22 januari 2017

3e zondag na Epifanie 22 januari 2017

Psalm 139 

“Als ik wakker word, dan ben ik nog bij U”

Het mooiste lied van vertrouwen dat er maar te vinden is in de Schriften.
Hij, de Eeuwige, kent mij en doorziet mij. Al zou ik in de hemel zijn, Hij is daar.
Kies ik mijn bed in de hel, ook daar is Hij.
Het is ook de psalm van de golem, het “vormeloos begin.” (vers 16)
De Golem zal later een grote rol spelen in de Joodse gedachtenwereld, en recenter ook in Tolkiens “In de ban van de Ring.” De golem, dat is de mens in aanleg, die goed kan worden of slecht. Tolkien voert een mens op die verkeerd kiest en terugvalt in de vormloosheid, en zo het kwaad omhelst: Golem verwordt tot Smeagoll.

Een psalm om rustig voor jezelf te lezen. Op een congres van vroedvrouwen werd hij ooit gebruikt als thema voor de aansluitende dienst (waar ik mocht voorgaan).

Jesaja 49 vers 1-7 (de “tweede” Jesaja)

Ook de profeet Jesaja kijkt er op terug hoe hij gevormd werd door zijn God, vanaf de moederschoot geroepen bij zijn naam. Hij kreeg een bijzondere opdracht, en die was niet zachtaardig: hij werd een zwaard in de schaduw van Gods hand, een pijl uit Zijn koker. De stammen van Jakob moet hij laten opstaan om terug te keren naar hun land. Zij zullen een licht worden voor de volkeren: het heil zal reiken tot de einden van de aarde!

Bij Israël zie je, de hele geschiedenis door, die verscheurdheid tussen zelfhandhaving en lichtende aanwezigheid tussen de volkeren. Zoals je die ook ziet bij de latere volgelingen van Jezus, die zich naar hem “Christenen” noemen. Onderling verdeeld, zoeken ze, wij dus, maar al te vaak hun heil in zelfhandhaving, particularisme. Daarbij hoort de afsluiting voor het bestaansrecht van de ander, en het terugvallen op de voorrang van het zwaard.

Mattheüs 4,12-22     

Jezus, een zoon van Israël, gaat de omgekeerde weg. De Boze wijst hem de route van het privilege en de macht, die hij met zijn bijzondere, goddelijke karakter zal kunnen kiezen. Iedereen zal voor hem juichen als hij de Boze eert en met list de weg van de macht en de intriges gaat. Jezus kiest er voor God alleen te vereren en zich op de minste van de mensen te richten. Johannes de Doper is hem voorgegaan, en Jezus kiest zijn weg in het besef dat ook hij kan worden “overgeleverd.” In Galilea begint zijn missie, aan de rand van het machtsgebied van Herodes. Daarmee vervult hij een profetie van Jesaja: “De gemeenschap die leeft in de marge zal een groot licht zien!” Hij roept twee eenvoudige vissers op om hem te volgen, en zij gaan, ze laten hun netten liggen. Er volgen er nog twee, en ook zij laten hun schip en hun zekerheid achter. De rest van het verhaal kennen wij: Jezus wordt veroordeeld, zijn volgelingen worden verstrooid. En toch winnen de zachte krachten het in de nieuwe gemeenschap die ontstaat. Met die zachte krachten worstelen ook wij in onze kerken, al eeuwenlang. In ons hart weten we dat die zullen winnen, ook als ons dat zekerheden kost – en onze privileges.

1 Korintiërs 1,1-9 

Hier zijn we al weer jaren verder. Met Jezus is schijnbaar afgerekend, maar er ontstaat een sterke beweging uit de geest die hem dreef. Jezus is de Zoon van God, zo duiden zij hem aan. Zij weten zich geroepen om in die Geest verder te gaan. Paulus heeft de weg gevonden van vervolger tot volgeling van Jezus en zijn mensen. Hij schrijft hier een brief aan de pas gevormde gemeente in Korinthe, vol superlatieven over genade, vrede en rijkdom. De grenzen tussen Jood en “Heiden” zijn doorbroken. In de gemeenschap met de Zoon zullen de mensen één worden. Paulus weet van verdeeldheid, waarbij de een de naam van Paulus wil dragen, de ander van Apollos of van Kefas (Petrus), of van Christus. Paulus zet daar de naam van Jezus Christus tegenover, “onze Heer.” Hem kun je niet in stukken delen. 

Wat is er intussen niet gebeurd met volgelingen van Jezus en hun onderlinge strijd, met hun kruistochten naar buiten toe. Wij wensen elkaar de vrede van Christus toe in de kerk, en dat heeft consequenties voor onze opstelling onder de mensen!

Janna F. Postma