13 september 2015

13e zondag van de zomer 13 september 2015

Enige gedachten bij: Jes.45.20-25, Ps 116.1-9, Mc.9.14-29 

Er zijn geesten die, ook gelovigen, onmachtig maken en niet uit te drijven zijn, alleen door gebed, zegt Jezus. Wat wel te doen is, is trachten de slachtoffers op te vangen en te trachten de situatie zo leefbaar mogelijk te maken.

Inleiding: Zowel in de Psalm als in Jesaja en Marcus wordt geschreven over hoop in bange dagen. Ze laten zien, dat het anders kan, dat er, met hulp van God, andere mogelijkheden kunnen zijn. Mensen kunnen veranderen door anders tegen een situatie aan te kijken, de angst of het kwaad te benoemen en samen actie te ondernemen om misschien iets, als eerste, in de eigen omgeving te veranderen, door anderen de hand te reiken.

Ps 116.1-9, Een persoonlijke dank aan God. Banden van het dodenrijk omknelden mij, angst en pijn overvielen mij. Toen riep ik de NAAM aan. Hij heeft mij bevrijd. Nu kan mijn ziel weer tot rust komen.

Jes.45.20-25, Context: de 2e Jesaja vertelt al over Kores (geen jood), Gods gezalfde, die Hij bij de rechterhand neemt om de terugkerende Ballingen te begeleiden. Voor de hergroepering van Israël gaat het niet alleen om Joden, maar alle volken worden daartoe opgeroepen.
20-25: God is het fundament van de wereld, die Hij schiep om in te wonen en niet om Hem beschaamd te doen staan. God verstopt zich niet. Afgoden dienst levert niets op. De hulp komt alleen van Hem. Iedereen die dit onderschrijft/ beleid zal redding vinden. Dit wordt weer, eeuwen later, in praktijk gebracht door Jezus en geïllustreerd door Marcus.

Mc.9.14-29. Context: De verhalen in Mc.1 t/m 8 willen inzicht geven aan de menigte, maar vooral aan de leerlingen, dat die zien en geloven in de levende God, niet een unieke zaak is. In 7.24-30 niet uitsluitend voor de kinderen Israëls . Hoofdstuk 8 eindigt met de belijdenis van Pertrus: U bent de Messias (8.29) en een aankondiging van het lijden van de Mensenzoon. Vanaf 9.2: De ervaring van verheerlijking van Jezus op de berg drie leerlingen in aanwezigheid van drie leerlingen. Zowel Matheus als Marcus laten direct daarop, bijna met de zelfde woorden, het verhaal volgen over het onvermogen van de andere leerlingen een onreine geest uit te drijven.

Welke personen spelen in dit verhaal een rol?

  • Onmachtige discusierende leerlingen, die deze onreine geest niet kunnen uitdrijven. Zij moeten de jongen bij Jezus brengen.
  • Schriftgeleerden, die met de leerlingen in discussie zijn over hun onmacht.
  • Menigte, die verbaasd waren dat ze Jezus zagen. En meteen naar hem toeliepen om hem te begroeten (15). Ze stromen toe als ze denken dat Jezus iets met de jongen gaat doen.(25a).
  • Iemand uit de menigte, de vader, zegt: ik heb mijn zoon naar u gebracht, omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten. Steeds wanneer hij wordt overweldigd door de geest, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen uw leerlingen dat zij de geest moesten uitdrijven. Maar dat konden ze niet. De vader vraagt aan Jezus of Hij iets kan doen, medelijden te hebben en vader en zoon te helpen. De vader antwoord Jezus: Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.
  • Jezus en de overige drie leerlingen die van de ervaringen op de berg, op eens terechtkomen in een grote menigte. Jezus vraagt waarover de discussie gaat.(17). Na het antwoord van de vader duidt Jezus zijn leerlingen aan als: ongelovig volk. En vraagt zich af: hoe lang moet ik nog bij jullie blijven, dit verdragen(19).En geeft opdracht de jongen bij hem te brengen. Dat wordt gedaan (20a).Jezus, vraagt de vader hoe lang de jongen al bezetten was, hoe lang hij er al last van had (21a). Jezus, kan iets doen, alles is mogelijk voor wie gelooft(23).Hij spreekt de geest streng toe: Geest die doof en stom maakt, ga uit hem weg en keer niet in hem terug.(25b) .Jezus, pakte de jongen bij de hand om hem overeind te helpen..
  • De Geest: heeft de jongen al vanaf zijn vroegste jeugd vaak in het vuur en in het water gegooid, hem doen knarsetanden, stom gemaakt en doen verstijven, met de bedoeling hem te doden. Toen hij Jezus zag reageerde hij, door de jongen te laten stuiptrekken. Hij verliet de jongen onder hevig geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen(26a).
  • De jongen bleef achter alsof hij dood was. Hij krijgt een handreiking van Jezus.
  • Jezus, alleen met zijn leerlingen

Marcus schrijft zijn evangelie, voor de gemeente in verdrukking, na de val van Jeruzalem. Het is bedoeld als een bemoediging een hart onder de riem. Een paar aspecten, in deze tekst, uitgelicht:

  1. Er zijn verschillende tegenstellingen opmerkelijk.
  2. Er is sprake van een onmacht situatie van leerlingen die deze onreine geest niet kunnen uitbannen. En in hun onmacht in discussie gaan met de aanwezige Schriftgeleerden. En een vader en een zoon.
  3. De geest tracht de jongen door water en vuur te doden.
  4. Er is weer na een verlossing van angst en pijn, een handreiking. Maar de jongen moet zelf opstaan. De vraag ligt hier onder, wat is opstanding. Opstanding heeft te maken met geloof en vertrouwen.
  5. De vader geeft aan dat geloven een proces is van geloof en ongeloof/twijfel.

Ad 1. Tegenstellingen.

  • Tegenover de ervaring op de berg van Jezus en zijn drie leerlingen, staat de onmacht van de andere leerlingen, maar ook de verzuchting van Jezus over het voortdurende onbegrip van zijn leerlingen.
  • De discussie met de Schriftgeleerden en de geest, die stom maakt en doet verstijven. Tegenover het bevrijdende werk van Jezus, die aantoont dat het anders kan, voor wie geloven en vertrouwen.
  • De jongen die als dood lijkt staat tegenover het gezond willen opstaan.
  • De zoon met de onreine geest, die wil doden, tegenover de Geest die van God uitgaat en levend maakt. Deze heeft de gemeente ontvangen.

Ad.2. Onmacht

De 12 hadden bij uitzending (6.13) de macht ontvangen om onreine geesten en demonen uit te drijven. Zij hebben in die periode prima gefunctioneerd. Het zal gegaan zijn om geesten die levensbelemmerd werkten, zoals banden van de dood, angsten van het dodenrijk en houten godenbeelden, en andere ziekmakende factoren. Deze leerlingen hadden de mogelijkheid mensen een andere kant van het leven te laten zien naar voorbeeld van Jezus, al begrepen ze nog niet alles. Deze onreine geest is anders. In dit verhaal falen zij. Als ze alleen met Jezus zijn vragen zij waarom zij die geest niet konden uitdrijven. Jezus, legt hen uit dat dit soort geest alleen door gebed kan worden uitgedreven.

Ad 3. De geest tracht de jongen door water en vuur te doden.

Wat voor geest zou dat kunnen zijn? Het gaat in dit verhaal waarschijnlijk om codes. Zoals ook Johannes de codes, water en vuur, gebruikt in de openbaring/ Apocalyps. Marcus schrijft na de val van Jeruzalem. De gemeente lijdt onder de overheersing van de Romeinen. De gemeente kent de historie van de twee grootste bloedbaden die plaats gevonden hebben tijdens de Joodse oorlog: het ombrengen van mensen in het vuur van de brand in Jeruzalem en haar tempel, en het doden van duizenden joden in het water van de zee van Galilea (Tarichea). Dergelijke verschrikkingen zijn niet direct te veranderen. Een wens dat dit ophoudt kan alleen door gebed en het benoemen van het kwaad. Een dergelijke geest maakt stom en verstijft, wil doden en werkt negatief. Verstijven/verdorren wordt door Marcus gebruikt (6x, 11xNT) om onvruchtbaar zijn/worden aan te tonen. Zij wil doden. Zowel de Romeinen als de tempelgeleerden wilden doden. De zoon zou kunnen staan voor Israël dat dit alles heeft moeten ondergaan. Maar de discussie van de Schriftgeleerden met de leerlingen, de mensen die opgestaan waren om Jezus, ook na zijn dood, te volgen, loopt ook nog.

Ad 4. Opstaan.

Mensen kun je de hand reiken. Marcus beschrijft op verschillende plaatsen, dat Jezus de hand reikt aan mensen, na hun genezing. Mensen zullen zelf moeten opstaan. Zo zijn zonen en dochters van het volk opgestaan in geloof en vertrouwen in Jezus. Evenals de leerlingen na Jezus dood. Zij krijgen aangezegd, dat Jezus hen voorging naar Galilea. Zij stonden op en gingen…(16,7)!

Ad 5. Geloof en vertrouwen als een proces

De vader geeft aan dat geloven een proces is van geloof en ongeloof/twijfel. Kan je nog wel geloven en vertrouwen als je de terreur van een onreine geest of de gevolgen daar van dagelijks ondervindt. Over de geest die de jongen teisterde werd eerst verteld dat hij stom maakte, maar bij de uitdrijving wordt zowel doof als stom genoemd. De oproep in Jesaja was al:overleg met elkaar en vertel (jes.45.21). De gemeente moet niet verstijven,  zich doof en stom houden voor wat zij in haar omgeving ziet aan onreinheid t.a.v. medemensen, maar zich openen/ praten over (Mc. 7.31-37) met betrekking tot problemen in haar omgeving. Het is een zaak van inzicht krijgen, niet meer doof en stom zijn. Jezus heeft getracht langzamerhand inzicht te geven en zijn leerlingen te openen (Effata 7.31-39) voor een andere wijze van omgaan met elkaar door de naaste (ongeacht overtuiging of afkomst) lief te hebben en er naar om te zien. Dat geldt ook nog voor geloofsgemeenschappen vandaag.

De geloofsgemeenschappen toen en nu zijn onmachtig tegen het kwaad dat oorlog en overheersing, politieke achtergronden, opvattingen, en de gevolgen daarvan, met zich meebrengen. Wat wel mogelijk is, is aan de marge, slachtoffers daarvan ondersteunen. Bijvoorbeeld door : -onder protest meewerken aan voedselbanken, -nieuwe Nederlanders wegwijs te maken in de nieuwe samenleving of protest te laten horen en zien, als vluchtelingen die geen toegang krijgen in Nederland opgepakt worden en gevangen gezet worden of geen bed bad en brood regeling krijgen, of daarbij van dagopvang verstoken worden, om aan terugkeer te kunnen werken,  -hulp aan kinderen die al jaren opgegroeid zijn in Nederland, maar net buiten het kinderpardon vallen, - in de wijk/dorp mee te werken aan zaken, die mensen tot elkaar zouden kunnen brengen om de leefbaarheid te bevorderen. Geloofsgemeenschappen kunnen daartoe het initiatief nemen en daarbij ook samenwerking zoeken met een moskee of andere organisaties. Als eerst contact met elkaar gezocht wordt m.b.t. de problematiek die in de omgeving speelt en mensen niet direct in discussie gaan over (geloofs)opvatting blijkt vaak dat bij het nader van elkaar leren kennen er veel inzicht ontstaat. Het kan dat mensen die vooroordelen hadden over de opvattingen van een ander of onwetend daarover waren tot inzicht komen hoeveel zij, ook geestelijk, met elkaar delen. Een verrijking vanuit een handreiking.

Een handreiking die verbinding maakt en 'vrede' kan brengen.

Van 19 -27 september is de jaarlijkse vredeweek. Met al thema: vrede verbindt. Misschien ook een handreiking om zo volgende week, met vele anderen, de vredesweek in te gaan en verbindingen trachten te maken

Héleen Broekema (TWG)

Laat elk talent beschikbaar zijn en ieder mens te vinden zijn,
Om onrecht, oorlog, martelpijn, met woord en daad te weren.
Dat al wie in God gelooft en in zijn rijk aan ons beloofd,
Met inzet van hart en hoofd, zich tot de minste kere.

Laat ieder deel van het leven zijn, van sterk tot zwak, van groot tot klein
Laat ieder ‘meester-dienaar’ zijn, verlegen om de vrede.
Dat niemand in dit bestaan apart of eenzaam hoeft te staan.
Dat allen met allen gaan, met hart en lijf en leden.

(melodie: uit vuur en ijzer, zuur en zout.)