27 maart 2016

Eerste Paasdag 27 maart 2016

bijbellezing: Jesaja 51, 9=11                       Psalm 118, 15-24                       Kolossenzen 3, 1-4                       Johannes 20, 1-18

Van belang met betrekking tot de op bouw van het evangelie is J. Willemse, Het vierde evangelie, Hilversum/Antwerpen 1965. Daarom ontleen ik aan hem de volgende schets van het tekstverband:

Nadat de evangelist heeft ingezet bij God als het scheppend oerbegin van zijn boodschap (1,1,2), vertelt hij over de bruiloft te Kana als het begin van de tekenen (2,11), dat al verwijst naar het uiteindelijk teken van Jezus’ opstanding uit de doden (zie 2, 18-22. Johannes 2- 19). Deze tekstfragmenten laten een dubbele beweging in het leven van Jezus zien: ontlediging en tegelijk verheerlijking, komen en heengaan, nederdaling tot in de dood en verhoging tot op het kruis, tot in de hemel.
Er zijn overeenkomsten aan te wijzen tussen Joh. 1 en 20:
- Jezus wordt beleden als God zelf (1,14 en 20,28);
- Er wordt gerefereerd aan het scheppingsverhaal (1, 1-5 en 20, 22); 

- Het verband tussen Jezus en de vergeving en de Heilige Geest, door Johannes geprofeteerd (1, 29, 33) en in hoofdstuk 20 vervuld (20, 22, 23);
- Jezus komt van God en keert terug naar God;
- In Johannes 1 worden de leerlingen geroepen om ‘te komen en te zien’ (40, 4 , 52), in hoofdstuk 20 worden ze gezonden (21) om te getuigen van wat ze gezien hebben (29); de tijd van zien en geloven is voorbij, nu breekt een nieuwe tijd aan: niet zien en toch geloven.
Driemaal wordt naar de nabijheid van het Paasfeest verwezen: 2, 13, 6,4 en 11: 55.Willemse stelt: Johannes componeerde zijn evangelie als een literair-chronologisch opgaan van Jezus naar het Pasen van sterven en verrijzen.
Als tijdsaanduiding neemt de zondag als de dag van de Heer een opvallende plaats in. Expliciet alleen twee keer in Johannes 20, maar via berekening ook in Johannes 1 en 2 (op de derde dag) en 6 (via 5, 9, 10). Zo ontstaat dan het volgende schema: Johannes 2 met het wijnteken en 6 met het broodteken duiden samen de zondag als dag van de eucharistie. Johannes 11 en 20 duiden samen de zondag als dag van de opstanding. Er zijn dus in de opbouw vier literaire zondagen die de compositie bepalen: Johannes 2 tot 6 staat in het teken van het kruis, de Messias, de eucharistie; Johannes 11 tot 20 staat in het teken van de opstanding, de Zoon van God, de zondag als dag van de verrijzenis. Zo beantwoorden de vier tekenen aan het basiscredo van het vierde evangelie: Jezus is de Christus, de Zoon van God (Joh. 20, 31). Tot zover iets over de compositie.
Zoals in heel zijn evangelie, gebruikt Johannes ook in hoofdstuk 20 historisch en synoptisch materiaal, maar hij presenteert dit op een eigen, meditatieve wijze. Hij verbindt twee  scènes: twee leerlingen bij het graf en Maria Magdalena in de ontmoeting met de Heer. Evenmin als in de andere evangelieën wordt hier de opstanding zelf beschreven. Men waagt zich niet aan speculaties en houdt zich aan het lege graf en de verschijningen.
In Johannes 20 en 21 is er steeds het motief van de onderlinge relatie tussen Petrus en Johannes (we houden het erop dat de laatste ‘ de andere discipel’ van vers 2 is).

In vers 3-8 wordt verteld, dat Petrus weliswaar als eerste het graf binnenging, maar dat Johannes er het eerst bij was en als eerste geloofde. Bovendien volgt Petrus Johannes. In vers 8 treffen we het belangrijke woordpaar aan: zien en geloven.
 Maria Magdalena is hier de enige vrouw (bij Marcus zijn er drie vrouwen, bij Matteüs twee en bij Lucas meerdere). In elk geval: een vrouw is de eerste getuige. Deze prioriteit van de vrouw doet denken aan Galaten 3, 28. Dat Maria Magdalena als enige vrouw genoemd wordt, vestigt ook  de aandacht op haar persoon: zij is hier als iemand die met Jezus alles verloren heeft, omdat zij aan Hem alles te danken had (vgl. Lucas 8,2). Zij is dan ook voor geen rede vatbaar. Alleen het noemen van haar naam helpt haar uit de droom; de goede herder roept zijn schapen bij name en zij herkennen zijn stem (Joh. 10, 3).
In vers 17 is van belang het opgaan (anabainoo) naar de Vader. De opstanding (en ook reeds het kruis) wordt beschreven als een schakel in dit opgaan. Voor Johannes is de hemelvaart essentieel, als voltooiing van de passie en als ruimte makend voor de Heilige Geest. Door heel het evangelie heen wordt  op de hemelvaart gezinspeeld (3,13;6, 62;7,33;13,1,3; 14,4,28;’16,, 5, 17, 28; 17, 13) zonder dat het tot een realistische beschrijving komt zoals bij Lucas. Opstanding en hemelvaart worden door Johannes heel nauw verbonden. Als verhoogde zal Jezus straks aan zijn leerlingen verschijnen.
Het ‘houd me niet vast’ in vers 17 maakt duidelijk dat er tussen Maria en Jezus dood en opstanding liggen; zij is geroepen van de andere zijde. Jezus is niet teruggekomen maar verschenen, en deze verschijning is niet inpasbaar in onze werkelijkheid.
Niet de opstanding en niet de komende ontmoeting in Galilea, maar de verhoging vormt de inhoud van de boodschap die Maria moet overbrengen.

Suggestie voor de preek

Het met name genoemd worden speelt een belangrijke rol. De opgestane vindt haar door het roepen van haar naam. Alleen zo wordt zij wakker en opgewekt.  In de taal van de liefde kan geen uiting op tegen het noemen van de naam. Alleen zo wordt de taal van de feiten overtroefd. Dat is het geheim van de opstanding door de tijden heen. God leer je niet kennen door te denken, maar doordat je je naam hoort roepen. Dat wordt betekend door de doop. Dat is ook de ervaring van Israël in Babel als de profeet vertolkt: vrees niet, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn ( Jes. 43,1). Alles draait erom of we door alle woorden in de kerk heen ‘ergens’ worden aangesproken in ons diepste verlangen.

Zoals Neeltje Maria Min dichtte:

                                                                          Noem mij, noem mij, spreek mij aan.
                                                                           O, noem mij bij mijn diepste naam 

                                                                            Voor wie mij liefheeft wil ik heten.