22 juni 2014

1e zondag van de zomer 22 Juni 2014

Op de conferentie van de Wereldraad van Kerken in Busan is de weg ingeslagen van een jarenlange weg van een pelgrimage van gerechtigheid en vrede. Voor deze pelgrimage is het noodzakelijk de bijbel te lezen tegen de actualiteit van onze situatie. Deze situatie betekent nog altijd dat wij op stoffelijk en geestelijk gebied, wat de vrijheid van denken en spreken betreft, bevoorrechte mensen zijn.

Bijbellezingen: Jeremia 20, 7-13 Romeinen 5, 15-19 Matteüs 10, 16-33 

De uitleg beperkt zich tot Matteüs 10, 16-33.
Onze pericoop uit Matteüs begint met de uitdrukking: Idou, in de NBV is dat vertaald met : ‘Bedenk wel ‘. We denken echter dat het hier niet zoiets betekent als ‘je te binnen brengen’, maar veel meer is het een aanscherping van het voorafgaande en een waarschuwing voor wat er in de volgende pericoop komen gaat. In deze zin wordt ‘idou’ gebruikt.
Het beeld van schapen te midden van de wolven is redelijk duidelijk, de vraag is alleen op wie de evangelie schrijver doelt met de wolven: (vgl. Jes. 11, 6 en 65 25, waar de Messiaanse vrede hen samenbrengt). Schapen zijn weerloos, de minste. Dat Jezus met de schapen de discipelen bedoelt is in het licht van het vooraf gaande duidelijk. De vraag is wie de wolven zijn. Het kan zijn dat Matteüs hier al de vervolging beschrijft die ten tijde van zijn schrijven plaats vindt, maar – en dat heeft mijn voorkeur – we kunnen ook denken aan de leidslieden van het joodse volk, die in Ez. 22, 27 wolven genoemd worden en in Ez. 34, 1 e.v. te kort schieten in het weiden van schapen. In het vervolg van vs 16 worden de discipelen vermaand ‘scherpzinnig als een slang’ te zijn en ‘de onschuld van een duif’ te bewaren. Het is de vraag of de NBV vertaling de respectievelijke begrippen phronimos en akeraios’ adequaat vertaald heeft. In beide situaties gaat het om het karakter van beide dieren, om positieve eigenschappen : Voorzichtig, niet in slimme diplomatieke berekening, ook niet de grenzen van waarheid en leugen verdoezelend, maar wel: de situatie scherp in het oog houdend, paraat, slagvaardig.
‘De onschuld van een duif’: dat wil zeggen: open, zonder vooringenomenheid, onbedorven. Concluderend kunnen we zeggen dat de twaalf apostelen zich positief dienen op te stellen voor de taak, die hen wacht.
Hierop volgt in schril contrast met het voorafgaande nu de waarschuwing op te passen voor dé mensen ( het lidwoord staat er in het Grieks niet voor niets!). Wie zijn die mensen? In eerste instantie geldt dit mensen in Israël, degenen met wie de apostelen in contact komen Maar de hele pericoop (vs 17-23) wijst op een algemene haat reactie op de boodschap van het rijk Gods (vgl. Marcus13, 9:-13 en Johannes 15,:18- 27).
Vers 17: De gerechtshoven die hier ter sprake worden gebracht moeten gesitueerd worden in plaatselijke comités van drieëntwintig personen, die in steden bestonden met minimaal honderd en twintig volwassen mannen 
In vers 18 wordt de horizon verbreed: niet alleen de joodse gerechtshoven, maar ook stadhouders en koningen zullen het nieuwe volk van God veroordelen, en naast de stadhouders en de koningen worden hier de volkeren genoemd. De reden wordt gegeven in ‘omwille van mij’ (vgl. Mat. 5,11 en 10,22.) Het zal zijn tot een getuigenis voor hen en voor de (niet joodse) volkeren. De NBV vertaalt hier m.i. onterecht met ‘heidenen’. Maar in het Grieks staat hier een vertaling van het Hebreeuwse goiiem, wat volkeren betekent.
Verzen 19 – 21. Het woord merimnaoo, bezorgd zijn vinden we ook in Mat. 6,25,dat klinkt hier door. Degenen die voor stadhouders en koningen geleid worden staan er niet alleen voor: Wat ze moeten zeggen, wordt hun gegeven (dothesetai: aoristus passivus ) nl.door God zelf, op het moment zelf. Ook in de familiekring wordt men niet gespaard ( dit vinden wij in Marcus ook, zowel de stadhouders, de koningen als de familiekring. in Marcus 13 de verzen 9 en volgende). In vers 21 wordt Micha 7, 6 vrij weergegeven.
Vers 22. In 22b gaat het om het standhouden tot in de dood (het eis telos kan anders vertaald worden: volledig, helemaal, tot het laatst toe), eis telos , is hier adverbiaal gebruikt, zonder lidwoord. Wie zo volhardt zal behoren tot het rijk dat God in Messias Jezus opricht en tot voltooiing zal brengen.
Van vers 23 zijn twee uitleggingen mogelijk: de ene is, dat men mag vluchten (dus geen martelaarschap tot elke prijs) met een beroep op Jezus zelf, de andere legt de nadruk op de haast, waarmee vanwege de vervolging het nieuwe geloof van stad tot stad verbreid moet worden, zolang de Mensenzoon nog niet teruggekomen is op aarde.
Een derde mogelijkheid is de twee interpretaties met elkaar te verbinden: omdat de twaalf apostelen niet alle steden van Israël zullen zijn rondgekomen – hun taak ten einde gebracht zullen hebben, voordat de wederkomst van Christus zal hebben plaats gehad- daarom moeten zij, als ze vervolgd worden van de ene stad naar de andere vluchten Het gaat er bij deze derde interpretatie om de tijd goed en effectief te gebruiken.
De verzen 24 en 25. Beiden, Jezus en de apostelen staan voor dezelfde opdracht: de verkondiging dat het rijk van God gekomen is. In vers 25 vertaalt de NBV arketon met’moet er genoegen mee nemen’ Dat is mij te negatief, mijns inziens is het beter hier te vertalen: het is voldoende. De taak van de Heer en de apostelen is dezelfde, met dit verschil, dat het lijden van Messias Jezus het lijden is van Hem in wie Gods koninkrijk gekomen is (zie Mat. 10,7) en dat het lijden van de apostelen het lijden is van hen die getuigen van dat rijk (vgl. Mat. 10,18).
Vers 25,b. Men heeft Jezus in verband gebracht met de vorst der duisternis, Beëlzebul, de leider van het rijk van de duisternis (vgl. Mat 9, 33 en 12, 24). Maar Jezus en de zijnen vormen een huisgemeenschap. Als de mensen de heer des huizes Beëlzebul noemen, hoeveel temeer (dit is een conclusie a minore ad maius) zijn huisgenoten.
De verzen 26-33 Tot drie maal toe (in de verzen 26, 28 en 32) worden de apostelen opgeroepen niet bang te zijn als het gaat om het belijden van Jezus’ naam. Het werk dat God in Messias Jezus begon en dat door de apostelen verder gaat zal geopenbaard worden en zal bekend worden. In het Grieks wordt voor deze begrippen een passieve vorm gebruikt: apokaluphtheseta en gnoosesetai. Zo wordt aangeduid dat het Gods werk is.
In vers 27 worden opnieuw twee paralllelle beelden gebruikt. Alleen wordt hier aan toegevoegd dat de apostelen het bekend moeten maken.
In vers 28 heeft het lichaam de betekenis van de mens in zijn lijfelijke kwetsbare verschijning en de ziel de mens als persoon, als persoonlijkheid.
De strekking van vs, 28 is, dat Jezus degenen, die bij de verkondiging van het evangelie in moeilijkheden zijn geraakt en als martelaar zullen vallen, moed geeft; de dood van het lichaam is niet het laatste.
Verzen 29,- 31.God wil de dood van ziel en lichaam niet zoals wij misschien met een blik op vers 28 denken. Vers 29 en volgende geven uitsluitsel. Jammer genoeg is dat in de NBV niet duidelijk omdat daar vertaald wordt; er valt er niet één neer als God het niet wil.  Als je het zo vertaalt komt onwillekeurig de gedachte op aan predestinatie. Beter is het letterlijk te vertalen: Als één mus al niet zonder de nabijheid van uw Vader ( aneu tou patros humoon) ter aarde zal vallen… hoeveel te minder hoeft gij te vrezen , gij, die (in waarde) vele mussen te boven gaat.
Verzen 32, 33. In twee parallel gebouwde zinnen wordt positief en negatief gewezen op het feit dat men het martyrium niet moet vrezen: Die vrees ontbreekt bij Jezus: die Mij belijden zal voor de mensn die zal ik ook belijden voor mijn Vader die in de hemelen is. Immers soms kan het niet anders dan dat het belijden voor de mensen gepaard gaat met de bereidheid om te sterven. Wie dat doet, met hem zal Jezus zich ook solidair verklaren (vgl. Rom. 8,34).

Aanwijzingen voor de preek
Veel van wat in de uitleg genoemd wordt is ook actualiteit en kan met voorbeelden verhelderd worden: Want als het gaat om de boodschap dat het Koninkrijk van God nabij gekomen is, vraagt dat om verduidelijking in een wereld waar totaal andere rijken en machten het voor het zeggen hebben, Deze zullen moeten komen van de gezonde(n) gemeente, die leeft uit die boodschap.
Niemand zal uit zichzelf kiezen voor de weerloosheid van het schaap, zeker niet met wolven in de buurt. Wij mensen huilen liever mee met de wolven in het wereldbos, die klagen over de achteruitgang maar die intussen sterk en machtig zijn. Toch vraagt Jezus van mensen die leerlingen en apostelen willen worden, een keuze voor het zwakke, voor weerloosheid als het Lam Gods te maken.
Je kunt je pas als schaap opstellen als je precies weet wie de wolven zijn. Daarom is het noodzakelijk altijd een situatieanalyse te maken. We moeten machten onderkennen die de samenleving bedreigen; de consequenties durven trekken uit het geloof, dat nu juist het kruis onze kracht is. Deze analyse hoeft ons niet machteloos en moedeloos te maken. Het Koninkrijk is nabij gekomen. De verstandigheid van de slang en de onbedorvenheid van de duif. kunnen ons behoeden voor doemdenken. We mogen ‘erop afvliegen’ op Gods toekomst, want die is net zo reëel als de haat van allen uit vers 22. Onze duidelijkheid moet blijkbaar beginnen binnen eigen (kerk)muren (vs. 17), dus onze verantwoordelijkheid ten opzichte van de overheden moet niet geschuwd worden.
Sinds de conferentie van de Wereldraad van Kerken in Busan kunnen we bezig zijn met onze pelgrimage van gerechtigheid en vrede. In de preek kunnen hiervan voorbeelden genoemd worden en er kan opgeroepen worden onderdeel van deze pelgrimage te zijn
Lies van der Zee