28 juni 2015

2e zondag van de zomer 28 juni 2015

 Ed. Hoornik dichtte onder meer de volgende regel:

‘Ik ben de kleine dochter van Jairus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul eruit is, zonder zwier is’.

Een gedicht van Ida Gerhardt, ‘Het dochtertje van Jairus’, begint als volgt:

‘Zij zagen haar verwonderd aan,
het meisje dat was opgestaan.’
Even verder luidt het:
‘Dat wat een wonder is van taal
Ik las als kind het honderdmaal.’

Professor Th. M. van Leeuwen heeft in zijn boek Van horen zeggen. Geschiedenis en uitleg van de Bijbel 1 naar aanleiding van de perikoop Marcus 5, 22-43 beschreven welke methodiek je kunt hanteren om te exegetiseren zonder de grondtekst te gebruiken omdat je die niet kent. Hij raadt aan dan eerst de tekst op zich te analyseren en deze vervolgens te plaatsen tegen de achtergrond van andere bijbelteksten. Een betekenis levert dit niet op, maar wel verschillende mogelijkheden van interpreteren. De bedoeling van deze ‘leesoefening´ is om iedereen die interesse en tijd heeft te laten zien dat je zelf met teksten bezig kunt zijn zonder veel hulpmiddelen, in een poging ze voor nu betekenis te geven. Aangezien ik van mening ben dat deze methodiek ook werkt als je de grondtalen wel beheerst, zal ik zijn methodiek in onderstaande preekschets volgen.

Inleiding

In de perikoop Marcus 5, 22-43 worden drie verhaalsoorten gebruikt die we moeilijk kunnen bevatten: Het zijn de verhalen van een genezing, een opwekkingsverhaal en het wonder van de taal waarin die beide verhalen worden verteld. Ik geef u hier die perikoop in de vertaling van Peter Oussoren. Hij is in ons taalveld degene die in de bijbelvertaling het dichtst bij de grondtekst blijft.2 Ik zet in navolging van Van Leeuwen (die dit doet aan de hand van de Willibrord vertaling) a,b,en c bij de diverse onderdelen.

21. Als Jezus in de boot weer oversteekt 
naar de overkant,
verzamelt zich een grote schare bij hem,
nu hij daar is, bij de zee.

  1. 22 Er komt een van de synagoge-oversten aan, 

wiens naam is Jairus,
en als hij hem ziet
valt hij neer voor zijn voeten,

23. En pleit dringend bij hem, zeggend: 
mijn dochtertje ligt op haar uiterste,-
dat u komt en haar de handen oplegt,
opdat zij gered wordt en leeft!

24. Hij gaat weg, met hem mee,
en hem is een grote schare gevolgd,
en zij drongen tegen hem samen.
b. 25. Een vrouw die een bloedvloeiing heeft,
al twaalf jaren,
26. En veel heeft moeten lijden
onder vele dokters
en alles van haar kant eraan heeft besteed
en er helemaal geen baat bij heeft gehad
maar eerder bij nog erger is uitgekomen,-
27. Als zij alles hoort over Jezus
weet zij in de schare achter hem te komen
en pakt zijn kleed vast:
28. Want, heeft ze gezegd, als ik maar
zijn kleed vastpak zal ik worden gered!
29. Meteen valt de bron van haar bloeden droog;
en aan het eigen lijf herkent ze
dat ze geneest van haar kwaal.
30. Meteen herkent Jezus aan zichzelf
dat er kracht uit hem weggaat,
hij draait zich om, daar in die schare,
en heeft gezegd:
wie heeft mijn kleren vastgepakt?
31. Zijn leerlingen hebben tot hem gezegd:
u kijkt hoe de schare tegen u opdringt
en nog zegt u: wie heeft me vastgepakt?
32. Hij is om zich heen blijven kijken
om haar te zien die dat had gedaan.
33 En de vrouw, in vreze en beven,
wetend wat aan haar is geschied,
komt en valt voor hem neer
en zegt hem alles naar waarheid.
34. Hij zegt tot haar:
‘dochter, dit geloof van jou
heeft je gered;
ga heen in vrede,
en wees gezond, vrij van je kwaal!’
c. 35. Terwijl hij nog spreekt
komen ze van de synagoge-overste zeggen:
je dochter is gestorven;
wat val je de leermeester nog lastig?
36. Maar als Jezus dit woord gesproken
hoort worden,
zegt hij tot de synagoge-overste:
vrees niet, geloof alleen!!

37. Hij laat niemand toe
om samen met hem te volgen
behalve Petrus, Jacobus en
Jacobus’ broer Johannes.

38. Zij komen aan bij het huis
van de synagoge-overste
en hij aanschouwt het: het misbaar,
en hevig huilende en jammerende mensen,
39. Als hij binnen komt, zegt hij tot hen
waarom maakt ge zo’n misbaar en huilt ge?
het kind is niet gestorven, maar slaapt!
40. Ze hebben hem uitgelachen.
Maar hij drijft ze allemaal uit,
neemt de vader van het kind en de moeder
en zijn metgezellen mee,
en treedt naar binnen daar waar het kind is.
41. Hij grijpt de hand van het kind
en zegt tot haar:
talitha koem!, dat is in vertaling
Meiske, jou zeg ik: word wakker!
42. Meteen staat het meisje op,
en heeft een stukje kunnen lopen;
ze is immers twaalf jaar.
Meteen zijn ze buiten zichzelf,
helemaal buiten zichzelf.
43. Hij gebiedt hun ernstig
dat niemand hier kennis van mag krijgen,
en zegt dat haar
iets te eten moet worden gegeven.

Begin, einde en indeling.

Een van de eerste vragen die je kunt stellen is of dit een afgerond geheel is. Om een antwoord te vinden op die vraag heb je concordantie noch woordenboek of een ander hulpmiddel nodig.
Als je door het Marcus-evangelie bladert, merk je dat nieuwe gedeelten al spoedig beginnen met een verplaatsing. Dat gebeurt in onze perikoop in vers 21 en dat geschiedt weer in 6,1. We lezen daar respectievelijk ’Als Jezus in de boot weer oversteekt…’ en ‘Hij gaat weg daarvandaan…’ Wij hebben dus een goede reden om aan te nemen dat 5,21-43 een bijbelgedeelte is met een helder begin en einde.
We kunnen nu een poging doen om grofweg structuur te ontdekken in deze perikoop:
in de inleidende zin lezen we dat Jezus weer in de boot naar de overkant gaat en in een grote menigte terecht komt.
-(a) In de verzen 22-24 begint het verhaal over Jairus’ ernstig zieke dochter. Jezus gaat naar haar op weg;
-(b) In 25-34 wordt dat verhaal onderbroken: Jezus wordt door een zieke vrouw aangeraakt; zij wordt genezen;
-(c) In 35-43 gaat het verhaal over Jairus’ dochter verder; zij is gestorven, maar Jezus doet haar opstaan.

Dit drieluik doet de vraag opkomen waar nu het accent op ligt: vormen (a) en( )c samen het ‘hoofdverhaal’ en is (b) alleen een intermezzo dat als doel heeft om aan te geven waarom Jezus te laat kwam om een ziek kind te genezen?
Staat het verhaal over de genezing van de vrouw dus in dienst van dat andere verhaal? Of heeft het zijn eigen belang en zijn er dus twee accenten?
Als je naar verschillende vertalingen kijkt, lijken beide opties mogelijk te zijn. Zo heeft de NBG-vertaling boven het hele stuk staan: ’Het dochtertje van Jairus,’ aldus de suggestie wekkend dat het verhaal over Jairus’ dochter het hoofdaccent krijgt. Anderen kiezen voor een titel die doet uitkomen dat het om twee verhalen in een gaat: ‘Overwinnaar van ziekte en dood’ (Groot Nieuws).. ‘ Twee vrouwen gered’ (Will.-vert.). Ik stel voor dat we het voorlopig maar op het laatste houden , aangezien dit het geheel meer recht doet: twee verhalen, met ieder een eigen pointe, zijn tot een samenhangend geheel gemaakt.

Vertalingen
Nu we eenmaal de tekst voor ons hebben (zie boven) in een concordante vertaling, is het hier niet nodig nog andere vertalingen er naast te leggen omdat een concordante vertaling –als deze correct is– de informatie verschaft die we nodig hebben. Een van de eerste vragen die we aan de tekst mogen stellen, is of deze de grondtekst consequent weer geeft. Letten we op de woorden ‘redden’ en ‘geloven’. We zien deze tweeslag in de verzen 28, 34. En in vers 36 horen we dat Jezus tegen de synagoge-overste zegt: ’uw geloof heeft u gered’. We kunnen reeds hier al concluderen dat de reddingsacties van Jezus geen magische gebeurtenissen zijn, maar afhangen van het geloof van degene die respectievelijk genezen wordt en uit de dood opstaat (hier bij monde van haar vader). De genezing en de opstanding zijn dus niet het gevolg van magische handelingen, maar vrucht van het geloof.

In vers 23 horen we van het dochtertje van Jairus dat ze in haar uiterste ligt. Doodzieker kan dus niet. Hier vertaalt M.H. van der Zeyde (evenals de NBG vertaling) ‘ het loopt af’, maar dat zegt de grondtekst dus niet. Andere oneffenheden in vertalingen die aan de vertaling van Oussoren vooraf gaan, hoeven hier op een na niet genoemd te worden, omdat de vertaling van Oussoren correct is en overeenkomstig de grondtaal. Behalve wellicht in vers 36 waar hij vertaalt: ’Maar als Jezus dit woord gesproken hoort worden’. In de Will. Vert., die van Van der Zeyde en de Leidse vertaling staat hier dat Jezus ‘hoorde’ wat er gezegd werd. Anderen zeggen juist dat ‘hij er geen aandacht aan schonk’, er ‘niet naar luisterde (Brouwer, NBG-vertaling). Beide bedoelen wellicht : Jezus vangt op wat wordt gezegd, maar hij gaat er niet op in. Ik denk dat Oussoren het laatste bedoelt en ik vind het daarom daar correct vertaald.

Kernwoorden
Zoals ik hierboven al summier aangaf, zijn de kernwoorden ‘gered worden’ (23, 28, en 34) en ‘geloven’ (34, 36). Deze woorden komen in beide verhalen, die van de bloedvloeiende vrouw en het dochtertje van Jairus voor. In 23 staat ‘gered worden’ in combinatie met ‘in leven blijven’. De tegenstelling daarvan is ‘sterven’ (35, 39) .

Sterven wordt ook tegenover ‘slapen’ gesteld. Dat woord van Jezus mag niet opgevat worden alsof het meisje niet gestorven is. Jezus heeft, wanneer hij dit zegt, haar in het geheel nog niet gezien. Voor hem is de dood echter geen laatste realiteit. In het bewustzijn van zijn opstandingsmacht noemt hij de dood een slaap. Slapen is in het Oude Testament vaker een aanduiding van de dood (vgl.bv. ps. 76,6, Dan. 12,2). Daar wordt de dood als slapen omschreven, namelijk slapen in het licht van God. De dood is een slaap omdat God deze zo ziet. Naast deze meest centrale woorden vallen kleinere woorden die meermalen voorkomen en soms haast ongemerkt een samenhang tussen de delen van de tekst bewerkstelligen: ‘ menigte’ of ‘schare’ in 21, 24 (beide keren ‘ een grote menigte’, 27, 30, 31, tweemaal in combinatie met ‘opdringen’). En ‘zich neerwerpen’ in 22 (Jairus werpt zich voor Jezus’ voeten) en 35 (de vrouw werpt zich voor hem neer). Voorts:
‘ twaalf jaar’ in 25 en 42
‘ aanraken’ in 27, 28, 30 en 31
‘meteen’, terstond in 29. 30, 31
In het vervolg moet blijken wat deze woordjes voor waarde hebben.

Personen en rollen

Bij een verhalende tekst als Marcus 5: 21-43 kun je vragen: welke rollen hebben ze? Hoe reageren ze op elkaar? Wie worden er in bepaalde scenes genoemd? Wie treden er handelend op? Wie worden er in bepaalde scenes genoemd, over wie wordt er gezwegen? In ons geval betreft dat de volgende personen:-
- In vers 21: een grote menigte
- In a. 22- 24 Jairus en de menigte
- In b. 25-31 de vrouw, de menigte; de leerlingen
- In c. 35- 43 mensen uit Jairus’ omgeving, als boodschappers en als klagende omstanders, de drie leerlingen, Jairus zijn vrouw en hun dochter.
Om te beginnen is er een menigte van kennelijk nieuwsgierige mensen.
De menigte dunt na b. aanzienlijk uit. Over Jairus wordt in b. gezwegen.
Na b., in c. Tot onderdeel c leek wat er gebeurde nauwelijks door Jezus zelf te worden bepaald . Maar van nu af aan heeft Jezus de regie zelf in handen. Hij stuurt de menigte weg, slechts drie leerlingen mogen mee. Bij Jairus’ huis is er weer een groep, nu van rouwende mensen. Dezen verwachten niets meer van Jezus; ze lachten hem uit (40). Op dit gelach volgt een krachtige reactie: Jezus gaat het huis binnen en gooit hen er allemaal uit. Met enkel de ouders en de drie leerlingen gaat Jezus de kamer binnen waar het meisje ligt. Hij wekt haar tot leven. Tot grote verwondering van de vijf omstanders. We kunnen stellen dat heel dit verhaal toewerkt tot deze climax bij Marcus.
We kunnen zeggen dat er sprake is van een voortdurende intensivering: Is er in de genezing van de vrouw al sprake van een wonderverhaal, in de opwekking van het dode dochtertje van Jairus zeker.
Toch zit de spanning niet alleen aan het slot, maar evenzeer ook in het midden van het verhaal. Waar de vrouw in angst en beven voor Jezus knielt. Ondertussen staat Jairus te wachten… Het zijn zinnen vol ‘suspense’, waarin Jezus naar voren komt als de betrouwbare, wellicht nog meer dan als een genezer of wonderdoener.

De context
Omwille van de ruimte noem ik alleen de directe context. ‘ Toen Jezus weer met de boot naar de overkant gegaan was.. ‘ Het begin van de tekst verbindt hem met de voorafgaande. Het eerste deel van het Marcus-evangelie, tot 7,24 speelt zich af in Galilea, het noordelijk deel van Israël. Marcus 4, 35- 5,43 is dus één grote compositie. Hoewel een nauwkeurige geografische omschrijving bij sommige onderdelen ontbreekt . Ook de tijdsbepaling is niet altijd even duidelijk.
 

Waarover gaat de trits verhalen in 4:35- 5:45?
Het eerste van het drietal over de storm op het meer (4, 35 vv.) vertelt over de angst van de leerlingen om te vergaan en over Jezus’ vermaning het vertrouwen niet te vroeg te verliezen. ‘Waarom zijn jullie zo bang, hebben jullie dan geen geloof?´ vraagt hij.
Het tweede verhaal in 5,1-20 vertelt van een bezetene die tussen de graven leeft, door de mensen uitgestoten. Hij is eigenlijk een voortijdig dood verklaarde. Jezus toont hem Gods ontferming door de boze geesten uit te drijven.
Ons verhaal is het derde en laatste in deze trits. Het gaat door op elementen uit de twee voorafgaande verhalen en voert dit verhaal tot een climax. Waar in de storm de leerlingen het in wanhoop opgaven, houdt de zieke vrouw (al twaalf jaar ziek!) met de moed der wanhoop het geloof vast dat er redding is, en dan is er redding. En waar de Gerasenen de man hadden doodverklaard, hebben in ons verhaal de omstanders het meisje dood verklaard en ze is dood! Maar zoals de bezetene, die al in het rijk van de dood verkeerde, werd gered, zo nu dat kind van twaalf. Het verbindende thema is het geloof dat er toekomst is en dat Jezus de kracht heeft, door God gegeven, om die toekomst te openen.

Aanwijzingen voor de preek

  1. Het kan een goede gedachte zijn je hoorders eens te wijzen op het plezier wat je aan een concordante vertaling kunt hebben, hoe deze je snel op de crux brengt van een bijbelgedeelte.

  2. Het geloof is uit het horen, zeggen we weleens. Welk geloof wordt getriggerd door dit wonderverhaal en opstandingsverhaal? Wat kunnen we ermee voor onszelf, maar ook voor de wereld?

  3. Vrees niet, maar geloof, zegt Jezus. Ik denk dat dit de centrale tekst kan vormen voor de preek. Deze tekst vraagt dan ook om de meeste uitwerking.

Lies van der Zee

1 Th. M. van Leeuwen, Van horen zeggen. Geschiedenis en uitleg van de bijbel, Meppel 1997.
2 P. Oussoren, De Naardense Bijbel, Vught 20014.