24 juli 2016

6e zondag van de zomer 24 Juli 2016

Bijbellezingen: Genesis 18, 20-33 Kolossenzen 2, 6-15 Lucas 11, 1-13 
(Deze preekschets gaat uit van de evangelielezing.)

Uitleg: De lezing uit het evangelie volgens Lucas heeft de volgende opbouw:

vs. 1: Inleiding op het thema met de vraag van de leerlingen: Heer, leer ons bidden
vs. 2-4: Lucas’ versie van het onze Vader
vs. 5-8: De gelijkenis van de vriend in de nacht
vs. 9-13: Concretisering van het thema: als je bidt, mag je erop vertrouwen dat God een luisterend gehoor heeft en je niet met lege handen zal wegsturen.

Uit deze opbouw kun je al constateren dat het raam van deze gebedsonderwijzing van Jezus gevormd wordt door het begin over de inhoud van het gebed en het einde, dat de gelovige de zekerheid heeft dat deze zich niet tevergeefs tot God zal richten. Die zekerheid kenmerkt zich hier door twee stappen: 1. Via de gelijkenis van de vriend en 2. Via het, evenzeer vergelijkende, beeld van de vader en de zoon.
Om de beeldspraak helder te krijgen lijkt het me goed om eerst raam en gelijkenis onafhankelijk van elkaar te bekijken (ze stammen ook nog uit verschillende bronnen) om daaropvolgend te zien hoe beide delen in elkaar passen. Eerst iets over de gelijkenis van de vriend in de nacht:
‘Stel dat iemand van jullie een vriend heeft…’ Deze openingszin gebruikt Lucas net als Matteüs met name in gelijkenissen en meestal korte parabels. Het doel is bij de hoorders een stellingname uit te lokken. Deze vraagt om een stellig ontkennend antwoord zoals: uitgesloten, ondenkbaar! Zoals dat ook in de volgende vragen geschiedt: Wie van jullie kan door zich zorgen te maken een el aan zijn levensduur toevoegen? (Luc. 12, 25), of Luc. 14, 5) als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er ook toch meteen uit, ook al is het sabbat?. Vgl. ook: Lucas 11,11; 14,28 en 15,4. Het is onvoorstelbaar dat een mens een vriend heeft zoals deze man die weigert de deur te openen omdat het nacht is. Zo’n contradictio in terminis (anders was hij geen vriend!) bestaat niet. Deze gelijkenis moet gelezen worden vanuit dit impliciete antwoord op de vraag. ‘Stel dat iemand van jullie,…’ Lucas stelt dit in vers 8 nog scherper: al was het niet ter wille van de vriendschap, dan nog zou de man opstaan ter wille van de onbeschaamdheid van de ander en hem geven wat hij nodig had. Het woord anaideia (onbeschaamdheid) brengt de gelijkenis in de sfeer van het parallelle verhaal van de weduwe die door haar aandringen de onrechtvaardige rechter overhaalt haar recht te verschaffen (Luc. 18, 1-8). Als je de gelijkenis afzet tegen de achtergrond van de oosterse wereld, waar vriendschap en gastvrijheid geen vrijblijvende zaken zijn, maar een plicht, dan is het beeld compleet.
Het lijkt me goed zich in de uitleg te bepalen tot dit beeld van de gelijkenis en dat in alle duidelijkheid te laten uitspelen en niet buiten dit beeld om tot allerlei speculaties te komen, zoals bijvoorbeeld hoe het komt dat de man om brood moet vragen. Dit soort uitweidingen leiden alleen maar af van wat de evangelieschrijver wil zeggen! Lucas wil juist het onvoorstelbare in deze gelijkenis onderstrepen! Zonder twijfel.betekent hier het ‘ik kan niet opstaan’ in vers 7 ‘ ik wil niet opstaan’, dit niet willen tart alles wat verwacht mocht worden.
De volgende vraag die we ons kunnen stellen is die naar de identificatie van de rollen binnen het beeld. Dat kost weinig zoeken want de evangelist zelf wijst ons de weg: In de man die om brood vraagt kan de gelovige zich herkennen als de mens die zich tot God keert. Hij is degenen die het levensbrood geeft. In de rol van de vriend in het huis geeft Hij, hoe dan ook, vanwege de bestaande relatie of vanwege het onbeschaamd aankomen in de nacht, de ander zoveel hij nodig heeft.
Qua inhoud verloopt de identificatie via de a minori ad maius-constructie: Indien deze man al zo doet, hoeveel te meer… Deze vorm vinden we terug in het parallel-verhaal van Lucas 18 en in het raam van deze perikoop bij het beeld van de vader en de zoon. Het lijkt me goed om in deze gelijkenis de hoofdrol toe te delen aan de vriend in het huis. Anders dan in Lucas 18 gaat het hier niet zozeer om het aanhoudende bidden, maar om de zekerheid van de verhoring.
Zo zijn we terug bij het raam waarbinnen de gelijkenis wordt overgeleverd. Uitgangspunt is dus de vraag van de leerlingen of Jezus hen wil leren bidden zoals ook Johannes dat zijn leerlingen leerde (vgl. 5, 33). Kennelijk heeft er zich naast de bekende joodse gebedsvormen een traditie ontwikkeld voor de christelijke gemeente, met als oorsprong Jezus’ eigen bidden tot de Vader. Lucas met name legt zeer veel nadruk op dat eigen bidden van Jezus.
Op de inhoud van het Onze Vader wil ik in dit kort bestek niet ingaan. In ieder geval geeft het binnen deze context een richtlijn voor het bidden dat niet onbeantwoord zal blijven.
Het laatste deel van de perikoop komt bijna woordelijk overeen met Mat. 7, 7-11. Met drie imperativi wordt de gelovige aangespoord zich actief tot God te keren in gebed: vraag, zoek en klop. Door herhaling in vers 10 met de toevoeging ‘ieder die…’ wordt de zekerheid van de verhoring nog eens benadrukt.
In dit laatste stuk van de perikoop (11-13) volgt, bijna ten overvloede, opnieuw de a minori ad-maius conclusie dat God zeker het gebed zal verhoren (11: 13).
Op zich zijn mensen heel wel in staat elkaar met verraderlijke gaven af te schepen, maar in de relatie tussen vader en zoon ligt dat anders: Daar wordt in die relatie iets zichtbaar van de hemelse Vader naar wiens beeld en gelijkenis de mens geschapen is.
De Vader geeft de heilige Geest aan degenen die Hem daarom vragen: Niet willekeurig alles wat je van God vraagt zal je krijgen. Maar de Vader zal de gemeenschap met Hem via de Geest niet onthouden aan degenen die daar naar verlangen.

Aanwijzingen voor de preek.

Deze perikoop leent zich uitstekend voor een gezinsdienst met als thema vriendschap:
Op ontelbare manieren via i-pad, smarphone en meer nu al in gebruikelijke communicatiemiddelen zijn we in staat mondiaal contacten te onderhouden. Maar hoe duurzaam zijn deze contacten? Laten ze iets zien van vriendschap en gastvrijheid?
In het pastoraat ontmoeten we mensen die juist op het punt van gebedsverhoring worstelen met hun vragen. In een preek over gebedsverhoring mag je niet voorbij gaan aan de gevoelens van teleurstelling en wanhoop die mensen kunnen hebben wanneer hun gebeden niet merkbaar worden verhoord. Juist bij de woorden ‘vraag en je zal gegeven worden’ is de toon waarop zo iets gezegd wordt, van belang, Mensen kunnen elkaar daarmee het bos in sturen. Maar je kan ook zeggen: zoek…en ik wil je helpen zoeken.
Tenslotte: voor elke beginnende relatie mag vers 13 een enorme bemoediging zijn: God zal het aan zijn Geest niet laten ontbreken als mensen Hem daarom vragen. Met die Geest, die ons leert steeds nieuwe wegen te vinden naar elkaar en naar God toe, kun je het wagen samen onderweg te gaan.

Lies van der Zee