22 maart 2015

5e zondag veertigdagentijd 22 maart 2015

Bijbellezingen: Jeremia 31, 31-34 Hebreeën 5, 1- 10 Johannes 12, 20-33

Voordat we op deze bijbelteksten nader ingaan, wil ik wijzen op de gevaren van een al te vrije vertaling en de verwarring die dat kan stichten. Ik neem een voorbeeld uit Joh. 12, de verzen 16, 23 en 28. Het gaat mij er dan om hoe de werkwoordvorm van het begrip doxa, het Griekse woord eren, als roemen en verheerlijken vertaald wordt.
De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) vertaalt dit achtereenvolgens met: ... ‘ maar … toen Jezus tot majesteit verheven was’, en in vers 23 luidt de vertaling eveneens ‘tot majesteit verheven’. Maar in vers 28 vertaalt de NBV genoemd Grieks woord als ’groot zijn’ van de naam van God. Die grootheid heeft God volgens de vertalers getoond en die zal weer vertoond worden. Maar er worden zo dus op het Griekse begrip doxa verschillende accenten gelegd. Alle andere Nederlandse vertalingen die ik geraadpleegd heb, vertalen op alle genoemde plaatsten ‘verheerlijken’, ook de concordante vertaling van de Naardense bijbel.1
Ik hoop dat uit onderstaande zal blijken dat ‘heerlijkheid’ hier toch op alle plaatsen de beste vertaling is.

Barret toont ons dat globaal twee punten in genoemd stuk van Johannes op de voorgrond treden: 1. Het accent op het feit dat Jezus de koning van Israel is, wat verder wordt uitgewerkt in het verloop van de lijdensgeschiedenis.2
2. de typisch johanneïsche noot in vers 16, waar opgemerkt wordt dat de leerlingen het gebeuren nu niet begrijpen, maar pas later, ‘toen Jezus verheerlijkt was’ . Dit is een echt johanneïsche gedachtegang: pas door de Geest wordt de herinnering van de leerlingen mogelijk.
We moeten ons realiseren dat bij Johannes Jezus’ dood en opstanding en de uitzending van de Geest het ene gebeuren van de verheerlijking vormen. Om het met M. de Jonge en H. M.J. van Duyne nog scherper te formuleren: ‘Er is een samenhang tussen kruis en opstanding, tussen lijden en verheerlijkt worden… Het kruis, de opstanding, de hemelvaart en de uitstorting van de Geest zijn bij Johannes geen afzonderlijke gebeurtenissen meer, maar worden samengevat onder een hoofd: de verheerlijking van Jezus.’3 En T. Naastepad gaat nog weer een stapje verder door de verheerlijking inclusief te maken voor de armen en de massa . Hij schrijft naar aanleiding van vers 23: ’Welnu dat staat de mensen te wachten, in het bijzonder die mensen die nu … worden veracht: de armen… en de volken…, die zullen worden verheerlijkt, niet langer massa damnata, niet langer kinderen van de rekening, niet langer als stof onder de voeten gelopen’.4 Ik hoop dat ik met het bovenstaande duidelijk heb gemaakt dat we doxa consequent met verheerlijking moeten vertalen, omdat we anders de pointe missen.

Johannes 12, 20-36 is de afsluiting van Jezus’ publieke optreden. Het uur van zijn sterven komt aan het licht als uur van verheerlijking (v 23), als verhoging (v 32), als bron van nieuw leven voor wie hem dienen en volgen wil. Ik zal me omwille van het aansprekende van de tekst en omwille van de toegemeten ruimte nu hoofdzakelijk beperken tot de verzen 20/26, hoewel je die niet zonder de context kunt zien.

Er komen nu Grieken voor het voetlicht. De commentaren zijn het er niet over eens of dit nu gaat om Joden van buiten Israel en/of de volkeren van de wereld. Mijn bescheiden mening is dat het een het ander niet uitsluit. Het woord Grieken moeten we niet alleen laten slaan op inwoners van Griekenland, want de titel Grieken wordt wel vaker gebruikt als pars pro toto voor de volkeren. Door deze nu hier in te voegen haalt de schrijver de volkeren voor het voetlicht. De reden waarom de schrijver dit doet is om aan te geven dat zij nu ten volle mogen participeren in het heil. Hoewel deze Grieken verder niet meer genoemd worden, moeten we ze wel theologisch in het oog houden. Voortaan mogen zij delen in het heil tot zegen voor de mensheid

In vers 23 staat een ‘Stichwort’ van Johannes: de ure is gekomen. Het markeert tevens het keerpunt in het evangelie. Tot dan toe was er sprake van dat de ure nog niet gekomen was: niemand sloeg de hand aan Hem, greep Hem (7,30 en 8,20). Het sterven komt in zicht. Terloops merk ik op dat in 5, 25 Jezus zegt: de ure komt en is nu, waarbij de term ‘ure’ dan slaat op de overgang van dood naar leven voor degenen die naar Jezus luisteren en zijn woord doen. Dat is karakteristiek voor de schrijver van dit evangelie. Immers, alleen al daaruit blijkt dat de term ‘ure’ enerzijds slaat op het uur van Jezus’ sterven, maar anderzijds ook op het uur van de overwinning van zijn dood. Kortom, het is het uur van zijn ‘verheerlijking’, het uur waarin de bevrijdende paradox van zijn doxa openbaar wordt (vgl. 2,4, 11 en 17: 1).
In vers 24 begint de gelijkenis van de graankorrel. Uit rabbijnse teksten en 1 Kor. 15,37 wordt duidelijk dat het beeld van de graankorrel thuis hoort in de gedachtenwereld rondom de opstanding: als een graankorrel naakt in de aarde wordt begraven en er prachtig bekleed weer uitkomt, hoe meer geldt dat dan niet voor de rechtvaardigen, die zelfs gekleed begraven worden zoals de rabbijnen zeggen. Zo is de weg van de Messias ook, zegt Johannes, de weg die de graankorrel gaat, door de dood naar het leven, en stervend om vrucht te kunnen voortbrengen. We kunnen ons nu nog afvragen wat er met dat vrucht dragen bedoeld wordt. De theoloog Schnackenburg zegt: ´Jesu Tod ist notwendig um reiche Missionsfrucht einzubringen.5 Het gaat om ‘Mission’, de Grieken worden niet voor niets genoemd! Pas na de verheerlijking van Jezus zal op de aarde het nieuwe leven onder de volkeren doorbreken, en zo zal Jezus´ sterven en opstaan dus vrucht dragen.

Dat vrucht dragen gaat niet buiten de leerlingen om (vgl. 15,2,4,5,8,16). Met name vers 8 is veelzeggend, waar we lezen: ´Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn’. Het is derhalve volstrekt logisch dat Jezus zich nu allereerst tot zijn leerlingen richt (de verzen 24 en 25).
Typerend is bij Johannes de tegenstelling tussen psyche en zoe aiontas, als respectievelijk staand voor het oude en het nieuwe leven. Daarom moeten de leerlingen ook een kritische distantie van de kosmos houden.
Als we het hierboven geschrevene mogen samenvatten, kun je zeggen dat het in dit bijbelgedeelte gaat om het diepe geheim van de ondergang en de offergang.

Aanwijzingen voor de preek

1. We moeten ons realiseren dat bepaalde termen die Johannes gebruikt niet meer gangbaar zijn in ons taalgebruik. Er valt dus heel wat uit te leggen. Ik denk aan begrippen als ‘verheerlijking’, ‘de ure komt’.

2. Voor alles zal men in de preek de samenhang tussen de verzen 24 en 25 duidelijk moeten maken. Dus de relatie tussen Jezus’ lijdensweg en de consequenties daarvan voor de gemeente. In hoeverre staan we in de navolging van deze Heer?
Navolging is een levenshouding, een manier van bestaan die vrij maakt van de terreur van het ik en van behoudzucht. Jezus dienen op de weg van het zaad, maakt kritisch ten aanzien van de wereld. Ja, misschien kom je wel lijnrecht tegenover de wereld te staan. Lang niet elk lijden is echter lijden om Jezus’ wil. Het sterven van een dierbare niet, en ook bijvoorbeeld overstromingen niet. Bonhoeffer zegt: ‘ Kruis betekent geen ongerief en een zwaar lot, maar het is het lijden, dat voor ons voortspruit uit de gebondenheid aan Christus alleen. Kruis is geen toevallig, maar noodzakelijk lijden. Kruis is geen lijden, gebonden aan het natuurlijk bestaan, maar lijden, gebonden aan het christen zijn.6

3. Om het bovenstaande nog wat te concretiseren. Hoe gaan we vanuit ons christen-zijn om met onze moslim-broeders en -zusters. Na januari in Parijs een actuele vraag. Hoe verschrikkelijk die aanslag ook was. De vraag is: hebben we ervan geleerd?

Lies van der Zee
1 Ousoren, P., De Naardense bijbel, Vught 2004
2 Barret, C.K. The Gospel according tot St John. An introduction with commentary and notes on the greek tekst, Londen, 1972 (p. 416)
3 De Jonge. M, en Van Duyne, H.M.J., Taal en teken, Nijkerk 1978, p. 27
4 Naastepad, Th.J.M., Pasen en passie bij Johannes. Deel 1- hoofdstuk 12-17,, Kampen 1986, pag.27
5 Schnackenburg. Das Johannese evangelium. Freiburg/Basel/Wien 1985
6 Bonhoeffer, D., Navolging, Amsterdan 1986, p. 67