21 december 2014

Kerstmis 21-26 december 2014

Gedachten rond het Kerstgebeuren 21-26 december 2014

Het Evangelie van dit jaar is Lukas. Op de Tweede Kerstdag kan Johannes 1 gelezen worden. De samenstellers van het rooster hebben daarbij teksten uit 2 Samuel, Jesaja 8 en de (tweede) Jesaja, hoofdstuk 52 uitgezocht. En daar gedeelten uit brieven van apostelen bijgevoegd. Het feest van de overdaad. Een overdaad aan liturgische gebeurtenissen, ook.

Dit jaar zal ik voor het eerst de Kersttijd alleen beleven als toehoorder en niet als voorganger. Al bladerend in het oecumenische rooster, en lezend kom ik uit bij de teksten van Tweede Kerstdag: Johannes I, Psalm 98, Jesaja 52 vers 7-10 en Hebreeën I vers 1-12. Hoofdstuk 1 uit het Johannes-Evangelie komt hier te voorschijn naast al die mooie verhalen van engelen, sterren, herders, wijzen, ezels, schapen en runderen. Zulke verhalen worden verteld en uitgebeeld in kerststallen en nagespeeld door kinderen. Iedereen onder mijn lezers die zich engageert in een kerk weet dat: al vertellend, zingend en uitbeeldend dragen wij de verhalen verder, van generatie op generatie.

Vandaag ga ik daar aan voorbij. Want zeggen we niet met Kerstmis dat het licht schijnt in het donker? In het geheel van de Schriften neemt dat donker een belangrijke plaats is. Het gaat er nu juist om hoe je in dat donker het licht ziet, hoe je in de ballingschap de hoop vindt en in de verwoesting de kracht tot opbouw. We kunnen daar niet overheen zingen: het donker in onszelf moet een plaats krijgen in ons lied. Er is engagement nodig met hen die zo zeer in het donker leven dat er geen uitweg lijkt te zijn.

Mensen die bezig zijn met het donker van geweld, stigmatisering, onderdrukking en oorlog zoeken naar licht en engelenzang, maar weten dat die niet goedkoop zijn. Zij kunnen niet langer verhalen van onmenselijkheid wegfilteren, ook niet als ze van “je eigen soort mensen” komen. Het vergt strijd met het donker om het licht te bereiken. 
Onze teksten van vandaag zijn bij lange na niet zo gruwelijk als veel passages in de Bijbel en heel wat beelden in het nieuws. Het donker ligt overal aan de grenzen van het licht, ook met kerstmis.

De teksten. In psalm 98 zingt Israel een nieuw lied voor zijn God: dat sluit de volkeren in! De hele wereld met haar ingezetenen prijst de Ene God, die het huis van Israël, en de volken! zal redden en richten.

Jesaja 52 vers 7-10 gaat over de vreugdebode. De context is hier de terugkeer van het volk Israël naar zijn land: dat betekent dat het weer in genade wordt aangenomen na alle eigen misstappen, na alle onderdrukking die het heeft ondergaan. De vreugdebode met zijn lieflijke voeten zal vrede laten horen: alle einden van de aarde zullen het heil zien van “onze God”!

Binnen dezelfde context in Jesaja kom je een Jeruzalem tegen dat opstaat in kracht, en waarin een “onbesnedene en besmette” niet binnenkomt. Maar in het volgende hoofdstuk, 53, wordt ons de lijdende knecht van de Heer getoond. Zo moeten wij zelf onze weg vinden in de teksten, in samenspraak en tegenspraak met mensen van het Boek.

Het Evangelie naar Johannes en de brief aan de Hebreeën gaan een stap verder in de richting van inclusiviteit: mensen uit alle volkeren worden ingesloten. Hier kunnen wij niet achter terug: wie exclusief denkt en handelt, kan uitkomen bij het vernietigen van ongewenste minderheden. Ook Christenen hebben hier weet van, als vervolgden en zelfs als daders!

Johannes 1, In den beginne was het Woord: zo staat het in veel Bijbelvertalingen. Het Johannes –Evangelie wordt dan opgevat vanuit het Griekse filosofisch denken van de Logos. De Naardense Bijbel zegt: “Sinds het begin is er het spreken.” God is nabij in dat spreken, en Zijn woord is daad, Zijn spreken wordt een mens van vlees en bloed die in ons midden komt wonen. Daarmee sluit Pieter Oussoren, de vertaler aan bij het Hebreeuwse denken van de Tenach (de Joodse geschriften die wij Oude Testament noemen). Maar, met de apostel Johannes gaat hij een stap verder naar de hele wereld, die licht is uit Gods Licht. De mensen zijn allemaal bedoeld om te leven uit genade en waarheid, en te worden tot kinderen van het licht.

De Hebreeënbrief stamt uit de kring van de Joodse Schriftgeleerde Paulus. De auteur spreekt hier over de woorden van God aan de vaderen, geuit door de profeten, en over de Zoon die de afstraling is van Gods glorie en de afdruk van Zijn bestaan. Hij spreekt over de aarde die weer zal worden opgerold als een kleed – een inzicht dat bij ons nu ook wetenschappers omhelzen. Blijvend is de Eeuwige die wij niet kunnen bevatten, maar die ons van Zijn grootheid iets heeft getoond in de Zoon. Hij is het Licht dat de wereld schept, het Licht ook dat in het donker schijnt van “kosmisch” leed en van de gruwelen die mensen begaan.

Het leed in het wereldbestel, daar kunnen we maar beperkt iets aan doen. Bevatten kunnen we het niet, maar als we God daarop aanspreken staan we, met Job, in een goede traditie. Als we rechtvaardige verhoudingen nastreven, en daarentegen onrecht, geweld en lijden bestrijden, dan staan wij in een lange rij die niet pas bij Jezus begint en zich ook niet beperkt tot het Joods en het Christelijk mensdeel.
Hebreeën heeft het hier over engelen: “Zijn niet allen geesten die in de heilige dienst staan en die uitgezonden worden ten dienste van hen die heil gaan beërven? “

Ik wens iedereen zulke engelen op haar/zijn pad in de donkere dagen die we nu beleven!

Janna F. Postma