1 juni 2014

7e zondag van Pasen

Ezechiel 39,21-29; Psalm 126; 1 Petrus 4, 12-19; Johannes 17, 1-13
VERLEIDINGEN TOT TEKSTMISBRUIK en HEILZAME SPIEGELS 

Wetend, in welke erfschoenen wij staan, zouden we altijd voorzichtig moeten zijn om ons toe te eigenen dat het Israël uit de Geschriften vanzelfsprekend slaat op ons. Sinds Jezus mogen wij aanzitten aan de Tafel van deze God, maar we mogen ons noch de Tafel, noch deze God toe-eigenen. We geloven samen, dat deze God God is van de hele wereld, van alle volken. Ons tot Haar bekennen is allereerst: verstaan dat Hij gerechtigheid wenst tussen Haar mensen. 

We hebben weer een zondag met teksten die veel misbruikt werden, en ook nu nog te misbruiken zijn. Eerste overweging kan dan ook zijn, ons te realiseren dat de teksten van Johannes en Petrus deel zijn van die Geschriften die in een kort tijdsbestek werden geschreven: de paar decennia waarin Jeruzalem was verwoest, de Jezusvolgers zich afsplitsten van het Joodse volk en deels zelfs vijandschap koesterden tegen de Joden. Tegelijk een groep mensen die zelf vervolgd werd, en leefde in de verwachting van de snelle Wederkomst van Christus. Geschreven in een heel kort tijdsbestek, denkend dat dit aardse bestaan snel voorgoed voorbij was voor alle volken.
We lezen de teksten echter tweeduizend jaar later. Ezechiël en de psalmen komen uit dat geheel aan Geschriften, dat de rijping van enkele eeuwen heeft meegemaakt. Zoals Klaas van der Kamp, Algemeen Secretaris van de Raad van Kerken, aangeeft in zijn boek “Raven”, geven die teksten meer ruimte aan wijsheid, nuancen van realiteiten, beschrijven ze realiteiten. Ze zijn minder snel een ideologisch discours. 
We lezen de teksten echter tweeduizend jaar later. Eeuwen waarin christenen zich op vele wijzen te buiten gingen aan geweld en onderdrukking van hun Joodse zusters en broeders. Eeuwen waarin christenen en christelijke naties zich te buiten gingen aan veel geweld, verovering en overheersing in de hele wereld. Tot op vandaag gaat dat voort, zij het niet meer in naam van christelijke naties. Maar de neoglobale markt is ontstaan vanuit het christelijke Europa, en wordt (nog) sterk vanuit ons continent bepaald.
We lezen de teksten echter tweeduizend jaar later. Nadat een ‘christelijke’ natie zeer haar best had gedaan de Joden uit te roeien, gebruik makend van eeuwenlang ‘christelijke’ teksten tegen Joden, konden ze eindelijk naar hun land terugkeren. Voor veel Joodse mensen is de profetie van Ezechiël en psalm 126 eindelijk realiteit geworden. Voor veel Joodse mensen ook niet.

De realiteiten van 2014 maken het lezen van deze teksten complex. Want we lezen niet in een abstracte ruimte. We lezen, duiden en verstaan de teksten binnen de wereld die we nu leven. De teksten brengen ons tot oordelen en tot handelen in deze wereld, van 2014.
De verleidingen tot tekstmisbruik zijn vele. Ik noem er enkele:

  • Nu zijn wij dat volk, wij zijn het Israël in geestelijke zin, God zegt ons Zijn heil toe.
  • Israël maakt het weer niet waar, moet zo’n land wel blijven voortbestaan? Of moeten wij het blijven steunen?
  • De neiging onder Nederlanders, om elke Jood die ze tegenkomen ter verantwoording te roepen over wat in Israël gebeurt aan onrecht tegen het Palestijnse volk.
  • Of, mogelijk erger nog: dat land moet wel voortbestaan, want anders kan Jezus niet terugkeren. Maar we hopen op een snelle Wederkomst, zodat Jezus (met ons) eindelijk dat land kan heiligen.
  • Ook de ‘onopgeefbare verbondenheid’ met Israël kan worden beleden, en misbruikt. Wie om die reden geen kritiek wil toelaten op de staat Israël, laat al die Joden (in Nederland en Israël en zoveel landen meer) in de steek, die zich zo hard inzetten om dit land te laten worden tot een land waar werkelijk vrede en gerechtigheid zal opbloeien.

Heilzame spiegels in onze geschiedenis:
De soort Bijbelteksten waar het vandaag om gaat, werden alle geschreven met twee doelen: troost geven aan mensengroepen die in onderdrukking leefden, én tegelijk hen oproepen tot morele verantwoordelijkheid, en gerechtigheid leven in hun midden zodra de onderdrukking voorbij zou zijn. De teksten getuigen van een God die in de geschiedenis meeleeft en mee lijdt.
Deze teksten vragen daarom allereerst, ‘onze’ geschiedenis te kennen. Onze geschiedenis kennen, en ons dan afvragen, in bescheidenheid, in welke mate we ons onder deze teksten mogen plaatsen.
Voor zover we een lijdende gemeenschap zijn, die leeft in verdrukking, is de troost van deze teksten troost die ons wordt aangereikt.
Voor zover we als gemeenschap ruimte zoeken voor en geven aan mensen die ontheemd zijn, die aangedaan lijden uithouden moeten, zijn deze teksten ons bemoediging. Zeggen ze ons aan dat God ons in die zoektocht, in die verantwoordelijkheden niet alleen zal laten.
In Nederland zijn we ook, bijna allen, bijna altijd, deel van een dominante wereld, die tot op vandaag leeft op de schouders van anderen die de pijn dragen van onze welvaart. Wij mogen ons dus niet zomaar stellen onder die teksten die hoop geven aan een wanhopig volk. De teksten zijn ons allereerst spiegel: een spiegel waarin ons spiegelbeeld ons vraagt naar de gerechtigheid die wij bieden aan mensen die daar zo hard behoefte aan hebben.

En wetend, in welke erfschoenen wij staan, zouden we altijd voorzichtig moeten zijn om ons toe te eigenen dat het Israël uit de Geschriften vanzelfsprekend slaat op ons. Sinds Jezus mogen wij aanzitten aan de tafel van deze God, maar we mogen ons noch de Tafel, noch deze God toe-eigenen. We geloven samen, dat deze God God is van de hele wereld, van alle volken. Ons tot Haar bekennen is allereerst: verstaan dat Hij gerechtigheid wenst tussen Haar mensen.

Yosé Höhne-Sparborth