30 juli 2017

6e zondag van de zomer 30 juli 2017

1 Koningen 3,5-15 (en Johannes 2, 1-12)

De perikoop over Salomo wordt bij vers 12 afgebroken. Het verdient aanbeveling om toch even door te lezen tot vers 15. Daar lezen we dan: „En Salomon ontwaakt, en zie het was een droom”.

Dat kleine zinnetje zet de interpretatie van het hele verhaal op zijn kop. En dergelijke kleine zinnetjes worden bijna altijd weggelaten in de brokstukken die het leesrooster vullen. Jammer, heel jammer. Om de reden van dat ene zinnetje heb ik ook dit maal een andere evangelielezing erbij genomen, een die ook zo’n zinnetje heeft.

We weten inmiddels dat de boeken koningen geschreven werden in de late koningentijd, door hofschrijvers. Stefan Heim heeft ooit op prachtige wijze beschreven hoe het die hofschrijvers verging, in „Der König Davidbericht”, 1972. In dat boek beschrijft hij de worsteling van de hofschrijver met de opdracht: Vertel de geschiedenis van Koning David, als uitverkorene van de Heer. De hofschrijver wil best beschrijven hoe fantastisch David was, hij wil de herinnering best zo veel mogelijk verfraaien, máár… er is ook zoiets als het geheugen van de mensen. Dus als je wilt dat de verfraaide herinnering aankomt, dan moet het geschetste beeld toch enige vorm van geloofwaardigheid hebben. Het boek van Stefan Heim gaat over die discussie tussen hofschrijver en koning Salomon. En als ik me goed herinner, loopt het met de hofschrijver slecht af.

Stefan Heim schreef dit prachtige boek als persiflage op de perscensuur in de DDR. Het maakt echter subliem helder wat gebeurde in de tijden van het ontstaan van de geschriften. Wie dat helder heeft, beseft hoe belangrijk sommige kleine zinnetjes zijn in deze geschriften.

 

Die zin dus, „en zie het was een droom”. Laten we er maar van uitgaan dat hooggeplaatste mensen ook grote dromen hebben. En dat wij kleine mensjes ons tegen die dromen maar beter kunnen indekken. Vlak voordat deze droom van Salomon wordt verteld, maakt de heilige schrijver dat ook al helder. Hoofdstuk 2 vertelt, hoe Salomon 5 mannelijke familieleden laat vermoorden. En die serie wordt afgesloten met de zin: „En het koninkrijk was in de hand van Salomon bevestigd”. of, volgens de Statenvertaling: Alzo werd het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomon. Alzo. Na vijf moorden op mannelijke familieleden.

Die droom van Salomon is ook absoluut niet onschuldig. Hij verlangt niet minder dan de macht van her rechtspreken, dat is de macht over leven en dood in zijn tijd. Volgens Deuteronomium komt de macht van de rechtspraak toe aan de oudsten, en de koning - zo ze al een koning willen - dient onder de wet te staan. Daar werd dus al een scheiding van machten voorgestaan.

Rond Salomon zijn er nog een paar van die aardige zinnen te vinden. De hofschrijver heeft zijn best gedaan om ons te waarschuwen, zou je kunnen zeggen. Alleen moeten we het wel willen zien. „Klein is de zin en weinigen die hem zien”, zou je kunnen zeggen met een variant om Mattheus. De hofschrijver dus, die ons van die kleine zinnetjes nalaat.

1 Koningen 6-7 laat ons ook zoiets lezen. 6,38 meldt, dat Salomon het huis des Heren in 7 jaar voltooide. Volgt direct 7,1: Maar over zijn eigen huis bouwde Salomon dertien jaar. Voor liefhebbers geeft de Heilige Schrijver ook de maten.

het Huis des Heren: zestig el lang, twintig el breed, dertig el hoog ((1 kon, 6,2). hij bouwde namelijk het huis Woud van de Libanon (zijn eigen huis dus) honderd el lang, vijftig el breed, en dertig el hoog. (1 kon, 7, 2)

Salomon verheerlijkte vooral toch een beetje zichzelf?

De overweging kan gaan over het verschil tussen dromen van machtige mensen (rijk, dominant, machtig, man) en dromen van kleine mensen. Dromen van mensen die de macht hebben hun dromen door te zetten… Maar de overweging kan ook toewerken naar ons eigen vermogen om kritisch te onderscheiden. Thomas van Aquino sprak over deugden, en gaf aan dat machtige mensen andere deugden behoeven dan kleinen. Machtigen dienen bescheiden te zijn, kleine mensen dienen moedig te zijn. En zo kan ik vragend komen bij mezelf. In welke relaties ben ik de dominante, en wat doe ik dan met mijn dromen, of geef ik ruimte aan de dromen van anderen? En waar ik geen macht heb, heb ik daar moed om vragen te stellen bij dromen?

Of nog anders: wiens dromen steunen we? Wiens dromen bevragen we kritisch? Voor wiens dromen zijn we op de hoede?

Als we goed beseffen dat de Heilige Schrijvers ons deze kleine zinnetjes meegeven, staan we als Gods gemeente tevens voor de vraag, of we elkaar helpen om scherp te worden in het vermogen om te onderscheiden.

 

Met de door mij gekozen tekst van Johannes bij deze Salomontekst, kun je op een andere wijze werken, maar het principe is vergelijkbaar. Johannes meldt in zijn evangelie als een rode draad, welke mensen in Jezus geloven, en welke ophouden te geloven.

In hoofdstuk 2 wordt gemeld dat de leerlingen geloven. De moeder en broers van Jezus zijn aanwezig, maar ze worden niet als gelovigen vermeld. De moeder dwingt Hem zo ongeveer tot het doen van een wonder, maar dat is dus niet wat Johannes geloven noemt. In hoofdstuk 7 willen zijn broers dat hij wonderen verricht, en dan zegt de Schrijver „want zelfs zijn broers geloofden niet in Hem”. In Zijn wonderen geloven is voor Johannes niet alleen nog niet zoiets als geloven, het is zelfs het tegendeel van geloven.

In hoofdstuk 16, vers 31-32 zeggen dan de leerlingen: zie, nu geloven wij. En dan zegt Jezus volgens Johannes: Geloof je nu? het uur komt en het is er nu, dat je me alleen zult laten.”

En dan, als Jezus in Zijn uur gekomen is, aan het kruis gehangen, dan is er Zijn moeder. dan is zij dus gelovige, volgens Johannes.

 

Wij weten ons kinderen van de God die neerdaalde om slaven te bevrijden. Dat mag ons vrijmoedig maken in het wantrouwen van dromen van machtigen. En in Jezus voetspoor leven, zal ons allereerst brengen bij hen die overleven in uitsluiting, in onderdrukking om wille van het Rijk der Hemelen. De Heilige Schrijvers deden hun best ons in dat spoor te houden. de kleine zinnetjes zijn dan zogezegd de krenten in de pap. - Yosé Höhne-Sparborth