22 februari 2015

1e zondag van de veertigdagentijd 22 februari 2015

Bijbellezingen: Genesis 9, 8-17 1 Petrus 3  Marcus 1, 12-15

De goede boodschap
In de preekschets voor zondag 25 januari over Marcus ben ik vooral nagegaan wat het begrip overleveren van Johannes hier voor consequentie had. Ik kwam tot de conclusie dat het overleveren van Johannes in vers 14 zich doorzet in de Zoon des Mensen: Judas die Hem overlevert aan Pilatus die hem overlevert aan de heidenen. De vraag kan opkomen hoe dan toch in Marcus 1 tot twee maal toe gesproken wordt van het evangelie, de goede boodschap. Daarover wil ik middels deze preekschets met u van gedachten wisselen.

Het evangelie van Marcus is het enige dat de naam evangelíe reeds in de introductie noemt. Het evangelie naar Matteüs dient zich aan als het boek van de wording van Jezus Christus, en Lukas noemt zijn relaas ’een verhaal van de dingen’… Wij als lezers zijn hier zo aan gewend, dat het nauwelijks opvalt.
Het woord zoals het aan het begin van het Marcus-evangelie gebruikt wordt en wederom in vers 15 vertaal ik letterlijk als de goede boodschap. Dit woord wortelt in de profetische verkondiging van de profeet Jesaja (Jes. 52, 7) in de vertaling van de NBV:
‘Hoe welkom is de vreugdebode
Die over de bergen komt aangesneld
Die vrede aankondigt en goed nieuws brengt, die redding aankondigt en tegen Sion
zegt:
uw God is koning.´
De betekenis en de inhoud van het woord evangelie kan vanuit deze tekst verduidelijkt worden: vrede en heil bereiken hun hoogtepunt als tot Sion gezegd kan worden: uw God is Koning.
Marcus schrijft zo ‘begin van het evangelie’. Uit het bovenstaande kan duidelijk zijn dat hier meer gezegd wordt dan slechts ‘hier begint het relaas van het leven van Jezus’. Bovendien gaat die eerste regel van Marcus parallel met de volgende ´Gelijk geschreven staat´. De uitdrukkingen ‘begin’ en ´gelijk geschreven staat´ ondersteunen elkaar, zij leggen elkander uit. 1) Het begin is gelijk geschreven staat, maar dat mag ook betekenen dat wat geschreven staat bij de profeet Jesaja de grondslag en het fundament is van hetgeen Marcus wil schrijven. De spreuken en de visioenen van de profeet, de troost die hij in zijn gezangen zingt, gaan aan het verhaal van Marcus vooraf, ja zij maken het verhaal van Marcus alleen maar mogelijk. Die profetieën zijn het beginsel, ze zijn het principe voor de evangelist. Marcus heeft de intentie te zeggen dat het ‘gelijk het geschreven staat’ ook zo is geschied. Dat is de kern hiervan. Daarom is het principe van zijn evangelie ‘ gelijk geschreven staat bij de profeet’.

Het gewicht van dit principe kan en mag niet ontkracht worden door een vertaling als ´Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God. Het begon zoals het bij de profeet Jesaja staat beschreven´. In de vertaling Groot Nieuws voor U is het citaat van de profeet als aanvulling ten overvloede gegeven. Echter, de profeet ligt dan niet meer principieel ten grondslag aan het evangelie …

Dit ‘begin’ waarvan de evangelist schrijft, dit beginsel ‘gelijk geschreven staat’ maakt de nieuwtestamentische literatuur tot een bijzonder fenomeen. Nergens elders in het nieuwe testament wordt er zo gesteund op hetgeen geschreven staat, het behoedt het geheim van de eenheid van de schriften. Volgens dit beginsel zal het geschieden.
In vers 2 hebben we een samengesteld citaat dat ook aan Jesaja wordt toegeschreven. Maar dit citaat is niet alleen van Jesaja. De profeet Maleachi (Mal. 3,i ) is erin te herkennen en eveneens Ex. 23,20a in de Septuagint-vertaling. Toch blijft er veel voor te zeggen om de profeet Jesaja met name te blijven noemen. Het citaat is grotendeels genomen uit het veertigste hoofdstuk van Jesaja. Daar begint het troostboek van de profeet, de zogenaamde Deutero-Jesaja. In het evangelie van Marcus begint het citaat uit het veertigste hoofdstuk bij vers 3. De verzen 1 en 2 worden niet vermeld. En toch zijn dat verzen die alles te maken zouden kunnen hebben met de goede boodschap en het heil dat tot Sion mag worden gezegd. Die verzen luiden in de vertaling van B. Hemelsoeti als volgt:
‘Troost, troost mijn volk, zal uw God zeggen
spreekt tot het hart van Jeruzalem
en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is
dat haar ongerechtigheid verzoend is
dat zij van de Heer ontvangen heeft dubbel voor al haar zonden’ (Jes 40,1,2).

Doordat Marcus deze niet geciteerde verzen niet uitschrijft, maar enkele verzen uit Maleachi geeft, die de klankkleur hebben van Ex. 23, 20 en deze vervolgens toeschrijft aan de profeet Jesaja, kan de lezer inzicht krijgen hoe de troost aan Jeruzalem is gebracht. Nu kan de lezer weten hoe de weg bereid zal worden: er zal troost aan Jeruzalem worden gebracht.

‘Gelijk het geschreven staat’ bij de profeet, zo zal het geschieden. Daarom schrijft Marcus tot enkele malen het woord geschieden voluit neer. (Geschieden is een geschieden van Godswege). Met behulp van dit woord ligt dan ook de indeling van dit ‘begin’ of ‘beginsel’ van het evangelie voor de hand:
Begin van het evangelie
Gelijk geschreven staat
(vers 4) geschiedde: Johannes de Doper
(vers 9) en het geschiedde in die dagen: Jezus.
Het ‘gelijk geschreven staat’ draagt zowel de geschiedenis van Johannes de Doper, als ‘in die dagen van Johannes de Doper’ de geschiedenis van Jezus. De geschiedenis van hen beiden gaat langs de weg die voeren zal tot in het hart van Jeruzalem om daar de troost te brengen, de goede boodschap tot Sion: Uw God is Koning.
Johannes de Doper is betrokken op deze goede boodschap, hij is de voorloper van degene die na hem komt. Jezus – die na hem komt, en die sterker is dan Johannes de Doper – gaat in die dagen de wegen die Johannes heeft geëffend, de paden die hij gelijk gemaakt heeft.

Tot zover enige connotaties bij het begin van Marcus 1. We gaan nu over tot het einde van de proloog van Marcus, waar we in de verzen 14, 15, lezen: ‘Nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea , waar hij Gods goede boodschap verkondigde.’ Dit was wat hij zei: ‘ De tijd is vervuld, het Koninkrijk van God is nabij gekomen: kom tot inkeer en geloof deze goede boodschap´.
Met veel commentaren ben ik het eens dat er in deze proloog sprake is van een inclusie: de inclusie van de verzen 2 tot en met 13 wordt omsloten door de vermelding in de verzen 1 en 14 van de goede boodschap. Aangezien het accent ligt op deze goede boodschap, besteed ik geen aandacht aan de verzen die tussen het begin en de verzen 14 en 15 liggen, maar leg ik tenslotte het accent op de verzen 14 en 15.
Jezus komt naar Galilea in zijn eentje. Van leerlingen van Johannes die hem volgen is bij Marcus geen sprake. In Galilea verkondigt Hij de goede boodschap van het koninkrijk Gods. Deze uitdrukking maakt al duidelijk dat dat evangelie op deze plaats niet gelezen mag worden als ‘verhaal van het leven van Jezus’. Goede boodschap heeft hier klaar en helder zijn wortels in de profetische verwachting, in de troostwoorden van Jesaja (52,7): ‘tot Sion wordt gezegd uw God is Koning.’ Ver van Jeruzalem, in Galilea wordt dit verkondigd. Zo is de weg al geschetst tussen Galilea en Jeruzalem. Daardoor is de spanning opgebouwd en de weg uitgezet tussen Galilea en Jeruzalem. Zo is ook de weg al geschetst van Galilea tot in het hart van Sion. Zo schetst Marcus Jezus’ leven op aarde. Zijn weg en zijn leven zijn erop ingesteld om in Sion te verkondigen dat God Koning is.
Wij als lezers, als hoorders van het evangelie naar Marcus kunnen nu aanvoelen wat het betekent als Jezus tenslotte in Jeruzalem komt en daar wordt overgeleverd om gekruisigd te worden.
Jezus komt aan in Galilea, en de tijd is vervuld om deze weg te gaan. De tijd is vervuld dat al degenen die het horen worden geroepen tot ommekeer, tot inkeer en terugkeer, opgeroepen zich op deze weg te begeven. Wat zegt ons dat, als hoorders op deze eerste zondag van de veertig-dagen-tijd?
In ieder geval heeft de ommekeer en de terugkeer te maken met de oriëntatie op Jeruzalem. Jezus komt aan in Galilea, en Hij verkondigt dat het koninkrijk Gods nabij is gekomen. Marcus gebruikt het woord ‘nabij gekomen’ maar drie keer in zijn evangelie. Hier in hoofdstuk 1, in hoofdstuk 11 als zij nabij Jeruzalem zijn gekomen en tenslotte als geschreven wordt in de hof van olijven: ‘zie, hij die mij overlevert is nabij gekomen ‘(14, 42). Dat Jeruzalem en degene die Hem overlevert met het woord ‘nabij komen’ worden verbonden hoeft de hoorders nu niet meer te verbazen. Immers, zo wordt tot het hart van Jeruzalem gezegd: uw God is Koning. Jezus nadert de stad met deze goede boodschap, en zo komen ook nabij degenen die de overlevering in gang zetten, tot en met Pilatus, die Hem overlevert om gekruisigd te worden: zo is Gods koninkrijk naderbij gekomen.

Aanwijzingen voor de prediking.

Wat zegt het ons op deze eerste zondag van de veertig-dagen-tijd dat Gods koninkrijk is nabij gekomen?
Waar vinden we in onze gemeente de nabijheid van Gods koninkrijk?
In hoeverre bouwen we verder op het fundament dat Jezus heeft gelegd?
Hoe gaan we de veertig-dagen-tijd gestalte geven nu het koninkrijk van God is nabij gekomen?
Als het goed is heeft de theologische werkgroep van Kerk en Vrede voor de Aswoesdag een manifest doen uitgaan om op een geweldloze wijze tegen het optreden van IS te protesteren. Wat doet u daarmee in uw gemeente?

 

iB. Hemelsoet. Marcus. Verklaring van een bijbelgedeelte, Kampen 1977, blz. 7.