2 oktober 2016

27e zondag na Pinksteren, 20e na Trinitatis, de derde zondag van de herfst 2 oktober 2016

Preekschets voor zondag 2 oktober 2016

Habakuk 3:1-3,16-19

Lucas 17:1-10

Het oecumenisch leesrooster loopt hier gelijk aan het dienstboek van de PKN. Zelfs de liturgische kalender van de rooms-katholieke kerk geeft nagenoeg dezelfde teksten, zij het dat ze bij de evangelietekst een paar verzen later begint en dat ze een andere psalm aanbeveelt, maar verder lezen en horen we deze zondag zeer oecumenisch. In beide teksten kunnen we iets vinden over “loon naar werken” of over verwachtingspatronen. Zijn we niet altijd geneigd onze inspanningen te zien als investeringen in opbrengst? Voor wat hoort wat? Do ut des? Ik geef opdat ik ontvang. Beide teksten lijken haaks te staan op die menselijke neiging.

Ik beperk me bij deze schets tot de tekst uit Habakuk : alle roosters geven de eerste drie verzen van het derde hoofdstuk als inleiding en gaan daarna verder met v. 16-19

De vertalingen van vooral het tweede vers en de woordvolgorde (die ook mede de interpretatie bepaalt) lopen nogal uiteen: NBG’51 geeft: gedenk in de toorn aan ontfermen! Ze volgt daarmee min of meer de Statenvertaling, ontdaan van de typische, ietwat archaïsch aandoende tweedenaamvalsvormen die wij alleen nog uit staande uitdrukkingen kennen: desnoods, desgevraagd, in naam der wet enz. De Naardense geeft: “wil in toorn ontferming gedenken”, KJV : “in wrath remember mercy”. De brontaalgetrouwe vertalingen hanteren de termen ‘gramschap’ of ‘toorn’ ; alleen de NBV komt opeens tevoorschijn met ‘tumult’. Het lijkt er op dat de vertalers anno nu moeite hebben met de gedachte aan de ‘toorn’ of het ‘oordeel’ des Heeren. ‘Tumult’ associeert mij eerlijk gezegd in de eerste plaats met straatoproer of met voetbalrellen.

Het dunne boekje Habakuk bevat slechts drie hoofdstukjes. Habakuk wordt gerekend tot “De twaalf” – de twaalf “kleine” profeten waarmee ons Oude Testament besluit. Met opzet zet ik “kleine” tussen aanhalingstekens, want ze bestrijken weliswaar geen scala aan onderwerpen, maar doen wel prangende uitspraken over details. Habakuk 3 is een wonderschone bede met welke de profeet zich afzet tegen het “do ut des” van zijn dagen, het “voor wat hoort wat” waarmee we constant geneigd zijn verwachtingen te scheppen die al dan niet worden gehonoreerd – een patroon waarmee we voortdurend gespitst zijn op resultaat en rendement, en dat ons voortdrijft en in onbalans houdt - zijnde een bron van teleurstellingen en verbolgenheden. Ziedaar het effect van het “profijtbeginsel” op de samenleving, met alle ontwrichtende en gewelddadige effecten van dien.

Over de persoon Habakuk weten we zo goed als niets. Het laatste vers van het derde hoofdstuk wekt de suggestie als zou hij hebben beschikt over een “neginoth” , een snaarinstrument. Alleen tempeldienaren, de kaste der Levieten, mochten een snaarinstrument bespelen; hij zou dus priester geweest zijn. Andere veronderstellingen gaan er van uit dat Habakuk een schuilnaam zou zijn voor een koningszoon en dat hij in Ninivé zou zijn vastgehouden om politieke redenen. Weer andere bronnen vermoeden dat hij een tijdgenoot zou zijn van Jeremia of van koning Josia (d. 609 v.Chr.) i Hoe dan ook, Habakuk heeft geleefd in een turbulent tijdperk , gekenmerkt door politieke verwikkelingen en ook door een bonte verscheidenheid aan culturen, elk met hun eigen stads- of stamgod. Kamos, Baäl, Isjtar - die allen dienden “voor eigen gebruik” van de ingezetenen of aanhangers, en dat met behulp van een uitgebreide offercultus. Do ut des. Ik offer iets om er iets anders voor terug te krijgen. Voor wat hoort wat. In het eerste hoofdstuk beklaagt Habakuk zich over zijn gewelddadig tijdperk en klinkt er ook een beschuldiging door in de richting van JWHW – verwant aan het “Vanwaar het kwaad?” van kerkvader Augustinus en al die anderen die zich gebogen hebben over die eeuwige vraag.

Habakuk lijkt zich met het tweede vers uit zijn derde hoofdstuk te verzetten tegen alle offercultus en profijtbeginsel. Geen: ik heb toch iets gegeven en nou wil ik iets terug (veiligheid, overwinning, opbrengst) maar een smeekbede: “Here, met vreze voor uw werk vervuld; roep het in het leven in de loop der jaren, maak het openbaar in de loop der jaren; gedenk in de toorn aan ontfermen!” (NBG’51) Willibrord vertaalt: HEER, ik heb uw tijding vernomen, vol ontzag ben ik, HEER, voor uw werken. Laat die herleven in onze tijd, maak ze ons in deze tijd bekend; denk in uw woede aan uw barmhartigheid. (Hab. 3:2) kortom, over de woordkeus zijn de vertalers het niet helemaal eens, maar de strekking is duidelijk: Habakuk roept JHWH aan “met vreze voor uw werk vervuld” – als de “Schincker alles goets”ii, om maar met Vondel te spreken.

De kern van het gebed van Habakuk is naar ik meen gelegen in de verzen 17 en 18: 17 Al zou de vijgeboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn,18 Nochtans zal ik juichen in de Here, jubelen in de God van mijn heil. (Hab.3:17-18)

Habakuk doorbreekt hiermee het “do ut des’ – het ‘voor wat hoort wat’ van de offercultussen om hem heen en ook van de alledaagse werkelijkheid en hij erkent daarmee JHWH als schepper van het Al, zonder wie geen leven zou zijn.

Suggesties voor de overweging:

Lucas 17:1-10 lijkt een soort uitwerking te bevatten van het gebed van Habakuk, en dat allemaal met een open oog voor onze zwakheden: we zijn nou eenmaal niet wijzer. We zullen elkaar doorlopend moeten vergeven om de vrede te bewaren. Vergeving doorbreekt het actie-reactie patroon van mistasten en vergelding, van weerstand die weerstand oproept, van bloedwraak en vendetta. Berouw komt na de zonde, maar laat op het berouw dan ook de vergeving volgen, niet af en toe, maar altijd (zeven maal zeven = altijd). Jezus draait rollen om, in een poging zijn leerlingen te laten komen tot enig doorleefd inzicht: stel dat je knecht heeft gedaan wat hij moest doen, dan ga je hem ook niet uitgebreid bewieroken? Je knecht zal doen waartoe hij is aangezocht, en de beloning heeft hij al in de vorm van zijn “bezorgende omgeving”. Een goede knecht investeert niet doch dient, in de volle overtuiging dat hij daartoe geroepen is.

We zullen van goeden huize moeten komen om een dergelijk onmodieus onderwerp over het voetlicht te krijgen, maar wie niet waagt, die niet wint. We kunnen bij het uitwerken van de teksten ook de nadruk leggen op dankbaarheid voor de vanzelfsprekendheid waarmee we mogen wonen in de schepping, en voor Gods genade ondanks alle verdeeldheid. Hij verlangt daartoe van ons geen ander offer dan dat van de naastenliefde.

Liedsuggesties: NLb 910 (LvK 448) NLb 156, NLb 869 (LvK 431) LvK 432.

i http://www.jewishencyclopedia.com/articles/6975-habakkuk

ii Uit: Joost van den Vondel, Kinder-lyck, http://www.dbnl.org/tekst/vond001dewe03_01/vond001dewe03_01_0070.php

Geraadpleegd: Beknopt commentaar op de Bijbel in de Nieuwe Vertaling o.r.v. Prof.dr. W.H. Gispen e.a., uitg. J.H.Kok – Kampen 1985, tweede druk.