15 maart 2015

4e zondag van de veertigdagentijd 15 maart 2015

Jozua 4 vers 19-vers 1-12 De Israëlieten in Gilgal Psalm 122 (Johannes 6 vers 1-4) Brief aan de Efeziërs vers 2-10vv

Jozua 4 vers 19 tot 5 vers 12- Op de drempel in Gilgal 
Na de uittocht uit Egypte heeft het volk Israel 40 jaar gezworven door de woestijn, onder leiding van twee broers en een zus: Mozes, Aaron en Mirjam. Mozes gaat voor, Aaron gaat graag in op de wensen van het volk Israel, Mirjam bezingt de bevrijding. Dit is kort samengevat, maar het is uitgebreid te vinden in het boek Exodus. Mozes beklimt een berg en blijft daar achter bij de God JHVH, de Éne, en niemand weet hoe. Jozua neemt dan de leiding over. Het volk, “de gemeente” heet het in de Naardense Bijbel, volgt hem. De Jordaan valt tijdelijk droog, ze trekken het gebied in. Ze nemen twaalf stenen mee, voor elke stam één.

Het hart van de volken aan de Westkant “versmelt” bij het zien van deze invasie. Maar “de kinderen van Israel” mogen niet zomaar aan het veroveren gaan: de mannen worden eerst allemaal besneden. Dan zijn ze dus even buiten gevecht gesteld. Ze moeten maar vertrouwen op God die hun een vaste woonplaats heeft toebedacht. Nuchter wordt nog even vermeld dat de vaders het land niet bereikt hebben, maar de zoons zijn nu besneden: ook zij dragen het teken van de discipline.

Wij zijn niet helemaal verrukt van zulke verhalen van verovering. Maar zo gaat het wel in de geschiedenis. Hier wordt het begeleid door een besef van disciplinering. Zij komen nu samen in Gilgal. Dat wordt voor hen de plaats waar de Ene de smaad van de slavernij van hen heeft afgewenteld. Zij eten een Pesachmaal van matzes en gepoft graan. Het manna uit de woestijn, die dauw van eetbare schimmels(?) houdt op. Ze moeten weer leren zelf voedsel te zoeken en te verbouwen. Nu moeten ze rondjes gaan lopen om de stad Jericho, met trompetgeschal, en dan vallen de muren om. Ooit was ik godsdienstjuf, en toen ik dat uitspeelde met de klas kwamen er bezorgde onderwijzers binnen vanwege het lawaai. Godsdienstles aan kinderen was leuk: ik legde de nadruk op het geweld dat niet nodig was. De vragen die bij mij opkomen bij zoveel oorlog en zelfhandhaving, ook in het “Heilige Land” die heb ik maar niet met ze gedeeld. Dat kwam later nog wel eens: nu wilde ik de nadruk leggen op thuiskomen na een zwerftocht door de woestijn.

Onze tweede tekst is Psalm 122: Opgaan naar Jeruzalem, met vreugde. Een hecht gebouwde stad, verbondenheid tussen God en de mensen. De stammen klimmen er heen, de berg op om de Ene te danken. De tronen van recht staan er. Het volk komt binnen om te bidden om vrede. Ook dit is een stem in de Tenach, die wij wel onhandig aanduiden als “Oude Testament.” Deze Psalm moet vooral klinken in de dienst, om iets voelbaar te maken van de vreugde van de samenkomst. Onze gemeenten slinken, en daar kunnen we heel wat oorzaken voor aangeven. De vreugde zoeken met elkaar, en die door te geven: dat komt niet altijd aan bod bij gesprekken die wij voeren over ons voortbestaan. En toch is zij het hart van de gemeenschap: blij zijn om het heil dat wij kunnen beleven met elkaar! Al wordt de kring kleiner, het heil is er, en dat wordt zichtbaar waar wij meeleven - met alle mensen die bij ons betrokken zijn, ook al zijn ze misschien geen lid!

De tekst uit het Johannes-Evangelie laat zien hoe Jezus de mensen die hem volgen verzorgt met woorden, genezingen en voedsel. Ik denk niet dat ik dit gedeelte er bij ga betrekken in de dienst van 15 maart.

Efeziërs 2 vers 4 tot 10 vv

Hier horen wij een heel ander geluid. Als deze brief van Paulus is, dan stamt hij uit begin jaren ’60 van de Christelijke jaartelling. Het zou dan een brief uit de gevangenis zijn. Hij kan ook geschreven zijn door een leerling van Paulus. In dat geval neemt hij de thema’s van de dissidente Jood Paulus op. In het eerste hoofdstuk (vers 13) staat: “Ook u, gelovigen uit de volken, hebt nu het woord van de waarheid gehoord.” De zogenaamde “heidense volkeren” zijn niet langer buitengesloten van het burgerschap van Israel, de beloften van het Verbond gelden ook voor hen. De besnijdenis wordt tussen haakjes gezet. De tussenmuur tussen Israel en de volkeren is weggebroken door de lijfelijke inzet van Jezus, tot aan de dood aan het kruis. En zo wordt de Thora met haar geboden niet langer richtinggevend voor de nieuwe gelovigen. Inzet van het leven en sterven van de Jood Jezus is: de vijandschap doden, Israel en de gojim herscheppen tot één nieuwe mens. Jezus bewerkstelligt vrede tussen wie ver weg zijn en wie nabij zijn. De nieuwe gemeenschap is het huis van God. Jezus, Gods Gezalfde, is de hoeksteen. Wij weten niet met zekerheid of de tempel nog overeind stond toen deze brief werd geschreven. Dat maakt wel iets uit voor het begrijpen er van. Mensen zijn nu het gebouw, mensen van vrede, die medeburgers zijn en geen “bijwoners” meer.

Zo werkt het ook nu nog niet altijd. Maar deze tekst biedt ons een opening to inclusief denken. Uit het verhaal van Jezus weten wij dat de prijs voor vredestichten hoog is, lijfelijk en emotioneel lijden meebrengt. Dat is meer dan geloofsijver: het is ruimte maken voor anderen, inclusief denken. Zo kun je werken aan verzoening.

Janna F. Postma