1 mei 2016

6e zondag van Pasen 1 Mei 2016

Joël 2,21-27 Psalm 67 Openbaring. 21,10-12.22-27 Johannes 14,23-29

De tekstcombinatie staat in het teken van de tegenstelling tussen de profane geschiedenis en de heilsgeschiedenis. Bij de exegese dient de Statenvertaling (brontaalgetrouw) als uitgangspunt. Verwijzingen naar andere vertalingen zijn aangegeven.

De zesde zondag van Pasen staat in het teken van dankbaarheid en zegen. (In hoog-kerkelijke kringen leest men psalm 66:20 (Vulg): Benedictus Deus qui non abstulit orationem meam / Geprezen zij God die mijn gebed heeft verhoord) Het oecumenisch preekrooster verbindt er de 67e Psalm aan maar ook deze getuigt van dankbaarheid voor zegening. Het Pinksterfeest is in zicht: de voltooiing van de cyclus van feest- en gedenkdagen rondom de geboorte, leven, kruisiging en opstanding van Jezus uitmondend in Pinksteren ,wanneer wij mogen gedenken de uitstorting van Zijn geest in een weerbarstige wereld.

Joël 2,21-27

Vreest niet – de profetie van Israël is hier aan het woord. Vreest niet ; Joel spreekt tot de gehele schepping : het land, de beesten en de kinderen van Sion, Sion dat hier een nieuw Jerusalem vertegenwoordigt. Joel is niet heel precies plaatsbaar in de tijd. De sprinkhaan, de kever, de kruidworm en de rups (v. 24) kunnen misschien letterlijk genomen worden als natuurrampen, maar gezien de geschiedenis van Israël met zijn falend wereldlijk koningschap , in de nabijheid van Egypte, de Feniciërs en de Filistijnen (Bijb. Encyclopedie, Kok, Kampen ed. ’75, blz. 417) blijft ook de mogelijkheid over van de metafoor. Zo bekeken komen dan de ‘kinderen van Sion’ , de bewoners van het nieuwe Jeruzalem te staan tegenover de ‘uitvreters’, de ‘aanvreters’, de ‘opvreters ‘en de ‘kaalvreters’ waarmee de auteur van het boekje Joël schurkenstaten zou kunnen bedoelen. Maar er is hoop. In v. 23 spreekt de profeet de hoop uit op de komst aan van een Leraar der Gerechtigheid. In de verzen 26 en 27 koppelt de profeet overvloed en lofprijzing aan elkaar: zij die leven in de ‘geest des Heeren’ zullen verzadigd worden.

Psalm 67 vangt aan met een smeekbede om zegen: v.2: God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. De Willibrordbijbel vertaalt : v. 2: Wees ons genadig, schenk ons uw zegen, God, laat uw aanschijn over ons lichten. Gods genade is “onverdiende welwillendheid”i, aldus de Willibrordbijbel. De tekst verwijst ook direct naar de zegen uit Num. 6:24 vv. Het is een bede om zegen c.q. om vrede.

Ps. 67: 6: “De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen”. Twee conclusies: de aarde voedt ons met haar gewassen, God voedt ons met Zijn zegen. Een heilwens gaat eraan vooraf: v.4: De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natiën op de aarde die zult Gij leiden.” M.a.w: we zullen bereid moeten zijn ons te laten (onder- ) richten/opvoeden in rechtmatigheid d.w.z. in rechtvaardig handelen.

Op. 21,10-12.22-27 biedt ons een visioen: v.10: “En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God”. In zekere zin vormt dit tekstgedeelte een pendant met Ez. 8: 3 “- en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen den hemel, en bracht mij in de gezichten Gods te Jeruzalem, tot de deur der poort van het binnenste [voorhof], dewelke ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld der ijvering, dat tot ijver verwekt". Maar waar Ezechiël hier een glimp opvangt van het menselijk falen (van de tempeldienaars) – daar biedt Op. 12: 22-27 juist het tegenovergestelde: Een glimp van Gods koninkrijk.

In de overdenking zou het kunnen gaan over de tegenstelling tussen enerzijds het menselijk onvermogen (de dagelijkse praktijk) en anderzijds over een wereld van overvloed en vrede zoals Op. 21 schetst. Er ligt een schone taak voor ons, mensen, daartussenin, in de tussentijd.

Joh. 14,23-29

Jezus geeft antwoord op een vraag (Joh. 14:22) van ene Judas; nadrukkelijk niet “Iskariot” maar Judas, de zoon of de broer van Jacobus (Lk.6:16), mogelijk de auteur van de Brief van Judas (Jud.1:1)

Kern van vers 23: -, Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben - bijna een logische redenering: wie mij liefheeft - in hem zal Mijn woord beklijven en de Vader zal hem liefhebben. Het gaat er volgens deze tekst dus om, Jezus lief te hebben; de rest volgt vanzelf: wie Hem werkelijk liefheeft, die kan niet anders dan navolgen. Meteen daarna de tegenstelling: 24 Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet – anders gezegd: aan iemands wezen (= navolging) kunnen we aflezen of iemand Hem liefheeft. Een vergelijking met Mat. 7:16 is denkbaar.

26 Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb. Παράκλητος wordt in de Statenvertaling vertaald als “Trooster” - Willibrord kiest voor “Helper” Volgens Strong’s Concordance is ook de term ‘pleitbezorger. of ‘(be)middelaar’ii denkbaar. Vs 26 wordt bij voorkeur gelezen als vooruitblik op Pinksteren.

27 Vrede (Εἰρήνην) laat Ik u, Mijn vrede (Εἰρήνην) geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.

Willibrord vertaalt: [27] Vrede laat Ik jullie na, mijn eigen vrede geef Ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft. Je moet je dus niet zo laten verontrusten en de moed niet verliezen.

Vrede is hier dus geen afwezigheid van oorlog of conflict, maar heil, heelheid, innerlijke vrede, Εἰρήνην als equivalent van שָׁל֥וֹם, Shalom iii.

Aanwijzingen voor de overdenking

“ ‘Vreest niet’ Er is een idioot geweest die geteld heeft hoeveel maal die woorden in de Bijbel voorkomen. Weet u hoeveel? Driehonderdvijfenzestig maal. Dus was het achteraf gezien toch ook weer niet zo’n idioot” – aldus Nico Ter Linden in een van zijn verhaleniv

Woorden als “vreest niet” en “vrede” zijn bijna controversieel in een wereld vol angst en onvree. Het lijkt er op dat de wereld nog nooit zo gewelddadig geweest is als nu, met zijn vluchtelingenstromen en moorddadige regimes. Echter, de geschiedenis laat zien dat het nooit veel anders geweest is. De schurkenstaten waar Joël naar zou kunnen verwijzen (Egypte, Feniciërs, Filistijnen) worden opgevolgd door mogendheden geleid door figuren als Nebukadnezar, Alexander de Grote en de Romeinse keizers. Al die heersers hebben één ding gemeen: ze leunen op een gedrild leger en op stromannen en ze schrijven hun geschiedenis in bloedige veroveringen. De officiële geschiedschrijving is altijd het verhaal van de machthebber, nooit dat van de boer, de burger en de visser die onder al dat geweld te lijden heeft. “Vreest niet” zou daarom een vertrekpunt kunnen vormen voor de prediking. Het verschil met destijds is dat we alle gewelddadigheden en schandalen anno nu meteen via de media breed uitgemeten krijgen voorgelegd, compleet met soms bizarre details, én dat in onze tijd er zoiets is als een Internationaal Gerechtshof waar aanjagers van uitwassen kunnen worden aangeklaagd en berecht. Wellicht het effect van een druppel op een gloeiende plaat, maar beter iets dan niets: vóór de Nüremberger processen van 1946 bestond zoiets helemaal niet, dus we gaan vooruit.

En toch wrikt er iets wanneer we aan dergelijke strafprocessen denken: ze komen altijd te laat. Het kwaad moet eerst bedreven worden voordat het Gerechtshof wordt ingeschakeld.

In de tekst uit het Johannesevangelie wijst Jezus op een vorm van vrede die enerzijds los staat van de “toestand in de wereld”, omdat de woorden kunnen worden opgevat als een aanzet tot puur individualistische, existentiële vrede die mystici of zelfs gevangenen kunnen ervaren. Aan de andere kant kunnen we levend vanuit deze woorden, ook proberen een aanzet te geven voor duurzame vredesinitiatieven. Vrede in de wereld heeft ten slotte ook van alles te maken met eerlijke handelsprijzen voor kleine producenten van landbouwproducten of met een gezonde bestaansbasis voor gezinnen. Ongelijkheid van kansen is overal in de wereld een teer punt. “- de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven”

We zouden kunnen afsluiten met een paar regels uit Openbaring, waarin de auteur ons een inkijkje biedt in een werkelijk nieuw Jeruzalem, waar voor leugens en onreinheid - als wortels van het kwaad - geen plaats meer is.

i http://www.willibrordbijbel.nl/

ii http://biblehub.com/greek/3875.htm

iii http://biblehub.com/hebrew/7965.htm

iv“Vreest niet”, Nico Ter Linden, in: Kostgangers, Uitg. Balans 2001, blz 165