19 april 2015

3e zondag van Pasen 19 april 2015

Psalm 98 
Heil en gerechtigheid voor iedereen die het kwade haat. Deze Psalm beschrijft een theofanie, een verschijning van de Eeuwige. Zoiets gaat gepaard met onweer en aardbeving: daaruit blijkt wie de God van de hele aarde is. 

Hij laat de volkeren zijn kracht ervaren, tot vreugde van Sion en tot heil van de mensen: Hij heeft iedereen lief die het kwade haat. Het leven van zijn getrouwen behoedt Hij, Hij bevrijdt ze uit de macht van de bozen. Hij is Koning, de aarde juicht tot aan de vele eilanden toe.

Zo’n psalm moet je lezen als een loflied, dat alles overstijgt wat mensen van elkaar scheidt. Je hoort en je verbeelding helpt je: Sion is van belang, maar het heil geldt de hele aarde.

Micha 4 vers 1-5
Micha is een jongere tijdgenoot van Jesaja, uit 750 tot 700 voor onze jaartelling. Een vredesprofetie in Juda, dat nog is overgebleven na de deportatie van Israel. Deze vredesprofetie geldt voor alle volkeren. Toch wisselen in dit boek voorzeggingen van heil en onheil elkaar af. Hij roept Israel op om naar de berg van God te gaan: daar zal Hij hun de weg wijzen, en Hij zal recht spreken over alle volkeren. En dan, dan…zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en de oorlog niet meer leren. Micha wil het volk laten beloven dat het de weg zal gaan van vrede, en niet alleen dit volk: het maakt zo de weg vrij tot wereldvrede. En zelfs als de anderen niet meegaan, dan zal de weg van Gods volk de weg van de vrede zijn. Zelfs als ze zich tegen Israel keren, zal Israel de weg meten en kunnen gaan die de profeet wijst. In andere gedeelten van het boek zie je hoe bedreigd Israel is. En toch klinkt de roep om zwaarden om te smeden tot ploegscharen. Geen volk heft dan meer het zwaard op tegen een ander. Dan zullen ze zitten onder hun eigen vijgenboom en wijnstok, zonder dat nog iemand ze opschrikt. Een visioen om mee te nemen, een richtlijn voor ieder die deze Ene God wil dienen.

Vrede door vrede, en niet door pacificatie.

Johannes 21 vers 15-24
bevat het overbekende verhaal van Jezus die terechtgesteld werd als misdadiger en die verschijnt aan zijn volgelingen. Vóór hij voorgoed van hen zal weggaan, stelt hij Petrus aan om over zijn kudde te waken. Uitgerekend Petrus, die zijn Meester verloochend heeft bij zijn arrestatie: “Ik ken hem niet, ik was er niet bij!” Hij vraagt hem of hij van hem houdt, in bewoordingen die steeds intenser en daarmee confronterender worden. Jezus draagt hem op over zijn volgelingen te waken, als een herder over zijn schapen. Hij kondigt hem aan dat hij nooit meer zijn eigen weg kan gaan, dat deze taak hem zijn leven zal kosten. Petrus informeert dan meteen nog maar even over Johannes, Jezus’ meest beminde leerling. “Dat gaat je niet aan” zegt Jezus, ook al blijft hij tot aan mijn komst.” Zal Jezus dan terugkeren? Zal Johannes nooit sterven? Ze zijn meteen weer uit de plechtigheid van het moment teruggevallen naar een soort competitie.

Het lijkt of Johannes hier het auteurschap van het Evangelieboek claimt – zeker is dat niet.

Met deze mensen moet de nieuwe gemeenschap van “mensen van de weg” verder. Naar een situatie van vervolgd worden, de val van Jeruzalem, de verstrooiing en daarmee de verbreiding van het Evangelie van de vrede.

Janna F. Postma