5 februari 2017

5e zondag na Epifanie 5 februari 2017

Preekschets voor zondag 5 februari 2017, vijfde zondag na Epifanie.

Jesaja 43,9-12 Psalm 112 (1Korintiërs 2,1-5) Matteüs 5,13-16

Jesaja 40-55 - “ Deutero-Jesaja”- bevat woorden van een onbekende profeet die zou zijn opgetreden tijdens de periode van de Babylonische Ballingschap. De Godsspraak in de verzen 9-12 heeft een aantal vertaalkeuzes opgeleverd. Zo geeft de Naardense Bijbel hier voor v. 9: Al zijn alle volkeren samen vergaderd en zullen de natiën zich verzamelen, wie onder hen zal deze dingen melden, de eerste dingen doen horen?- kunnen zij hun getuigen opgeven om hen te rechtvaardigen en horen die genoeg om te zeggen ‘dit is wáár’?

NBV vertaalt: 9 Alle volken zullen zich verzamelen, alle naties komen bijeen. Wie van hun goden heeft aangekondigd wat eertijds nog te gebeuren stond? Laten zij getuigen leveren om hun gelijk te bewijzen, opdat ieder die hen hoort zal zeggen: ‘Het is zo!’

Grote verschillen, kortom. Hoe dan ook, alle vertalingen baseren zich hier op een tekst die ontstaan zou zijn tijdens die ballingschap (583 v. Chr – ca 520) De Babylonische suprematie over het gebied werd doorbroken door de Perzische koning Kores (of Cyrus II de Grote, 559-530 v. Chr.) die in 539 Babylon veroverde. Het ‘decreet van Kores’ in 538 zou terugkeer naar Jeruzalem mogelijk hebben gemaakt (vgl. Ezra 5: 13). In Babylon zou een grote verscheidenheid aan stamgoden en mysteriereligies hebben bestaan en de hier voorgestelde Jesaja teksten nemen daartegen duidelijk stelling.

Werd Kores gezien als de redder van Israël? En heeft de “knecht” in v. 10 betrekking op de profeet? We zullen het nooit helemaal precies kunnen zeggen. Voor onze protestantse voorouders en de geestelijk vaders van de SV was het glashelder: zij lazen de ‘gansche Heilige Schrift’ vanuit een christocentristisch standpunt, moeizaam verworven vanuit het Middeleeuwse presentiemodel; voor hen kon die ‘knecht’ niemand anders dan Christus zijn.

De tekst uit Mattheus ligt in het verlengde van de Bergrede die vorige week centraal stond in de prediking. Daar waar de Bergrede vooral een opbeurend en troostend karakter heeft, daar steekt de tekst uit de verzen 13-16 de toehoorders een hart onder de riem. Niet wegkruipen in een hoekje, geen duistere cultus bedrijven, maar zichtbare navolging, tot verlichting van alles en allen.

Suggesties voor de overweging:

Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal [het] gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.” (Mat. 5:16)

We kunnen niet om de politiek-historische context heen, wanneer we deze teksten als uitgangspunt voor onze prediking nemen. Deutero-Jesaja treedt op in een wereld die beheerst wordt door militair geweld en politieke belangenafweging, de context van het Nieuwe Testament is die van de “Pax Romana”: de ijzeren greep van het Romeinse Rijk. Beide werelden geven blijk van grote culturele verscheidenheid en ook van onverschilligheid ten aanzien van alles wat kwetsbaar is. Een vergelijking met onze eigen tijd is dan ook moeiteloos te maken.

Koning Kores – oftewel Cyrus II de Grote, heerste aan het einde van de zesde eeuw vóór het begin van onze jaartelling over Perzië. Hij stuurt troepen naar Babylonië – en na maandenlange belegering lukt het hem de zwakke opvolgers van Nebukadnezar van de troon te vegen – en Babylonië in te lijven.

De ballingen van Babylon, de nazaten van de Israëlieten die door Nebukadnezar zijn weggevoerd krijgen weer een nieuw regime te verduren – nieuwe bezetting, weer een andere dictator. Het was onrustig in het gebied dat wij het “Midden-Oosten” plegen te noemen. Toen ook al. Maakt het veel uit voor de nakomelingen van Abraham en Saraï – dat er weer eens een andere despoot de lakens uitdeelt?

Wel iets. Cyrus de Grote – of Kores, zoals ons OT hem noemt, moet een fabelachtig organisator geweest zijn. En een bijzonder praktische man. Cyrus weet in elk geval te zorgen voor een beetje rust – en dat is al een heleboel – en hij is zeer vaardig in de onderhandeling wanneer hij ergens voordeel ruikt.

Wat heb je aan een grote hoeveelheid ontevreden immigranten die een halve eeuw eerder tegen hun zin het land zijn binnen gevoerd, en die begrijpelijkerwijs nog steeds hun grieven daarover hebben? Een deel van hen heeft zich zo goed en zo kwaad als het ging aangepast, maar de algemene stemming zal niet bijzonder positief geweest zijn. Aan zulke mensen heb je weinig – ze vormen waarschijnlijk een mogelijke bron van onrust en opstand. Je kunt ze veel beter te vriend houden, dan zul je meer plezier van ze hebben. Daarom zegt Cyrus de Israëlieten toe dat ze terug kunnen keren naar Jeruzalem, wanneer ze dat willen. Hij tekent er zelfs een verdrag voor – wie weg wil die mag, er hoeven zich voor deze Farao niet eerst tien plagen voor te doen, en wie wil blijven die mag dat ook. Koning Cyrus laat de ballingen de keus - degenen die om welke redenen dan ook in Babylon blijven hebben betere leefomstandigheden gekregen.

Nu was koning Cyrus niet alleen maar aardig voor de joodse ballingen die terug wilden naar Jeruzalem. Cyrus had er alle belang bij dat er tussen zijn Perzische rijk en erfvijand en concurrent Egypte een flinke buffer zat – en wanneer nu de voormalige joodse ballingen terug in Jeruzalem weer iets moois zouden opbouwen, en wanneer die voormalige joodse ballingen hem, Cyrus een warm hart toedroegen, dan was er veel gewonnen. Zo werkt politiek. Zo werkt de wereld, onverschillig of het nu de wereld van Cyrus ofwel de Romeinse keizers is, dan wel de “Pax Americana” van onze dagen. “Bevriende staatshoofden” worden niet te vriend gehouden omdat ze het goede nastreven en de kwetsbare medemens in bescherming nemen, maar omdat er grote strategische of commerciële belangen meespelen. Zelfs de tempel in Jerusalem mag weer herbouwd worden, uiteraard onder wakend oog van Cyrus. Een corrupt of dictatoriaal regime houdt doorgaans de religieuze centra nauwlettend in het oog; men denke aan de kerken in Duitsland in de jaren dertig.

We zouden aandacht kunnen besteden aan de wérkelijke opdracht van de kerk: in woord en daad spreekbuis zijn van het Messiaanse tegenverhaal, in navolging van de Mattheustekst, niet om der wille van het eigen vuurvast gelijk, maar tot heil van de wereld waarin we leven.

Een kerk die onder wakend oog van een abject regime of van een gewelddadige bezetter, of een kerk die genegeerd door de onverschillige massa, uitsluitend nog in stilte haar rituelen uitvoert zonder maatschappelijk engagement, zo’n kerk heeft geen functie meer. Zonder engagement is Gods gemeente nog slechts een vorm van heemschut, een verkwijnend museum.

En wanneer we die werkelijke opdracht van de kerk op aansprekende wijze over het voetlicht hebben kunnen krijgen, dan kunnen we misschien weer eens met een gerust hart LvK 474 op de liturgie zetten.

Geraadpleegd o.a. Israel in Exile: The History and Literature of the Sixth Century B.C.E., Rainer Albertz