5 oktober 2014

3e zondag van de herfst 5 oktober 2014

Israëlzondag

We hebben in onze gemeente besloten niet aan sluiten bij het thema van de landelijke campagne, maar te kiezen voor een eigen thema. De laatste jaren werd er al best vaak over de gelijkenis van de wijngaard uit Math 21:33-43 gepreekt. Maar voor wie wel met die tekst aan de slag gaat, hierbij de link naar het landelijke thema: http://www.pkn.nl/Lists/PKN-Bibliotheek/20141005-Handreiking-Israel-zondag-Zoeken-naar-erkenning.pdf

Wij kozen voor een serie lezingen en preek rond de cyclus van Jakob en Esau. Tevens sloot dat aan bij ons kindernevendienstmateiaal. En misschien moeten we de kiem van het antisemitisme wel terugvoeren op de grondlegger en naamgever van Israël, de 'beetnemer' (Nico ter Linden) Jakob. Jakob die op slinkse wijze samen met zijn moeder de zegen voor de neus van zijn oudste broer Esau wegkaapt.
Vers 35 Maar Izaäk zei: Je broer is met bedrog gekomen en heeft je je zegen afgenomen (HSV). Ik zet dit vers centraal, omdat het in mijn ogen het verhaal kernachtig weer. Het laat ook meteen de onrechtvaardigheid van dit verhaal zien: Jakob komt met bedrog; Hij neemt de zegen af. Esau en Izaäk blijven met lege handen achter. In deze ‘bedrieger’ vindt het Joodse volk haar oorsprong. Daar valt veel over te zeggen, misschien klinkt in deze personificatie van Israël onze worsteling met haar door, ook vandaag de dag nog. Er is een hoofdpersoon (die broer van jou) en er is een lijdend voorwerp (jou, Esau, de zegen afgenomen), verder niets. Ja, door het handelen van Jakob is God, die toch bij de zegen hoort, ook tot afwezige gemaakt. In dit vers klinkt niet de aanwezigheid van God bij zijn zegen door, maar die van Rebecca. En de man die alles lijkt te ondergaan is Izaäk. Spanning in dit verhaal: heerser worden over de ander, onder de zegen van God, terwijl je die status door bedrog verwerft? Kan dat wel? Niet bepaald een christelijke houding van bereidheid de ander te willen dienen? Maar wat is erger om mee te leven? Leven met een vloek, of leven met een onterecht verkregen zegen? 
Zo gaat Jakob bezwaard door het leven: wel een zegen, maar op de vlucht. En jarenlang met angst in de benen voor zijn broer. Daar ben je dan mooi gezegend mee... 

De zegen is oorspronkelijk ontstaan in een situatie van het  afscheid, de naderende dood (verg. Gen 24:60). In de zegen wordt degene die afscheid neemt de levenskracht doorgegeven aan de ander die het leven ingaat. Bij dit doorgeven van de zegen bestond de gedachte dat de lichamelijke handeling direct verbonden was met de geestelijke woorden die gesproken werden. Daarom kan de zegen niet ook op een ander worden overgedragen of worden teruggedraaid. Ik heb hem gezegend, gezegend zal hij zijn, zegt Izaäk tegen Ezau. Dat is een verschil al met de dood van Jakob (Gen. 49), die al zijn twaalf zonen een eigen zegen meegeeft. Hier probeert Izaäk dat ook wel voor Esau, maar het wordt toch meer een nette vloek. De zegen zal in de Torah uiteindelijk doorontwikkelen tot een zegen, die zonder daadwerkelijke handoplegging door de priester voor het gehele volk kan gelden. 

4 personen. 4 verschillende invalshoeken. 2 winnaars, 2 verliezers. Opvallende afwezige is God zelf. Niet in de laatste plaats omdat Rebecca en Jakob geen geduld hebben. Ze moeten Gods plannen een handje helpen. Lopen ze God voor de voeten? We zullen het niet weten, maar hun handelen levert uiteindelijk wel hetzelfde effect op: de oudste zal de jongste dienen, maar dit gebeurt pas vele jaren later, als de beide broers zich weer kunnen verzoenen. Tot die tijd levert het voor de voeten lopen vooral verwijdering, haat en onvrede op. En voor Jakob betekent het: weg uit de eigen omgeving, op de vlucht en schuilen voor wraak. Leven in ballingschap. 

Uiteindelijk komt alles toch goed: van een kromme stok kan God nog een rechte maken. Maar ondanks de inzet van Jakob en Rebecca. En die last dragen ze nog jaren met zich mee. 
Deze geschiedenis stelt ons als lezers de vraag: Op welke persoon lijken wij, als we nadenken over onze (vredes)plannen? Denken we er niet over na, zoals Ezau? Als ik maar mijn natje en mijn droogje heb? Of laten we het gebeuren, zoals Izaäk hier toch lijkt te doen? (weet hebben van bedrog, maar de confrontatie uit de weg gaan) Of zijn we als Jakob en Rebecca bezig met het plan dat God met ons leven heeft, maar helpen we de Heer graag een handje?

In alle vier kunnen we ons bij tijd en wijle verplaatsen. In alle vier klinkt de vraag door: waar laten we ruimte voor de Eeuwige zelf om met ons Zijn weg te gaan?

Joost Schelling, Sliedrecht

(het beeldmateriaal is van de webredactie KenV)