27 juli 2014

6e zondag van de zomer 27 juli 2014

‘God roept ons tot het Evangelie van Zijn koninkrijk. En waar Hij roept, daar wil Hij ook de kracht schenken om het te volbrengen. Het is een lieflijke boodschap, een boodschap des Vredes, geen ijdel geluid, geen menselijk geschetter. Wie zich eraan toevertrouwt, ook al schijnt het dwaasheid, die wordt uit de donkerheid en de ondergang verlost, die zal Gods heerlijkheid aanschouwen’.

Aan het woord is wijlen Ds. A. Mulder Doopsgezind predikant. Hij huisvestte gedurende de oorlog zes joodse onderduikers. 
Het citaat is uit een serie preken over gelijkenissen met betrekking tot Gods Koninkrijk. Daarin verder: ’Doopsgezinden, dat zijn eigenlijk mensen die dromen van het Godsrijk.... '

Lezingen voor deze zondag: 1 Koningen 3, 5-12 Romeinen 8, 26-30 Matteüs 13, 44-52

In Mattheus 13:44 tot en met 48 vinden we drie gelijkenissen, waarin musteria (geheimenissen) van het Koninkrijk onthuld worden. In de eerste twee gelijkenissen gaat het om het geheimenis van het discipelschap. De laatste gelijkenis, die alleen bij Matteüs voorkomt, zou met de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe (Mat. 13, 34-30) en meer nog met de uitleg van deze gelijkenis (Mat. 13: 36-43) een dubbelgelijkenis kunnen vormen, zoals ook de eerste twee gelijkenissen een dubbelgelijkenis vormen. Afgezien van veel uitdrukkingen die overeenkomen, is het hoofdthema gelijk: Pas op de dag van het oordeel zal een scheiding gemaakt worden tussen de ”slechten” en de “goeden”. Tot zolang zitten allen in één net of in één akker die de wereld is.
De beeldspraak van de eerste twee gelijkenissen is bepaald door de wijsheidsliteratuur. De wijsheid wordt vergeleken met een grote schat (Spr. 2, 4; 8, 18 en 19), maar ook met een parel (Spr. 3: 14 e.v.; 8, 11 Job 28, 18). De dubbelgelijkenis zou haar oorsprong kunnen hebben in het feit dat ook al in de wijsheidsliteratuur het dubbele beeld van schat en parel voorkomt (Spr. 3, 14 e.v.; Job 28, 17 e.v.)
De drie genoemde gelijkenissen beginnen met een formule, waarmee veel gelijkenissen beginnen: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met ..’ . Als je op deze zin zou willen parafraseren – en dat kan nodig zijn om de spanning aan te geven tussen wat geschied is en geschiedt, de komst van Jezus Christus én de eindtijd, die geschieden zal - dan zou dat op de volgende wijze kunnen: “het gaat in het Koninkrijk der hemelen, dat er reeds is en komen zal onder andere zo toe als in het volgende verhaal”. Op deze manier wordt duidelijk dat het Koninkrijk een gebeuren is én een weg gaat.

De gelijkenis van de schat in de akker ontleent zijn beeld aan het gebruik om kostbare schatten te begraven, om ze veilig te stellen in tijden van oorlog en in verband met mogelijke diefstal. Zo nu en dan, als bijvoorbeeld de bezitter van zo’n schat omkwam, werd de schat vergeten en later op verrassende wijze door een ander gevonden. Wie die ander is wordt in de gelijkenis niet duidelijk en is ook niet zo belangrijk. Ik ben het met Walter Grundmann eens: (Das Evangelium nach Matthäuss, p. 352. Anm. 5) als hij schrijft: ‘insofern handle der Finder formalrechtlich korrekt, indem er den Schatz nicht einfach mitnimmt, sondern den Acker kauft’.
Maar waar het werkelijk om gaat, is wat er geschiedt ná en dóór het onverwachte vinden van de schat in de eerste gelijkenis—de schat: die intense vreugde teweeg brengt bij de vinder. Die vreugde zet hem ertoe aan zijn hele bezit te verkopen en precies deze akker te kopen. Als we deze gelijkenis eschatologisch vertalen en in het hier en nu vertalen krijgen we het volgende: wie het Koninkrijk vindt, die wordt verheugd, en gaat al het andere voor dit Koninkrijk over hebben. Voor de goede hoorder betekent dit dat in de boodschap van Jezus en in zijn arbeid Gods Koninkrijk verborgen zit. Wie het vindt in Hem verlaat alles en volgt Hem. Het omgekeerde vinden we in Mat, 19, 16-26 (de gelijkenis van de rijke jongeling).

V. 47, 48. Met Evenzo (palin) is de gelijkenis van de kostbare parel verbonden aan de daaraan voorafgaande gelijkenis van de schat in de akker, .
Het begrip anthropoi emporooi geeft aan dat het om een mens gaat die in het groot handel drijft. Het kan een koopman in parels zijn geweest, maar dat hoeft niet, maar zeker is dat hij een grote belangstelling had voor mooie parels. ‘Opeens ging hij heen en verkocht alles wat hij had en kocht die kostbare parel die hij boven al wilde hebben.’
In de beide gelijkenissen handelen de vinders op dezelfde wijze, beiden reageren ze gelijk: de schat in de akker en de parel betekenen op dat moment alles voor hen, al het andere moet wijken. Anders gezegd: ook de rijke koopman richt zich volkomen op het koninkrijk van de hemel zoals de mens in de eerste gelijkenis dat deed.

De derde gelijkenis wordt evenals de vorige ingeleid door 'Ook', of 'Evenzo' (palin). Net als in de voorafgaande twee gelijkenissen gaat het niet om de vergelijking met een sleepnet zonder meer, maar om de wijze waarop ermee omgegaan wordt. Daarmee moet het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden. Het sleepnet is neergelaten en alles zit er nog in. Wanneer het net vol is, haalt men het op de oever. Hier komt de evenknie met de oogst. Op de oever wordt het net geleegd, men verzamelt de goede vis in vaten, maar wat niet deugt werpt men weg.
V. 49, 50. Wat de vissers doen, dat moeten Jezus’ discipelen doen en overgezet in onze tijd: zijn Gemeente, Wat er zal geschieden in de eindtijd horen we in de verzen 50 en 51: De Zoon des mensen (vgl. vs. 41) wordt niet genoemd evenmin dat wat er met de “goeden” gebeurt (vgl. vs. 43). De engelen zullen uitgaan om de “slechten” (vgl. Mat. 13, 38 “de kinderen van de boze”) uit het midden van de rechtvaardigen (toon dikaioon) af te zonderen.
Anders gezegd er vindt dus géén voorselectie plaats !
V. 51en 52. Met een vraag aan de discipelen wordt deze serie gelijkenissen beëindigd: “Hebt gij dit alles verstaan?”. Hierbij wordt het trefwoord “verstaan” uit de verzen,13, 14, 15, 19 en 23 weer opgenomen: Hebben zij aan wie het gegeven is de geheimenissen van Gods Koninkrijk te kennen (v. 11) “verstaan” wat er allemaal aan de hand is? Het antwoord “Ja” wijst erop dat ze het allemaal verstaan hebben: . “Dit alles (tata panta) heeft ofwel betrekking op het geheel van de gelijkenissen in de verzen 1-50, of op de speciaal voor de discipelen uitgelegde gelijkenissen. In de essentie maakt het geen verschil: Het gaat om het geheel van de consequenties die uit de komst van het koninkrijk Gods voortkomen, voor hen zelf en voor de wereld. Jezus sluit op het antwoord “Ja” aan met: ’Zo lijkt iedere schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden op een huismeester die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen te voorschijn haalt.’
Dat wil zeggen het oude, dat hij als schriftgeleerde heeft geëerd , blijft. Het nieuwe van de komst van het Koninkrijk in Jezus Christus, wordt toegevoegd. Het moge duidelijk zijn dat nieuwe en oude dingen hier geen tegenstelling vormen: Het oude heeft betrekking op de Thora, de geschriften, de profetie, de leer en de traditie. Het nieuwe is het in Jezus Christus gekomen Gods rijk dat aangebroken is én nog komt. Nieuwe en oude dingen zijn in gelijke mate nodig: ze hebben betrekking op elkaar.

Aanwijzingen voor de preek:
Het lijkt me verhelderend om eerst plastisch de gelezen gelijkenissen te schilderen, aangezien ze er door hun beknoptheid gemakkelijk toe kunnen leiden dat er over de pointe heen gelezen wordt.
Het lijkt me goed stil te staan bij het snelle handelen van de mens en de koopman. Bij de mens staat dat hij zeer verheugd is. Zijn wij verheugd dat het Koninkrijk van God in Jezus Christus gekomen is? Wat voor consequenties trekken we daaruit, voor ons persoonlijk, kerkelijk en maatschappelijk leven?
We kunnen ons ten aanzien van de eerste gelijkenis afvragen: vindt nu een mens de schat of vindt de schat degene die graaft? O. Noordmans zegt (Gods Poorten, ’s-Gravenhage 1949, p.34): ‘Wij zullen maar zeggen: de schat vond de delver.’ Anders gezegd het Koninkrijk Gods en het vinden ervan is een zaak van genade, geen prestatie.
Wat betekent het discipelschap vandaag voor ons als gemeente? Enerzijds de roep vanuit Gods Woord tot discipelschap, anderzijds ons vastzitten aan ons oude bestaan. Tussen deze twee voegt zich een derde mogelijkheid: de ontdekking, de vondst. Pas als we deze mogelijkheid ontdekken zal het eerste tot zijn recht komen en het tweede overwonnen worden.
De kernvraag bewaar ik tot het laatst:’kunnen we echt de werker en de koopman begrijpen, wanneer deze afstand doen van alles om het ene te bezitten? We kunnen in onze tijd denken aan geld, eer, roem, genot en eigen vroomheid, maar ook aan arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, echtscheiding en zorg om de kinderen. Deze en dergelijke situaties kunnen ons belemmern en soms zelfs verhinderen Gods Koninkrijk te ontdekken.

Lies van der Zee