28 december 2014

28 December 2014

Bijbellezingen: Jeremia 31 : 15-17, Openbaring 21 : 1-7, Matteüs 2 : 13-18.

Uitgangspunt voor deze preekschets: Mat. 2 : 13-18.
Welke vertalingen je kunt gebruiken als uitgangspunt voor je preek is afhankelijk van het antwoord op twee vragen die je aan de tekst mag stellen: Welke vertaling geeft zo getrouw mogelijk de oorspronkelijke tekst weer? Welke vertaling geeft een bruikbare vertaling? Om een antwoord op deze vragen te vinden geef ik u twee vertalingen van Mat. 2 : 13-18, te weten die van de Nieuwe Bijbelvertaling en die van drs. F. H. Breukelman 1.
De vertaling van de NBV luidt als volgt: 13 Kort nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: ‘ Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’14 Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. 15 Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’ 16 Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Bethlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen. 17 Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: 18 ‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’


De vertaling van Breukelman luidt als volgt:
13 En als zij waren uitgeweken
zie! De bode van de Heer verschijnt in de droom aan Jozef
zeggende:
Sta op, neem het kind en zijn moeder tot u
en vlucht naar Egypte,
en wees daar totdat ik het u zal zeggen,
want Herodes zal het kind zoeken om het te doen verdwijnen.
14 Hij dan stond op, nam het kind en zijn moeder tot zich, des nachts
en week uit naar Egypte
15 en hij was daar tot het einde van Herodes,
opdat vervuld zou worden hetgeen de Heer heeft gesproken door de profeet die zegt:
uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.
16 Toen is Herodes
als hij zag dat hij door de wichelaars was bespot
in hevige woede geraakt,
en hij zond heen en bracht alle kinderen om,
die van Betlehem en van geheel dat gebied
vanaf twee jaar en daaronder
volgens de tijd die hij nauwkeurig was te weten gekomen
van de wichelaars.
17 Toen werd vervuld wat gesproken is door Jeremia de profeet, die zegt:
18 Een stem werd gehoord te Rama
een groot wenen en klagen
Rachel beweende haar kinderen;
en wilde niet getroost worden
omdat zij niet zijn.

Het gaat er niet om welke vertaling het gemakkelijkst leest, maar welke vertaling zo nauwkeurig mogelijk recht doet aan de oorspronkelijke tekst. We zullen zien.

Zodra de wichelaars zijn uitgeweken, moet ook Jozef uitwijken. Het Griekse woord dat in vers 13 en 14 voor uitwijken wordt gebruikt is typisch voor Matteüs (vgl.ook 2 : 22; 4 : 12; 12 : 15; 14 : 13; 15 : 21; vgl. ook Ex. 2 : 15 LXX). De NBV vertaalt in vers 13 met ‘de wijk nemen’ en in vers 14 met ‘uitwijken’. Zo wordt vertroebeld dat het hier om hetzelfde woord gaat en om dezelfde handeling.
De bode van de Heer verschijnt aan Jozef in een droom en zegt in een participium: ‘sta op’ en in een imperativus ’neem tot u… en vlucht … en blijf daar.’ In het Nederlands moeten we dit participium met een werkwoordsvorm in de gebiedende wijs weergeven.
Mat. 2 : 13,14 moeten we vergelijken met Ex. 2 : 15 en Mat. 2 : 19-20 met Ex. 4 : 19. Het vluchten van Jozef naar Egypte en zijn terugkeer naar het land Israël, wanneer Herodes is gestorven, worden door Matteüs met vrijwel dezelfde woorden beschreven als die waarmee in Exodus over het vluchten van Mozes voor Farao wordt gesproken en over zijn terugkeer naar Egypte, wanneer Farao is gestorven.
Zoals Farao Mozes zoekt te doden, zoekt Herodes het kind om te doden, en zoals Mozes uitwijkt voor Farao, wijkt Jozef uit naar Egypte. Het vluchten van Jozef naar Egypte is het begin van het uitwijken van de Messias.
In het vervullingscitaat in vers 15 laat Matteüs ons woorden uit Hosea 11 : 1 horen: ‘Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.’ Net als in 1 : 23 en 2 : 6 biedt Matteüs ons ook hier in deze tekst in het Grieks zijn eigen weergave van de Hebreeuwse tekst. In afwijking van de Septuaginta waar we vinden: ‘uit Egypte heb ik mijn kinderen geroepen’ zegt Matteüs: ‘uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen’. Zoals eerst Abraham en later Jacob en zijn zonen naar Egypte moesten afdalen om daarna weer naar het land Israël te gaan, moet nu ook de Messias naar Egypte uitwijken om later weer het land Israël in te gaan. Alles van heel de existentie op het land, dat God hun gaf, concentreert zich in de existentie van deze ene zoon van Abraham, de Messias Jezus, die in het huis van David werd geboren als zoon van David. Wat van Israël geldt, geldt daarom nu van Hem: Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.
Aan het begin van vers 16 gebruiken zowel de NBV-vertaling als de vertaling van Breukelman het woordje ‘toen’ als bijwoord van tijd: dat is terecht. Minder terecht is het dat de NBV-vertaling meldt dat Herodes zich ‘misleid’ voelt door de magiërs: er staat in het Grieks dat hij zich bespot voelt. In het parallellisme van de twee pericopen 2 : 1- 12 en 2 : 13-23, waarin Matteüs koning tegenover koning stelt, wilde hij de bespotting van de valse koning tegenover de aanbidding van de ware koning stellen. De aanbidding van de ware koning kan niet geschieden zonder dat de valse koning zich bespot weet. Want als Herodes merkt dat de magiërs, die niet aan Jeruzalem voorbij naar Bethlehem werden geleid, nu wel aan Jeruzalem voorbij terugkeren naar hun land, moet hij in zijn hart gezegd hebben: zij zijn gekomen om Hem te aanbidden en ze hebben mij bespot.
In de vertaling van Mat. 2 : 16 moeten we de bestanddelen van de tekst zo veel mogelijk in dezelfde volgorde laten voorkomen als waarin ze in de Griekse tekst op elkaar volgen, want dan horen we ook in de vertaling, hoe nadrukkelijk Matteüs aan het slot in drie regels de plaats en de tijd vermeldt. Helaas doet de NBV-vertaling dit niet, maar Breukelman wel (zie de teksten zoals in de inleiding vermeld).
Ook dit stuk van de pericoop wordt nu afgesloten met een vervullingscitaat. Maar het wordt niet afgesloten met ‘opdat vervuld wordt’, zoals in vers 15. Alleen van het goddelijk handelen mag worden gezegd dat het geschiedt, opdat de schriften van de profeten vervuld zouden worden.
Als echter het voortgaande goddelijk handelen boosaardig wordt onderbroken door menselijk handelen, dan zegt Matteüs niet ‘opdat vervuld zou worden’, maar ‘Toen werd vervuld…’
Als vervullingscitaat laat Matteüs ons in vers 18 de woorden van Jeremia 31 : 15 horen over Rachel, die weent om haar kinderen en weigert om getroost te worden, omdat ze niet meer zijn (vgl. Gen. 37 : 35) .
In het parallellisme van de twee pericopen 2 : 1-12 en 2 : 13-23 laat Matteüs op drie plaatsen de woorden ‘het kind en zijn moeder’ horen. Bij de kindermoord van Herodes denkt Matteüs aan de moeders van Bethlehem, en bij de moeders van Bethlehem moet hij denken aan alle moeders van heel Israël, en dan ziet hij in het midden van hen allen de gestalte oprijzen van de aarts-moeder Rachel, die hen allen vertegenwoordigt. Zij weigert getroost te worden. Indirect wordt hiermee door Matteüs op de Messias gewezen als de ‘trooster’ van zijn volk. Zij die niet te troosten zijn, zij zullen vertroost worden en de tranen zullen van hun ogen worden afgewist (vgl. Luc. 2 : 25).

Het mag duidelijk zijn dat ik als vertaling, de overzetting van Breukelman qua nauwkeurigheid en betrouwbaarheid prefereer boven de NBV-vertaling. Als je niet in staat bent zelf een vertaling te maken van de grondtekst van de bijbel, verdient het altijd aanbeveling op zoek te gaan naar een vertaling die zo dicht mogelijk blijft bij de grondtekst. Dit zal het maken van een preek die uit wil gaan van de oorspronkelijke bedoeling van de bijbelschrijvers alleen maar vergemakkelijken

Toepassing van Mat. 2 : 13-18

Wie zijn de valse koningen in onze tijd? In ons land moet ik dan bijvoorbeeld denken aan politici die zwakken in onze samenleving de dupe laten worden van bezuinigingen. Ik denk aan bezuinigingen op de gezondheidszorg, waardoor bijvoorbeeld bewoners van verpleeghuizen zeer te lijden hebben.
Ik denk aan asielzoekers die we maar moeizaam een plek in onze samenleving gunnen.
Ik denk aan jonge en oudere mensen die maar moeizaam een positie op onze arbeidsmarkt kunnen verwerven.
Ik denk aan kinderen die lijden onder de verwijdering tussen hun ouders.
Internationaal denk ik op dit moment aan het regime van IS, dat meedogenloos is naar allen toe die het niet met hen eens zijn.
Als ik deze preekschets maak, is het precies 25 jaar geleden dat de muur in Berlijn gevallen is. De vraag doet zich voor waar politieke systemen nieuwe muren opgeworpen hebben, waardoor een vrij verkeer van haar burgers niet (meer) mogelijk is.
Ik denk aan de vele kinderen in Afrika die door ebola hun ouders kwijt geraakt zijn. Doen wij genoeg om hen bij te staan?
Ik denk aan onszelf als leden van Kerk en Vrede. Hoe is het met ons élan en met onze spankracht? Bemoedigen we elkaar genoeg? Welke tekenen van vrede kunnen we aan elkaar doorgeven? Hoe creatief zijn we daarin?

Ik denk aan onszelf als leden van de gemeente van Christus. We hebben zo juist weer kerstmis gevierd, het feest van de geboorte van onze leidsman. Laten we ons door Hem leiden of is onze maatschappelijke positie belangrijker voor ons dan ons lid zijn van zijn gemeente?

Lies van der Zee

1 Breukelman, F.H., Bijbelse theologie 2. De ouverture van het evangelie naar Mattheüs. Kampen 1984.