23 november 2014

laatste zondag kerkelijk jaar 23 november 2014

Preekschets voor zondag 23 november 2014 over Matteüs 24, 14-35

Een lied voor de voleinding1

Zoals het witte bliksemlicht
dat in het oosten is ontstaan
de hemelen is doorgegaan
en naar het westen is gericht,

zo zal de komst zijn van Gods Zoon,
Hem die de zoon des mensen is,
een flits in de geschiedenis,
een schittering verblindend schoon,

een snelle, felle tekening
van alles wat onmogelijk scheen
rondom de grote aarde heen,
een nieuwe hoop, een hunkering,

een glans die oost en west verbindt
en oude en nieuwe wereld saam
verenigt in de enen naam
van Christus die zijn rijk begint.

 

Bijbellezingen: Daniël 12, 1-4 1 Tessalonicenzen 5, 1-11 Matteüs 24, 15-35.

Matteüs 24, 14-35; vgl. Mk. 13, 4-32; Lk. 21, 6-33.

In de verzen 4-14 gaat het over de tekenen voorafgaande aan het laatste lijden om te volharden tot het einde. Het einde moet opgevat worden als die tijd waarin de ene aeon in de nieuwe aeon overgaat. In de verzen 15-28 gaat het over de beproevingen die in Judea zullen plaats vinden.
Vers 15. Met woorden en beelden die volledig aan het jodendom ontleend zijn, wordt in dit gedeelte (vs 15-28, vgl. Marc. 13, 14-22 en Luc. 21, 20-26) gesproken over wat Jeruzalem en Judea te wachten staat. De val van de stad Jeruzalem en de oorlogsellende worden samen gezien met het einde van deze aeon (d.i. het zichtbare tijdperk). De gruwel van de verwoesting is een uitdrukking die ontleend is aan het boek Daniël (vgl. Dan. 11,31 en 12,11, vgl. ook Dan. 9,27). In het Oude Testament is ‘gruwel’ alles wat niet met God in aanraking mag komen, omdat deze zijn boosheid opwekt. Vanzelfsprekend heeft het begrip dan vooral betrekking op de afgodendienst. Bij Daniël wordt gesproken over de gruwel van de verwoesting. Sedert 1 Macc. 1: 54 neemt men aan dat hier de ontwijding van de tempel en het tempelaltaar bedoeld is in december 168 voor Christus door de Syrische koning Antiochus IV Epiphanes. De God van de hemel, die naamloos in de tempel in Jeruzalem werd vereerd, werd geregistreerd als Zeus Olympios. Het is niet waarschijnlijk dat er voor hem in de tempel een beeld werd opgericht. Het oprichten van ‘de gruwel der verwoesting’ was mogelijk niets anders dan het plaatsen van een altaarsteen op het altaar. Daardoor werd dit laatste niet meer dan een voetstuk. Op grond o.a. van deze heiligschennende handeling begon de Maccabeese oorlog. Het succes van die oorlog leidde tot de reiniging en de herinwijding van de tempel op 25 december voor Christus. Dat gebeuren houden de joden in het Chanoekafeest in levende herinnering. Matteüs verbindt het aanbreken van de nieuwe aeon met deze belangrijke gebeurtenis voor de joden: wat toen gebeurd is zal nu weer gebeuren op weg naar het einde van deze aeon. Gesproken wordt er over het staan van de gruwel van de verwoesting op de heilige plaats. Wat wordt er met dit ‘staan’ bedoeld? Naar mijn mening gaat het hier niet om een bepaald beeld of een bepaalde persoon. Het gaat hier eerder om een typering van de hele situatie die gekarakteriseerd wordt met het voor joden zo zwaar geladen begrip ‘gruwel van de verwoesting’. Als die situatie zich voordoet bij de tempel en in de heilige stad – lezer, begrijp dit goed - , dan is de tijd van het einde aangebroken.
Vers 16. Dan moet iedereen de bergen in vluchten.
Het ligt voor de hand, vooral gelet op Luc. 21-20, de gehele situatie te betrekken op de voorvallen die na 70 na Christus hebben plaats gevonden. Toen was er sprake van een nationale noodsituatie die Judea en Jeruzalem trof. Toch moeten we deze nood niet losmaken van zijn eschatologische betekenis: het is een teken van de eindtijd die nabij is.
De bergen golden al in het Oude Testament als het gebied waarheen men kon vluchten (vgl. o.a. Ezech. 7, 16)
Vers 17, 18 en 19. Als de vlucht aanstaande is, is er grote haast geboden: Men kan niet meer het huis binnengaan om huisraad mee te nemen, men kan niet meer van de akker naar huis om een mantel te halen. Wee daarom degenen die in hun gang belemmerd worden door zwangerschap of door kinderen aan de borst.
Vers 20. Bidt dat jullie niet in de winter zullen moeten vluchten en ook niet op de sabbat. Het eerste deel van dit vers is wel duidelijk, denk ik. Kou en regen belemmeren de vlucht. Maar dan het tweede deel van dit vers, de waarschuwing tegen het vluchten op de sabbat. Berichten uit rabbijnse literatuur maken melding van vrees om openlijk advies te geven op sabbat te vluchten. Daarom ben ik van mening - en daarin sta ik niet alleen - dat het hier toch moet gaan om christenen die gezien de consequente sabbatsrust bij de joden in de tijd waarin het Matteüs-evangelie werd geschreven, door hun vlucht op sabbat juist als christenen opgevallen zouden zijn: een extra handicap.
Vers 21. De aankondiging van de grote verdrukking wordt weer beschreven met woorden die sterk herinneren aan de woorden van Daniël, wanneer deze spreekt over ‘een tijd van verdrukking (thlipsis =verdrukking), zoals er niet geweest is, sinds er volken bestaan’ (Dan. 12, 1; vgl. ook 1 Macc. 9:27).
Matteüs spreekt over de ergste verdrukking sinds het begin van de wereld en zegt dat er na deze niet weer zo een zal plaatsvinden. Zo wordt een unieke situatie onder woorden gebracht.
Vers 22. En als die tijd niet verkort zou worden. Er staat ‘ekoloboothesan’ (aor. pass.) om aan te geven dat het God is door wie de dagen van de verdrukking worden ingekort; het daarop volgende dan zou geen enkel mens worden gered (‘esoothe’, eveneens aor. pass.) is weer bedoeld om aan te geven dat het God is die redt.
Maar omwille van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort. Het begrip ‘uitverkorenen’ heeft bij Matteüs in ieder geval eschatologische betekenis (vgl. Mat. 22:14; 24:22 en 31).
Dat ter wille van de uitverkorenen de tijd van de grote verdrukking bekort wordt, vindt noch in het Oude Testament noch in de apocalyptische en rabbijnse geschriften van het jodendom enige steun. Anders gezegd: Het is dus een verbreding en een verdieping. Dit betekent noch particularisme noch sektarisme, maar eschatologie die zich universalistisch verbreedt en verdiept. Dat dit niet inhoudt het aflossen van Israël als uitverkoren volk Gods door de universele gemeente van de eindtijd, lijkt me op grond van de hele strekking van het Mattteüs-evangelie ook op deze plaats evident. Bij het universele van de eindtijd hoort ook Israël. Het nieuwe volk van God (= de uitverkorenen) kent niemand die a priori die is uitgesloten.
De verzen 23, 24 en 25. In die tijd van grote vervolging zal het ook voorkomen dat iemand tegen u zegt, zo waarschuwt Jezus: Zie (idou, in de betekenis van: Let op!) hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. Ook in vs. 5 werd al gezegd dat velen zich zullen uitgeven voor de Messias. Jezus waarschuwt hun geen geloof te schenken. Er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen. Met Let op (idou),Ik heb het u voorzegd wordt het waarschuwende karakter van Jezus’ profetische woorden onderstreept.
Vers 26. Voor de derde keer komt de waarschuwing voor de valse christus (vgl. vs. 5 en vs. 23). De algemene berichten: hier is de christus, of: hier, gelooft het niet (vs. 23) worden geconcretiseerd:
Kom mee (idou), hij is in de woestijn, ga er dan niet heen of Kijk (idou), hij is daarbinnen, geloof dat dan niet. Bij de woestijn speelt het joodse verwachtingspatroon dat de Messias daar zal verschijnen. Bij de binnenkamer wordt al gauw gedacht aan Mat. 6,6. Eerder moet echter gedacht worden aan de joodse opvatting dat de Messias voor zijn optreden in het openbaar ergens op een geheime plaatst zou vertoeven. Echter, de komst van de Zoon des mensen zal openbaar, publiekelijk, in alle duidelijkheid plaats vinden.
Vers 27. Want zoals een bliksemschicht vanuit het oosten weerlicht tot in het westen, zo zal ook de Mensenzoon komen. Anders gezegd: even onverwacht als de bliksem en even duidelijk voor iedereen zichtbaar komt de Mensenzoon.
Vers 28. Er wordt wel gedacht dat het hier om een spreekwoord gaat. In elk geval wordt hier hetzelfde bedoeld als in vers 27, namelijk het voor iedereen zichtbare teken.
Vers 29. Opnieuw wordt gesproken over de verdrukking (Ithlipsis ; vgl. vs. 9 en 21) en over die dagen (vgl. vs. 22). Wanneer deze verdrukking ten einde is, zal terstond de zon verduisterd worden, de maan haar glans niet meer geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten van de hemelen zullen wankelen. Opnieuw worden hier beelden gebruikt ontleend aan het jodendom (vgl. bijvoorbeeld Jes. 13, 10, IV Ezra 5:1 vlg.). Zowel de zon, de maan en de sterren als de machten van de hemel zullen betrokken zijn bij de apocalyptische catastrofe.
Vers 30. Na al deze kosmische gebeurtenissen dan zal het teken van de Zoon des mensen aan de hemel verschijnen.
Veel commentatoren hebben zich het hoofd gebroken wat hier met dat teken bedoeld wordt: is dat een kruisteken aan de hemel, is dat de verschijning van de Mensenzoon zelf? Dat laatste kan al niet omdat i.t.t. Marcus en Lucas bij Matteüs het teken voor de komst van de Mensenzoon verschijnt. Is het teken dan een laatste oproep tot bekering? Dit zou goed passen bij het tweede deel van dit vers, waarin Matteüs enige woorden van de profeet Zacharia (Zach. 12, 10 vlg) citeert. Het moet een diepe zin hebben gehad de tekst uit Zach. 12 te citeren; immers, in deze tekst gaat het over het herstel van Jeruzalem na een verwoestende oorlog, waarna een nieuwe periode begint. Over de inwoners van Jeruzalem zal de geest van de genade en van de gebeden uitgegoten worden door God. Zij zullen hem aanschouwen die ze doorstoken hebben. Dit gedeelte van Zach. 12,10 wordt door Mattteüs wel geciteerd, maar het volgende gedeelte, waarin staat dat zij een rouwklacht zullen aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, citeert Matteüs niet. Mogelijk wil hij zo het volle accent leggen op de wijze waarop de Messias ter dood wordt gebracht. Degene die ter dood wordt gebracht is dezelfde als de Zoon des mensen die zal wederkomen.
Wat het teken precies is, is moeilijk te zeggen. De commentaren verschillen hierover nogal. Mogelijk kunnen we ook denken dat het verbonden is met het lichtverschijnsel. Daarop zou ook het slot van dit vers kunnen wijzen, dat spreekt van ´heerlijkheid´. Hoe het ook zij, de verbinding die Matteüs in vs. 30 legt tussen Zach. 12,1 en Dan. 7, 13 doet duidelijk blijken dat Jezus zich als Messias dezelfde heeft geweten als de Zoon des mensen die in heerlijkheid zal wederkomen.
Vers 31. Dat de Zoon des mensen met grote macht en heerlijkheid wederkomt, wordt in dit vers nog geaccentueerd door de mededeling dat Hij zijn engelen zal uitzenden met luid bazuingeschal. Ook nu weer wordt gebruik gemaakt van joodse voorstellingen, engelen en bazuingeschal (vgl. o.a. Jes 27,13).
Het ogenblik van het gericht is aangebroken, maar daar wordt met geen woord over gesproken. Alle accent ligt op het verzamelen van de uitverkorenen uit de vier windstreken (vgl. Ezech. 39, 9 en Zach. 2,6), uit de uitersten van de aarde.
Vers 32/36. Het kan zijn dat de gelijkenis van de vijgenboom erop wijst dat vanzelfsprekend ook de joden bij deze verzameling horen. Zoals het uitspruiten van de vijgenboom wijst op het aanbreken van de zomer, zo zou deze gelijkenis verwijzen naar de presentie van de joden bij het verzamelen.
De vraag die overblijft is de vraag naar het tijdstip waarop dit zal geschieden (vgl. Mat. 24,3).
Dat het zal geschieden is helder geworden en zeker, maar dat geldt niet voor het tijdstip. Daarom is waakzaamheid geboden. Tot die waakzaamheid roept Jezus op, waarbij de verzen 43, 44, maar vooral de gelijkenissen in Mat. 25, 1/1e3 en 14/40 voor de illustratie zorgen.
Vers 33. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is.
´Dat alles´ heeft betrekking op alles wat in de voorgaande verzen naar voren is gebracht. Met het einde wordt bedoeld: het einde van de oude aeon.
Vers 34. Met een plechtig Ik verzeker jullie zegt Jezus dat dit geslacht zeker niet zal voorbij gaan, voordat dit alles is geschied.

De vraag is wat er met dit geslacht bedoeld wordt. Gaat het om tijdgenoten van Jezus, of van Matteüs, in zonderheid de gemeente? Om een antwoord op deze vraag te krijgen zullen we eerst na moeten gaan wat ‘dit alles’ in dit vers betekent. Naar mijn mening heeft dit dezelfde betekenis als in vers 33, namelijk het geheel van de aan het einde van deze aeon en aan de verschijning van de Zoon des mensen voorafgaande gebeurtenissen zoals beschreven in de verzen 5 tot en met 31.
Maar ‘dit geslacht’ slaat dan niet alleen op de tijdgenoten van Jezus en evenmin op de gemeente(n) die present zijn ten tijde van Matteüs. Verder moeten we niet teveel nadruk leggen op het tijdstip van het einde. Immers in de verzen 32 en 33 ging het om de zekerheid dat, en niet om het tijdstip waarop. Nog duidelijker blijkt dat uit vers 36, waar we lezen: Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken.
Op grond hiervan zouden we de volgende interpretatie van ‘dit geslacht´ willen geven: Het gaat om de mensen die in deze oude aeon leven en in afwachting zijn van de nieuwe aeon die aanbreekt met het komen van de mensenZoon.

Dit besproken bijbelgedeelte gaat dus ook over u en mij. De vraag is: hoe waakzaam zijn wij en hoe geven wij die waakzaamheid gestalte? Hoe geven wij de kerken en Gods vrede gestalte?

Lies van der Zee
1 Gezang 761 uit Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk.