26 april 2015

4e zondag van Pasen 26 April 2015

Bijbellezingen: Ezechiël 34: 1-10 1 Johannes 3, 1-8 Johannes 10, 11-16

Voordat ik me zet aan het maken van een preekschets naar aanleiding van de lezing uit het Johannes-evangelie moet mij eerst iets van het hart: ik vind het jammer dat het gemeenschappelijk leesrooster dat wij in onze preekschetsen volgen, niet uitgaat van een lectio continua. Als dat wel het geval zou zijn, zou het verband waarin de gekozen teksten staan veel duidelijker gemaakt kunnen worden. Om een voorbeeld te geven met betrekking tot de evangelielezing voor deze zondag: In Joh. 10, voorafgaand aan de lezing voor deze zondag, noemt Jezus zich zelf de deur waardoor de schapen binnenkomen, en in het gedeelte dat voor deze zondag aangegeven staat noemt Hij zich de goede herder. In een lectio continua zou uitgebreid stil gestaan kunnen worden bij de functie die Jezus heeft in de beeldspraak van Johannes. Nu moeten we het doen met een korte opmerking daarover. Dat vind ik jammer. Maar goed, hier dan de korte opmerking over de beeldspraak van Jezus als de deur: In deze beeldspraak zit iets van rechtsbevoegdheid. Jezus legitimeert zich omdat je nergens anders terecht kunt. Deze deur blokkeert, houdt vreemde elementen buiten en vormt de toegang tot weide, voedsel en leven. De beeldspraak ‘Ik ben de deur’ kan niet anders uitgelegd worden dan aan de hand van 14,6 : ‘ Ik ben de weg, de waarheid en het leven’.
 

Johannes 10:11 a ‘Ik ben de goede herder’.
Vanaf vers 1 worden de contouren helder: de herder komt door de deur binnen (v.2), hem doet de deurwachter open, de schapen, die hij bij name noemt, horen zijn stem (v 3). Hij voert ze naar buiten, gaat ze voor, zij volgen omdat ze zijn stem kennen (v4). Dit alles in tegenstelling tot de ‘anderen, de dieven en rovers, naar hen hebben de schapen niet geluisterd’. Luisteren (akouein)heeft hier geen accusativus (‘naar zijn stem’), maar een genitivus, die het gebeuren van het ‘horen’ intensiveert: oplettend horen (vgl. 5,25; 10; 16,27, 18,37),maar dit kan ook betekenen: gelovig horen, gehoorzamen. Horen drukt ook vertrouwdheid en verbondenheid uit, oorzaak is dat de schapen ta idea (‘zijn eigen’) zijn (vss 3 en 4).
Akolouthein is meer dan iemand volgen, het is gelovig volgen en houdt het leerling-zijn in (vgl. 8-12). Een ander sleutelwoord is het perfectum preasens oida’ (v. 4 en 5). Dit gaat verder dan ‘op de hoogte zijn van’. Het is door en door kennen, en vormt een tegenstelling tot niet kennen. Hier is sprake van een relatie met Joh. 9. Het vaak voorkomen daar van oida is zeker niet toevallig; evenmin als het gebruik van mathetes (9,28 en 29). Is de blindgeborene , genoemd in Joh. 9 niet exemplarisch voor de mens die kent, gelooft en volgt?
In vers 12 wordt een valse herder een misthootos genoemd, een huurling. Dezen zijn volgens de Misjna bij nalatigheid verplicht tot schadeloosstelling. Het punt is dat een relatie met de hun toevertrouwde schapen ontbreekt, zij ‘doen’ het slechts om het loon! Opnieuw, als in Joh. 9, polemische taal. Daar hebben de valse herders eer nodig van elkaar (vgl. 5,44) en in hoofdstuk 7 vervloeken dezen de schare die de wet niet kent (7,49) en werpen de genezen blinde uit de synagoge (9,34). De huurling in hoofdstuk 10 is hier het contrast, de tegenvoeter van de poimen, de goede herder, en boezemt de kudde gevaar in. Wolf en huurling ( 12) zijn per se de contrasten die het profiel van de goede herder beter uit doen komen. Het negatief maakt het positief tot positief, dit wordt nader uitgewerkt in vss 1-15, 28-30 en 17,6vv.
Jezus is de herder, de alethinos, de waarachtige, maar nog meer de kalos, de goede. Al in het Oude Testament wordt God de herder genoemd (bv psalm 23, 1), die zijn volk leidt, beschermt en liefelijk verzorgt. Politieke en militaire leiders dragen soms ook die titel, maar nooit regerende koningen! Dat is voorbehouden aan de komende Messias-koning uit het huis van David, die anders dan de ontrouwe herders van Gods volk de ro’eh ‘ehad is (Ez. 34,22vv). In Zacharia 13,7-9 wordt een herder aangekondigd die gedood wordt en door zijn dood een keer brengt in de geschiedenis; hij is misschien wel degenen om wie gerouwd wordt in Zach. 12,10. De profetie van Zacharia vinden we terug in Joh. 19,17 en zou met 12,16 wel eens voor de evangelist een messiaanse profetie, slaande op de dood van Jezus, hebben kunnen zijn.
Skorpizein, uiteen jagen, vinden we ook in 16,32, een parallelplaats van Marcus 14,27, waar diaskorpizesthai gebruikt wordt , dat weer in Joh. 11,52 - een tekst die nauw samenhangt met 10,16 - gebruikt wordt. Al met al een verduidelijking van de daarachterliggende gedachtegang. De pastorale inhoud van de vorige verzen wordt in 10,11-15 verdiept door de soteriologische noties: de herder zal voor zijn schapen tithenai ten psuchen, zijn leven geven. Hij doet dat vrijwillig om het ook weer (terug) te nemen (10, 11, 15, 17; 13,37vv; 15,13). Dit leven weggeven wijst niet zozeer op een plaatsvervanging, die de evangelist overigens wel kent (vgl. 11, 50vv, 17, 19 en 18,14), maar eerder dient dit om de tegenstelling tot een huurling aan te geven.
Het vaak gebruikte gignooskein (14) slaat niet op theoretisch-rationele kennis, maar heeft de oudtestamentische notie uit Hosea en Jesaja van persoonlijke verbondenheid en innerlijke gemeenschap.
In de verkiezing van de Vader en de Zoon zijn de schapen besloten als ‘dritte im Bunde’, ook de schapen die uit een andere schaapskooi komen. Hiermee zijn de volkeren buiten Israël bedoeld.
Eenheid stamt uit de eschatologische verwachting dat de twaalf stammen van Israël bijeengebracht en verenigd zullen worden (Ez. 37,24), maar iets nieuws is de aanvulling uit de volkeren. God belooft en geeft door de dood van de herder heen (vgl. 11, 51) en op diens voorbede (17, 20) de eenheid onder de ene herder.

Aanwijzingen voor de preek

Het lijkt me noodzakelijk een duidelijk verband te leggen met de eerste 15 verzen van Johannes 10, als ook het verband met Joh. 9.

De vraag die opkomt is: wat betekent het voor ons christenen dat wij door Jezus’ dood en opwekking heen toegevoegd zijn aan Israël? Zeker is niet bedoeld dat we niet kritisch mogen zijn op de politiek van de huidige staat Israël (Dit zou u in de preek kunnen uitwerken).

Dat Jezus onze goede herder is, is een gave, maar tegelijk een opgave: Uiteindelijk erkennen we maar een als onze koning: Jezus Christus. Hoe gaan wij met zijn grondgebied om? In politiek opzicht, ten aanzien van het milieu en in onze intermenselijke relaties?

Het is nog maar kort geleden dat wij Pasen vierden en ons weer te binnen brachten dat wij partijgenoten zijn in de opstanding. In hoeverre is dit aan ons te merken? Komen wij op voor de nog steeds groeiende groep armen onder ons? Participeren wij in het werk van de voedselbank, om een voorbeeld te noemen.

De overheid bezuinigt aanzienlijk op bijvoorbeeld de thuiszorg. Wat voor consequenties heeft dat voor ons? Hebben we oog voor de mensen die hierdoor getroffen worden? Ik denk dan met name aan de ouderen onder ons, zieken en gehandicapten.

Sociale werkplaatsen worden wegbezuinigd. Mede gelet op wat ik in de vorige alinea geschreven heb, stel ik de vraag: Als wij partijgangers zijn van de armen dichtbij en ver weg, welke taken liggen er nu voor ons? Eigenlijk zouden we als kerken ieder jaar een samenlevingsanalyse moeten maken om helder te krijgen welke taken er op dit moment voor ons liggen.

We lazen ook een gedeelte uit Ezechiël over hoe de herders hun schapen verwaarloosden. Moge dat voor ons in die zin een profetisch gedeelte zijn, dat wij onder ons de schapen niet verwaarlozen!

Lies van der Zee