25 januari 2015

3e zondag na epifanie 25 januari 2015

‘Bij overlevering hebben we gehoord’

Sommige verhalen leveren we gemakkelijk over aan bijvoorbeeld onze kinderen. We leveren onze levensverhalen over. Over onze jeugd, wat we daarin meegemaakt hebben, kattenkwaad dat we uitgehaald hebben. We leveren wellicht - als het zo te pas komt - de verhalen over van onze eerste verliefdheid.
Tradities worden van geslacht op geslacht overgeleverd. Zo mocht, nee moest de kerstboom blijven staan tot driekoningen, ‘want dat deden mijn ouders ook’.
U vindt dit wellicht wat triviale overleveringen. Het wordt al spannender als we bedenken hoeveel jongeren de traditie van geweldloosheid overleveren. Een voorbeeld: In oktober was ik op de conferentie van Wereldwerk van de doopsgezinden. Een instelling die vanuit de doperse traditie op geweldloze wijze onder andere kritiek uit op de bewapeningswedloop, waar ook ons land aan mee doet. Toen ik met de trein naar de locatie reed waar de conferentie zou worden gehouden, bladerde ik wat in het doopsgezind jaarboekje. Ik ontdekte toen dat meer dan 60 procent van de predikanten ver boven de vijftig jaar zijn. Zelf ben ik 66 jaar en ik hoop dat, als ik krakkemikkiger word, een jongere mijn taak als predikant wil overnemen. Maar goed, ik kwam dus wat down bij het conferentieoord aan. Wat schetst mijn verbazing? Van de zestig deelnemers bleken er ruim dertig beneden de vijf en dertig jaar te zijn! Jonge mensen die zich met hart en ziel inzetten voor gerechtigheid en vrede! Dit gaf me weer moed en vertrouwen.

Het bijbelgedeelte uit Marcus dat we hier nu aan de orde stellen, riep bovengeschetste overpeinzingen op. Jonge mensen die zich gedreven weten door de Geest en, als de eerste leerlingen toen, vissers van mensen willen worden op de pelgrimage van gerechtigheid en vrede. Dat probeert ook Kerk en Vrede onder andere door haar werkgroepen. Zo is er een pamflet, geschreven door Janneke Stegeman over de kwestie IS. Zo worden er waken voor vrede in het Midden-Oosten gehouden. Zo komt er in februari op aswoensdag vanuit Kerk en Vrede een manifest dat onder meer gaat over de vraag hoe het Westen kan onderhandelen in plaats van schieten om de gemoederen binnen IS tot bedaren te brengen. Nee, wij zijn niet machteloos.

Nu gebruikt Marcus 1: 14 - 20 het begrip overleveren in een ander verband dan hierboven geschetst, maar we kunnen ons wel afvragen wat zijn begrip voor overleveren voor ons te betekenen heeft. Ook de andere synoptische evangeliën spreken van het optreden van Jezus in Galilea, maar zonder dit te verbinden met de overlevering van Johannes de doper aan Herodes en de zijnen. Door Jezus’ optreden te verbinden met de overlevering van Johannes, klinkt dit bij Marcus onheilspellender. Vertalers hebben dit wel trachten te verdoezelen door te spreken over Johannes die ‘gevangen genomen is’ of: ‘na de arrestatie van Johannes’. Door op dergelijke wijze te vertalen – wat de NBV ook doet - doe je echter het gewicht van het gebeuren tekort. Marcus spreekt in 1:14: ‘Nadat Johannes overgeleverd was, ging Hij naar Galilea, zijn werkterrein. Totdat Hij geroepen wordt naar Jeruzalem te gaan.’ Marcus weet wat hij moet schrijven als iemand in de gevangenis gebonden is (vgl. Marc. 6,17), maar daar gaat het hem in het veertiende vers van zijn eerste hoofdstuk niet om: Hij kiest niet voor niets hier het woord overleveren. We komen daar straks op terug. Nog even dit: Marcus vermeldt hier noch de naam van Herodes, ook niet de naam van Herodias of haar dochter. Zo komt al in het begin van dit evangelie het volle pond te liggen op de weg die Jezus moet gaan tot in Jeruzalem. Vlak voor de kruising neemt Marcus het begrip overleveren weer op. Het woord ‘overleveren’ is bijna altijd gereserveerd voor de Zoon des Mensen die ze zullen overleveren aan de heidenen. Het lijdensverhaal gaat van overlevering naar overlevering: Wat in Mat 1: 14 staat zet zich door in de Zoon des Mensen: Judas die Hem overlevert aan Pilatus die Jezus overlevert om gekruisigd te worden.
Door in vertalingen steeds wisselende woorden voor het begrip ‘overleveren’ te gebruiken, wordt het feit verdoezeld dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de overlevering van Johannes en van Jezus. Als we bedenken hoe Jezus overgeleverd gaat worden, lezen we ook het overleveren van Johannes anders. Wat hier van Johannes geschreven staat zal later in het evangelie ook van Jezus verteld worden.

Aan het begin van Jezus’ gang naar Galilea wordt in vers 14 de naam van Johannes, de voorloper nog eenmaal vermeld; er wordt aan zijn duistere lot gerefereerd, maar op zo‘n manier dat wat Jezus zal overkomen er in staat getekend. Wat nu van Johannes staat geschreven - wil Marcus zeggen - zal in het evangelie ook van Jezus worden verteld.
Jezus komt naar Galilea, alleen. Hij is ook de enige Galileër die zich door Johannes laat dopen en hij verkondigt dat Gods rijk nabij is gekomen. De evangelist gebruikt dit woord ‘nabij gekomen’ slechts drie maal in zijn evangelie. Het wordt in het door ons gelezen gedeelte gebruikt, namelijk in hoofdstuk 11, als ze in de nabijheid van Jeruzalem zijn gekomen en ook als geschreven wordt in de hof van Olijven: ‘zie hij die mij overlevert is nabij gekomen (14, 42)’. Dat Jeruzalem en degene die Hem overlevert met het woord ‘nabij komen’ worden verbonden, hoeft ons nu niet meer te verbazen: Want zo wordt tot het hart van Jeruzalem gezegd: uw God is Koning. Jezus komt nabij de stad met deze blijde boodschap, en zo komt ook nabij degene die de overlevering in beweging zet, Judas, tot en met Herodes die Hem overlevert om gekruisigd te worden; zo is het koninkrijk van God naderbij gekomen.

Zo klinkt in Galilea ’bekeert u, sluit u aan bij deze weg. Z0 heeft zij handen en voeten gekregen door wat de voorloper heeft gemeld’: een doop van bekering; degenen die het horen worden opgeroepen te geloven, vertrouwen te hebben dat zo de blijde boodschap van Gods heerschappij in Jeruzalem komt.

Vissers langs het meer, twee broederparen, twee maal twee getuigen van dit evangelie, volgen Jezus´
oproep. Zij zullen mensen boeien met deze boodschap, hen vangen.
Zij gaan ´gelijk´ achter Jezus aan. Ze bewegen zich op een weg die door de voorloper is aangekondigd, die door de Doper is uitgezet, die weg, die begaan kan worden ‘nadat Johannes was overgeleverd geworden.’

Nog enige aanwijzingen voor de preek:

1. Ga na waaraan wij mensen ons overleveren: de macht van de gewoonte, onze welvaart. Hoeveel blijft er voor hen die het niet florissant hebben? Kunnen wij werkelijk delen?

2. Herkennen wij ons in die broederparen die Jezus volgden. Hoe doen wij dat dan in onze actualiteit?

3. Kan het soms zo zijn dat Johannes aan ons is overgeleverd? Laten wij hem wel ruim baan maken voor Jezus?

4.Is ons geestelijk leven, ons leefpatroon dusdanig dat wij als Galilea zijn, het werkterrein van Jezus?
Wat en hoe zouden we nog een vruchtbaarder werkterrein kunnen zijn?

5. Laten we het krachtenspel van de politiek voor wat het is of gaan we met creatviteit wegen zoeken in onze buurt, in ons land en internationaal om te getuigen dat Gods rijk werkelijk onder ons is? Zo ja, hoe doen we dat?

Lies van der Zee