24 mei 2015

Pinksteren 25 mei 2015

Bijbelgedeelten: Psalm 104, 25-35 Handelingen 2, 1-34 Johannes 14, 8-17

Aangezien Johannes 14 de afgelopen tijd in het gemeenschappelijk leesrooster niet aan de orde is geweest en aangezien dit bijbelgedeelte ook binnenkort niet in dit rooster aan de orde komt, past het me hier eerst iets in zijn algemeenheid over te zeggen.
Pinksteren: het is feest en dat moet gevierd worden! Maar wat valt er met Pinsteren dan wel te vieren?
Uit de naam kun je dat niet zonder toelichting afleiden. Pinksteren - pentekoste in het grieks- is letterlijk immers niet meer dan een rangtelwoord: vijftigste, vijftigste dag na Pasen welteverstaan. Pinksteren is dus geen zelfstandig feest, maar het bestaat bij de ‘gratie’ van Pasen, waarvan het een soort slotfeest vormt.

Om te beginnen is Pinksteren in Israël van oudsher een oogstfeest geweest: het feest van de eerste vruchten, het wekenfeest. Leviticus 23, 4-22 bericht ons daar uitvoerig over en roept ons tevens op bij het binnenhalen van de oogst niet te inhalig te zijn. Vergeet in Gods naam niet wie van de ‘rand van onze welvaart’ afhankelijk zijn: de arme en de vreemdeling, de ‘marginalen’. Waarschijnlijk herinnert hieraan ook nog het ‘halleluja’-gezang, dat het oude romeinse missaal aangeeft om met Pinksteren te zingen na de voorlezing van Hand. 2, 1-11.: Psalm 104, waarvan vers 30 luidt in de Naardense bijbelvertaling:
maar zendt gij uw adem,
zij worden herschapen,
nieuw maakt gij
het aanschijn van de bloedrode grond.
Daarna knielde de hele gemeente en bad: ‘Kom , heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur van uw liefde’.
Vervolgens werd de beroemde Pinkstersequentie gezongen: ‘ Veni, Sanctus Spiritus’ (zie bijvoorbeeld gezang 238 uit het Liedboek der kerken), waarin de eerste aanspreektitel van de Geest luidt: ’Pater pauperum et dator munerum – Vader der armen en gever der gaven’
Daarnaast wordt Pinksteren in Israël vanouds gevierd als het ‘feest van de gave van de Torah op de Sinai’. Volgens een oude joodse traditie vond de wetgeving op de Sinai plaats op de vijftigste Pinksteren) dag na de bevrijding uit Egypte (Pasen). Deze Torah bevat alles wat een mens weten moet om naar Gods beeld en gelijkenis met anderen samen te leven.

De liturgische kleur van Pinksteren is rood als teken van geestdrift en getuigenis. De klassieke evangelielezing voor Pinksteren is Johannes 14, 23-31, maar zoals hierboven aangegeven volgen wij het gemeenschappelijk leesrooster dat Joh. 14, 8-17 als uitgangspunt neemt. Ik vind dat geen bezwaar, als de lezers van deze preekschets zich maar realiseren dat de uitleg van dat gedeelte een ruime plaats in de preek moet krijgen.
Johannes 14. Dit hoofdstuk behelst de zogenaamde afscheidsrede van Jezus. Zo’n afscheidsrede was destijds zowel bij de Grieken en Romeinen als bij de Joden een geliefd literair genre. Als schrijver kon je daarin nog eens kernachtig weergeven wat degene die heengegaan was volgens jou aan het einde van zijn leven te zeggen had tot hen die na hem leefden en tot hen die achterbleven. In de synoptische evangeliën zult u overigens tevergeefs zoeken naar een parallel van deze afscheidsrede. Deze is typisch Johanneïsch.
Als afsluiting van deze algemene inleiding wijs ik de lezer nog op de onmiskenbare verwantschap tussen Johannes 14 en 16 (vanaf v. 4b). Er zijn goede gronden om aan te nemen dat de hoofdstukken 15 t/m 17 pas naderhand op deze plaats ingevoegd zijn. Dat wil zeggen dat in de oorspronkelijke opzet van de evangelist het laatste avondmaal besloten werd met de afscheidsrede van Jezus (Joh. 14) en onmiddellijk gevolgd werd door de lijdensgeschiedenis (hoofdstuk 18). Anders gezegd: wat er ook gebeuren mag en hoe de hel ook ieder moment kon losbarsten, ja zelfs wanneer zij Jezus zullen wegmoorden uit de straten van het bestaan, niets kan hem weerhouden om solidair met ons te blijven, ons te bemoedigen door zijn presentie en ons op te roepen zijn woorden te bewaren door ze te doen. Nog voor hij weg is, heeft hij ons dit nota bene al toegezegd! Dat is wat Johannes de hoorders van zijn evangelie in hoofdstuk 14 indringend vertelt door de afscheidswoorden van Jezus aan de eigenlijke lijdensgeschiedenis te doen vooraf gaan. Tot zover een algemene inleiding op Joh. 14

Omwille van de ruimte ga ik nu wat lijnen uitzetten van Joh. 14, 12-17.
Deze verzen kenmerken zich door drie beloftes die Jezus doet: In vers 12 lezen we dat de leerlingen als ze op Jezus vertrouwen even grote, ja zelfs grotere werken dan Jezus zullen doen. Dat is een verrassende gedachte. Misschien is het meest verrassende nog wel , dat het doen daarvan rechtstreeks in verband wordt gebracht – dat geeft het woord ‘immers’ in vers 12 aan, in het grieks: oti – met het weggaan van Jezus naar de Vader. Ik herinner de lezer even aan vers 2: In het huis van mijn vader zijn vele woningen: de leerlingen zullen voortaan ‘huis van God’ onder de mensen zijn. Dat kan ook: het huis van de Vader – dat is een aards huis en geen huis in de hemel – is geen eenpersoonskamer, maar heeft veel verblijven. En van hen geldt dan ook wat in vers 10 door Jezus van zichzelf wordt gezegd: : ‘De woorden die wij spreken … uit onszelf zeggen wij ze niet, maar de Vader die in ons blijft, die doet zijn werken’.
In vers 13 (en 14) horen we de tweede belofte: ‘En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen, zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt.’ Het is niet ondenkbaar dat je als leerling wat bedremmeld staat te kijken bij het horen dat je grotere werken zult doen dan Jezus zelf. Daarom deze toezegging: je kunt vragen in de naam van Jezus, dat wil zeggen een beroep doen op en aanknopen bij datgene waarvoor Jezus heeft gestaan tijdens zijn leven.
Ontstaat er nu geen tegenspraak tussen ‘ de Vader doet zijn werk ‘(v. 10) en Jezus’ tweevoudige verzekering ‘ik zal het doen’? Het antwoord is nee, want wat Jezus doet is erop gericht dat de grootheid van de Vader zichtbaar wordt. Zo is het uiteindelijk toch de Vader die zowel in Jezus als in de leerlingen zijn werken doet. Daarmee is de gedachtegang bij Johannes rond.
Voor het eerst in dit hoofdstuk valt in vers 15 het woord ‘liefhebben’. Jezus liefhebben kan volgens Johannes maar op een manier: door zijn woorden te bewaren (doen). Al het andere is franje (vgl. 21, 23 en 24)
Dan volgt in vers 16 en 17 de derde belofte: ‘ Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven.’ Dit is de eerste van de vijf zogenaamde ‘parakleet-spreuken’ die alleen in de afscheidsredes van Jezus te vinden zijn: in de hoofdstukken 14, 15 en 16. Door over een ‘andere’ parakleet te spreken duidt Jezus hier indirect zichzelf als parakleet aan. Het woord parakleet betekent letterlijk: ‘erbij geroepene’ om te helpen en is bij Johannes een bijzondere benaming voor de Heilige Geest. In hoofdstuk 14 is het de Vader die de Geest geeft (v. 16) respectievelijk zendt (v. 26), terwijl in hoofdstuk 15 en 16 Jezus de ‘zender’ is. ’The Paraclete is the Spirit understood as the presence of the absent Jesus, and by definition the Paraclete and Jesus cannot be on earth together’1
Deze parakleet kan nader gekwalificeerd worden als ‘de Geest der waarheid’, zoals de weg die Jezus Messias is, nader aangeduid kan worden als ‘de waarheid’. Waarheid, Aletheia, dat wil zeggen dat eindelijk aan het licht zal komen wat de mensen en de dingen in Gods Naam zullen en kunnen zijn.
De Heilige Geest is een gave van God. Deze kan niet op eigen kracht of met eigen middelen verworven worden. Je ontvangt haar en moet haar delen met vele anderen, die samen haar tempel zijn, het lichaam van de Opgestane, het huis van God bij de mensen. Zo zal deze in jullie zijn en bij jullie blijven (v. 17). Johanneïscher kan het niet eindigen!

Aanwijzigingen voor de preek
1. Het gelezen stuk uit Johannes 14 is geen gemakkelijk gedeelte. Er zal veel uitgelegd moeten worden.

2. Maar als je uitlegt, zal ook over het voetlicht komen wat vers 12 als verrassing oproept: je kunt dezelfde dingen doen als Jezus, ja zelfs nog groter. Als wij als gemeente huis van God zijn, ieder met haar of zijn eigen kenmerken en eigenaardigheden, wat roepen we dan op?

3. Twijfel: bovenstaande belofte (in vers 12) werd door Jezus gedaan aan ‘wie in hem geloofde’. Hoeveel vertrouwen heb ik zelf nu werkelijk in de woorden die Jezus gezegd heeft, in de keuzen die hij gemaakt heeft, in de weg die hij is gegaan?.. Mag je met onze wijze van geloven niet verwachten, dat er weinig Gods werk uit onze handen komen, omdat we soms te vrijblijvend geloven, te weinig riskant, te kortademig en te weinig creatief? Is dat ook niet het probleem van de spelers in het spel van de verontschuldigingen? Die mensen hebben alles al. Zij hebben helemaal geen feestmaal nodig, die zijn elke dag bij zichzelf te gast!

4. In het boek Ik geloof van A.A. van Ruler2 staat het volgende over het werk van de Geest: ‘Daarom hebben wij door de Geest ook moed voor de wereld. We leren het zuchten en het jammeren af, zelfs over de zinloosheid van het bestaan […]. Door de Geest gaan we ook met krachtige slag aan de gang. Ieder op zijn eigen plaats. Dat is altijd maar een heel klein plaatsje. Maar de Geest omvat het geheel […].”

5. We hopen dat uw pinksterpreek zo verrassenderwijs duidelijk maakt dat de hoorders deel van dat geheel mogen zijn.

Lies van der Zee

1 R.F. Brown, The Gospel According to John, (xIII-XX1), p. 710-711.
2 A.A. van Ruler, Ik geloof, Nijkerk 1968.