7 september 2014

12e Zondag van de zomer 7 september 2014

Enkele gedachten en invalshoeken bij Mattheüs 18:1-14

Het kind, de geringe, als het middelpunt (vers 3-5, 10-11) 
Deze week is het gewone leven weer begonnen. Op school, op het werk en in het verenigingsleven wordt alles weer opgestart. De spandoeken om het kraanwater 2 minuten te laten lopen zijn opgeborgen en vervangen door de slogan: Wij gaan weer naar school. En anders dan andere jaren leken we als land te snakken naar dit moment. De zomer zorgde door de Russische boycot wel voor een overvloed aan komkommers, maar komkommertijd wilde het maar niet worden.
Persoonlijk ben ik zeer blij dat mijn kinderen nu weer naar school zijn. Want het acht uur journaal kijken, iets waar je als predikant in de zomermaanden wel tijd voor hebt, was met die kleine kinderogen in huis een hele opgave. Nu liggen ze weer ‘gezond’ voor acht uur op bed.
Want het Acht uur Journaal kijken, wordt ineens een heel ander journaal, als je kinderen nog wakker zijn. Zij ontregelen als het ware het grotemensennieuws. Waarom schieten ze dan raketten op huizen af? Zijn ze zo kwaad, papa? vroeg mijn dochter op een avond. Je moet ruzie toch uitpraten, niet erop slaan?

Kinderen ontregelen met hun blik en vragen onze wereld, die gebouwd is op onze aannames, onze ideeën over macht en recht, en vooral: we bevragen haar zelden op die aannames. Kinderen stellen vragen, waar wij al aan voorbij zijn gegaan. Maar omdat het in onze wereld altijd zo is gegaan, stellen wij die vragen niet meer. Kinderen stellen ons die vragen wel, omdat wij hen hebben geleerd dat het in hun wereld niet zo hoort te zijn. Gelukkig leren wij hen dat oorlog en ruzie niet goed zijn, dat vrede en vergeving geboden zijn. Maar hoe vasthoudend zijn we als volwassenen daarin om ons met die waarden (op) te voeden?

Ik ben blij dat mijn kinderen straks weer veilig op bed liggen te slapen, als het wereldnieuws om 20 uur onze huiskamer binnenkomt. Dan kan ik het voor ze doseren.

Hoe zouden de ouders van de kinderen al die ellende in die landen voor hun kinderen doseren? Ik vrees dat dat helemaal niet gaat. Kinderen ontregelen daar het nieuws helemaal niet, zij worden erdoor ontregeld.

Marco Borsato schreef destijds voor de organisatie War Child het prachtige maar ook confronterende nummer De Speeltuin

En vooral het laatste zinnetje is de link naar de Bijbeltekst.

Door kapotgeschoten straten
zonder vader, zonder land
loop je hulpeloos verlaten
aan je moeder's warme hand

Als een schaap tussen de wolven
Naar bestemming onbekend
En niemand ziet hoe klein je bent
Niemand ziet hoe klein je bent

Morgen zal het vrede zijn
en zal de zon je strelen
zal de wereld weer een speeltuin zijn
en kun je rustig spelen

Na de winter komt de lente
wordt de grijze lucht weer blauw
maar al ben je uit de oorlog
gaat die oorlog ooit uit jou?

Mooie ogen zijn vergiftigd
zijn aan het geweld gewend
en niemand ziet hoe klein je bent
niemand ziet hoe klein je bent

Daarom zet Jezus hier vanmorgen een kind in het midden. Niet dat Jezus van zijn volgelingen verwacht, dat ze nu kinderlijk moeten geloven, wat wij vertaald hebben met naïef, je hersens uitschakelen, omdat het om je gevoel alleen moet gaan.
NEE, Jezus stelt hier een kind centraal, omdat het kleine, het kwetsbare onze macht en ons denken ontregelt. Daarom gaan we er het liefst aan voorbij, daarom zien we het niet staan, want dan kunnen wij door met ons gewone leven.

Nu de regering terug is van zomerreces, lijkt het of het leed volgens datzelfde 8 uur journaal weer is afgenomen. Schijn bedriegt, maar we moeten allemaal weer door. We zijn overgegaan tot de orde van de dag en kunnen ons druk maken over het wel of niet laten uitlekken van de miljoenennota.

Maar wat gebeurt er in onze wereld, als we het antwoord van Jezus als uitgangspunt nemen voor ons denken over de grootste? De omkering is doeltreffend. Juist het kleine ontregelt de macht van de grootste. En Jezus geeft aan: als wij op aarde hen niet zien, dan zijn het engelen, die recht in Gods aangezicht mogen kijken (vgl. Jesaja 6), die zich over hen ontfermen. Dat het hier niet alleen om kinderen gaat, laat vers 10 zien. Het zijn de engelen van de geringen. Letterlijk: op hen op wie wordt neergekeken. Kinderen die niet mee tellen, maar ook de verschoppelingen, de mensen die van vluchtkerk naar vluchtflat worden verdreven, de bootvluchtelingen, de zwervers die niet meer mee kunnen of willen in onze wereld, de armen, kinderen, die sterven aan ziekten, die wij kunnen bestrijden.

Maar ook dichterbij huis de mensen op wie wij neerkijken, mensen die wij in ons eigen leven klein en monddood maken. Waar komen wij het kleine in ons leven tegen? Hoe gaan wij in de kerk om met het kleine in ons midden? Mogen zij ons leven nog wel ontregelen? Of gaan we er gemakshalve maar aan voorbij? Het telt toch nog niet echt mee. We lopen maar snel door, er is nog zoveel te doen. Waar zitten de kleinen, de geringen in ons midden? En gaan wij daar op af, of laten we ze uit ons beeld verdwijnen, zodat wij rustig verder kunnen? Het zijn die schapen waar Gods hart naar uitgaat. Dat wat sterk is, kan wel even op eigen kracht in de wildernis verblijven. Maar de verdwaalde schapen zoekt hij op. Want dat is het wezen van God zelf, daarom die felle bewoordingen (vers 6-9) ook, als wij dat niet doen. Of anderen van die weg van vrede afbrengen.

Brengt je voet je op de verkeerde weg, hak hem af. Brengt je oog je op de verkeerde weg, ruk hem uit. Vaak las ik over deze teksten heen, want ik wilde niet geloven dat het geloof zulke radicale lijfstraffen, zoals IS dat doet, zou suggereren. Totdat ik de uitleg hoorde, dat deze overdrijvingen bedoeld zijn, om aan te geven hoe lastig het is een ingesleten gewoonte, gedrag af te leren. Stoppen met roken is als het afhakken van je hand. Iedereen die een slechte houding tegenover een ander probeert te veranderen, ervaart dat als het uitrukken van je oog. En je gewoontes en houdingen veranderen zijn de moeilijkste.

De hand afhakken die niet aan de arme wil geven, de voet afhakken die niet de weg van de vrede wil bewandelen, het oog uitrukken dat de kwetsbaren, de kinderen, niet wil zien. 

Joost Schelling