26 juli 2015

6e zondag van de zomer 26 juli 2015

Bijbellezing: Jesaja 63, 7-14                       Psalm 114                       Marcus 6, 45-52[1] .

(45) Aansluitend op de vertelling van de spijziging van de 5000 volgt er een bijzondere gebeurtenis. Voor Goethe betekende deze de ‘legende’ van het oer-christendom, die hem het meest na aan het hart lag; ook een commentator als B. H. Branscomb uit de vorige eeuw spreekt hier van een ‘pious legend’. Jezus die over het water wandelt is ook wel een heel merkwaardige gebeurtenis. Het gaat alle menselijke bevattingsvermogen te boven.
Marcus levert ons, de hoorders, deze geschiedenis als nauw verbonden met de spijziging over. We mogen aannemen dat hij ze zo in de traditie gevonden zal hebben (vgl. Joh. 6:1-15, 16-21), Mattheüs beschrijft dezelfde gebeurtenis in soortgelijke bewoordingen, maar hij neemt daarin ook de geschiedenis van de zinkende Petrus  op (Matth. 14: 28-31; Lucas heeft vanaf Marc. 6: 45 geen parallelle verhalen meer tot Marc. 8:27).
(46,47) Ook de plaats van de in deze pericoop beschreven gebeurtenissen is  net als in de daaraan voorafgaande niet meer nauwkeurig te bepalen. De pericoop begint met zeer nauwe aansluiting bij de vorige: Na de spijziging verbreekt Jezus snel en abrupt het contact met de menigte (volgens Johannes; omdat de schare Hem koning wilde maken, Joh. 6: 15) Ook de discipelen zendt Hij weg naar de overzijde van het meer. Jezus zelf trekt zich daarna terug in het gebergte om te bidden (vgl. 1: 35, enz). Het is dan al laat in de avond geworden en de discipelen bevinden zich op dat moment in het schip op het midden van het meer. Tegen het einde van de nacht, tussen drie en zes uur (Marcus gebruikt hier, evenals in 14: 35, de romeinse indeling van de nacht) is het schip in een storm terecht gekomen. Deze keer is het schip nog wel niet in nood, zoals in 4:35-41, maar de discipelen hebben wel de grootste moeite om vooruit te komen.
(48) In die toestand verschijnt Jezus hun. Hij heeft hen gezien, maar dat lijkt toch niet het motief van zijn nadering te zijn. De mededeling van zijn nadering komt tamelijk onverwacht. We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat de discipelen zonder dat ze dat willen getuigen zijn van een verschijning van Jezus, die niet op de eerste plaats en rechtstreeks voor hen bestemd was. Het is een geheel unieke epifanie die voor hun ogen plaats vindt. Het lijkt er zelfs op dat Hij hen voorbij wil gaan, zo vermeldt alleen Marcus. Het werkwoord ‘voorbijgaan’ is een terminus technicus voor de epifanie van goddelijke gestalten. Zo wilde God aan Mozes ‘voorbijgaan’ (Ex. 33: 19, 22 vlg) en aan Elia (1 Kon. 19:11)
Jezus doet hier, wat naar de verkondiging in de Tenach God doen kan en doet (Job 9: 8; 38:16; Ps. 77:20, Jes. 43:16). De zee staat voor de dood, de immense afgrond. Als Jezus nu op het water loopt, legt Hij voor korte tijd zijn incognito af en verschijnt  als de Zoon des Mensen in heerlijke gestalte. Zo verschijnt Hij in deze nacht aan zijn leerlingen. Je zou hier kunnen spreken van een voorteken van de opstanding, zoals ook in de geschiedenis van de verheerlijking op de berg.
(49, 50)  Dit voorval ontstelt de discipelen. Zij die hun meester in zijn goddelijke verschijning zien, zijn ontsteld en menen een spookverschijning te zien. Maar Jezus neemt hun vrees weg. Ik denk dat dan crux van deze pericoop volgt: ‘Blijf kalm. Ik ben het, wees niet bang’. Zo brengt Hij hen en ook de zee tot rust.
(51, 52) Andermaal wijst Marcus op de ontsteltenis van de discipelen. En verklarender wijs voegt hij eraan toe, dat hun harten verhard waren (vgl. 8: 17; Rom. 11: 7; 11 Cor. 3: 14; Eph 4: 18). Omdat de harten verhard zijn, is het inzicht van het geloof nog niet doorgebroken. Mattheüs heeft deze opmerking niet. Je kan concluderen dat ook het wonder van de broodvermeerdering de discipelen nog niet tot geloof heeft gebracht.
Deze geschiedenis is samen met 9:2-8 de enige in Marcus’ versie van het evangelie die zo ondialectisch de heerlijkheid van Jezus laat zien.

Suggesties voor de preek: Er is veel voor te zeggen om de woorden van Jezus: ’Blijf kalm, ik ben het, wees niet bang’ tot tekst voor de preek te nemen. In onze tijd wordt extremisme steeds grimmiger en gewelddadiger. Deze is de storm/ het zware weer waarin onze levensboot terecht is gekomen. We zullen heel wat rustiger worden als we in de woelige baren van onze tijd geloven dat Jezus ook nu ons nabij is.

Het Nederlandse asielbeleid wordt  steeds inhumaner. Wat kunnen we als gemeente doen om asielzoekers het gevoel te geven dat ze bij ons thuis kunnen zijn?

Naast deze grote problemen kent ieder stormen in haar of zijn persoonlijk leven. Ik denk aan echtscheidingen, de dood van een dierbare, werkloosheid en vult u maar aan. Het gaat er dan om elkaar in de gemeente erbij te bepalen dat Christus ons in deze levensstormen nabij is.

Lies van der Zee

[1]Voor de exegese van de pericoop uit Marcus volg ik in hoofdlijnen het commentaar van Bolkestein, omdat ik daarin mijn eigen theologische reflectie op de tekst goed  herken. M.H. Bolkestein, Het evangelie naar Marcus, Nijkerk 1977. Daarnaast heb ik als commentaren gebruikt: R. Schnackenburg, Das Evangelium nach Marcus, Düsseldorf 1966, en V. Taylor, The Gospel according to St Mark, second edition, Londen 1966.