24 april 2016

5e zondag van Pasen 24 April 2016

Preekschets voor zondag 24 april 2016
Bijbellezing:Deuteronomium 6, 1-9                      Openbaring 19, 1-9                      Johannes 13, 31-35

Deze preekschets is gebaseerd op Johannes 13, 31-35

31 Als hij dan is uitgegaan
     zegt Jezus:   
     nu is de zoon des mensen verheerlijkt,
     en in hem is God verheerlijkt.
32 Wanneer God in hem verheerlijkt is
     zal God ook hem in hem verheerlijken
     en hij zal hem terstond verheerlijken.
33 Kinderen, nog een weinig ben ik met u;
     gij zult mij zoeken,
     en zoals ik heb gezegd tot die van Juda:
     dat zeg ik ook tot u..
34 Een nieuw gebod geef ik u:
     dat gij elkander liefhebt
     zoals ik u heb liefgehad
     dat ook gij elkander liefhebt.
35 hieraan zullen allen weten dat gij mijn leerlingen zijt
     zo gij liefde hebt onder elkander.

‘Als hij (Judas) dan is uitgegaan zegt Jezus: nu is de zoon des mensen verheerlijkt’. Laten we eerst eens nader ingaan op wat die uitdrukking ´zoon des mensen’ betekent. Een uitdrukking die Jezus vaak voor zichzelf gebruikt: ‘zoon van’ is representatief. ‘Zoon van David´ is representatief voor het huis David, ´zoon van Israel´ is representatief voor het huis Israel. In deze uitdrukking wordt daarom gedacht van de vader uit, die dat huis heeft gesticht. Maar bij de uitdrukking ´zoon des mensen´ gebeurt er toch iets anders. Want ´de mens´ heeft geen huis gesticht, en de Schrift heeft ook geen woord voor wat wij ´mensheid´ noemen. De mensen hebben geen vaders of het zijn pseudovaders, machthebbers die zich als vaders opdringen, zoals de koningen, Farao, de keizer, die dikwijls in een adem worden genoemd met de goden.
Kinderen der mensen zijn stiefkinderen die alom in verdrukking leven. Wordt nu een volk, zoals Israel, aan die verdrukking ontrukt, dan krijgt het God als Vader; zo´n volk heet dan ´zoon van God´, representant voor het huis van God, dat een huis van bevrijding is. Bij Johannes wordt Jezus meerdere malen ´zoon van God´ genoemd. Maar als hij zich zoals hier `zoon des mensen’ noemt, dan maakt hij zichzelf tot representant van alle verdrukten, van alle stiefkinderen die om een Vader roepen. Die uitdrukking is dus niet van de vader uit gedacht, maar naar een vader toe! Als Jezus dan zegt dat hij heengaat naar de Vader, dan houdt dat in dat hij alle stiefkinderen naar hun Vader brengt: zij raken thuis.
En nu zegt hij: de zoon des mensen is verheerlijkt, nu. Dit betekent dat de stiefkinderen op aarde in hun heerlijkheid zijn gebracht; iets wat juist Judas  in zijn ongeduld niet zag, maar wat nu in Jezus wordt voltrokken; uitgerekend ‘nu’, terwijl niets er op wijst, terwijl alle macht ter wereld zich tegen hem concentreert.  Daarom krijgen ze nu uit de mond van Jezus zelf, voor wie alles nog komen moest, de verzekering: ’nu is de zoon des mensen verheerlijkt’; alle stiefkinderen der aarde zijn nu geen stiefkinderen meer; nu hebben zij een Vader. Daarom voegt hij er aan toe: ’en in hem is God verheerlijkt’. Dezelfde God die is afgedaald naar Egypte is nu in Jezus afgedaald naar alle verdrukten. Het is Gods heerlijkheid wat nu alleen maar moord en mislukking lijkt Dit is het laatste, nu is God bij zijn kinderen; nu wordt Gods huis gesticht. In deze moord komen niet de machthebbers tot hun eer, al denken ze dat, en al ziet het er zo uit. Hier komt God tot zijn eer.
Dat klinkt weliswaar bemoedigend, maar onze waarneming heeft daaraan weinig. Er moet nu toch wel iets gebeuren met betrekking tot die ophanden zijnde moord; want wat is een heerlijkheid die onzichtbaar blijft? Stiefkinderen hebben daar maar weinig aan, en daarom voegt Jezus eraan toe: ‘als dan God in hem verheerlijkt is’, als hij het is die daarin tot zijn eer komt, en niet de machthebber, ‘dan zal  God ook hem in hem verheerlijken’; dat wil zeggen: de moord op de mensenzoon is niet het laatste, God zal die mensen zo in zijn dood en na zijn dood zichtbaar tot zijn eer brengen; die zoon is daar zelf bij betrokken. Én hij zal hem terstond verheerlijken; dat zal terstond geschieden, op de derde dag, als lichtende keerzijde van het zwarte blad. Dit is de doorbraak van de geschiedenis.  De machthebbers komen niet alleen niet tot hun eer. Ze komen te schande. Op de derde dag zal Jezus gezien worden in de tuin, en hij sticht een huis, geen kerk, maar het huis van al Gods kinderen. Daarom spreekt Jezus zijn leerlingen nu met ‘kinderen ’aan; bij hen begint het, en zij moeten dit kindschap verkondigen en vertolken.
Vers 33. Dit vers slaat terug op hoofdstuk 7, waar Jezus in dispuut is met die van Juda en de Farizeeën; dat was in de tempel op het Loofhuttenfeest, dat feest van de gedroomde voleinding. Die van Juda en de Farizeeën stelden zich voor dat men alleen door getrouwe wetsbetrachting de identiteit van  Israel kon handhaven te midden van de volken, en dat dan vroeg of laat de voleinding zou komen; maar daar zijn de volken niet mee gebaat. Jezus had toen tot hen gezegd: gij zegt de Wet te doen, maar gij doet die in het geheel niet. De kinderen der volken herkennen zichzelf niet in uw gestalte, en Mozes is toch voor hen bedoeld. Gij komt in uw betrachting een heel eind, maar gij komt niet ver genoeg; waar ik kom daar kunt gij niet komen; want ik daal af naar de diepste machteloosheid; gij blijft steken, gij houdt altijd nog in uw betrachting uw identiteit overeind, en dat is een stellingname die de stiefkinderen eerder afstoot dan aantrekt; daar leent de Wet zich niet toe.
En dat zegt Jezus nu ook tot zijn intimi aan deze Paasmaaltijd: de weg van God waarover Mozes spreekt gaat verder, daalt dieper af, besnijdenis en Pascha zijn een radicalisering van de onmacht, zodat alle stiefkinderen der volken daarin hun eigen zuchten horen. Als het dan toch gaat om een specifieke identiteit van Israel onder de volken, dan moet die niet afstoten maar aantrekken. ´Een nieuw gebod geef ik u´; Jezus neemt hier het woord ´gebod´ over uit het taalgebruik van die van Juda en van de Farzeeën, die immers in de strikte handhaving van alle geboden hun identiteit najoegen; alle geboden, maar een was er dat ze ongebruikt laten liggen, en dat ene is nu juist de ware identiteit van Israel onder de volken. Nieuw betekent ongebruikt:  ´één nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander liefhebt, zoals ik u heb liefgehad, dat ook gij elkander liefhebt, hieraan zullen allen weten dat gij mijn leerlingen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander´. Wettische betrachting heeft niet lief, die tracht de ander te overtroeven. Iedere voorbeeldige betrachter bedoelt met zijn houding te zeggen “Waar ik heen ga kunt gij niet komen!” Daarom neemt Jezus dit hier parafraserend over: gij zult mij zoeken, maar waar ik heenga daar kunt gij niet komen, maar dan andersom: niet zo subliem, maar zo laag, niet zo eervol, maar zo schandelijk. Gij zijt toch nog te zedelijk om te komen waar ik kom, en achter te laten wat ik achterlaat. Maar waar ik ben daar zijn wel de stiefkinderen van de volken, en zo wordt de Tora vervuld. ´Dat gij elkander liefhebt´, dat is uw identiteit onder de volken.

Maar de liefde is dan ook niet wat men ervan gemaakt heeft: een hoger zedelijk beginsel, eerder het omgekeerde ervan; wie liefheeft is een ander niet voor, noch maatschappelijk, noch zedelijk. Want nooit mag worden vergeten dat een stiefkind onder het oordeel valt: het is in alles achter. Liefde nu omhelst zo een kind, van harte: liefde is immoreel, zij bereidt een woning voor daklozen, en heeft daarbij niet stiekem een op te leggen zede in haar program.