10 mei 2016

Henk Baars op 4 Mei bijeenkomst Spoorwijk Den Haag

Een paradox

In theorie is oorlog slechts een middel tot een doel, een rationele zij het uitermate gewelddadige reeks handelingen in dienst van de belangen van een bepaalde groep mensen, waarbij lieden die zich tegen deze groep keren, worden gedood, verwond of op een andere manier onschadelijk gemaakt. De werkelijkheid is echter heel anders. Oorlog, en het vechten zelf in de eerste plaats, is een van de meest opwindende, meest prikkelende menselijke activiteiten, die alle andere kan overschaduwen; en vaak gaan die opwinding en prikkeling over in pure vreugde. Ondanks alle gruwelijkheid van de oorlogen in het Midden oosten zien we de juichende aanhangers van IS en alle andere strijdende partijen  door kapot gebombardeerde straten scheuren. Het is wellicht vreemd om te zeggen, maar oorlogen hebben iets plezierigs. De reden ligt voor de hand, het is een strijd op leven en dood. Oorlog vormt een van de weinige activiteiten waarbij mensen, bijna altijd mannen, opzettelijk de dood in de ogen kijken door het op te nemen tegen een tegenstander die net zo sterk of slim is als zijzelf. Zij kunnen ook het bevel krijgen om hun levens te riskeren  en ze doen het. De fascinatie met de dood is enorm. Vooral als je jong bent ben je daar gevoelig voor. Maar ook gevoelig voor levenslange trauma’s. Mijn vader was dienstplichtig tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij vocht in Rotterdam en maakte het bombardement van de Duitsers in mei '40 mee. Ik citeer uit zijn memoires:

“Toen brak tegen een uur of twee s ’middags de hel los. Achter elkaar aanvalsgolven van bommenwerpers. De stad Rotterdam werd lukraak gebombardeerd. Mijn slapie Chris en ik lagen onder een wagen waarin we de nacht hadden moeten doorbrengen. Ieder ogenblik verwachtten we het einde van ons leven. We lagen te schokken van de zenuwen. Hoe lang duurde dit al? Een uur, twee uur. Geen besef meer van tijd. Even stilte. We vluchtten een café in. Het begon weer. De wagen waaronder we lagen bleek achteraf een munitiewagen te zijn. We renden weg en sprongen op een wegrijdende auto. Ik raakte mijn karabijn kwijt en daarna ook nog mijn schoenen. Ik vluchtte naar een tante in de Gerard Scholtenstraat en kon daar wat drinken. In een school kreeg ik opnieuw een geweer, maar we kwamen een Duitse auto met twee Nederlandse officieren erin tegen met een witte vlag. “Het is overgegeven jongens zeiden ze”. Diepe verbijstering en teleurstelling”.

Het is een vreemde paradox , met de vrijheid geven we ook de oorlogscultuur door. Komen we daar ooit vanaf? Blijft het nodig om mannen en vrouwen klaar te stomen zodat ze bereid zijn de dood onder ogen te zien? De een zal zeggen, dat het onvermijdelijk is . De ander wil er niets mee te maken hebben. Is de mens nu eindelijk eens op het punt aangeland dat we de oorlogscultuur afschaffen en ons met een zucht van verlichting wijden aan een comfortabel leven?

 Deze herdenking hier heeft in het geheel geen militair karakter en ik ben daar zeer  gelukkig mee. Hier geen militaire uniformen en gehelmden. Want uiteindelijk gedenken we individuele mensen om wat ze ten diepste zijn of zijn geweest. Mensen die in de maalstroom van chaotische situaties keuzen hebben gemaakt die ongewild tot de confrontatie met de dood hebben geleid. Misschien moeten we voorzichtiger zijn om hen een heldenstatus te geven. Het waren mensen zoals jij en ik en het zijn in de tegenwoordige tijd mensen zoals jij en ik. De motieven om daden te stellen zijn dikwijls buitengewoon complex en de geschiedenis achteraf laat veel dingen weg. Het laat weg, de gierende angst, de soms blinde furie waarin soldaten terecht kunnen komen als ze op het slagveld geisoleerd raken. Kijk naar de oorlogsmisdaden tijdens onze koloniale oorlog in Indonesië. Maar stel daar ook tegenover, de ongelofelijke inspanningen van velen om het weer in orde te krijgen, vrede te sluiten, te gaan praten, civiele inzet te plegen, vluchtelingen te helpen. De goede opbouwende  en harmoniserende krachten zijn volgens mij uiteindelijk altijd sterker. Natuurlijk ‘schaffen wir das” zoals Angela Merkel zegt. Het zou toch te gek zijn als we die paar vluchtelingen niet onder kunnen brengen. Want dat is letterlijk vrijheid doorgeven! En ach vrijheid huist in de kleine dingen. ’s-Morgens vroeg naar je werk, het fluiten van vogels, het zonnetje op je bol, die frisse lucht in je neus. Uit eten kunnen gaan, naar het strand, naar deze herdenking kunnen gaan, zonder gevolgd te worden. Je moet er keihard voor werken om die vrijheid te behouden, steeds opnieuw elkaar vragen, wat bedoel je nu?

Stel je open, spreek hardop uit wat je vindt, maar met mildheid. Beledig niet, het lost nooit, maar dan ook nooit iets op. Train je zelf in geweldloos spreken en zelfs geweldloos vechten, wat ook wel diplomatie heet.

Op 4 mei 1945 ging mijn vader 's-avonds naar zijn verkering. Ze woonden allebei  in Den Haag. Overal stonden mensen op straat. Heb je het al gehoord? De Engelse zender zegt dat de Duitsers gecapituleerd hebben. Tegen de sigarenhandelaar wiens winkel helemaal uitverkocht was zegt hij: Binnenkort kom ik Engelse sigaretten kopen. Nou graag; zegt hij.

Dat was vrijheid toen. Nu zou het kunnen zijn, dat we tegen elkaar zeggen: “Wat voel ik me toch thuis in dit mooie Spoorwijk. Echt waar. Ik wil er nooit meer weg, want ik hou van al die mensen om mij heen”. Want dat is het enige waarmee je het uithoudt. Liefde.

Henk Baars ,Afdelingsmanager Stek voor Stad en Kerk.