozen. Dit om het getal 12 (12 stammen) weer compleet te maken. Hand 2 begint met: Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren zij allen bij elkaar om dit te vieren. Het Pinksterfeest /wekenfeest, een pelgrimsfeest, dat voor het eerst gevierd werd toen het volk Israël de eerste tarweoogst binnen gehaald had, na haar vestiging in Kanaän. Daarna stopte het manna.
    Lucas wil aantonen dat deze gebeurtenis niet zomaar plaats vindt. Het is in de wet en profeten reeds voorspeld. Nu wordt op dit Pinksterfeest weer een nieuw begin gemaakt, doordat de leerlingen de kracht/ de Heilige Geest van God ontvangen om te getuigen dat de verwachte komst van de Messias, middels Jezus, heeft plaatsgevonden en daarmee de spoedige verwachting van het aanbreken van het einde der tijden.

    In de beschrijving van de gebeurtenissen op dit Pinksterfeest worden allerlei aspecten beschreven uit het eerste /oude testament.

    • God openbaarde zich aan ‘adam,’de aartsvaders, Mozes en de profeten door middel van zijn stem, vuur, wind.( –> Sinaï, wolkkolom, opdracht aan Elia in de stilte na de storm etc). In Gods voorbijgaan in vuur en rook (Ex19.18) wordt de Tora aan Mozes geopenbaard. Het gaat om het luisteren naar zijn stem = Tora doen. 
    • De apostelen en de andere leerlingen ervaren de ontvangst van de kracht van God op een zelfde wijze als Mozes en de profeten door verschijnselen van wind en vuur. Vlammen (op het hoofd) is in de joodse traditie ook een symbool van wijsheid ingegeven door het in de praktijk brengen van de Tora. De ontvangst van deze kracht/ geest is geen interne gelegenheid. Het is zo heftig dat velen het horen (evenals bij de gave van de Tora) en er op afkomen. Zij vrome joden die in Jeruzalem woonden en zij die afkomstig waren uit ieder volk op aarde, verstonden deze tekenen, elk in hun eigen taal. Zij raakten in verwarring.
    • Een verbijsterende ervaring, Ze zijn verbaasd dat het geen vromen zijn, maar Gallileërs. Deze worden gezien als het volk dat de wet niet kent. Verschillende vroegen zich af: wat zou dit te betekenen hebben. Anderen spotten, ze zijn dronken.
    • Als de leerlingen beseffen wat hun overkomen is en zich hersteld hebben, begrijpen ze dat dit het startsein is van hun opdracht, uit te gaan naar alle volken. De eerste mensen, de pelgrims, die het mede kunnen doorvertellen zijn hier aanwezig. Dan neemt Petrus het woord.
    • Zijn strategie is niet agressief of verwijtend inzake de beschuldiging van dronkenschap, maar hij roept de toehoorders te luisteren en citeert een bekende passage uit Joël (2.28-32a). Dan maakt Petrus de verbinding met Jezus uit Nazareth door God gezonden. Hij heeft getuigd van de grote daden van God. U hebt hem door heidenen laten kruisigen. De dood kon zijn macht over hem niet behouden. God heeft hem tot leven gewekt. Daarna gaat hij verder met een andere bekende passage over David en trekt dit door naar Jezus als Davids zoon.

    De Geest.
    (Ruach, / shehina/ Pneuma)De Geest van God is een bekend gegeven in het eerste/oude testament. Gods geest zweefde al over de wateren voor de schepping van de wereld. Ps 104. 25-35, een lofprijzing op de schepping eindigt met God lof / Halleluja. Zij bewerkstelligt de redding van zijn volk. Geeft kracht aan Mozes en profeten.
    In latere tijd worden Ruach en God inwisselbaar. Zo ontstaat de term ,,de heilige geest'' (Jes.63.10.11, ps. 51,13). Zij brengt sjalom / vrede in de gemeenschap. De beloofde messias is drager vaan Gods geest. (jes.11.2). Zij daalt op Jezus neer bij zijn doop. Jezus draagt zijn missie over aan zijn leerlingen. Deze ontvangen de Geest als een geschenk van God.

    In hun eigen taal verstaan wat er aan de hand is.
    Deze ervaring wordt vaak vergeleken als tegengesteld met de spraakverwarring bij de bouw van de toren van Babel (gen. 11.) Er zijn ook andere verklaringen. De in Jeruzalem verblijvende Joden waren vrome Joden en Jodengenoten, die minstens een keer in hun leven een Pelgrimstocht naar Jeruzalem maakten. Velen bestudeerde levenslang Mozes en de Profeten. Zij waren in verwarring omdat zij een openbaring van God waarnamen, een eigen beleving van de vervoering. Er vindt een hertaling van oude begrippen plaats. Zij worden herinnerd aan Gods grote daden (ps 104). Ze zijn verbaast omdat deze ontvangen werd door deze ‘tweederangs en ongeletterde’ Gallileërs. Dit in tegenstelling tot hun identiteit als vrome joden. Velen gaan terug naar hun land onder de volken en vertellen hun ervaringen verder.

    Reacties van leerlingen toen en nu.

    • Pasen: verbijstering. We hadden iets anders verwacht. Onwerkelijke situatie. Paaslam, zondebok, alles lijkt te veranderen. Hij is niet dood, Hij leeft onder ons voort.

    • Hemelvaart: ze blijven toch achter, ondanks de belofte van Jezus. De vader vragen kracht te zenden. .

    • Pinksteren: Ontvangen kracht, volgens de schriften. De leerlingen ervaren dat ze niet als wezen zijn achtergelaten (Joh. 14.18). Het inspireert de leerlingen in navolging van Jezus, zijn weg te trachten te vervolgen. De liefde van Christus straalt af op de praktijk van de leerlingen. Zij verwachten een spoedige wederkomst. En gaan op weg te getuigen naar de volken, opdat zij ook leerling zullen worden. Al doende door om te zien naar elkaar en goederen te delen. Gelovigen die elkaar in voor - en tegenspoed trachten te steunen.

    • Niet in Jeruzalem blijven, op reis gaan, als mensen van de WEG, als Pelgrims, geïnspireerd door de vrede van Jezus, de ware Sjalom, die mensen elkaar niet kunnen geven (joh. 14.27). De spoedige wederkomst is uitgebleven.

    Tot op heden is de Pinksterboodschap nog steeds de roeping van de volgelingen van Jezus. Hoe verdeeld zij geworden zijn in de loop van de eeuwen. Haar opdracht tot zoeken van gerechtigheid, die tot vrede kan leiden, blijft. Een voortdurende uitdaging, een pelgrimage om die weg te gaan. Het gaat daarbij niet alleen om geloven. Het gaat erom het geloof zichtbaar te maken in eigen context en in de wereld. Door misstanden te voorkomen, te zien waar misstanden zijn ontstaan, de oorzaken op te sporen en te bezien hoe er veranderingen tot stand zouden kunnen komen. Dit kan iemand niet als privé gelovige alleen. Daarvoor zou de geloofsgemeenschap / de samenwerkingen tussen geloofsgemeenschappen, en anders gelovigen, zoals joden en moslims en andere religies een inspiratie bron kunnen / moeten zijn. Elkaar steunen, waar mogelijk, inzake tegenspraak / tegengas tegen de heersende machten / opinies. Praxis in navolging van Jezus, in de geest van Pinksteren is bevrijdend en komt van binnen uit. Daarvoor is het besef, als gedoopten, te mogen leven en werken in het krachtveld van de Geest van groot belang.

    Héleen Broekema (TW).

    1 juni 2014

    7e zondag van Pasen

    Ezechiel 39,21-29; Psalm 126; 1 Petrus 4, 12-19; Johannes 17, 1-13
    VERLEIDINGEN TOT TEKSTMISBRUIK en HEILZAME SPIEGELS 

    Wetend, in welke erfschoenen wij staan, zouden we altijd voorzichtig moeten zijn om ons toe te eigenen dat het Israël uit de Geschriften vanzelfsprekend slaat op ons. Sinds Jezus mogen wij aanzitten aan de Tafel van deze God, maar we mogen ons noch de Tafel, noch deze God toe-eigenen. We geloven samen, dat deze God God is van de hele wereld, van alle volken. Ons tot Haar bekennen is allereerst: verstaan dat Hij gerechtigheid wenst tussen Haar mensen. 

    We hebben weer een zondag met teksten die veel misbruikt werden, en ook nu nog te misbruiken zijn. Eerste overweging kan dan ook zijn, ons te realiseren dat de teksten van Johannes en Petrus deel zijn van die Geschriften die in een kort tijdsbestek werden geschreven: de paar decennia waarin Jeruzalem was verwoest, de Jezusvolgers zich afsplitsten van het Joodse volk en deels zelfs vijandschap koesterden tegen de Joden. Tegelijk een groep mensen die zelf vervolgd werd, en leefde in de verwachting van de snelle Wederkomst van Christus. Geschreven in een heel kort tijdsbestek, denkend dat dit aardse bestaan snel voorgoed voorbij was voor alle volken.
    We lezen de teksten echter tweeduizend jaar later. Ezechiël en de psalmen komen uit dat geheel aan Geschriften, dat de rijping van enkele eeuwen heeft meegemaakt. Zoals Klaas van der Kamp, Algemeen Secretaris van de Raad van Kerken, aangeeft in zijn boek “Raven”, geven die teksten meer ruimte aan wijsheid, nuancen van realiteiten, beschrijven ze realiteiten. Ze zijn minder snel een ideologisch discours. 
    We lezen de teksten echter tweeduizend jaar later. Eeuwen waarin christenen zich op vele wijzen te buiten gingen aan geweld en onderdrukking van hun Joodse zusters en broeders. Eeuwen waarin christenen en christelijke naties zich te buiten gingen aan veel geweld, verovering en overheersing in de hele wereld. Tot op vandaag gaat dat voort, zij het niet meer in naam van christelijke naties. Maar de neoglobale markt is ontstaan vanuit het christelijke Europa, en wordt (nog) sterk vanuit ons continent bepaald.
    We lezen de teksten echter tweeduizend jaar later. Nadat een ‘christelijke’ natie zeer haar best had gedaan de Joden uit te roeien, gebruik makend van eeuwenlang ‘christelijke’ teksten tegen Joden, konden ze eindelijk naar hun land terugkeren. Voor veel Joodse mensen is de profetie van Ezechiël en psalm 126 eindelijk realiteit geworden. Voor veel Joodse mensen ook niet.

    De realiteiten van 2014 maken het lezen van deze teksten complex. Want we lezen niet in een abstracte ruimte. We lezen, duiden en verstaan de teksten binnen de wereld die we nu leven. De teksten brengen ons tot oordelen en tot handelen in deze wereld, van 2014.
    De verleidingen tot tekstmisbruik zijn vele. Ik noem er enkele:

    • Nu zijn wij dat volk, wij zijn het Israël in geestelijke zin, God zegt ons Zijn heil toe.
    • Israël maakt het weer niet waar, moet zo’n land wel blijven voortbestaan? Of moeten wij het blijven steunen?
    • De neiging onder Nederlanders, om elke Jood die ze tegenkomen ter verantwoording te roepen over wat in Israël gebeurt aan onrecht tegen het Palestijnse volk.
    • Of, mogelijk erger nog: dat land moet wel voortbestaan, want anders kan Jezus niet terugkeren. Maar we hopen op een snelle Wederkomst, zodat Jezus (met ons) eindelijk dat land kan heiligen.
    • Ook de ‘onopgeefbare verbondenheid’ met Israël kan worden beleden, en misbruikt. Wie om die reden geen kritiek wil toelaten op de staat Israël, laat al die Joden (in Nederland en Israël en zoveel landen meer) in de steek, die zich zo hard inzetten om dit land te laten worden tot een land waar werkelijk vrede en gerechtigheid zal opbloeien.

    Heilzame spiegels in onze geschiedenis:
    De soort Bijbelteksten waar het vandaag om gaat, werden alle geschreven met twee doelen: troost geven aan mensengroepen die in onderdrukking leefden, én tegelijk hen oproepen tot morele verantwoordelijkheid, en gerechtigheid leven in hun midden zodra de onderdrukking voorbij zou zijn. De teksten getuigen van een God die in de geschiedenis meeleeft en mee lijdt.
    Deze teksten vragen daarom allereerst, ‘onze’ geschiedenis te kennen. Onze geschiedenis kennen, en ons dan afvragen, in bescheidenheid, in welke mate we ons onder deze teksten mogen plaatsen.
    Voor zover we een lijdende gemeenschap zijn, die leeft in verdrukking, is de troost van deze teksten troost die ons wordt aangereikt.
    Voor zover we als gemeenschap ruimte zoeken voor en geven aan mensen die ontheemd zijn, die aangedaan lijden uithouden moeten, zijn deze teksten ons bemoediging. Zeggen ze ons aan dat God ons in die zoektocht, in die verantwoordelijkheden niet alleen zal laten.
    In Nederland zijn we ook, bijna allen, bijna altijd, deel van een dominante wereld, die tot op vandaag leeft op de schouders van anderen die de pijn dragen van onze welvaart. Wij mogen ons dus niet zomaar stellen onder die teksten die hoop geven aan een wanhopig volk. De teksten zijn ons allereerst spiegel: een spiegel waarin ons spiegelbeeld ons vraagt naar de gerechtigheid die wij bieden aan mensen die daar zo hard behoefte aan hebben.

    En wetend, in welke erfschoenen wij staan, zouden we altijd voorzichtig moeten zijn om ons toe te eigenen dat het Israël uit de Geschriften vanzelfsprekend slaat op ons. Sinds Jezus mogen wij aanzitten aan de tafel van deze God, maar we mogen ons noch de Tafel, noch deze God toe-eigenen. We geloven samen, dat deze God God is van de hele wereld, van alle volken. Ons tot Haar bekennen is allereerst: verstaan dat Hij gerechtigheid wenst tussen Haar mensen.

    Yosé Höhne-Sparborth

    25 mei 2014

    6e zondag van Pasen

    Het belang van deze zondag : 
    Lezen met het oog op Pinksteren:

    • Vragen om weerbaar en waakzaam te kunnen zijn in de aanvechting,
    • het lijden niet uit de weg te gaan en
    • door de Gest verbonden te blijven met Christus.
    • Elkaar herinneren aan zijn belofte : bidt en gij zult ontvangen! Rogate!.
    • Zich voorbereiden op het vieren van de blijdschap, te kúnnen volharden in geloven-zonder-Jezus-te-zien.

    Uitleg bij Joh 16:16- 24 

    Stichwörter in deze pericoop zijn:

    • een weinig ( Joh. 16: 16, 17 18, 19),
    • aanschouwen (16 : 16, 17, 19),
    • zien (16, 17, 19, 22),
    • blijdschap, verblijden ( Joh. 16: 20, 21, 22, 24)

    “Een weinig, en gij zult mij niet meer aanschouwen, en wederom een weinig, en gij zult mij zien’ (vers 16). Veel vertalingen voegen aan dit weinig toe ‘tijd”. Wellicht wordt dit ook bedoeld. Maar dan moeten we wel in het achterhoofd houden dat tijd wordt gemarkeerd door wat er van Godswege geschiedt. Bovendien moeten we bedenken dat achter dit ‘een weinig” de tegenstelling wordt verondersteld met dat wat in de kosmos gebeurt ‘groot’ wordt genoemd. Groot zijn de pretenties van al wat macht heeft in de wereld: die macht denkt dan ook in historische tijdperken, het liefst in eeuwen, om niet te zeggen in eeuwigheden. God grijpt hierin in, in die grootdoenerij waarin niets geschiedt In de bijbelse taal heet die confrontatie van de makromanie met het goddelijk ingrijpen ‘drie dagen’’. De derde dag, en zie:er is hoop voor allen die onder de makromanie dreigen door te gaan. Het weinige van de historie, de makromanie blijkt ‘weinig”te zijn, in de ontmoeting met Gods geschiedenis.

    De verzen 16 – 19 kunnen we vergelijken met een vertraagde beweging. Wat Jezus hier zegt over zijn dood en verrijzenis zal de discipelen vreemd in de oren hebben geklonken. De woorden uit vers 16 worden om en om gewend, en eindelijk sluit de cirkel weer als ze onopgehelderd bij Jezus zelf terugkeren (v. 19). Door dit schijnbaar onnodig ‘oponthoud’ uitgebreid weer te geven, heeft de evangelist de aandacht van zijn hoorders des te sterker op de kern van zijn boodschap gericht. Het raadselachtige stichwort mikron ( 7 maal) is voor de leerlingen een signaal om vooral te luisteren naar de centrale vraag in deze pericoop; wie is Jezus voor de zijnen wanneer zijn dood hen voor een onoverbrugbare kloof zal plaatsen? Dat de discipelen onderling dat antwoord niet konden geven is duidelijk. Alleen Jezus was in staat het verlossende woord te spreken. Als voorwerp van aanschouwing staat Jezus alleen, is Hij uitzonderlijk, en voor de aanschouwers blijft het bij “theorie’. Maar wie Jezus ziet, terwijl hij hem niet meer aanschouwt, die is een ander mens geworden; hij heeft zijn praxis in de Geest.

    De verzen 20 en volgende bevatten het antwoord van Jezus dat ver uit reikt boven de door de leerlingen gevraagde verheldering.Jezus zelf heeft bij voorbaat de kloof tussen zijn dood en zijn opstanding overbrugd. In Hem ligt nu voor zijn volgelingen dan ook de weg naar de toekomst open. Door de opstanding, waarin Jezus zich laat zien aan zijn volgelingen, worden zij voor eeuwig zijn tijdgenoten, opgewassen tegen de onsterfelijkheidswaan van deze eeuw.

    In deze lijn ligt de Johanneïsche betekenis van horaoo in ‘gij zult Mij zién’ Er klinkt iets in door van een gelovig zien met hart en ziel van Jezus in de Geest. Het weerzien van Hem in de opstanding werd voor de hoorders van Johannes verbreed tot een weerzien –in-de-Geest op Pinksteren, en in het verlengde daarvan in zijn parousia. Zo komt dit alles te staan in een eschatologisch perspectief‘.
    Het noemen van de ‘wereld’in v. 20 kan de positiviteit van dit beeld alleen nog maar versterken; het is dezelfde kosmos die het ‘geding om de waarheid’ tegenover Jezus heeft verloren en definitief is veroordeeld. (vs 11)

    In hetzelfde licht kunnen we ook Jezus’ beeldspraak in vs 21 lezen: het verdriet van de gemeente om zijn afwezigheid is opgenomen in de “Messiaanse geboorteweeën’ van de komende eoon Vanuit Jezus bezien is het – hoe lang het ook schijnt- toch en korte tijd van droefheid Hem ‘ziende’ in geloof gaat het ene mikron a.h.w in het andere over. Dat wil zeggen geen vreugde na droefheid, maar een vreugde die uit droefheid geboren wordt. Het gaat dus in de pijn van het gemis om het zien van de komende Heer. Het gij zult mij zien komt dan ook versterkt terug in Ik zal u (weer)zien. In Jezus zelf ligt het geheim van de door niemand te roven vreugde waarop in deze pericoop alles is gericht. (vs. 24). Deze vreugde zal het diepst beleefd worden in het gebed. Het Erootèsete in vs 23 is duidelijk van aitèsete te onderscheiden. Het eerste in de betekenis van vragen-stellen is wat de discipelen deden vs.17 en 18. Het geheim van Jezus’ woorden ging nog aan hen voorbij. Met deze 'oude’ zin van vragen wordt in een zin afgerekend: Jezus zelf zal waarlijk present bij hen zijn en zijn Geest zal hen in alle waarheid leiden. Nu kunnen ze ook vrij tot de Vader bidden Bidden in Jezus’ Naam zal een vragen zijn waarin discipelen zich met Hem mogen vereenzelvigen. . Ze zullen delen in de gemeenschap van de lief tussen de Vader en de Zoon. Hieruit kunnen we niet een algemene stelregel voor het gebed aflezen: . Het gebed zal staan onder de druk van hun confrontatie met de wereld en hun aangevochten geloof. Maar toch zal de Geest door alles heen voor hen zijn de Schepper van hun vreugde in Christus.

    Aanwijzigingen voor de preek.
    1. De vraag: ‘Hoe houden we het vol om te geloven is een vraag die veel gemeentleden inclusief wij zelf, zullen herkennen. Maar op deze vraag geeft de gelezen pericoop van het Johannes evangelie geen antwoord, wel op de vraag: hoe houden we het vol te geloven zonder Jezus te zien. Een laconieke reactie kan zijn: ‘wij weten niet anders, we zullen het ermee moeten doen.. Zo’n laconieke reactie kan ook een invalshoek worden voor de preek. Als contrast: er zijn mensen geweest, joodse medechristenen van ons, voor wie het wel degelijk een klemmende en reeële vraag was. Niet voor ons?!
    2. Identificatie Johannes heeft de woorden van Jezus van voor Pasen zó in zijn evangelie opgenomen dat ze voor de gemeente in zijn tijd te verstaan waren. Deze woorden kunnen ook ons met steeds nieuwe overtuiging en kracht in staat stellen om in het geloof te volharden zonder Hem te zien. Beslissend is dat Hij ons ziet.
    3. Heroriëntering: De eigenlijke vraag is: hoe kan Hij –juist ongezien- in de gemeente en in de wereld tot zijn recht komen? Het lijden ter wille van de waarheid is –zoals in vs 21- op de blijdschap van het zien van Jezus gericht. Het verdriet is er om het leven dat komt. Het lijden is herkenbaar als geboortepijn van de nieuwe wereld. Het is een onderdoor gaan zonder er nog aan ten onder te kunnen gaan

    Lies (TWG)

    18 mei 2014

    5e zondag van Pasen

    Dueteronomium 6:20-25 
    “Wanneer je zoon je morgen de vraag stelt: “Wat is dat met de inzettingen van de Ene, onze God?” De lezingen staan nog in het teken van Pasen, het grote feest van de Bevrijding: de doortocht door de Rode Zee, het nieuwe begin met de geboden van de Ene. Een weg uit de slavernij, die naar het leven voert. Het hele bestaan staat in het teken van die bevrijding. Leven vóór het aangezicht van God-met-ons. Wat vragen ónze kinderen ons, denk ik daarbij. Ze zien ons vallen en opstaan, leven met de dubbelzinnigheid van onze bevrijding, de grote en ook de kleine. Ze zien ons hulpeloos tegenover de dubbelzinnigheid van elke bevrijding, waarbij veel offers gebracht worden: ook door de vijand, de farao en zijn legermacht. Voor de slaven die ontkomen zijn volgt een lange tocht door de woestijn, op weg naar het Land van Belofte waar te leven valt. En ook voor ons is de tocht lang: tussen integriteit en mededogen of als mensen die ons verlies proberen te verbergen, vaak toch nog meedrijvend met de stroom van het Nieuwe Egypte of Nieuw Babylon: en dat staat voor het ophemelen van het grote geld, voor de prestigieuze bouwwerken en het ophouden van je stand. Voor velen geldt dit niet: ze leven aan de onderkant. In de mythen van onze tijd staat dit verhaal van Bevrijding recht overeind, het is richtingwijzend. Het beschrijft geen eigenmachtige overwinning over een tegenstander: het is een redding waaruit een rechtvaardig leven voortvloeit. Ook ons wijst dat een weg, samen met onze geestelijke voorouders die Jezus volgden.

    Psalm 66 Juich voor God, heel de aarde! Het gaat over alle mensen, de “zoons van Adam” (Eva moeten we er maar even bij denken in een mannencultuur). En dan gaat het over dat ene volk, dat zichzelf niet bevrijdde uit de slavernij, maar dat zijn handen uitstak naar de redding uit het geweld: “Wij kwamen in vuur en in water, U hebt ons uitgeleid naar de overvloed!”

     

     

     

     

    1 Petrus 2:1-10 Een brief uit de begintijd van de gemeenten die zich “Christenen” gingen noemen. Het is niet zeker dat hij van Simon Petrus is, één van Jezus’ eerste volgelingen. De auteur schrijft aan “vreemdelingen in de verstrooiing,” mensen die niet bij “het volk,” de ‘am hoorden, maar die nu een priesterlijke rol vervullen. De nadruk op een levensstijl uit één stuk wijst op een Joodse achtergrond. Het is niet duidelijk of Jeruzalem al gevallen is onder het geweld van de Romeinen. Hij heeft het over een huis van God, waarin mensen levende stenen zijn en citeert Jesaja: “De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, werd de hoeksteen.” Dat betrekt hij op Jezus. Wat hij zegt over die jonge gemeente, klinkt als één harmonisch geheel,

    Evangelie naar Johannes 14 vers 1-14
    Jezus spreekt over zijn eenheid met de Vader. Johannes, zo poëtisch als hij is, komt hier al met woorden die gebruikt zijn voor de latere leer over Vader, Zoon en Heilige Geest. Van dit Evangelie weten we dat het geschreven is na de val van Jeruzalem. Het volk Israël is verstrooid, de jonge kerk raakt los van haar wortels, ze is als een kind dat op eigen benen moet staan in een vijandige omgeving. Niet voor niets ligt hier de volle nadruk op de liefde die Vader en Zoon verbindt, en die de “mensen van de weg” bij elkaar houdt in tijden van vervolging.
    Een thema voor gelovigen die overleven door de kracht van de Geest.

    Janna F. Postma

     

    4 mei 2014

    3e zondag van Pasen

    Tja, na Pasen. “WIJ zijn de verlosten, WIJ zijn nu Israël”. Juist vandaag herdenken we ook de Shoa. Kunnen wij christenen de Verlossing vieren op een wijze die ook voor anderen, Joden voorop, bevrijdend klinkt? Bescheiden, vragenderwijs: wie moet dan verlost? Waarvan? WIJ verlost mogelijk van een ‘Verminkt Godsgelaat’? God, te veel verBeeld naar witte mannen? Is zo’n verlossing mogelijk?
     

    4 mei 2014, 3de zondag na Pasen 
    Jes. 43, 1-12; Ps 16, 10-14; 1 Pet. 1,17-23; Joh. 21, 1-14

    Pasen. Het christelijke toeëigeningsgehalte is altijd hoog, in deze Paastijd wordt dat in sommige preken penetrant. Mij kwam in een Paaspreek ter ore, ‘dat we als christenen gezonden zijn om te zorgen dat ook moslims en joden Jezus gaan erkennen’. Dit is de triomfale toon van een dominante groep, die zich niet hoeft af te vragen hoe de niet-dominante groepen zich voelen. Dit soort Paaspreek jaagt mij de kerk uit. En vandaag lees ik de Johannestekst maar eens even als een tekst die mij een praktijk aanbiedt in dat de kerk uitlopen. Andere interessante details laat ik aan uw eigen goesting.

    Bij Johannes:
    De mannen gaan vissen. Ze zijn terug bij hun metier, visser. Teruggekeerd in het reëel bestaande leven, na de korte eufore periode achter die Jezus aan die nu dood is. Jawel, verrezen, maar wij weten goed dat dit theologisch inzicht toch pas opkwam enige jaren nadat de beweging rond Jezus was uiteengeslagen. Vissen, met handwerk in je levensonderhoud voorzien.
    En dan is er dat verhaal, dat iemand hen terugstuurt het meer op, hun netten raken overvol, en als ze dan weer aan land komen is daar een kolenvuur, waarop vis en brood ligt. En Jezus zegt: “Kom, en houd maaltijd’. Zo eenvoudig mag het zijn als het aan Jezus ligt, onze Gastheer. Dit is authentiek, een kolenvuur in het zand en daarop brood en vis, en Jezus die nodigt: “Kom, en houd maaltijd”.
    Hoeveel hebben wij als geïnstitutionaliseerde christenen laten aanslibben, hoeveel vertoon hebben wij nodig om nog in staat te zijn dat Paasmysterie te vieren met elkaar? Of moesten maar niet gewoon eerlijk vragen: instituut, mooi, het helpt erbij om de eeuwigheid op aarde te beleven. Maar ging het Jezus wel om die kerk, ging het oorspronkelijk niet om iets anders? Van hoeveel moeten we onszelf bevrijden, om werkelijk te kunnen terugkeren tot waar die Jezusbeweging en Zijn Verlossende genade voor ons weer herkenbaar wordt?
    Diverse kerken hebben meer de allure van Romeinse keizers – in gewaad, in gebouw, in liturgisch theater, in hiërarchische grootheid – dan van die eenvoudige uitnodiging bij een kolenvuur met brood en vis: “Kom en houd maaltijd”. Verlossend is dat allemaal niet, al dat keizerlijke aanslibsel.

    Bij Jesaja:
    Om de teksten van deze zondag goed te begrijpen, zouden we ook kunnen beginnen bij Jesaja. Klaas van der Kamp, algemeen secretaris van de Raad van Kerken, schreef net zijn prachtige boek: “Raven”. Daarin pleit hij ervoor, om als christenen het ‘Oude Testament’ weer serieus te nemen, en niet als tweederangs, of enkel als bewijsvoering dat het eigenlijk altijd al om Jezus ging. Jezus zelf gaf aan dat geen jota of stip van de wet veranderde. Welke arrogantie bracht en brengt christenen ertoe, die oudere geschriften te verwaarlozen of erger mogelijk nog, ze enkel te misbruiken ter onderstreping van eigen gelijk?
    Jesaja dus, en niet als voorafspiegeling van Jezus. Mij vallen meteen twee verzen op: “Israël, vrees niet, want Ik heb u verlost. Ik heb u bij uw naam geroepen.” En “Ik zeg tot het zuiden: Houd niet terug, breng mijn zonen van verre en mijn dochters van het einde der aarde. Ieder die naar mijn naam genoemd is en die ik geschapen heb tot mijn eer.”
    Wat mij hieraan opvalt: ieder die God geschapen heeft naar Haar eer; mogen we daar toch maar alle mensen onder rekenen? En: in die tijd die we altijd zo zeer patriarchaal noemen, spreekt de profeet van zowel de zonen als de dochters. Toen nog we. In de ‘christelijke’ teksten worden de dochters onzichtbaar, in ‘christelijke’ tijden verloren ze zelfs hun ziel. Nog steeds niet alle kerken hebben zichzelf in deze gecorrigeerd. Jesaja laat horen hoezeer dat van belang is: bij je naam geroepen worden staat gelijk aan verlost worden. Wat doet een mannenkerk, door vrouwen ongenoemd te laten, of erger nog, als niet geroepen te beschouwen? Wie heeft mannen ooit de zending gegeven om vrouwen uit te sluiten, ongenoemd te laten?

    Pelgrimstocht van gerechtigheid en vrede:
    In zijn boek “Raven” memoreert Klaas van der Kamp, dat de ‘christelijke teksten’ de beperking hebben van maar een heel korte periode van ontstaan, bovendien door mensen die de Eindtijd heel dichtbij dachten. Je gaat dan denken en schrijven in de korte termijn. De teksten uit het “Oude Testament” hebben het voordeel van een visie van lange termijn, het voordeel van mensengeschiedenis waarin ervaringen in uiteenlopende tijdperken corrigerend op elkaar kunnen werken. Dat kan uiteindelijk meer Heil stichten, dan teksten uit een paar decennia slechts, waarin alle schrijvers geheel gericht waren op ‘de hemel’. Tweeduizend jaar christendom heeft veel dominante vormgeving aan politieke staatsvorm laten aanslibben, tot basis gemaakt, en kritieken daarop nog nooit het canonieke gewicht gegeven dat de brieven van Titus en Timoteus wel hebben. De ‘christelijke’ teksten geven ons geen handreikingen voor zelfkritiek en zelfzuivering. In welke mate is Gods Genade dan eigenlijk wel veilig in onze handen?

    Kerk en Vrede viert haar 90 jaar bestaan. Onder andere werd dat luister bijgezet op 25 april, “zichtbaar maken wat onzichtbaar gehouden wordt, als een eerste stap op ongebaande wegen” onder de titel “Gods Verdwenen Gelaat”. Klaas van der Kamp gaf daar aan, dat een pelgrimstocht alleen maar mogelijk is, als je ‘op reis gaat en niet in je koffer meeneemt…’ ofwel: achterlaten, ballast achterlaten, je beperken tot het allernoodzakelijkste en al het andere achterlaten.

    Volgens Johannes is het allernoodzakelijkste: een vuurtje in het zand, daarop brood en vis en de woorden: “Kom en houd maaltijd”.
    Volgens Jesaja is het allernoodzakelijkste: “verlost zijn, bij je naam geroepen zijn; de zonen en de dochters teruggebracht.” “En de dochters”. Waar je veel achterlaat, komt ruimte voor nieuwe inzichten.

    Een eerste stapje?
    “Gods Verdwenen Gelaat”, of Gods Vermiste Gelaat, La Desaparecida, hebben we op 25 april tot symbool gemaakt voor al die volken en bevolkingsgroepen die onzichtbaar gemaakt zijn, of weggevaagd werden van de aardbodem, of buiten beeld gehouden uitgebuit, onderdrukt, gekneveld.

    We mogen ons geen beelden maken van God. Maar christenen doen het wel, altijd: een witte man, eventueel met baard. Patriarch. Dat is God. Als alle mensen samen naar Gods beeld geschapen zijn, is zo’n ‘beeld van god’ een verminkt gelaat. Het meeste weggehakt, verduisterd, ontkend, ongenoemd. Zoals Indianen werden weggeschoten uit de geschiedenis; zoals Joden werden weggevoerd en omgebracht in Europa; zoals Afro-mensen werden gedeporteerd uit Afrika om elders ‘eigendom’ te worden, verdingd, niet bij naam geroepen.

    Gods Vermiste Gelaat symbool voor al die mensen, om hen present te stellen in onze reflecties op de werkelijkheid. Reflectieas op de werkelijkheid zoals ‘WIJ’ die anderen aandeden en aandoen. ‘Gods Vermiste Gelaat’ als voortdurende uitnodiging om ongenoemde mensen bij naam te noemen; om onzichtbaar gehouden mensengroepen zichtbaar te maken; om zo velen te bevrijden uit onze westerse dominante wijze van kijken en oordelen; ook wij als kerken zijn in die greep. Ons verlossen daaruit. “Gods Vermiste Gelaat” opgraven uit onze geschiedenis die zoveel verminkte en misvormde.

    “Ik heb u verlost. Ik heb u bij uw naam genoemd”

    Een preek specifiek op 4 mei gericht vindt u hier.

    27 april 2014

    2e zondag van Pasen

    Na Pasen op Pelgrimstocht van gerechtigheid en vrede.
    Tegenwoordige tijd geen karikatuur van de eeuwigheid. Maar geloven in gekwalificeerde vrede.


    Bijbellezingen: Genesis 8, 6-16 Psalm 11 1 Petrus 1, 3-9 Johannes 20, 1-23

    11 Maria dan was gaan staan buiten bij het graf, wenend en terwijl zij weende bukte zij zich in het graf
    12 en zij aanschouwt twee boden in het wit  neergezeten, één bij het hoofd en ‘eén bij de voeten waar het lichaam van Jezus lag,
    13 En die zeggen tot haar:vrouw, wat weent gij? Zij zegt hun:omdat zij mijn Heer hebben genomen en ik weet niet waar ze hem hebben gelegd.
    14 En toen zij dit had gezegd keerde zij zich achterwaarts en zij aanschouwt Jezus daar staande, en zij had niet geweten dat het Jezus was.
    15 Jezus zegt tot haar: vrouw, wat weent gij? Wie zoekt gij? Zij. menend dat hij de hovenier is, zegt hem: heer. als gij hem hebt gedragen,  zeg mij waar gij hem hebt gelgd en ik zal hem nemen.
    16 Jezus zegt tot haar: Maria! En deze , zich omkerend:  zegt hem in het Hebreeuws: ‘rabouni,, het welk wordt gezegd: leermeester, Jezus zegt tot haar: houd mij niet vast,  want ik ben nog niet opgegaan tot de Vader. Maar  ga uit tot mijn broeders. en zeg hun: ik ga op tot mijn Vader en uw Vader, en mijn God en uw God.
    19 Toen het dan avond was op die dag op de eerste van de week, en toen de deuren gesloten waren door de vrees van de Judeërs kwam Jezus en hij stond in het midden en hij zegt hun: vrede aan u!
    20 En toen hij dit had gezegd toonde hij hun zowel de handen als de zijde. De leerlingen dan werden verbijd toe ze de Heer zagen.
    21 Jezus dan zei wederom tot hen: vrede aan u; zoals mij de Vader heeft gezonden zo zend ik u.
    22 En toen hij dit had gezegd blies hij en hij zegt hun: ontvangt de heilige Geest,
    23 als gij van sommigen de zonden wegneemt dan zijn ze hun weggenomen, als gij van sommigen aangrijpt dan zijn ze aangegrepen (vertaling Naastepad, Th. J. M., Pasen en passie bij Johannes. deel 2 - hoofdstuk 18-21..Kampen 1986. Pagina 74 en 82)

    In deze pericoop gebruikt de schrijver significant vaak de stijlfiguur van de tegenwoordige tijd, welke hij in de pericoop hierop volgend meer los laat We vinden hem alleen nog terug in vers 19.  Als de tegenwoordige tijd gehanteerd wordt, maakt de schrijver ons hoorders van nu tot deelgenoten van de eerste dag want van die dag en van dat licht leven wij ook. De schrijver houdt die tegenwoordige tijd niet vast. Hij kan die tegenwoordige tijd niet vast houden tot het eind van zijn evangelie enerzijds niet omdat dan de pointe er van af zou gaan. Anderzijds niet omdat dat aan zijn lezers een tijdloosheid zou suggereren, een karikatuur van de eeuwigheid. Hij zou zijn lezers dan doen belanden in een roes buiten de werkeijkheid, dat wil zeggen, de werkelijkheid van de kosmos, die nog immer de werkelijkheid van Gods rijk bedreigt.
    Zowel in Joh 20, 19 als in vers 26 is er sprake van dat de discipelen achter gesloten deuren bijeen kwamen. Dat klinkt ons als gemeente van de een en twintigste eeuw wellicht vreemd in de oren: moeten we geen open, gastvrije gemeente zijn? Als motivatie geeft de evangelist de vrees van de Judeeërs. De vrees vóór de Judeeërs valt te begrijpen vanuit 9. 22. Daar lezen we dat de Judeeërs samen een besluit hadden genomen dat als iemand zou zeggen dat Jezus de Messias zou zijn deze uit de synagoge zou worden geworpen. Zo’n excommunicatie hield ook een maatschappelijke ban in. Reeds op de avond van de eerste dag van de week , de avond van de dag dat Jezus is opgestaan is er de vrees voor deze religieuze en maatschappelijke excommunicatie. Dit vertoon van macht waarvoor je op je hoede moet zijn. Johannes legt hier veel nadruk op.,  omdat hij dat bij een tweede bijeenkomst van de leerlingen herhaalt.. De gemeente komt illegaal bijeen, gedreven door de nood van de tijd. Zij beschikt niet over allerlei faciliteiten haar door de kosmos verleent. De gemeente staat met de rug tegen de muur; al dat lezen uit de thora , de profeten, al het roepen uit de gebeden. Voor de gemeente is het erop of eronder. Achter  gesloten deuren is de plaats bepaling. De tijdsbepaling is de eerste avond van de eerste dag van de week.
    Jezus spreekt in de gelezen en daarop volgende pericoop drie keer tot de discipelen de in die dagen normale groet ‘vrede zij u’ uit ( Joh. 20, 19, 21, 26) . Binnen de context van het Johannes evangelie heeft deze groet echter een extra dimensie. In Joh. 14: 27 laat de schrijver Jezus zeggen: ‘Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld niet geven kan..  Het gaat er in deze en volgende pericoop om om deze gekwalificeerde vrede waar Jezus voor geleefd heeft, voor gestorven is en opgewekt is te bewaren en door te geven. Dat doe je door zonden te vergeven in Gods naam en op de tweede plaats de ongerechtigheid te benoemen die de kosmos rechtvaardigt. Anders gezegd. Johannes roept de gemeente in deze pericoop op scherp op zichzelf en de kosmos te letten en de zonden van deze te benoemen, te vergeven en ongerechtigheid af te wijzen. Dat kan de gemeente omdat ze deze missie in Gods naam doet en niet aan zichzelf is overgelaten. Het is Pasen geweest en Pinksteren (nergens in de evangeliën liggen Pasen en Pinksteren zo dichtbij elkaar als hier). De gemeente is gescherpt door Gods Geest. Dat is de reden dat ze de zonde en de ongerechtigheid in de kosmos ziet en erkend en zich betrokken weet bij de bestrijding van beide. Dat is ook de diepste reden van het bestaansrecht en de plicht van o.a Kerk en Vrede!

    Suggesties voor de preek:
    De wereldraad van kerken roept zijn leden op om mede pelgrims te worden op de pelgrimage van gerechtigheid en vrede. Wat  betekent in onze context voor deze pegrimage, het ‘vrede zij met u’ voor ons. Gaat daar bezieling en elan vanuit? Wat doen we daarmee op onze pelgrimstocht. Zijn wij bereid aan deze pelgrimage mee te doen en onze zucht naar zelfbehoud achter ons te laten? Zijn wij op onze pelgrimstocht werkelijk bereid nieuwe wegen in te slaan? Zingen we de vredesliederen uit de nieuwe bundel? Wat zeggen ons die?
    Wie zijn de Judeeers van onze dagen. Scherpen we ons om ze op te merken?

    Lies van der Zee

    13 april 2014

    6e zondag in de 40-dagen-tijd

    Palmzondag 13 april 2014.
    Jezus' reis naar Jeruzalem is bijna voltooid. God, die trouw is.
    Een leerling Judas, als verrader omdat hij teleurgesteld was in Jezus.
    Een leerling Petrus: die geweld gebruikt, wat Jezus afkeurt.

    Mat 21.1-11. Ps. 118.1-2,19-29.
    Jes. 50.4-7. (52.12-53.12.)
    Fil. 2.5-11.

    De eerste Christenen hebben vele teksten uit het eerste - / oude testament geïnterpreteerd als zijnde door Jezus in vervulling te zijn gegaan. Bijvoorbeeld in de Mattheus lezingen van de afgelopen weken, zijn er teksten gelezen waarin het Volk in ballingschap, aangeduid werd als knecht, als voorbeeld voor de volken. De knecht, (mijn dienaar), in hem vind ik vreugde (NBV)(Jes. 42.2)....... (-->mat.4.17en 17.6). Ik neem je in dienst van het verbond en maak je tot licht van de volken (NBV)/heidenen(St.V). (42.6). Jezus: Ik ben het licht voor de wereld genoemd. Hem volgen is niet blind zijn maar het licht hebben dat leven geeft (Joh.8.12). En dat doorgeven in navolging van Hem (→ fil.2).---De teneur in dit verhaal gaat van intocht als zoon van David naar de mineur van het politieke schijnproces. De kerkelijke kleuren gaan van rood naar paars.

    Mat.21.1-11.
    (context: Jezus bereidt zijn leerlingen voor op zijn arrestatie en dood in Jeruzalem. De leerlingen kunnen het nog niet bevatten).
    Jezus: komt, na zijn omzwervingen door het land, met zijn leerlingen aan bij Jeruzalem. Hij vraagt zijn leerlingen een Ezelin en haar veulen op te halen. – Want de profetie moet in vervulling gaan. Sion moet zien dat haar koning in aantocht is, zachtmoedig en rijdend op een ezelin en een veulen...(zach.9.9). Jezus heeft, zoals een ezel, de last op zich genomen. Zijn last: de last waar de armen, de geringe, en de zuivere van hart onder gebukt gaan. 

    • De leerlingen: geven gehoor aan de opdracht. Zij legden er mantels op en lieten Jezus er op plaatsnemen.
    • De menigte: die opgegaan is naar Jeruzalem om het Paasfeest, de bevrijding uit Egypte, te vieren. Zij leggen mantels op de weg en rukken takken van de bomen. Zij riepen luid: Hosanna (ps. 118.26) voor de Zoon van David.... Zij kennen Jezus door zijn woorden en daden.
    • Het volk van Jeruzalem: raakt in rep en roer en vraagt zich af wie deze man is. Zij kennen Jezus kennelijk niet. Uit de menigte wordt geantwoord: Dit is Jezus, de profeet uit Nazareth in Galilea. Het geroep van de menigte: Zoon van David, wat heeft dat te betekenen? 
    • Galilea:De landstreek waar de mensen in Jeruzalem op neer kijken. Daar leeft het volk dat de wet niet kent. (Het schorriemorrie).
    • Ezelin: de Os en de ezel (schor wachamor – schorriemorrie) spelen o.a. in de 10 woorden en vanuit een oude traditie in het geboorteverhaal een rol. De ezel is, door de eeuwen heen, het lastdier van de armen. Het is een intelligent dier. De ezel is ook het dier dat de bronnen van het leven weet te vinden. Daarom staat zij bij de kribbe. In Jesaja 1.3 wordt de ezel als voorbeeld gebruikt als de Heer spreekt dat de ezel haar voederbak kent, maar Israël, zijn volk hem niet begrijpt (NB)/ onwetend is (NBV). De ezel is het dier van de vrede. Het paard gebruikt men in de oorlog.

    (context is ook: Jezus: Een oproer kraaier, die de geldwisselaars wegjaagt, en dan mensen geneest! Weer eens ter verontwaardiging van de Hogepriesters en de Schriftgeleerden. Zij voelen zich bedreigd door Jezus' optreden en zoeken hem te doden).

    Ps. 118.1-2,19-29.
    Deze Psalm is de laatste van de lofzangen (ps. 113-118) waarmee de Seider-avond (de herdenking van de uittocht uit Egypte) afgesloten wordt. (mat.26.30). Een lofzang van dank over de eeuwige trouw van God, de bevrijder uit benauwdheid. Zie de rechte wegen naar de poort van de Heer. Waardoor de rechtvaardige zal ingaan. (Jes. 26.2). De Heer, die antwoordde en daardoor de overwinning gaf. Daardoor kan de dichter ook zeggen: De afgekeurde steen door de tempelbouwers, is geworden tot een hoeksteen.(Mat. 21.42). Deze dag is door de Heer gemaakt, een wonder voor onze ogen. Gezegend hij die komt in de naam van de Heer, die het licht heeft gegeven (als een lamp voor onze voet). Vier dit feest met groene twijgen (NBV)/ bindt het feestoffer tot aan de horens van het altaar (St.V)/ Bindt nu met snoeren de feestrei tot aan de horens van het altaar (NB). Opgang naar het de tempel voor het offerfeest van de bevrijding Pasen. Pasen dat voor christenen een dubbele betekenis van bevrijding zal krijgen.

    Jes. 50.4-7. (52.12-53.12.)
    (context: De Heer spreekt dat hij geen scheidsbrief heeft meegegeven, maar dat de ballingen verkocht zijn vanwege eigen (mis)daden. En niemand antwoordde toen Hij riep). 
    Met het woord knecht van God wordt geen slaaf bedoeld, maar iemand die als beeld van God, zich geroepen weet.
    4.God de Heer heeft zijn gehoorzame knecht / het getrouwe volk in ballingschap (42.1-4, 49,1-6) een vaardige tong gegeven en een open oor. Hij heeft een opdracht met als gevolg tegenstanders. Hij is niet teruggedeinsd/ weerspannig (StV) voor zijn folteraars. Omdat God hem zal helpen, zal hij niet beschaamd staan en voelt hij zich niet gekwetst.
    (context: God zal recht verschaffen en is hem nabij. Evenals hen die naar de knecht luisteren). (Een loflied op de terugkeer naar Sion. Een toekomst perspectief als het volk ontwaakt(52.1). (Deze tekst wordt hier gebruikt voor Jezus).

    Ps. 73.13-20.
    (context: God is goed voor Israël, voor wie zuiver van hart is. Toch had de dichter bijna een misstap begaan, door te kijken naar de welstand van de dwazen).
    13.Het zuiver houden van het geweten leek tevergeefs. Want daardoor werd hij gestraft en geslagen, elke morgen weer. Toch wil hij niet trouweloos zijn. Maar waarom deze tegenstelling met de mensen die het kwaad najagen? Het binnengaan van Gods huis gaf hem rust en opheldering. Hun welstand zal vergaan. (context: Zijn verbittering, die hem deed gevoelen als een opgejaagd dier is voorbij. Hij weet God leidt volgens plan).

    Fil. 2.5-11.
    Het lied van de mensenzoon. (context: Nu de gemeente van Filippi zich bemoedigd en getroost voelt door Jezus Christus en er grote verbondenheid is door de Geest, vraagt Paulus hem gelukkig te maken door de levenshouding van de gemeente).
    5. Paulus roept de gemeente op onder hen de gezindheid ten toon te spreiden die Jezus Christus had. Deze had de gestalte van God, maar nam die van een slaaf (knecht) aan en werd gelijk aan een mens. Hij werd vernederd en gehoorzaam tot de kruisdood toe. Daarom heeft God hem verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat. Opdat elke tong zal belijden, Jezus Christus is Heer, tot eer van God de vader.

    Mat.26.1, 27-66. 
    Deze laatste lezing in de reeks geeft eigenlijk een beeld van het menselijke van keuzes en de dilemma's. Ook voor Jezus. In de loop van de verhalen wordt hij geschetst als leraar, maar ook als iemand die aarzelen kon, boos kon worden en van inzicht veranderen. Hij kon de verzoeking van de satan (mat. 4.10) en de berisping van Petrus (mat. 16.23) weerstaan. Nu staat hij voor een volgend dilemma. Hiervoor ervaart hij steun en kracht op de berg (mat.17.1-9). Door zijn praktijk wordt hij in het nauw gedreven door de hogepriester en de oudsten die zich bedreigd voelen. Zij willen hem uit de weg ruimen. Maar op grond van welke beschuldiging?  
    Jezus viert zijn laatste Seider-maaltijd met zijn leerlingen. Samen gedenken ze de uittocht uit Egypte. Aan het eind zingen ze de lofzang (ps 113-118) en vertrekken naar de Olijf-berg. Het is het begin van een andere uittocht. Jezus heeft getracht zijn leerlingen daarop en op zijn lijden voor te breiden. Deze hebben hem nog niet begrepen. Hun uittocht is nog niet voltooid. Jezus voelt zich benauwd en angstig. Zijn leerlingen stellen hem teleur en slapen. Zij zijn nog niet ontwaakt. Hun ogen zijn nog niet geopend voor de bevrijding, dat dit alles moest gebeuren. (lc.24.27)
    Hij zoekt steun bij God en gaat bidden (3X), ziet het onvermijdelijke en komt dan tot rust. (->ps.73). Zodanig dat hij tijdens zijn arrestatie nog een woord heeft voor Judas, en een andere leerling die zijn zwaard trekt corrigeert, omdat hij geen geweld mag gebruiken. Zelfs heelt hij het afgehouwen oor van een bedreiger. Jezus staat, als gevangene, zijn belagers ogenschijnlijk rustig te woord staat. (Hier sta ik, het kan niet anders). Hij zal veroordeeld worden op grond van een verdraaide quote (zoals ook de Satan en Eva in Gen 3) over het afbreken en de tempel en opbouw in drie dagen (ps 118). En een opmerking, die aangezien wordt als godslastering. 

    Palmzondag 2014. 
    Macht maakt vaak mensen tot dieven en roversHoe gaan vandaag gelovige mensen met elkaar om: economisch, politiek, dus met de belangen en de (on)macht die zij en anderen hebben.
    De 40dagentijd was een tijd van bezinning. Is over deze vraag met elkaar gesproken? Anders is het misschien mogelijk om tussen Pasen en Pinksteren hier op door te gaan. Wat betekent het ontwaken van de leerlingen dat Jezus niet dood is, maar onder ons voortleeft, voor de eigen praktijk van de leden en de geloofsgemeenschap in haar geheel. Dit t.a.v. de dagelijkse problemen in de leefomgeving en wereldwijd.
    Héleen Broekema(TWG)