5 maart 2017

Invocabit eerste zondag van de veertigdagentijd 5 maart 2017

Gen. 2:15-3-9  Rom. 5:12-21. Mat 4:1-4

Voor deze zondag is een selectie van teksten gemaakt waar we verschillende kanten mee uit kunnen. We kunnen de nadruk leggen op de mens die eeuwig en altijd zal zondigen omdat dat nou eenmaal in hem zit, of omdat hij daartoe is voorbeschikt, wie zal het zeggen – daar is in het verleden al diep over nagedacht, door kerkvader Augustinus en in onze lage landen door Arminius en Gomarus en door Maccovius  en door nog veel meer geleerden en dat betekent dat er ongelofelijk veel over geschreven is; wie hier over graag zijn of haar huiswerk grondig maakt kan zijn hart ophalen.

We kunnen ook uitgaan van de klassiek liturgische jaarindeling , en ons richten op het  ‘Invocabit’, de “roeping”, ontleend aan ps. 91:15 invocabit me et exaudiam eum (Vulg.) Hij (de mens) zal Mij aanroepen, en Ik (JHWH) zal hem verhoren (SV).

Hoe zat het ook alweer met die zondeval? Is dit verhaal nog wel “van deze tijd” in een wereld die geen enkel taboe meer erkent, behalve dan wellicht het taboe?

Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. We zien de mens, pas geboren, in een omgeving waarin het  hem/haar aan niets ontbreekt.  Hem/haar  - want van “hij”  of “zij” is nog helemaal geen sprake. Er wordt ook niet zozeer  een aanwijsbaar botje  genaamd “ribbe” van de mens afgenomen  maar veeleer een “zijde”  -  uit die zijde formeert JHWH een vrouw , de “wederhelft” zal man zijn.

Wanneer we proberen er zo tegenaan te kijken, dan zijn we meteen af van  het aloude misverstand van de masculiene voorsprong.

De mens is geschapen, pas geboren zo u wilt en het zal hem aan niets ontbreken: zijn natje en droogje, een veilige plek om op te groeien, een zorgenvrij bestaan waarin alles is zoals het zijn moet, zonder verantwoordelijkheden. Kan het zo blijven? Nee – want die mens groeit op en gaat zijn omgeving verkennen. Hoe verkent een pasgeborene zijn omgeving? Op de tast, door alles wat hij te pakken krijgt in zijn mond te stoppen.  Juist ja, die appel. Opgroeien betekent zoveel als kennis verwerven van goed en kwaad, of we dat nou leuk vinden of niet. “Mag niet!” –  iedereen die ooit met opgroeiende kinderen te maken heeft gehad weet dat juist in deze fase zo’n  verbod eer prikkelt dan dat het iets uithaalt. Elke nieuw verworven kennis brengt verantwoordelijkheid met zich mee, verlies van argeloosheid zo u wilt en op enig moment gaat de badkamerdeur op slot.  Eenmaal de kinderjaren ontwassen rijst de vraag: wie ben je, waar sta je, wie zul je zijn, voor God, voor je medemens, voor jezelf. 

Ik heb altijd een beetje moeite met een strikt biologisch-materialistische opvatting van de religieuze volksliteratuur; de orale traditie van waaruit de verhalen zijn opgetekend  was weliswaar aan strikte regels gebonden voor  de wijze waarop ze tot de verbeelding moest spreken, maar we kunnen het waarheidsgehalte van de traditie niet  toetsen  aan archeologie of met de koolstof-14 methode. Veeleer hebben we hier te maken met de waarheid van de wijsheid, de onontkoombaarheid  en van de herkenbaarheid.

Ondertussen was die zo juist verschenen  mens niet alleen: geen mens is zo alleen of hij staat in relatie – in een verbond zo u wilt -  met zijn oorsprong, tot zijn omgeving, tot  zichzelf – vanuit die relatie  zal hij zijn omgeving benoemen, onder woorden brengen,  met de mens wordt ook de taal geschapen en de tijd.  Een mens is nooit ‘alleen’  in de zin van ‘verstoken van relaties’.  De omgeving, onze gedachten, merktekens in de tijd – er is altijd sprake van  een vorm van verbondenheid.   Een mens kan wel eenzaam zijn – desnoods in een stad of huis vol met mensen. In eenzaamheid zal hij verkommeren, waangedachten ontwikkelen, zwak of wanhopig worden, Maar ook: in eenzaamheid zal hij juist zichzelf leren kennen en opnieuw “uitvinden” .

Aanwijzingen voor de overdenking:

“De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat” (Mat. 4:4)

Waartoe zijn we geroepen?  Zullen we  een ‘consument’ zijn die leeft van wat hij in zijn mond stopt (de Duitser spreekt van de “Bauchdiener” , mooi woord, nietwaar?) en wiens streven niet  veel verder reikt dan de goederen waarmee hij zich omringt? 

Juist nu – in de  aanloop naar de verkiezingen – worden we weer overspoeld met woorden, met leuzen, met  kreten zo u wilt.  Wij, mensen, leven niet als de dieren: louter op instinct en ervaring. We zijn “talige”, creatieve  mensen – we zijn “beest met geest”, om maar te spreken met De Schoolmeester, oftewel Gerrit van der Linde (1808-1858) uniek dichter van kolderieke “knittelverzen”.   Met onze kennis van goed en kwaad hebben we ook verantwoordelijkheid verworven, we kunnen niet alleen keuzes maken, we moeten dat ook voortdurend.  We leven bovendien ‘in de tijd’: alles wat we doen en laten komt voort uit de herinnering aan gisteren en heeft gevolgen voor de dag van morgen. Alleen: als denkende en verantwoordelijke wezens  mogen – nee: zúllen we ook af en toe een pas op de plaats maken en ons doen en laten overdenken. We kunnen niet alleen maar voorthollen zonder bezinning of bezieling, we zullen van tijd tot tijd even moeten uitblazen en op verhaal komen. De veertigdagentijd is bij uitstek de fase in het jaar die zich daarvoor leent: overdenken,  bezinnen, dingen op een rijtje zetten en dan, parallel aan het lenteseizoen – met een schone lei overnieuw beginnen. (Zou  dat iets te maken kunnen hebben  met de  genade  waar Paulus over spreekt? Wat ervaren wij als genade? Troostende gedachten? Alles waar we op mogen hopen? Ook dat is  (innerlijke) dialoog  - en iets om eventueel een beetje uit te werken)

Waartoe zijn we geroepen?  Wie zullen we zijn, waartoe zijn we op aarde – voor mijn part – Adam waar ben je, wíe ben je?   In een wereld waarin we voortdurend onze eigen keuzes denken te kunnen maken – hoewel?  Is alles wat ons overkomt nou werkelijk ons eigen bedenksel?  Mooi moment voor een korte ingelaste  meditatie - , in een wereld waarin iedereen zichzelf zo’n beetje als het middelpunt van het heelal  beschouwt,  ook in die wereld kunnen we niet zonder dialoog met de omgeving, met de medemens,  met  soms demonische  krachten in en om ons heen. Volmaakt wordt het nooit – we zullen nooit veel meer kunnen doen dan ons best, maar hoe dan ook  - we zullen verantwoordelijke mensen moeten zijn in navolging van Hem die ons allen voorging.