27 februari 2018

Reactie op boek Heilige Strijd van Beatrice de Graaf

Heilige strijd: meer zelfreflectie is nodig

-een reactie vanuit Kerk en Vrede op het boek van Beatrice de Graaf-

Op verzoek van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) werkte terrorisme-deskundige en PKN-lid Beatrice de Graaf een rede die ze eerder voor de Protestantse Theologische Universiteit (en later op de synode van de PKN) hield om tot een boek. In dit boek, Heilige strijd. Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad, geeft De Graaf de doordachte visie op veiligheid die we eerder al van haar kenden uit de media. Maar ze doet nog meer. In Heilige strijd verbindt ze die visie met haar geloof, iets waartoe ze zich geroepen voelt, maar wat haar niet makkelijk af gaat, zo verklaarde ze in een ontwapenend interview voor de EO.

Gezamenlijke bezinning ontbreekt

Het is lang geleden dat de PKN zich bezighield met de vragen van oorlog en geweld. De kerken die nu de PKN vormen, kenden in het verleden eigen organen die zich met deze en andere thematieken bezighielden. Daarin spraken deskundige kerkleden met elkaar, die vervolgens de synodes adviseerden. Belangrijke besluiten over onder meer de kernbewapening kwamen op deze wijze tot stand. Bij de oprichting van de PKN verdwenen deze organen en werd de bezinning steeds meer een zaak van functionarissen, van wie als gevolg van bezuinigingen het aantal steeds kleiner en het werkveld steeds groter werd. In 2002 sprak de synode voor het laatst over oorlog en vrede en wel over humanitaire interventie. Er werd toen een projectgroep Vredesethiek ingesteld die binnen afzienbare tijd aan de synode zou rapporteren. Deze groep rapporteerde echter niet en verdween, mét het onderwerp, van de agenda. Op aandrang van verontruste kerkleden organiseerde de PKN in 2007 en 2011 twee rondetafelgesprekken, waaraan een divers gezelschap PKN-leden deelnam. De gesprekken voorzagen in een behoefte. De deelnemers drongen bij de synode aan op meer kerkelijke bezinning en toerusting. Maar vanaf dat moment bleef het stil.

Het is dus verheugend dat de synode besloot aandacht aan de thematiek van veiligheid te besteden. Te betreuren is echter dat dit niet gebeurde in de vorm van bezinning in een breed overleg van deskundige kerkleden (ontwikkelings-, vredes- en vluchtelingenorganisaties, militairen, geestelijke verzorging, diplomaten, politici etc.), maar door één deskundige aan het woord te laten en vervolgens haar referaat in boekvorm te publiceren. Het boek bevat veel waardevols. Maar tegelijk is het de visie van één persoon, met alle beperkingen van dien. Wanneer hier dus kritiek klinkt op het boekje, dan richt die zich in de eerste plaats op de PKN die voor deze –een protestantse kerk vreemde-  werkwijze koos. Het is te hopen dat het boekje de opmaat zal zijn voor een breder gesprek in de kerken. Het zou goed zijn als ook de thematiek dan verbreed wordt. Veiligheid is niet een begrip dat in de kerk voorop hoort te staan; gerechtigheid en vrede zijn meer op hun plaats. De versmalling van de thematiek tot veiligheid leidt al heel snel tot een wij-zij denken; dat is in onderstaande reactie verder uitgewerkt.

Heilige strijd

De Graaf zet in bij het hernieuwde spreken in de samenleving over ‘het kwaad’, nu in relatie tot terrorisme. Verschil met vroeger is dat het een geseculariseerd spreken over het kwade is, los van enige gelovige traditie van hoe ermee om te gaan. Dat laat ruimte voor allerlei ‘coping mechanismes’, manieren om het te duiden en aan te pakken. Populisten springen in het gat en dragen simpele antwoorden aan: benoemen het kwaad, wijzen schuldigen aan en wegen om daarvan af te komen. De Graaf wil een religieus-theologische visie op veiligheid ontwikkelen om daaraan het hoofd te bieden. Daarbij staat voor haar centraal de overtuiging dat het kwaad reeds beëindigd is: Christus heeft de machten overwonnen. Het Koninkrijk van God is al aangebroken en wij leven onder de wet en de belofte daarvan. Het is niet aan ons definitief af te rekenen met het kwade. Van daaruit plaatst De Graaf vraagtekens bij enkele aspecten van het hedendaagse veiligheidsdenken, dat totalitaire en onverzoenlijke trekken heeft.

Het is verleidelijk om De Graaf uitgebreid te citeren, want ze zegt hier belangrijke dingen over de verhouding van het streven naar veiligheid tot waarden als rechtvaardigheid en solidariteit. Het zijn juist díe waarden die de samenleving veilig maken, terwijl er de neiging is ze ondergeschikt te maken aan veiligheid. De Graaf wil daarom komen tot een theorie van rechtvaardige veiligheid en probeert daarvoor criteria te ontwikkelen.

Een tweede centraal element in de benadering van De Graaf is dat zij er –terecht!-  op wijst dat het in de bijbel Gód is die strijdt, zijn strijd is de enige heilige strijd. Uitleggers worstelen daarmee, en velen willen dat graag anders zien en hun strijd ook als heilig betitelen.

Deze kernpunten uit de benadering van De Graaf zijn waardevol, al zijn er, zoals uit het vervolg zal blijken, wel vraagtekens te zetten bij de uitwerking ervan omdat daarin haar eerdere kritische analyse vervaagt.

Theologische benadering

Waarin zitten dan de beperkingen van de verhandeling van De Graaf?

In de eerste plaats in haar theologische benadering. De Graaf is geen theologe, maar historica, en uit alles spreekt dat zij afkomstig is uit het orthodoxe/confessionele deel van de PKN. Haar kerkelijk huis is de Jacobikerk in Utrecht. Die afkomst en dat limaatschap helpen haar bij het nadenken over de thematiek, zo blijkt uit haar woorden, en we moeten met spijt constateren dat veel kerkleden in hun kerken die steun níet krijgen. Maar die afkomst kleurt ook haar taal, die een zeer groot deel van de PKN-leden niet meer aan zal spreken, en al helemaal niet begrepen zal worden door mensen die van niet-kerkelijke komaf zijn. Dat is jammer, want het is wel degelijk mogelijk om de betekenis van begrippen als ‘erfzonde’, ‘schuld’ en ‘genade’, hoe beladen soms ook, zo te beschrijven dat die ook verstaanbaar én relevant zijn voor een niet-gelovige (mits die daarin geïnteresseerd is; in de taal van de markt of van Jip-en-Janneke zal het niet lukken). De Graafs belangrijke waarschuwingen voor een totalitair veiligheidsbeleid dat ervan uitgaat precies te weten waar het kwaad zit en dat er wel onder te kunnen krijgen, zijn gefundeerd in de gelovige –en door de meeste gelovigen gedeelde- overtuiging dat het alleen God is die een volstrekte scheiding kan maken tussen goed en kwaad. Zodra mensen denken dat ze dat kunnen, gebeuren er dramatische dingen, zo laat ook de geschiedenis zien. Het leidt tot het aanwijzen van zondebokken, vijandsbeelden, uitsluiting en de hele weg tot aan uitroeiing toe.

Oecumene

De kerkelijke afkomst van De Graaf is ook debet aan een ander tekort, namelijk het ontbreken van verwijzingen naar ontwikkelingen in de oecumene. Daar zou veel te leren zijn geweest voor haar onderwerp.

Zo ontbreek de bezinning op vrede in de Wereldraad van Kerken in het boekje, terwijl de lidkerken, waaronder de PKN, in de Wereldraad al decennialang spreken over de thematiek en uiteindelijk in 2013 besloten om de leer van de rechtvaardige oorlog (die De Graaf wél behandelt) achter zich te laten, en te kiezen voor de leer én de praktijk van de rechtvaardige vrede. Zie in dit verband de publicatie ‘Rechtvaardige Vrede: werk voor de kerk’ van de Raad van Kerken in Nederland uit 2012.

Ongenoemd blijft ook het spannende debat dat in de Rooms-Katholieke kerk gaande is over de theorie van de rechtvaardige oorlog en geweldloosheid; talloze interessante documenten, waaronder van Paus Franciscus, zijn in dit kader al verschenen; zie daarvoor de website nonviolencejustpeace.net, opgezet ten bate van een conferentie over deze thematiek in Rome in 2016. Ook lijkt De Graaf onbekend te zijn met een wijze van omgang van veel kerken en gelovigen met de Bergrede, die een veel sterkere oproep tot navolging bevat dan De Graaf mogelijk acht. Badinerend spreekt zij over ‘het moderne Evangelie van de Bergrede, het beschaafde liberale christendom dat niets met radicalisme te maken heeft’ (blz.112), daarmee er blijk van gevend dat zij weinig weet heeft van de strijdbare traditie van geweldloze weerbaarheid van bijvoorbeeld vredeskerken als Dopers en Quakers, andere groepen pacifisten, maar ook van een theoloog als Bonhoeffer, die in de Bergrede een weg vonden om te gaan. Twee boekjes over de Bergrede verdienen het hier genoemd te worden: In gesprek met de Bergrede (1957) van Hannes de Graaf, hoogleraar ethiek in Utrecht, die pacifist werd toen hij zich realiseerde dat hij, geïnterneerd in een Jappenkamp, zijn leven te danken had aan de bommen op Hiroshima en Nagasaki. En Meer dan het gewone (1977) van Feitse Boerwinkel, die alleen al met die titel glashelder aangaf waar het in de Bergrede om gaat. De exegese dat de Bergrede alleen iets zou zeggen over het leven van het individu (waar Beatrice de Graaf voor opteert, blz.118 vv) ziet ook voorbij aan de praktijk van de aangevallen Kopten in Egypte (die De Graaf zélf noemt, blz.121 vv), en aan de praktijk van mensen als Gandhi, Martin Luther King en vele andere geweldloze strijders.

Strijd

Bewust is hier het woord ‘strijders’ gebruikt. De Graaf kiest zelf ook voor dat woord, en verzet zich daarom tegen pacifisme, dat enkele malen in haar boek voorkomt, maar steeds in afkeurende zin. Overduidelijk leest zij pacifisme als ‘passivisme’: niets doen, alles over je laten komen. Ook hier blijkt ze een –buitengewoon strijdbare!- traditie niet te kennen of niet te willen zien. Niet voor niets heette het blad van de vereniging Kerk en Vrede lange tijd ‘Militia Christi’ en was en is dat blad met zijn opvolgers altijd gevuld met de meest uiteenlopende acties gericht op gerechtigheid en vrede. Als het gaat over het leven van de gelovige, spreekt De Graaf over de grote en de kleine strijd (zoals ook moslims dat doen). De grote strijd is die tegen de slang in ons eigen hart, de kleine strijd is die tegen het kwaad buiten ons. In die benadering is waardevol dat daarin erkend wordt, dat het kwaad zijn sporen diep kan trekken: laat niemand van ons denken dat hij of zij wel bestand is tegen bijvoorbeeld het dagelijkse bombardement van consumentisme en nadruk op eigenbelang. Tegelijk geeft dat ook aan, dat het kortzichtig is een scheiding aan te brengen tussen het individuele en het maatschappelijke niveau. Er is zoiets als structureel geweld: zonde van individuen die is neergeslagen in structuren. Die structuren leiden vervolgens weer tot zondig handelen van individuen en de gemeenschap als geheel. Wie bijvoorbeeld strijdt tegen de afgoderij van het marktdenken heeft een strijd te voeren op twee fronten die nauw met elkaar samenhangen en niet zonder elkaar kunnen. Wie op maar één front strijdt, onderschat de macht van het kwade. We hebben dus ook de gemeenschap nodig om een weg te vinden om het kwaad te weerstaan.  

Het kwaad niet onderschatten

Hier ligt ook de brug naar een andere beperking in de benadering van De Graaf. In het hoofdstuk ‘Hedendaagse theodicee’ stelt zij dat het lijkt alsof er tegenwoordig een consensus bestaat dat het kwaad moet worden uitgelegd en buiten de orde moet worden verklaard: terrorisme wordt geïnternaliseerd, geëxternaliseerd, gepsychologiseerd etc. Maar waarom zouden mensen niet kwaadaardig kunnen zijn, vraagt De Graaf. Waarom zouden ze niet én goed én geneigd tot het kwaad tegelijkertijd kunnen zijn? Wordt hier toch niet uitgegaan van een achterliggende morele orde die overeind moet blijven en waar alleen de terroristen uit zijn gevallen? Maar, zegt De Graaf, het kwaad vált niet te verklaren. We moeten niet meteen in verklaringsmodellen en oplossingen schieten. Laten we de tijd nemen voor reflectie. Met dit laatste heeft De Graaf helemaal gelijk. Binnen Kerk en Vrede wordt ook gesproken over pacifisme als ruimte voor bezinning: ‘een beweging waarin we het geweld steeds weer als het probleem benoemen en niet op voorhand rechtvaardigen’ (‘Werken aan rechtvaardige vrede’, Vredesspiraal jrg.11 nr.3, 2015). Maar we hebben hier wel twee bedenkingen bij.

In de eerste plaats gaat De Graaf er ten onrechte van uit dat het zoeken naar een verklaring van terrorisme (als een gevolg van armoede, westers kolonialisme e.d.) de overtuiging zou impliceren dat er bij terrorisme niet van kwaadaardigheid sprake zou zijn. Maar het tegendeel is het geval: het gaat om meer dan het kwaad van één persoon. Wie ernstig onderzoekt waar terrorisme zijn wortels heeft, is er diep van overtuigd dat het kwaad niet louter in één persoon zit en dat het naïef is te denken dat we met het opsluiten of opruimen van die persoon, van het kwaad af zijn. Dat is een onderschatting van het kwaad. Wie zoekt naar oorzaken en wortels, zal dus terughoudend zijn in het aanwijzen van zondebokken en het aanreiken van snelle oplossingen. Die onderzoekt eerst onder welke omstandigheden terrorisme heeft kunnen gedijen, die gaat na wat er zich politiek, militair en economisch heeft voorgedaan, wat voorafging aan deze explosie van kwaadaardigheid.

Ken uzelf

De Graaf lijkt bovendien zelf onvoldoende te reflecteren op de macht van het kwaad. Ze spreekt wel over de grote strijd die wij innerlijk moeten voeren, maar de vijand buiten dat is toch de terrorist in wie het kwade zich openbaart. Dat is een ernstige blikvernauwing van het héle boek, dat vanaf de eerste bladzijde, - inclusief het voorwoord van dr. René de Reuver, scriba van de synode van de PKN- ervan uit gaat, dat wij (in Nederland, in het Westen) de bedreigde partij zijn en de terroristen zich elders bevinden en wij louter de slachtoffers van deze terroristen zijn. Dat zelfbeeld doet echter de werkelijkheid geen recht.

Het boekje opent met een prachtige profetie uit Ezechiël 34:28:

‘Ze zullen niet meer door andere volken worden geplunderd

en niet meer worden verslonden door de wilde dieren,

ze zullen veilig wonen en niemand zal ze nog opschrikken.’

en spreekt vervolgens alleen over ónze veiligheid. Zijn wij het dan die door andere volken worden geplunderd? Zijn die andere volken dan de wilde dieren?

Bij haar nadenken over de strijd die we hebben te voeren, haalt De Graaf Micha 6:8 aan:

    ‘Hij heeft u bekend gemaakt, o mens,

    wat goed is en wat de Here van u vraagt:

    niet anders dan recht te doen, en getrouwheid lief te hebben,

    en ootmoedig te wandelen met uw God.’

Trouw, recht en nederigheid moeten onze strijd begrenzen en richting geven. Dat zeggen we haar graag na. Die benadering moet ook onze blik op onszelf kleuren. Laten we de geschiedenis ter harte nemen, de politieke, economische en militaire ontwikkelingen van de laatste decennia, laten we proberen met de ogen van mensen elders in de wereld naar onszelf te kijken. Wat zien we dan?

Een paar voorbeelden van de vele veelzeggende en schrijnende situaties:

* Er is een lange reeks verdragen en acties van westerse landen, van Sykes Picot in 1916 tot op heden,  die oorzaak zijn van veel conflicten in het Midden Oosten.

* Bij de door de VS geleide militaire coalitie tegen IS in Irak zijn in drie jaar tijd 31 maal zoveel burgers omgekomen als wordt toegegeven, zo blijkt uit onderzoek van de New York Times. De berichten over burgerslachtoffers worden zorgvuldig buiten de pers gehouden, waardoor er geen angst hoeft te zijn dat de publieke steun voor de oorlog afneemt.

* Nederland behoort tot de tien grootste wapenexporteurs ter wereld en leverde onder (veel) meer pantservoertuigen aan dictators in Bahrein en Egypte, die daarmee volksopstanden (die wij toejuichten als ‘Arabische lente’) bloedig neersloegen. Saoedie Arabië dat zich schuldig maakt aan ernstige mensenrechtenschendingen in Jemen is een groot afnemer van westerse, ook Nederlandse, wapens.

* Klimaatverandering, voornamelijk veroorzaakt door de rijke landen, treft mensen in ontwikkelingslanden het hardst.

* Naar schatting verliest Afrika per jaar minstens miljard aan inkomsten als gevolg van kapitaalvlucht, financiële malversaties en illegale transacties; Nederland speelt daarin een sleutelrol.

* Door de dumping van landbouwproducten door Europese landen kunnen boeren in West-Afrika niet in hun levensonderhoud voorzien, terwijl 60% van de Westafrikanen in de landbouw werkzaam is.

Westerse landen, inclusief Nederland, werken zo het geweld en de armoede in de hand die mensen op de vlucht doen slaan. Vervolgens wordt dan ook nog een steeds groter deel van de ontwikkelingshulp ingezet om die vluchtelingen tegen te houden, en, voor zover dat niet lukt, op te vangen in Nederland; daarmee is Nederland de grootste afnemer van Nederlands ontwikkelingsgeld.

Dát is de achtergrond waartegen wij spreken over onze veiligheid. Laten we ons goed realiseren wie we werkelijk zijn, hoe diep het kwaad zich ook onder ons genesteld heeft: in ons en in de structuren die we gebouwd hebben. Trouw, recht en nederigheid zijn ver te zoeken. Wij zijn exporteurs van onveiligheid. Als we willen spreken over een theorie van rechtvaardige veiligheid, dan moeten we in de eerste plaats spreken over onze rol in de onveiligheid die mensen elders in de wereld ervaren, in plaats van die mensen als ze op de vlucht slaan, te beschouwen als bedreiging van ónze veiligheid.  Dan moeten we het hebben over wapenproductie en wapenhandel, over klimaatverandering en milieuaantasting, verspilling van grondstoffen, handels- en financieel beleid. Veiligheidsbeleid dat die zaken niet meeneemt, is gedoemd te mislukken. Met een variatie op een ander boek (Inclusief denken, 1966 ) van de reeds genoemde Boerwinkel: het gaat echter om inclusieve veiligheid. Zonder veiligheid voor allen is er slechts onveiligheid.

Moreel beraad

We denken met De Graaf (blz.98) dat er een antwoord mogelijk is (dat de kerken kunnen geven) ‘op de uitdijende en totalitaire macht van het angst- en onveiligheidsdenken dat mensen onzeker, boos of bang maakt en hun vertrouwen ondermijnt.’ En we dringen er met haar op aan dat we ons in de kerken (en daarbuiten) oefenen in morele bezinning, waarbij ook onzekerheden en verwarring benoemd worden (blz.99). Het is goed dat de PKN op haar website hier nu aandacht aan besteedt. Maar moreel beraad, waar velen in de kerken al decennia lang voor pleiten, vraagt óók om de moed om eerlijk naar onszelf te kijken. De Graaf spreekt over ‘middeleeuwse schouwspelen’ als het gaat om terroristen. Maar zijn de 21e eeuwse schouwspelen van onze moderne wapens - wat minder ‘media-geniek’ dan onthoofdingen- soms minder gruwelijk? Dat zijn de vragen die we ons óók moeten durven stellen.

Greetje Witte-Rang

is secretaris van de Theologische Werkgroep van Kerk en Vrede; de reactie is opgesteld in samenspraak met de werkgroep.