26 juni 2016

2e zondag van de zomer 26 Juni 2016

Bijbellezing: 1 Koningen 19, 19-21 Psalm 16 Lucas 9, 51-62

Deze preekschets is gebaseerd op Lucas 9, 51-62.

De aanhef is gestileerd naar herkenbare ‘bijbeltaal'. Motiefwoorden zijn (typische LXX woord) poreuesthai (in de NBG-vertaling helaas slechts eenmaal met ‘reizen' vertaald en de andere malen met ‘heengaan’, ‘richten’ en ‘gaan’... ; zo dreigt in de vertaling de functie van het ‘Stichwort’ verloren te gaan, omdat het niet meer als zodanig te herkennen is). Het ‘reizen’ kenmerkt de beide boeken van Lucas. In het eerste boek vormt het doel van de reis telkens weer (de tempel van) Jeruzalem, in het tweede gaat het van Jeruzalem over Judea en Samaria (!) naar het uiterste der aarde (Hand. 1, 8) – niet om Jeruzalem achter te laten maar om de uitersten der aarde op Jeruzalem te betrekken. De beslissende wending die gegeven is met de inzet van de reis in de uitdrukking kai autos, in de NBV- vertaling overgezet in vastberaden (9, 51; vgL. 1, 17 en vooral 2,4,15). Jezus als subject van de reis stempelt het reeds bekende predicaat ‘naar Jeruzalem optrekken’. De reis staat beschreven als een reeds begonnen analepsis (9,51) met een verwante dubbele betekenis: deze gang is een overgang naar het dodenrijk en naar de hemelen (een Entrücking) .(Zie hoe dit over Elia geschreven is in 2 Kon.)
Tot zover wat algemene opmerkingen naar aanleiding van Luc. 9, 51 en volgende

Laten we nu de tekst van Luc. 9, 51-62 vers voor vers onder de loep nemen.
Vers 51. Lucas verlaat hier over de gebeurtenissen op de weg van Gallea naar Jeruzalem de rode draad van Marcus, die hij van 3,1 gevolgd heeft. Hij neemt deze draad pas in 11, 28 weer op. Van 9,51-19,27 geeft hij een bericht. Men noemt dat een reisbericht of een Samaritanen-’Abschnitt’ (vanwege 9’51ff; 17,11 ff). In dit reisgedeelte vertelt Lucas stukken die we ook bij Matteüs vinden, maar meer nog grotere stukken bij het 'Sondergut’ van Lucas. Dit deel van het derde evangelie draagt dus in een bijzondere zin Lukas' stempel.. Pas in 18,15- 19,27 sluit hij weer aan bij Marcus
Vers 54f (vgl 2 Kon1,10,12.
Dit gedeelte hoort tot het Sondergut van Lukas en is net als 44-45 in een ouderwetse stijl beschreven. In dit stuk wendt Jezus zich vastbesloten naar Jeruzalem, zijn doel. Dit stuk in vers 51 gaat zeer zeker niet alleen over de hemelvaart, maar omvat zeker ook de voorbereidingen, het lijden, de kruisdood en de opwekking van Jezus (vgl. voor de hemelvaart 2 Kon, 2,11).
Vers 52ff. Om Jeruzalem te bereiken kiest Jezus niet de meest gebruikelijke weg door het Oost-Jordaanland, maar hij kiest voor de kortere weg door het gebied van de Samaritanen. De vijandschap van de Samaritanen tegen alle Joden ervaart ook Jezus:
vers 53. De bodes, waarschijnlijk Jacobus en Johannes, worden als representanten van de naderende groep Joden afgewezen. Er wordt geen gastvrijheid verleend. Deze vijandschap tussen Joden en Samaritanen heeft al oude papieren. Deze stamt uit de tijd dat door toedoen van de Assyriërs in Samaria groepen mensen uit het Oosten zich vestigden die er een weliswaar aan het Jodendom verwante, maar toch een eigen stroming voelden. Dit ‘mengvolk’ (2 Kon 17, 24) dat zo ontstond, voorzag zich van een vroomheid, waarin meegebrachte religieuze elementen verbonden werden met Joodse elementen (vgl 2 Kon,17,25ff). Voor de Joodse gemeenschap hield dit een scherpe scheiding in. De Samaritanen vestigden toen een eigen tempel op de berg Charizim. Ook na de verwoesting van deze tempel gaven de Samaritanen hun mengvorm van geloof niet op (128 a. Chr). Deze hadden een eigen Messiasverwachting. De verhoudingen tussen Joden en Samaritanen kwamen in de romeinse tijd nog scherper te staan, toen de Samaritanen, zich wat al te gretig aan de kant van Rome plaatsten. De tekst maakt echter niet duidelijk dat Hij als een zodanige Jood afgewezen werd. Het lijkt onwaarschijnlijk omdat Jezus tot buiten Galilea roem en aanzien verworven had. En slechts deze route gebruikte om ‘vastberaden’ naar Jeruzalem te gaan. Waarschijnlijk namen de Samaritanen hem zijn aanspraak op de Messias-titel kwalijk. Men kan er dus eerder aan denken dat de boden aangegeven hadden dat ze in naam van deze Messias gekomen waren. Dat Jeruzalem als doel hem echter eerder als de Joodse Messias kenmerkte, met wie ze niet wilden verkeren
Vers 54. In ieder geval voelen de beide zonen van Zebedeus dit als een schaamtevolle schande, die in Jezus God zelf aangedaan is. Ondertussen blijft hun verlangen in vele opzichten raadselachtig. Komt het in de buurt van het Messiasbeeld van 3,16f? Of zit er de opvatting achter, die in Jezus de tweede Elia meende te herkennen (vgl. 9,34-36).
Vers 56. Jezus zelf bewaart zijn onafhankelijkheid van mensen omdat Hij –zonder zelf iets te ondernemen- naar een ander dorp afreist.

 

Ernst en omvang van de navolging: 9,57-62; vgl. Mat. 8, 19-22
De eerste beide korte gesprekken geeft ook Matteüs weer in 8,19-22. In bijna letterlijke weergave; slechts vers 60b ontbreekt bij hem. Bij Matteüs worden die woorden echter gesproken bij de roeping van de leerlingen. Maar ze krijgen in Lucas 9 vanuit Jezus naderende einde hun licht en hun ernst. Hier wordt voor de navolging van Jezus het zwaartepunt verlegd van de opvallende prestatie naar de binding aan Jezus zonder voorbehoud.
Vers 58. Het gesprek herinnert in het enthousiasme van de leerling en in de rustige zakelijkheid van Jezus aan het gesprek tussen Elia en Elisa op hun weg, die eindigt met Elia’s hemelvaart (vgl. 9, 51) en (2 Kon. 2,1 ff). Net als Elia wist Jezus dar er voor hem op de aarde geen plaats is; maar Hij weet ook daaraan hun aandeel zullen hebben. En Hij vat dat samen in een spreekwoord. Maar dat verstaat de hoorder alleen als men in Hem de ´Zoon des Mensen´ herkend heeft.
Vers 59. In het tweede gesprek wekt Jezus zelf op tot de navolging. Maar de gesprekspartner van Jezus wil hem wel volgen, maar nadat hij zijn vader begraven heeft. De tekst maakt niet duidelijk of deze vader al dood is, of op sterven ligt of ernstig ziek is.
Vers 60. Je kunt je afvragen waarom Jezus tot zijn gesprekspartner zulke harde woorden gebruikt. Daar krijgen we zicht op als we deze woorden bekijken vanuit Jezus' hemelvaart.. Omdat Hij als de tot de dood veroordeelde het leven ingaat (9,22+ 18,33) zijn in de gemeenschap met hem de macht van de dood gebroken en komt in de plaats van de jammerklacht om de gestorvene de boodschap van het aanbreken van de heerschappij van God.
Vers 61. De omvang van deze opgave sluit hun onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in. Dat laat het laatste gesprek zien. Ook hier verschijnt Elia weer op de achtergrond. Maar als Elisa Elia vraagt om afscheid van zijn ouders te mogen nemen, wat Elia toestaat (1 Kon,19,20f ), gaat Jezus een stap verder: niets en niemand , verleden en heden mag komen aan de navolging van Jezus.
Vers 62. Dat beargumenteert Jezus door het beeld van degene die aan de ploeg staat, in te voeren. Voor de arbeid met Jezus is alleen diegene geschikt die de blik onophoudelijk op het doel richt. Iedere aanleiding die iemand aangrijpt om zijn blik van dat doel af te houden brengt de navolging in gevaar.

Aanwijzing voor de preek
Hemelvaartsdag ligt nu ongeveer acht weken achter ons. Wat hebben we die dag overdacht?
Wat betekent Jezus' lijden, zijn dood, zijn opwekking en zijn hemelvaart voor ons? Wat doen we daarmee in ons leven?
Op welke wijze staan wij in de navolging? Wat doen we aan vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping?
Waartoe inspireert ons Lucas 9, 51/62?

Lies van der Zee