25 september 2016

2e zondag van de herfst 25 september 2016

Bijbellezingen: Amos 6,1-10                            1 Timoteüs 6,11b-19                            Lucas 16, 19-31; de preekschets gaat over dit evangeliegedeelte.

Het opschrift boven de passage uit Lucas luidt in de Willibrordvertaling: “Lazarus en de rijke”; in  de Canisius-bijbel heette het nog: “Lazarus en de rijke vrek”. De NBG-vertaling gebruikt als opschrift boven vers 19 en volgende: ‘’de rijke man en de arme Lazarus”. De NBV-vertaling zet boven heel hoofdstuk 16: “Rijkdom en gerechtigheid”.
Nergens blijkt uit de verzen vanaf vers 19 dat de rijke man een vrek was. Integendeel: hij liet iedere dag een feest geven en hij droeg koninklijke gewaden.
Hoe komt het toch dat de traditie altijd weer de rijke tot een moreel slecht mens wil maken? Ook de samenstellers van de lezingen voor deze zondag hebben in deze richting gedacht, want als parallel kozen ze een aantal verzen uit Amos 6, een deel dat inderdaad over een moreel slechte rijkaard gaat.
Ik zou nog meer vertalingen kunnen citeren, maar die citaten voegen niet veel toe aan het feit dat de traditie de rijke tot een moreel verwerpelijk mens maakt. Daar gaat het in de verzen die wij in deze preekschets bespreken niet over. Het opschrift in de NBV-vertaling is het meest juiste (vgl. vers 25).

Het thema van de ongerechtigheid in de verhouding tussen de rijke en de arme haalt Lucas met bijzonder veel nadruk naar voren. Reden is dat Lucas vurig verlangt dat armoede en ontrechting van de armen niet voor altijd zullen duren, vanwege het perspectief van gerechtigheid dat hij in de woorden en daden van Jezus en zijn opwekking uit de doden ziet oprijzen. Zie onder andere de lofzangen van Maria en Zacharias, de woorden in de synagoge van Nazareth (4,18), de zaligsprekingen (6, 20-26), de gelijkenissen van de barmhartige Samaritaan en de rijke dwaas, de vertellingen over de rijke jongeling en Zacheüs, de vertellingen hoe je met je bezit moet omgaan (Luc. 9, 46-50 en Luc. 14, 12-24). En de thematiek van het wel of niet praktiseren van gerechtigheid die in heel hoofdstuk 16 aan de orde is. Opvallend is dat Lucas de rijke niet bij name noemt en de arme Lazarus (dat betekent ‘God helpt’) wel. Het niet noemen van de naam van de rijke duidt erop dat de schrijver van dit evangelie hem een ‘quantité négligeable’ vindt; het noemen van zijn naam zou nog te veel eer zijn!
Lucas laat Jezus de rijke en Lazarus alleen in hun uiterlijk bestaan schetsen: de rijke geniet van zijn rijkdom en toont die in zijn kleding (linnen en purper geldt als luxe) en de grote mate van vrolijkheid die zijn leven kenmerkt (van eufrainoo, zich verheugen, dat ook in de gelijkenis van de twee zonen voor de feestmaaltijden wordt gebruikt, zie 15: 23, 24,29 32). Kortom: een succesvol leven. Er wordt niets gezegd over de vraag hoe hij zo rijk is geworden. De rijke staat in schril contrast met Lazarus, die  daartegenover wordt geschilderd in zijn uiterlijk bestaan als afhankelijk van anderen (neergeworpen; verlangend naar wat van de tafel overblijft), niet gezond (vol zweren, gelikt door de –onreine- honden) en sociaal geïsoleerd  (hij heeft geen deel aan de maaltijd, ligt voor de deur). We horen niet waarom en hoe hij in deze situatie terecht gekomen is. Ook over zijn moreel gehalte wordt niets gezegd. Het beeld dat Lucas schetst laat ook zien dat er geen relatie, contact tussen de rijke en de arme is. De kloof die de rijke later, als hij gestorven is , ervaart, bestaat dus nu al in deze schildering van beider aardse leven. De rijke duldt de arme wel bij zijn deur, maar ziet hem niet en wil hem ook niet kennen, laat staan dat hij zich om hem bekommert. In zijn boek Het gelaat schrijft de Franse filosoof Levinas dat het primair het gelaat van de ander die je ontmoet, is dat een appèl doet op je verantwoordelijkheid. De zonde van de rijke is dat hij de arme niet ziet. Pas na beider heengaan ziet de rijke de arme aan het hart van Abraham liggen en begint hij een dialoog met Abraham.

Zoals ik hier boven al vermeldde betekent de naam Lazarus: ‘ God helpt’. Wat wil deze naam in deze context zeggen? Je kan er een dubbele betekenis in zien: God helpt deze arme, Hij ziet naar hem om. De andere duiding is dat de naam niet alleen verwijst naar de hulp die de arme krijgt, maar ook verwijst naar de betekenis die Lazarus voor de rijke zal krijgen; hem te helpen te leren dat een ptoochos naar God verwijst en zijn hulp nodig heeft.

Na de beschrijving van de situatie vertelt Lucas verder vanaf  vers 22 over wat er ‘geschiedt’. Vers 22 begint met egeneto, wat betekent:  ‘het geschiedde’. Als Lucas dit woord gebruikt, duidt dat er meestal op dat het van Godswege geschiedt! Lucas stelt zich voor en beschrijft in beelden wat dan met beiden gebeurt. Wellicht maakt hij gebruik van andere verhalen. Er wordt wel verwezen naar een aantal aspecten vergelijkbaar in een Egyptisch verhaal; ook naar rabbijnse vertellingen. Lucas vertelt dat Lazarus sterft en niet begraven wordt (dat lijkt een nadere aanduiding van zijn existentiële verlatenheid: er is zelfs niemand om hem te begraven).  Dan stelt de schrijver het zich voor dat Lazarus door de engelen wordt weggedragen naar Abrahams schoot (kolpos kun je beter vertalen met boezem, borst.)
Strack/Billerbeck schrijven dat naar een algemeen verbreide mening het de doodsengel is die in het stervensuur de ziel van de mens opeist om die te halen. Over ‘Abrahams schoot’ zeggen zij: het is een concretere uitdrukkingswijze van ‘tot uw vaderen gaan’ (Gen. 15, 15). Abraham komt in het evangelie van Lucas vaker voor als de stamvader van Israël, aan wie God zijn belofte heeft gedaan. Overigens wordt Abraham in Genesis als een rijke boer geschetst. Dit verhaal is dus geen kritiek op bezit, op het rijk zijn, wel, zoals zal blijken op de wijze van omgaan met je rijkdom.
 

De rijke wordt na zijn dood wel begraven. In tegenstelling met de  voorstelling in veel commentaren staat er niets over de mogelijke luxe van zijn begrafenis. Lucas stelt zich de consequenties van zijn voorbijzien van de arme, van zijn in gebreke blijven om recht te doen als volgt voor: in het dodenrijk  (de Hades) lijdt de rijke letterlijk pijn en hij ondergaat de Tantalus, dat wil zeggen de kwelling dorstig het water in de buurt niet te kunnen bereiken. Hij wordt verder geconfronteerd met het beeld van Lazarus (die hij nu wel ziet en aanspreekt) aan Abrahams boezem. En met een onoverbrugbare kloof. Je zou kunnen zeggen: de rijke ervaart wat Lazarus eerst ondervond: neergeworpen zijn op een plaats waar je niet weg kunt, gepijnigd (door zweren, respectievelijk vuur), hongerig en dorstend, in volstrekt sociaal  isolement verkeren. Wat de rijke ondergaat is niet zozeer als straf bedoeld, maar wil een louterende werking hebben op hem. Hij wordt onderricht door een vergelijkbare ervaring van to kaka te ondergaan als Lazarus eerst. En door te zien hoe Lazarus  to agatha (het goede) beleeft, zoals hij eerst. En over het hoofd van deze rijke heen worden de hoorders onderricht (de Farizeeën en de eerste lezers van het evangelie eens en de hoorders nu).

Dat onderricht geschiedt in het vertellen van de ervaring van de rijke, maar ook in de woorden van Abraham. Ondanks de niet te overbruggen kloof is er wel communicatie mogelijk. Abraham noemt de rijke zelfs ‘kind’. De rijke wordt blijkbaar niet afgeschreven. Ook al gaat Abraham op geen van zijn drie verzoeken in. Het eerste – om een natte vinger - dus niet, om te ervaren wat hij een ander heeft aangedaan.
Het tweede verzoek wordt om andere redenen afgewezen. Er hoeft volgens Abraham geen boodschapper naar het huis van zijn vader te gaan om zijn vijf broers (vgl. de vijf boeken van de Tora!) te waarschuwen, omdat de richtlijnen hoe als rijke om te gaan met de armen in je land in wet en profeten voldoende zijn uiteen gezet: ‘ Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en arm in uw land’ (Deut. 15,11). Er is dus niets nieuws te vertellen. Het gaat er om te horen en te handelen naar de vertrouwde woorden van Tenach, zoals ook deze rijke wist wat hem te doen stond in zijn leven: omzien naar wie een appèl op je doet, delen van je rijkdom, recht doen.
Het laatste verzoek van de rijke ligt in zijn verwachting van de bijzondere overtuigingskracht van het wonder dat er iemand tot je komt die uit de doden is opgestaan. Het zal de ervaring van Lucas zijn geweest van de geringe overtuigingskracht van de opwekking van Jezus uit de doden voor wie niet geraakt worden door de woorden van de Tenach, waar Jezus in zijn leven naar verwees en gestalte aan gaf. Denk aan het verhaal van de Emmaüsgangers.

Aanwijzingen voor de preek. Je zal er als voorganger rekening mee moeten houden dat dit verhaal op het eerste gehoor naar de letter verstaan wordt als een verhaal over het hiernamaals. Het kan dan schrik aanjagen: is er toch sprake van  hemel en hel? Kun je als rijke niet zalig worden? Moet je bang zijn voor het oordeel? Of woede: met dit verhaal zijn eeuwenlang de armen eronder gehouden; zij zouden hun compensatie wel in de hemel krijgen.
Daarom zal uitgelegd moeten worden dat het hier niet om een beschrijving van het hiernamaals gaat, ook niet om berusting in schrijnende maatschappelijke tegenstellingen. Wat we wel horen is een geïnspireerde vertelling van Lucas, die iets te verkondigen heeft. De kern van de verkondiging is de oproep gehoor te geven aan het appèl dat uitgaat van het aangezicht van de ander die jou nodig heeft (denk bijvoorbeeld aan de vele Syrische vluchtelingen). Ingaan op dat appèl doet de ander recht. Maar het wekt ook jou en mij op tot menselijkheid, brengt ons tot onze bestemming. De rijke ervaart door de arme Gods hulp daartoe. Recht doen, tot humaniteit komen is volgens dit verhaal van je rijkdom willen delen, om niet, zonder er belang bij te hebben, liever gezegd: om de ander, om diens belang te dienen. Vanuit dit perspectief kan het verhaal naverteld worden. Zie daarvoor de uitleg.

In dit verhaal wordt de hoorder vooral in de rijke mens aangesproken. Om in onze levenssituatie
recht te doen aan de arme. De voorganger zal inhoud moeten geven aan zijn/ haar rijkdom en die van de hoorders waarvan het belangrijk is die met de ander te delen die deze niet heeft. Dan gaat het om materiële rijkdom, persoonlijk. Maar ook als rijke laag van de bevolking of als inwoner van een rijk land in deze wereld. De wijze van delen met de arme mag kritisch doordacht worden, als politiek en maatschappelijk vraagstuk, maar ook in je persoonlijk handelen. Concrete vormen van ‘delen wereldwijd’ kunnen genoemd worden. Overigens kan rijkdom die je bezit ook minder materieel van aard zijn en valt die te delen met de ander: kennis, rechtspositie, gezondheid (door inzet voor goede zorg).

Door de arme die onder het gehoor is (in materiële zin, maar ook in het gevoel van niet-bezittend zijn in geestelijke zin) mag de naamgeving van  de arme in het verhaal en van de troost die deze ervaart als troost gehoord worden.

Lies van der Zee