28 september 2014

15e zondag van de zomer 28 september 2014

Jezus beantwoordt de vraag van hogepriesters en de oudsten van het volk naar zijn bevoegdheid met drie gelijkenissen. Ja, wie heeft Hem die bevoegdheid gegeven? De eerste gelijkenis komt in de plaats van een rechtstreeks antwoord omdat zij geen antwoord weten op de vraag in wiens bevoegdheid Johannes doopte: ”We weten het niet”. Zo onttrekken zij zich aan een antwoord op de vraag van Jezus: ”Wie heeft de wil van de vader gedaan?” Hebben die drie gelijkenissen een meerwaarde boven een rechtstreeks antwoord?

Bijbellezing: Ezechiël 18,1-4 en 25-32 Filippenzen 2, 1-13 Matteüs 21, 23-32

Eerst een opmerking over de tekst van de gelijkenis (Mat. 21: 28-32). Als we vertrouwd zijn met de Statenvertaling, merken we dat de NBV (Nieuwe Bijbel Vertaling) nogal afwijkt in de verzen 30 en 31. De volgorde is namelijk verwisseld, de verzen 29 en 30 zijn verwisseld. Ik ben zo vrij hier niet in mee te gaan. Die afwijking komt door de verschillen die er zijn in de Griekse handschriften van dit fragment. De moderne vertalingen, waarbij ik me op tekstkritische gronden aansluit, hebben zich laten leiden door een later verkregen kritisch inzicht omtrent de oorspronkelijke Griekse tekst. Nog een reden om de moderne vertalingen, met uitzondering van de NBV, te volgen is dat daar gesproken wordt over twee kinderen in plaats van zonen. Hoewel Hieronymus hier al twee zonen heeft gelezen, gebruikt Matteüs hier het woord ‘zonen’ niet. Er staat ‘tekna’, kinderen. Het verschil tussen ‘zonen ‘ en ‘kinderen’ mag minimaal lijken, maar het biedt wel de sleutel tot het verstaan van deze gelijkenis. We weten verder dat de bijbel heel weloverwogen kieskeurig is als het erom gaat voor het begrip ‘zoon’ te kiezen. Bij twee zonen denkt de ingevoerde lezer aan Ezau en Jakob, de oudste die de jongste dienen zal, en aan Israël en de volkeren, Jood en heiden, de erfgenaam en de mede-erfgenamen; het is een geschiedenis, die als een goddelijke beleidslijn staat uitgestippeld in heel de wet en de profeten. Matteüs gaat ervan uit dat zijn hoorders die geschiedenis voor ogen hebben, van twee zonen van een Vader die in de hemelen is. En vanuit dat vertrekpunt, dat de hoorders aan zonen denken, noemt hij hen opeens geen zonen meer, maar kinderen! Het zou zo kunnen zijn dat we aan dat verhaal over twee kinderen kunnen aflezen waar men de ware zoon moet zoeken, de zoon door wie wij kinderen genoemd worden en het ook zijn. Met de keuze van het woord ‘kinderen’ onttrekt Matteüs zijn gelijkenis van te voren aan de toepasselijkheid van een gebruikelijk schema. De hoorder is gewaarschuwd voor de dialectische wendbaarheid van deze gelijkenis! Het lijkt zo op het eerste gehoor zo´n eenvoudige gelijkenis: de een zegt ja en hij gaat niet; de tweede zegt nee, krijgt berouw en gaat later wel. Was het nu zo nodig dat Jezus nog een verklaring van deze gelijkenis geeft? (Mat. 21: 32 ‘Als Jezus dan vraagt wie de wil van de vader gedaan heeft, komt direct het antwoord: de laatste. Het is een antwoord dat door de gelijkenis is uitgelokt. Een ander antwoord lijkt niet mogelijk.) Met hun fixatie op dit antwoord gaan de schriftgeleerden en de oudsten nog aan een nijpend probleem voorbij. Er ontgaat de schriftgeleerden en de oudsten van het volk al het nodige uit de gelijkenis. Zoals bijvoorbeeld de draagwijdte van de vraag: wie heeft de wil van de vader gedaan? Wie zal het zijn, wil er nog hoop wezen dat God hen en ons niet laat vallen? Waarom ontgaat hun het neusje van de zalm, de schriftgeleerden en de oudsten van het volk? Waarom ontgaat het hun dat het met die vraag: wie heeft de wil van de vader gedaan, gaat om het uiterste, het laatste. Dat woord uiterste, laatste vinden we in de verzen 30 en 31. Op het nippertje, op het uiterste , als het eigenlijk nog maar nauwelijks meer kan, doet het tweede kind het uiterste, het laatste .. . In vers 30 noemen de schriftgeleerden en de oudsten hem dan ook ‘de laatste’. Het is maar op het nippertje dat het de tweede berouwt. Zijn speelruimte is maar klein. Dit is het uiterste, het laatste. En degene die deze mogelijkheid aangrijpt is zelf de laatste. De oudsten en schriftgeleerden nemen dit woord prompt mee in hun antwoord. Meer zeggen ze ook niet. Ontgaat het hun dat ze met dit antwoord alle grond onder hun voeten kwijt raken, dat ze nergens meer zijn? Nergens, tenzij die vraag opnieuw wordt gesteld en niet meer zo snel wordt beantwoord: Wie heeft de wil van de vader gedaan? Het antwoord moet luiden: noch de eerste, noch de laatste. Want de wil van de vader is een unieke wil, en deze wordt alleen gedaan met een volmondig ja in de beginne dat zich voltrekt tot aan het einde. Die wil van de vader zit niet in het zeggen, maar in het doen van zijn wil. Daarom gaat Jezus ook niet in op het voorbarige antwoord van de schriftgeleerden en de oudsten. Hij zegt: amen . Als Jezus dit woord gebruikt, is het altijd aan het begin van wat hij zeggen zal. Zijn woord en zijn leven zijn de bevestiging van de Schriften en de verhoring van alle gebeden. Alleen al in dit woord is besloten dat Hij de zoon is die de wil van de vader steeds heeft beaamd en deze ook zal volbrengen tot het eind. Maar is nu alles gezegd: de schriftgeleerden en de oudsten doen niet het werk wat de vader wil en de tollenaars en hoeren ontdekken die weg als ze al een eind op weg zijn op hun levenspad. Is dat nu alles? Nee, als eerste woord dat Jezus op aarde spreekt staat bij die doop door Matteüs opgetekend: “ Aldus betaamt het alle gerechtigheid te vervullen.” Tegen dit woord moeten we deze vraag lezen: “wie heeft de wil van de vader gedaan?” Een gelijkenis moraliseert niet, maar predikt het koninkrijk, een nieuwe gang van zaken. Jezus verkondigt in deze gelijkenis zichzelf. Dat wil zeggen de wil van de vader, en hij past het toe met zijn leven, met zijn opstanding uit de dood. Als we nu met de woorden van de laatste zin die ik hiervoor geschreven heb, weer naar de gelijkenis kijken merken we dat deze niet klopt. De tollenaars en de hoeren enerzijds en de hogepriesters en de oudsten anderzijds komen niet overeen met die twee kinderen. Kun je halfslachtig ja zeggen op de wil van de Vader?Het is bij de wil van deze vader onmogelijk dat men met ja begint en met nee eindigt. De breuk heeft al gezeten in het ja’ zeggen. ”Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij”. Er staat trouwens ook niet dat de tollenaars en de hoeren Gods wil gaan doen. Er staat dat zij gaan geloven op het woord van Johannes. En Johannes leidt hun aandacht naar de Zoon die komen moet. Er staat ook niet dat de schriftgeleerden en de oudsten niet zullen volgen in Gods rijk. Er staat alleen dat ze niet zullen voorgaan, als ze tenminste het geloof in zich zelf zullen verliezen en alle waarheid van de Zoon en de Vader verwachten. En je kunt de volkeren wel schetsen als een ontrouwe vrouw, maar hoe dit ook zij, ze is wel beschikbaar. Wie meent met de Schrift in de hand de mensen te kunnen indelen in goede en slechte, heeft het mis. In de profeten staat het verhaal van Rachab, de hoer in Jericho, die door haar beschikbaarheid de intocht van het volk in het land veilig stelde. Matteüs laat de intocht van Jezus in Jeruzalem beginnen bij Jericho, daar was Matteüs, zelf een gewezen tollenaar, Jezus allang gevolgd . (9, 9). In Jezus heeft het afgedaan de wereld in te delen in goeden en slechten. Alleen de zoon heeft de wil van de vader gedaan. De kinderen hebben in hem een broeder.

Suggesties voor de preek

Ik ben zo diep op deze gelijkenis ingegaan, omdat deze zo verraderlijk eenvoudig lijkt. Daarom lijkt me het ook noodzakelijk de gemeente iets te vertellen over de problematiek die in deze gelijkenis zit.

Hebben we allen niet de neiging om mensen in hokjes onder te brengen en een selectie te maken op grond van zelf gestelde criteria met wie we al dan niet om willen gaan?

Laten we veel van ons doen en laten niet afhangen van wat men ervan vindt?

Voelen we ons niet het meest op ons gemak bij mensen van onze eigen soort, qua opleiding en sociale klasse?

Hoeveel oog hebben we voor asielzoekers, met name voor hen die nu via Italië met duizenden in de week binnen komen?

Ga verder na welke vanzelfsprekendheden bij u in de gemeente heersen ten aanzien van verdeling in goeden en slechten.

Wie mogen van harte deelnemen aan onze gemeenteactiviteiten? Zijn we soms mensen uit het oog verloren?

Laat op het bovenstaande onder ´´suggesties voor de preek´´ het licht van Matteüs schijnen zoals hij dat verwoordt in Mat. 21,23- 32.