23 oktober 2016

6e zondag van de herfst 23 oktober 2016

Preekvoorbereiding voor zondag 23 oktober

Bijbellezingen: Jeremia 14,7-10. 19-22                            2 Timoteus 4, 6-8. 16-18                            Lucas 18, 9-14

Deze preekschets beperkt zich tot Lucas 18, 9-14

In haar simpele zwart-wit schildering lijkt deze gelijkenis probleemloos te zijn: Voor ons is deze Farizeeër een hypocriet en de tollenaar beschouwen we als iemand die wel minder goed bekend staat, maar desondanks een beste man is. Onze sympathie gaat dan ook bewust of onbewust naar hem uit en in ons hart denken we wellicht::Ik ben toch maar blij, dat ik niet ben als die Farizeeër. Als dit zo is, dan heeft Jezus met deze parabel bij ons precies in de roos geschoten. Zolang we niet het gevoel hebben dat we in vele opzichten op deze Farizeeer lijken, is er met het verstaan van de parabel iets mis, En zo biedt dit simpele en overbekende verhaal misschien toch stof tot nadenken

Laten we om te beginnen vaststellen dat deze Farizeeër niet schijnheilig is. Dat staat nergens. Wel is het zo, dat Jezus de Farizeeën vaak ‘huichelaars’ noemt zodat , Farizeeën en hypocriet praktisch synoniem zijn geworden. Maar we moeten constateren dat deze Farizeeer zelfs meer doet dan nodig is om tegenover God veilig te staan: Israel kende  geen wekelijkse vastendagen en daarom vastte Jezus dan ook niet ( Marc. 2, 18). Maar de Farizeeën  deden dit wel om te boeten voor de zonden van het volk. Tienden hoefde men alleen te geven van olie, koren en wijn( Deut. 14, 22 vv). De Farizeeën hadden dit uitgebreid tot alle keukenkruiden: munt, wijnruit enz. ( Luc. 11, 42; Mat.22, 23). En om er zeker van te zijn dat wat zij op de markt kochten, ook werkelijk ‘vertiend’ was, betaalden zij nogmaals tienden van wat ze in bezit kregen (vgl. Luc. 18, 12), Maar in deze behoefte om voor God als gerechtvaardige te gelden, zit hun fout!. Daarmee begaat de Farizeeër de oerzonde, die eigenlijk de enige zonde is die de naam van zonde verdient. En dus is hij bij al zijn trouw aan de wet toch een zondaar en is zijn ‘heiligheid’ maar schijn.
De diepere achtergrond van deze religieuze houding is zijn geldingsdrang, waar geen enkele mens helemaal vrij van is. Ieder mens heeft er behoefte aan, in de ogen van zijn medemens iets te betekenen. Het kleinste kind vraagt zijn ouders al: ben ik lief”. Op heel jonge leeftijd uit zich dus al een mate van geldingsdrang en behoefte aan erkenning.. Dat we deze behoefte hebben is normaal, daar zit niets verkeerds in. Verkeerd is alleen dat wij deze achting af willen dwingen. Wie dat probeert zal tot de ontdekking komen dat hij juist het tegenovergestelde bereikt. Wie de ander klem wil rijden door uitsloverij, zal bemerken dat hij daardoor afkeer in plaats van liefde oogst. Want nogmaals in dit allerbelangrijkste aspect van ons leven kunnen we alleen maar ontvangen en hebben we niets in te brengen
Niemand zal zo iemand de heftig begeerde achting geven, en dus is hij wel gedwongen er zelf voor te zorgen. En dat doet de Farizeeër in deze parabel. Hij schreeuwt zijn kwaliteiten van de daken en hij verheft zich door de ander neer te drukken. Zo dwingt hij als het ware een zekere achting af Ook al staat het er niet zo nadrukkelijk, het is duidelijk dat de tollenaar zich in de nabijheid van deze heiligheidsexpert nog nietswaardiger voelt. Hij durft zijn ogen niet op te slaan naar de hemel, lezen we. Maar dat komt omdat hij gedwongen is zijn ogen neer te slaan voor deze mens.
Bovenstaande lijkt wellicht een psychologisering van de tekst, maar is dit niet. Wanneer wij proberen in de ogen van de ander een waarde te zijn, dan is dat omdat wij voor onszelf de behoefte  voelen aan bevestiging. Jezus heeft eens gezegd dat het eerste en tweede gebod even groot zijn (Mat, 22,39). Dat wil zeggen dat het object van onze mensenliefde en liefde tot God hetzelfde is. Maar liefhebben is iets van onszelf. Liefde betekent overgave van jezelf, jezelf loslaten. Daarom zijn beide geboden gelijk. En zo is het ook in deze parabel. Wie de achting van zijn medemens zoekt, is in feite uit op zelfbevestiging .En de Farizeeër die zich tegenover God wil laten gelden doet hetzelfde. Het eerste vers van de parabel is letterlijk ‘ Hij vertelde  tegen sommigen, die op zichzelf vertrouwden omdat zij rechtvaardigen waren…’ Het gebed van de Farizeeër is eigenlijk een gesprek met zichzelf: hij bad bij zichzelf ‘ Anders gezegd: hij koestert zich in het licht van zijn zelf verworven gerechtigheid om  op die manier zeker te worden van zichzelf
In vers 14 wordt een typisch paulijns woord gebruikt; de tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis, dat wordt van de Farizeeër niet gezegd. Lucas gebruikt dit zelfde woord nog een keer in Handelingen 13,38 in een toespraak die Lucas Paulus in de mond legt. De betekenis is daar zoals uit het parallel lisme blijkt . ‘vergiffenis  van zonden krijgen. Maar dat is niet precies wat Paulus onder rechtvaardiging verstaat Wanneer hij in Romeinen 4,5 zegt dat God de zondaar ( lett. De goddeloze) rechtvaardigt, dan bedoelt Paulus daar niet mee dat God de zonden vergeeft Het gaat God niet zo zeer om de zondige daden van de mens. Die werden ook in het Oude Testament vergeven: daarvoor had men zoenoffers en de Grote Verzoendag. Nee, het gaat Paulus om de zondige aanleg , ons zondig zijn, waaruit die zondige daden voort komen. En dit zondig zijn blijft uiteraard ook na de vergeving. Wat wel kan veranderen is onze ‘zondige relatie’, de verstoorde verhouding tot God. Als de mens zijn zondig zijn tegenover God erkent -Paulus noemt dat ‘geloof=’ aanvaardt God hem in zijn zondigheid. Deze gelovige erkenning van zondig zijn vinden we in de houding van de tollenaar.( God wees mij zondaar genadig). De Farizeeer hoort tot de gezonden die geen geneesheer nodig hebben ( Marc 2, 17). Hij heeft zijn zonden goedgemaakt door extra prestaties waartoe hij niet verplicht was. Daarom weigert hij zich als zondaar te beschouwen. Maar onze menselijke ervaring leert dat iemand die in alle onderdelen perfect is, toch over de hele lijn fout kan zitten. Zo maakt een volmaakte man of vrouw het leven van de partner tot een hel, omdat hij of zij juist door die perfectie de ander de grond in drukt.
Het is niet duidelijk of Jezus het woord rechtvaardiging gebruikt heeft. Maar Hij heeft de zondige mens rechtvaardig gemaakt door zijn houding tegenover hem. Jezus is bij de zondige mensheid gaan staan. Hij wilde erbij horen en Hij werd dan ook als een misdadiger aan het kruis geslagen. Maar juist daardoor heeft Hij de mensheid tot zich opgeheven en gemaakt tot wat Hij zelf was. De Heilige en Gerechte ( Hand. 3, 14).  Hij kwam tot ons in de gestalte van een zondig, zwak mens ( Rom.8,3), die het opnam voor de zondige mensheid en tot de booswichten gerekend wilde worden  (Luc. 22, 37).