26 oktober 2014

6e zondag van de herfst 26 oktober 2014

Bijbellezingen:

  • Deuteronomium 6, 1-9
  • 1 Tessalonicenzen 1, 1-10
  • Mattheüs 22, 34-46 (vgl. Marc. 12, 28-34, Luc. 10: 25-48)

Het is midden in de vredesweek, dezelfde week waarin Mark Rutte aankondigt dat Nederland mee gaat doen  aan de strijd tegen ISIS in Irak. Ons land levert 6 F 16 en 250 militairen. Op slag voel ik me unheimisch worden. Nederland is in oorlog. Wat kan hierop de reactie van Kerk en Vrede zijn?

Toen we op 15 september in onze theologische werkgroep de strijd in Irak en Syrië, als ook de strijd in de Gaza strook tussen Israël en Hamas bespraken, kwamen we tot de volgende conclusies:

  • verlegenheid bij onszelf, pacifisme als ruimte om de goede vragen te stellen.
  • de geschiedenis terughalen, de werkelijke rol van de westerse wereld. Geen kritiekloze identificatie met de westerse wereld.
  • je leren verplaatsen in de positie van de ander. Dat wil ook zeggen: een andere taal vinden.

In onderstaande preekschets bespreken we het grote gebod ten aanzien van het liefhebben van God en de naaste. Als we het grote gebod en het gebod daaraan gelijk : het liefhebben van de naaste gelijk onszelf serieus nemen, dan mogen we niet zwijgen tegen onze overheid, maar moeten we accentueren dat de militaire interventie in Irak in flagrante tegenstelling is met genoemde geboden.

Ik beperk ik mij in deze preekschets tot de verzen 34 tot en met 40 uit Mat. 22.

De drie synoptische berichten ( Marcus 12: 28-34 en Luc. 10 : 25-48, en hier) zijn niet in overeenstemming met elkaar.
Mattheüs geeft daarbij het treffendst het coloriet van het jodendom weer; dat blijkt uit de talrijke semitismen die hij gebruikt. 

Vers 34. De vraag die in de verzen 34-40 aan de orde komt, is: welk gebod is het grote en eerste gebod? De Farizeeën hebben gehoord dat Jezus de Sadduceeën tot zwijgen heeft gebracht( -ephimoosen-, hier bijna in de betekenis van de mond snoeren). Het zou kunnen dat de Farizeeën als verklaard dogmatische tegenstanders leedvermaak hebben gekoesterd, al waren ze eensgezind in hun antipathie jegens Jezus. In elk geval komen de Farizeeën bij elkaar (epi to auto, een semitisme, vgl. hebreeuws jachdav) Vers 35. Een van hen, een wetgeleerde ( nomikos) stelt Jezus een vraag om hem te verzoeken (peirazoon). Gebruikelijk is in het NT de term schriftgeleerden (grammateus). Wellicht gebruikt Jezus de term nomikos om aan te geven dat het hier om een specialist in wetskennis gaat. Mattheüs die zich met name richt op joden- christenen, geeft dus precies de juiste term.

Vers 36 Deze wetgeleerde spreekt Jezus aan met het gebruikelijke Meester (didaskale = hebreeuws: rabbi, vgl. Mat 8:19;22:16 en 24). De vraag die hij stelt, luidt: wat is het grote gebod in de wet? Het bijvoeglijk naamwoord ‘groot’ heeft hier de betekenis van ‘grootste’ . Dat kun je ook afleiden uit de parallelle tekst in Marcus 12:28: welk gebod is het eerste van alle? Deze en soortgelijke vragen ten aanzien van de wet golden als omstreden, want de beantwoording gaf ook de beslissing over waar en niet waar, betrouwbaar en niet betrouwbaar in het joodse geloof. Een andere reden waarom deze vraag omstreden was, was het feit dat bij de beantwoording van deze vraag verscheidene rabbijnenscholen eigen wegen gingen. De vraag van de wetgeleerde is begrijpelijk tegen de achtergrond van het complexe geheel van de joodse geboden, maar heeft tegelijk een testend karakter: Jezus wordt verzocht (peirazoon !) . De oude synagoge kende 613 geboden/ verboden op grond van de Thora. De letters van het woord Thora vormen in het hebreeuws het getal 613. Daarvan zijn er 248 geboden –evenveel botten als het menselijk lichaam telt-- en 365 verboden -evenveel dagen als het jaar telt. Al deze 613 geboden /verboden waren ingedeeld in lichte en zware geboden. Licht waren die welke aan de krracht of het bezit van de mens weinig eisen stelden. Zwaar waren die welke veel geld kostten of ook levensgevaar inhielden. Lichte geboden werden al snel als minder belangrijk beschouwd. Als nu de wetgeleerde vraagt welk gebod Jezus als grootste beschouwd, dan is die vraag een vraag naar de waarderingsmaatstaf van Jezus en daarin ligt het toetsende element, d.i. de mogelijkheid om Hem klem te zetten.

Vers 37 Het antwoord van Jezus is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Jezus citeert hier het sjema (vgl. Deut. 6: 4,5). Opvallend is dat Jezus volgens Mattheüs niet de inzettingswoorden van het sjema weergeeft. Marcus doet dit wel. Jezus antwoordt evenals in Deut. 6:4-5 drieledig: Gij zult de Heer, uw God, lief hebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand..

Vers 38 Jezus noemt dit gebod het grote en het eerste. Het is het grootste, d.i. het belangrijkste op grond van zijn inhoud en daarmee het eerste. Het is het gebod dat het eerste is op grond van zijn betekenis, omdat het aan alle andere geboden hun eigenlijke betekenis geeft, en daarom het grootste.

39 Onmiddellijk daarop laat Jezus volgen: Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf , )Lev. 19± 18, vgl. Mat. 5±43 en 7±12.) Jezus noemt dit tweede gebod even belangrijk als het eerste wat de inhoud betreft. Het gaat er hier om dat wij deze geboden in hun onderlinge samenhang lezen: Deze geboden zijn niet los van elkaar te krijgen. Het gaat hier om een wederzijds op elkaar betrokken zijn: van God en mens enerzijds en mens en naaste anderzijds. Deze geboden betekenen voor elkaar fundament en doel. Het gaat hier niet om of-of, maar om en-en. Ze zijn ook niet inwisselbaar: de liefde tot God kan niet verwisseld worden voor de liefde tot de naaste en omgekeerd. Wel kunnen we zeggen dat het liefhebben van de naaste even belangrijk is als het liefhebben van God en omgekeerd. Het Oude Testament werpt op dit gebod van de naastenliefde meer licht dan het Nieuwe Testament. In het OT komt het begrip ‘naaste’ meer dan tweehonderd keer voor, en in het NT slechts zestien keer en dan op twee uitzonderingen na (Rom. 15,2 en Jac. 4,12) altijd in een OT citaat of in verband met een Oudtestamentische uitdrukking.

Wat maakt iemand tot jouw naaste in de bijbelse zin van het woord? Niet het nabij-zijn, niet ruimtelijkheid, maar het gebeuren. De naaste is degene die met jou te maken krijgt, zoals in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan de gewonde man tee maken krijgt met deze barmhartige, en daar bepaald niet minder van wordt. Een naaste word je door een gebeuren. Stel, je zit in de tram en je bent nog wat vergaderstukken aan het doornemen. Naast je zit een man de krant te lezen. Jullie hebben geen contact. Maar dan moet de tram plotseling hard remmen. Je vliegt naar voren, je komt met je hoofd tegen de leuning van de bank voor je. De man legt zijn krant neer, buigt zich naar je toe en vraagt of het gaat en of hij iets voor je kan doen. Hij raapt je papieren op en legt ze op volgorde. Zo wordt deze man, totdat je opgeknapt bent, je naaste.

Alleen Mattheüs meldt in vers 40 nog dat aan deze twee geboden de hele wet en de profeten hangen. Het wezenlijke van Gods wil, geopenbaard in de Schriften, wordt in de verzen 37 en 39 uitgedrukt in de genoemde geboden. Hoewel beide geboden afzonderlijk in de Thora voorkomen, is er niet zozeer naar een samenhang gezocht. Het is Jezus geweest die ze als onlosmakelijk met elkaar verbonden weergegeven heeft. Jezus blijft daarbij op de bodem van de Thora, maar Hij stelt zijn geboden veel radicaler dan de rabbijnen. Dat blijkt ook uit de Bergrede. Jezus doorbreekt zode interpretatie die de joodse wet wel bij de rabbijnen had gekregen. Jezus doorbreekt de middelaars positie van de Thora. Niet meer de Thora en de verhouding tot de Thora beslissen over de verhouding van de mens tot God, maar de positieve, totale en persoonlijke gerichtheid tot God en de naaste.

Lies Brussee