6 november 2016

8e zondag van de herfst 6 nov 2016

Preekschets voor zondag 6 november 2016, 

Jesaja 1,18-26 2Tessalonicenzen 2,13-3,5 Lucas 19,41-48

1 Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia, koningen van Juda, zo vangt het eerste hoofdstuk van Jesaja aan. De eerste deel van dit boek grijpt daarmee terug op de achtste eeuw vóór Christus, de tijd van de eerste (Assyrische) ballingschap: in 722 valt het Noordrijk in handen van de Assyrische koningen. De Godsspraak richt zich tot de hemelen en de aarde (v2) en spreekt zich uit over afvalligheid: JHWH weent over Jeruzalem. Na de aanklachten in de verzen 1 vv spoort JHWH vanaf het 16e vers de afvalligen aan: je kunt er iets aan doen door rechtvaardig te handelen. Hier wordt de tegenstelling geschetst tussen enerzijds Jeruzalem zoals het reilt en zeilt en anderzijds Sion, oftewel Jeruzalem zoals het zou moeten zijn. De tekst voor deze zondag, de verzen 18-26 behelst een oproep tot (cultische) reiniging en vernieuwing. Daarmee is de toon gezet voor Lk 19,41-48. Reiniging en herstel, als voorwaarde voor vernieuwing.

In Lk 19:41 weent Jezus over Jeruzalem, over wat er in Zijn ogen van over is. De tempelcultus is een belangrijke economische factor geworden in de stad. De handel in offerdieren bloeit. 42 En (Jezus) zeide: Och, of gij ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. (NBG’51) Willibrord geeft: Zag u op deze dag maar de weg naar de vrede; maar die is verborgen voor uw ogen. Jeruzalem zou een stad van de vrede moeten zijn maar is het niet. De Naardens Bijbel vertaalt hier: en (Jezus) zegt: áls je maar herkent op deze dag, ja jíj!, wat tot vrede is!- nú wordt dat nog verborgen voor je ogen:

Met de verzen hierna kunnen we een paar kanten uit: we kunnen er strikt Schriftuurlijk tegenaan kijken.

43 Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen 44 En u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.

Waar het Lukasevangelie zijn vorm gekregen zou hebben aan het einde van de eerste eeuw na Christus, daar moeten we bedenken dat dit zou zijn ontstaan na de val van de tempel (70 AD). Het geschrift is dus ontstaan met de kennis van de afloop. Dat neemt niet weg dat de nadruk ligt op vernieuwing:

45 En Hij ging de tempel binnen en begon de kooplieden uit te drijven,

46 En Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: En mijn huis zal een bedehuis zijn, maar gij hebt het tot een rovershol gemaakt.

47 a)En Hij leerde dagelijks in de tempel.

De tempel krijgt, na de “reiniging” weer een waardige functie: die van leerhuis. Corruptie is echter wraakzuchtig: b)De overpriesters en schriftgeleerden, evenals de voornaamsten van het volk, zochten gelegenheid Hem om te brengen

In deze fase van het kerkelijk jaar ligt een verwijzing naar de tijd van de voleinding en naar de komst van het Licht voor de hand. We kunnen ook een vertaalslag maken naar de wereld van alledag: die van de klokkenluider die misstanden aankaart en wie vervolgens het leven onmogelijk gemaakt wordt, of zijn carrière gebroken. Een historische verwijzing is – zeker nu – ook mogelijk: ook de reformatoren in de 16e eeuw zullen zich ‘tempelreinigers’ hebben gevoeld.

Vrede en winstbejag sluiten elkaar kennelijk uit: daar waar alles wordt afgemeten aan de maat van het geld en het rendementsbeginsel, daar waar geldelijke winst en dito verlies de norm worden, daar waar aldus ontstane grote inkomensverschillen tot scheve verhoudingen leiden, daar is de vrede ver te zoeken.

Eerst zal iets moeten worden afgebroken, rechtgezet en beëindigd, pas dan kan alles nieuw worden.

Aanwijzingen voor de overweging:

Afvalligheid en verwatering zijn kennelijk van alle tijden, net als corruptieschandalen en uitbuiting van mensen en middelen. Aan de ene kant kunnen we daar moedeloos van worden, aan de andere kant zit er ook iets troostrijks in de woorden uit Jesaja: er is ruimte voor nieuwe kansen. De Lukastekst sluit daar op aan. De laatste gewaagt ook van de dubbelheid in ons, mensen. Aan de ene kant weten we heel goed waar we voor zouden moeten staan, aan de andere kant willen we ook maar al te graag zichtbaar profijt van onze inspanningen zien. Aan de ene kant willen we ons stellen in dienst van Hem die ons allen voorging, aan de andere kant: de schoorsteen moet ook roken. De oproep tot standvastigheid die we in 2 Tess 2: 13 – 3-5 vinden is daarom niet onterecht. Een beetje relativeringsvermogen bij de ‘landing’ lijkt me in een overweging op deze teksten ook wel op zijn plaats: elke menselijke inspanning, hoe idealistisch ook gesteld in dienst van de medemens en van een hoger doel, kan verworden tot een machtsbolwerk waarbinnen spelletjes worden gespeeld en winstoogmerk de overhand krijgt. Elk vuur, hoe heilig ook, kan verworden tot een uitslaande brand.

Liedsuggesties: Ps 17, ps 122, ps 138, Ldb 912, 836, LvK 478, 436.