24 januari 2016

3e zondag na Epifanie 24 Januari 2016

Lezingen: Jesaja 61, 1-9                       Psalm 145, 13-21                       Lucas 4, 14-21

Het centrale gedeelte uit Lucas 4, 14-21, de verzen 18 en 19. Ik heb gekozen voor de NBG- vertaling, omdat deze dichter tegen de grondtekst aanligt dan de NBV-vertaling.
De genoemde verzen luiden: De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren.
Tekstkeus: Wanneer de gemeente van Christus nadenkt over de zin van de menselijke arbeid,  wordt zij steeds geconfronteerd met de noodzaak deze zin te herleiden tot de zin van Christus’ werken in deze wereld. Immers, daarin ligt besloten als vervulling en opdracht wat menselijke arbeid in onze wereld moet zijn. In Lucas 4, 18 en 19 wordt beschreven hoe Jezus zelf zijn werken fundeert in een bewust gekozen citaat uit de profetie van Jesaja. Hieruit kunnen wij als gemeente de zin voor onze menselijke arbeid distilleren.

              De bovengenoemde pericoop uit het Lucas-evangelie is het begin van het tweede hoofddeel van dit evangelie. Na de proloog wordt in het eerste hoofddeel de voorgeschiedenis van Jezus’ optreden beschreven (Johannes de doper, Jezus’ doop, zijn stamboom en de verzoeking in de woestijn als voorbereidende gebeurtenissen). Met Lucas 4, 14 begint de beschrijving van Jezus’ optreden in Galilea, zijn eerste werkterrein. Nadat in vers 14b en 15 heel kort is beschreven dat Jezus al heel snel grote bekendheid verwierf in de hele streek en veel positieve waardering ontving, begint in vers 16 het verhaal van zijn optreden in Nazareth, de stad waarin hij is opgegroeid. Volstrekt in overeenstemming met de gewoonte in het Jodendom, maakt Jezus op de sabbat gebruik van zijn recht om in de synagoge te lezen. Iedere man die dat wilde, kon buiten de vaste leescyclus van de Torah om, door op te staan te kennen geven dat hij uit een van de andere boeken van tenak wilde lezen.
Het gedeelte dat Jezus kiest, is een citaat uit Jesaja 61, de verzen 1 en 2a. In dit citaat komen we twee van de drie kernwoorden tegen, waarmee Jezus zijn spreken over de inhoud van zijn zending steeds weergeeft: euangelizesthai (het evangelie brengen) en kerussein (verkondigen); het derde woord, dat in deze pericoop niet naar voren komt, is didaskein  (leren, onderwijzen). Karl Barth( KD 1V-2, p. 217 e.v.) vermeldt dat deze drie woorden steeds weer gebruikt worden als de kernwoorden van Jezus’ optreden. De woorden zijn dan wel niet synoniemen, maar ze convergeren, dat wil zeggen zij geven alle drie de centrale richting aan van Jezus’ handelen. Zij worden steeds zonder veel nadere uitleg in de evangeliën gebruikt. Zij worden alleen gevolgd door, of vooraf gegaan door, een aantal praktische handelingen die beschreven worden. Bovendien worden alle drie kernwoorden niet alleen voor het handelen van Jezus gebruikt, maar ze impliceren tegelijkertijd het handelen van de discipelen. Daarom zijn ze van bijzondere betekenis voor het handelen van de totus Christus, ‘waartoe als de aardse gestalte van zijn lichaam ook zijn gemeente behoort’ (Barth, 217). Uit deze wijze van beschrijving blijkt dat Jezus in de evangeliën hiermee nadrukkelijk wil zeggen dat het kader van zijn handelen en daarmee het handelen van de gemeente wordt gegeven door de drie genoemde kernwoorden. Steeds moeten we praktische handelingen zien in het kader van het brengen van de goede, vreugde brengende boodschap. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament lopen daarbij de inhoud van de boodschap, het bericht daarvan en de boodschapper in elkaar over. Hier zien we weer een aanwijzing voor de vervlechting van woord en daad van Jezus met zijn persoon. Hij zelf is de goede boodschap, zijn daden en woorden getuigen ervan.
Merkwaardig is het dat het tweede kernwoord uit onze tekst, kerussein, in het Oude Testament niet die pregnante betekenis blijkt te hebben die we in het Nieuwe Testament tegenkomen. In het Oude Testament wordt verkondigen steeds gebruikt als een profetisch vooruit zien. In het Nieuwe Testament wordt dit vooruit zien een vooruitzien naar de vervulling: het komende rijk van God, altijd gefundeerd in de terugblik op het al geschiede: het feit van Gods openbaring in Christus. De klemtoon wordt gelegd op het afsluitende karakter daarvan voor onze vroegere omgang met God. Verkondigen kan daarom in nieuwtestamentische zin alleen zijn: Jezus verkondigen als de gekruisigde, in wie de tijd van het oude verbond is afgesloten en het nieuwe verbond is aangebroken. Alle verkondigen gebeurt op grond van de opdracht om van Jezus te getuigen, daarin ligt ook de kracht van het handelen en de verkondiging van Jezus’ navolgers.
In onze tekst wordt het kerussein in zijn volheid door Jezus gebruikt, omdat het als feitelijke vulling van handelen meekrijgt de bevrijding van gevangenen en het geven van het  gezicht aan blinden. Zo wordt andermaal duidelijk dat het verkondigen ook de daad van het verkondigen in zich draagt.
Vers 19 noemt dan het in vrijheid heenzenden van verbrokenen, die door machtsmisbruik van anderen niet tot hun recht komen; mishandelde mensen worden hier verlost. Tenslotte mondt het vers uit in een tweede gebruik van kerussein, heenwijzend naar het komende rijk van God, op grond van de in Christus werkelijkheid geworden belofte van God.
Beide kernwoorden staan in deze pericoop op hun beurt weer in het kader van de aankondiging dat het hier de Messias is die het evangelie brengt en verkondigt.  Jezus draagt de Geest van de Heer, opdat hij als gezalfde zijn taak kan vervullen.
Als we nu dit citaat leggen naast de tekst van Jesaja 61, 1 en 2a, dan zien we dat Jezus hier niet letterlijk citeert. Hij laat weg: ’om te verbinden de gebrokenen van hart’ en voegt toe: ´te verkondigen het gezicht aan blinden´(Jes. 35, 5) en hij voegt ook toe het ´laten gaan van de  verbrokenen in vrijheid´ (Jes. 58, 6). Door deze vervanging maakt Jezus duidelijk dat hij de Messias in de zin van het nieuwe verbond is, die partij kiest voor de armen, gevangenen, blinden en verbrokenen. Door het citaat bij Jesaja 61, 2a te laten ophouden, beklemtoont Jezus nog iets anders: Hij is niet de messias in oudtestamentische zin, niet het nationale ideaal dat de vijanden van Gods volk zal vernietigen en niet degene die Gods rijk hier op aarde als een rijk van aardse overvloed zal brengen. Door de weglating van deze beide aspecten, die wel in Jesaja 61 staan, komt het accent te liggen op de breuk tussen de oude en de nieuwe verwachting.
Het hele citaat dat zo door Jezus is gelezen, bevat in een notendop  zijn woorden en daden. Zij zijn daarom grondleggend voor de woorden en daden van de gemeente.
 

            Aanwijzingen voor de preek. Wanneer als centrale thematiek in de tekst naar voren komt dat het werken van Jezus is: verkondigen, het evangelie brengen door te kiezen, in woord en daad, voor armen, gevangenen, blinden en verbrokenen, en dat daarin de richting gegeven wordt voor al het menselijk handelen, zal een preek over genoemde tekst daarin moeten worden ingebed.
Dat brengt meteen de vraag met zich mee: wie zijn de mensen in genoemde categorieën in onze samenleving: de vraag dus naar de maatschappij-analyse. Wie zijn de armen van onze tijd? Mensen afhankelijk van thuiszorg, die ze slechts mondjesmaat krijgen, de werklozen, mensen die van een AOW-uitkering rond moeten komen, de tienduizenden vluchtelingen van huis en haard verdreven? Hoe solidair zijn we als gemeente?
Je kan de preek ook toespitsen op onze arbeidssituatie: Wie zijn de rijken, hoe zijn ze aan hun rijkdom gekomen? Waarom zijn de armen arm en is dit verschil rechtmatig? Wie houdt andere mensen in de arbeidssituatie gevangen? Is er wel een vrije keuze om elders te gaan werken? Wie heeft de macht om de minder prettige arbeidssituaties te wijzigen? Wie heeft het meeste voordeel van het handhaven van de huidige arbeidssituaties?
Welke mensen worden blind gehouden, doordat ze verstoken zijn van de nodige informatie die inzicht verschaft in wat er werkelijk aan de hand is? Wie houdt deze informatie tegen en op welke gronden? Welk voordeel is daarmee gemoeid? Tenslotte: wie worden mishandeld door machtsmisbruik van anderen in hun werksituatie?
Je zult merken dat het beeld helderder wordt naarmate men deze vragen indringender stelt in de arbeidssituatie van mensen en dat men tot verrassende ontdekkingen zal komen. Alleen zo kun je recht doen aan de grondkeuze die in de tekst is gemaakt.