10 mei 2016

3e zondag na Trinitatis 12 Juni 2016

Lezingen: Hooglied 4.16-5.8, Ps. 100, Luc7.36-8.3

Zij /wij. Hoeveel vooroordelen heeft iedereen? Zijn of kunnen mensen zich daarvan bewust worden? Zijn of kunnen mensen werkelijk gastvrij zijn? Hebben geloofsgemeenschappen de mogelijkheid of de intentie mee te werken aan wij en jij samen verhoudingen in  hun omgeving?

Inleiding:

In Hooglied, een lied waar het woord 'God' niet in voorkomt, gaat het, zegt men, over de relatie van God met Israël. Het is ook geherïnterpreteerd als voorbeeld van de relatie van Jezus met de gemeenten. Dat zou ook gezegd kunnen worden over de onderstaande tekst van Lucas. Er zijn vele studies en vertalingen aan het Hooglied gewijd. Is het een lied over koning Salomo en zijn zoektocht naar God. Of het lied van een harem meisje aan zijn hof dat uiteindelijk voor haar geliefde herder kiest. Dat zou erop kunnen wijzen dat, in dit gedeelte van de tekst, de wachters haar in elkaar slaan. Centraal staat een vrouw, die haar eigen plan trekt. Evenals in het Lucas evangelie.

In het Lucas evangelie komen veel verhalen voor over Jezus en zijn disputen of ontmoetingen met Farizeeën en Schriftgeleerden. In deze tekst, een beschrijving van een Farizeeër, die wel eens wil weten wie deze leermeester ,waar het volk achteraan loopt, werkelijk is.  Is hij en profeet of een charlatan. Er wordt hier een tegenstelling geschetst tussen de wijze waarop een voorganger vanuit de synagoge zouden moeten leven, gezien vanuit de Tora, en hoe hij werkelijk een voorbeeld voor het volk is. Hier door het niet verlenen van de gastvrijheid t.a.z.v. 'de vreemdeling in zijn stad'. De tegenstelling wordt geschetst door de vrouw en Jezus' reactie daarop. Een voorbeeld voor de wijze waarop de Messiaanse gemeente zou moeten handelen rondom 70 jaar na het jaar 0.

De vrouw wordt beschreven als zondares. Welke zonde is voor het verhaal niet relevant. Toch zijn er veel gissingen naar gemaakt. Er is ook wel beschreven dat zij Maria Magdalena zou zijn geweest. Uit deze tekst blijkt (8.1-3) dat dit niet dezelfde personen lijken te zijn

Zonde en ziekte werden gezien als een straf van God. Alleen een priester kon constateren of mensen hun schuld of ziekte kwijt waren en hen genezen verklaren. De tafelgenoten vragen zich bij zichzelf af: waarom doet deze Jezus dit.

Ps. 100: de laatste van de serie 'de koning komt' psalmen. Leef, God ten dienste, vreugdevol.

Hooglied 4.16-5.8.

Het lied der liederen, een zoektocht. In deze verzen zoekt de Sunamitische, zusje, bruid, haar geliefde, die geklopt heeft, maar ze kan hem niet vinden als ze de deur opent. Ze gaat hem zoeken en wordt door de wachters in elkaar geslagen. Wat hier opvalt is dat het meisje zich zelf te goed doet aan mirre etc.

Terwijl in de Lucas lezing Jezus door de vrouw gezalfd wordt.

Luc7.36-8.3,

Context: Jezus verblijft in de buurt van Kapernaum. Eerst vraagt een Centurio hem, via joodse leiders, één van zijn slaven/ dienstknechten te genezen, die bij hem thuis op sterven ligt. De joodse leiders vinden het kennelijk nodig  een goed woord voor hem te doen, omdat hij ''ons volk'' goed gezind is. Dat had zich geuit in de bouw, door de Centurio, van een synagoge. Jezus beoordeelt de Centurio niet op zijn materiële prestaties, maar op zijn levens visie en de liefde voor zijn knecht. Daarna wordt de opwekking van de jongeman te Naïn beschreven. Als intermezzo een ontmoeting met leerlingen van Johannes de Dooper die Jezus  vragen of  hij degene is die komen  zou. Jezus spreekt daarna de menigte toe. Zij, die zich hadden laten dopen door Johannes, brengen hulde aan God en zijn gerechtigheid.  Maar de Farizeeën en Wetgeleerden/Schriftgeleerden verwierpen het plan van God, want zij hadden zich immers niet laten dopen door Johannes. Er volgt een beschrijving over Jezus en Johannes betreffende verschillen in hun leefwijze inzake eten en drinken en Jezus omgang ook met tollenaars en zondaars.

36

In deze tekst spelen 3 partijen een rol:

  • Simon, een nieuwsgierige Farizeeër met een onuitgesproken vooroordeel. En zijn gezelschap, aan tafel in zijn huis, dat bij zichzelf een vraag stelt over de figuur van Jezus. Simon behandelt Jezus niet echt als gast.
  • Jezus,die is uitgenodigd, maar wordt  niet gastvrij verwelkomd.
  • Een vrouw die ongenood verschijnt.

 

Simon een farizeeër

Jezus

Vrouw

Had  uitgenodigd: Jezus

Ging aanliggen

Bekend in de stad als zondares had gehoord dat J. thuis bij de farizeeër zou gaan eten en ging naar het huis met een albasten flesjes met geurige olie

 

 

 ging achter J. staan, aan het voeteneind van het aanligbed

 

 

 huilde. J. voeten werden nat door haar tranen. Droogde ze met haar haar, kuste ze en wreef ze met olie.

Zag wat de vrouw deed. Zei bij zich zelf: Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aangeraakt heeft.

 

 

 

Zei: Simon ik heb u iets te zeggen

 

Meester spreek.

 

 

 

Eens had een geldschieter twee schuldenaars, de een was 5, de ander 50 denarie schuldig. Terug betalen konden ze niet. Hij schold hun beiden de schuld kwijt.

Wie zal het meeste liefde betonen

 

Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft kwijt gescholden

Dat is juist geoordeeld.

 

 

Draaide zich om naar de vrouw.

Simon zie je deze vrouw

 

                                                  

                                               

 

 

 

                                                

 

 

                                                

 

                                                 

Ik ben in je huis te gast.

jij hebt mij geen water gegeven voor mijn voeten.

Zij Heeft met haar tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd.

 

Jij Hebt me niet begroet met een kus.

Zij heeft sinds ik hier binnenkwam onophoudelijk mijn voeten gekust.

 

Jij Hebt mijn hoofd niet met olie ingewreven.

 

Zij Heeft met geurige olie mijn voeten ingewreven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                

Aan jou zeg ik: haar zonden zijn haar vergeven, waren het er velen, want ze heeft veel liefde betoond, maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde

 

Zijn tafel genoten dachten bij zichzelf: Wie is hij, dat hij zelfs zonden vergeeft?

                                                                Hij zei

tegen haar: 'Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.

8.1-3 
Kort daarop gaat Jezus rondtrekken, samen met de 12 en enkele vrouwen, om het goede nieuw over het koninkrijk  van God te verkondigen.

Gastvrijheid.

De Lucas' tekst beschrijft twee vormen van het ontvangen van een gast. Simon heeft de gast uitgenodigd  om er het zijne  van te weten te komen. Het valt in deze tekst op dat zowel Simon als de andere gasten bij zichzelf denken. Direct heeft Simon, bij zichzelf, een vooroordeel klaar als hij ziet wat er zich in zijn huis afspeelt.

Hoe vaak komt dat niet voor. Een vooroordeel hebben of vraagtekens zetten bij het zien wat iemand durft te doen of te zeggen. Door de binnenkomst van de vrouw verandert het hele mozaïek. De vrouw zegt niets, zij handelt. Zo vertolkt zij de gastvrijheid, die aan Jezus onthouden is. Jezus is wel uitgenodigd, maar wordt slechts gedoogd. Jezus lijkt te zijn uitgenodigd uit nieuwsgierigheid. Wie is die vreemde man, die zoveel mensen trekt en oa. een buitenlandse knecht op afstand geneest, een jongeman vanuit de dood teruggeeft aan zijn moeder, als een rabbi de menigte leert, in dialoog gaat met tempelgeleerde en nu deze zondares toestaat dat zij hem aanraakt.  In tegenstelling tot de vrouw in Hooglied gebruikt deze vrouw de olie niet voor zichzelf, maar voor Jezus' voeten.

– – Voeten zijn in de bijbel meer dan alleen om te lopen. Aan de voeten van iemand je neerwerpen, is ook een vorm van aanbidding/ onderwerping. Voeten moeten ook goed verzorgd worden. De voeten van een gast worden gewassen, daarom zijn er altijd watervaten aanwezig. De vrouw in het Hooglied heeft haar voeten gewassen voor zij in bed stapte. Het zitten aan de voeten van een leraar is een uitdrukking om aan te geven bij wie je gestudeerd heb (–>Paulus). Bij het betreden van een huis werden de sandalen, als men die had, uitgedaan. Dergelijke gewoonten worden in de Islam nog steeds gepraktiseerd. Vroeger trouwens ook bij ons op het platte land.--

Hier wordt de ontmoeting van de vrouw met Jezus en zijn voeten beschreven als een teken van veel liefde en gastvrijheid. Dialogen zijn heel gewoon tussen tempelgeleerden. Jezus vraagt toestemming om iets te mogen zeggen. Simon geeft hem daarvoor toestemming. Jezus vertelt een verhaal, waarna hij Simon een vraag stelt. Simon noemt Jezus: Meester. In de tekst valt op dat Jezus, bij zijn schets van de situatie, over de vrouw eerbiedwaardiger spreekt dan over Simon. De vrouw heeft de rol van de gastheer overgenomen t.a.z.v. Jezus. De vrouw vraagt niet om vergeving. Jezus vergeeft haar door haar wijze van handelen t.a.z.v. hem.  Dan verwisselen de rollen weer. De manier waarop Jezus van de vrouw afscheid neemt, is de wijze van afscheid zoals een gastheer afscheid neemt van zijn gast, met een vredegroet: Ga in vrede.

Wat voor zonde deze vrouw ook mocht hebben gedaan, haar geloof deed haar anders handelen dan hij die een religieuze voorbeeld figuur zou moeten zijn voor zijn omgeving.

De rol van Jezus en de vrouw kunnen hier gezien worden als een voorbeeld voor de Messiaanse gemeente. De praktijk van de gemeente als beeld van God in liefde voor hen die niet gekend worden en de vergevende liefde van Jezus, zoals zijn 'vader' in de hemel vergevend is.

Zij / Wij of wij en jij samen.

  1. Iedereen wordt, onbewust, opgevoed met vooroordelen, die voortkomen uit de kringen waarin mensen leven en worden beïnvloed. Daardoor ontstaan er grote verschillend in de samenleving. Het is een sociologisch gegeven dat groepen met dezelfde (voor)oordelen elkaar opzoeken. Welke meningen, voor of tegen een bepaalde opvatting, een hoofdrol spelen wordt steeds duidelijker nu Nederland bijna geen verzuiling meer kent. Een voorbeeld hiervan is het vluchtelingen debat. Maar ook op vele andere terreinen komt dit voor. Als mensen, met verschillende achtergronden en culturen, elkaar ontmoeten ontstaan er andere verhoudingen. In plaats van onbekend maakt onbemind. Onbemind of ongekend voelen kan haat en geweld opleveren. Als mensen zich vernederd voelen kunnen ze verharden. Door ontmoetingen kunnen  sympathie en andere verhoudingen ontstaan, waarin wederzijds begrip en liefde volle omgang kunnen groeien. Dagelijks wordt iedereen geconfronteerd met zij /wij tegenstelling en vooroordelen: vrouw/man, zwart/blank, allochtoon/autochtoon, homo/hetero, ongelovig/gelovig, joden/christenen, islam/christendom, daklozen of woning zoekende/mensen die een woning hebben, al staat die onder water, werklozen/ werkenden, jongeren/ ouderen  laagopgeleid/ hoger opgeleid etc. Hoe gaat iedereen zelf met tegenstellingen en (voor)oordelen om? Wordt er  zelf aan mee gewerkt om de andere kant van de 'medaille' te laten zien? Wordt er in de geloofsgemeenschap ruimte gegeven om:
  • Met elkaar  in gesprek te komen over tegenstellingen en (voor)oordelen ten aanzien van geloofsopvattingen in de gemeenschap en welke opvattingen de politiek en de samenleving daarover heeft.
  • Maar ook hoe de maatschappelijke tegenstellingen en (voor)oordelen, in de samenleving en  in de plaatselijke context, een rol spelen.
  • Wat daar de oorzaken van zou kunnen zijn.
  • En met welke zichtbare rol zou de geloofsgemeenschap er aan kunnen meewerken, samen eventueel met andere organisaties, in het leefklimaat tot verbeterde verhoudingen te komen?  Een samenlevingscontext waar  mensen, opzoek gaan naar een samenleving waar zij tot hun recht zullen komen en niet letterlijk of figuurlijk in elkaar geslagen worden.

Liefde brengt een goede geur met zich mee in de ontmoeting met een ander. Dat kan de vorm hebben van mensen te ondersteunen bij wat zij aangeven nodig te hebben. Al moet dit soms beperkt blijven om te luisteren naar individuele verhalen.  Waarbij niet alleen gedacht moet worden aan vluchtelingen, maar ook aan jongeren, mensen die schulden hebben, daklozen, ouderen die vereenzamen, vul maar in wat in je eigen context noodzakelijk is. Een geloofsgemeenschap kan daaraan meewerken of het initiatief daartoe nemen. Een geloofsgemeenschap is immers een oefenplaats om van daaruit een stem te laten horen of door handelen te laten zien, dat gelovigen weet hebben van het feit dat het anders kan, dat er andere mogelijkheden zijn. Een geloofsgemeenschap heeft er weet van dat tegenstellingen als zij/wij geen recht doen aan elkaar als mensen. Geloofsgemeenschappen weten dat het zou moeten gaan om het bevorderen van:  wij en jij samen. Geloofsgemeenschappen weten immers dat leerlingen van Jezus, al zoekende, een andere stem in het gebeuren kunnen laten horen. Gelovigen kunnen durven binnengaan, waar zij niet genodigd zijn, niet met grote woorden, maar met kleine daden. Zij kunnen op zoek gaan, als er het gevoel is dat er op de deur geklopt wordt. Maar degene, die klopt, zich toch niet durft te laten zien. Het gaat er om op te staan, op te weg te blijven gaan, liefde te geven, door mee te werken aan de opbouw van een samenleving waar steeds meer mensen tot hun recht komen. Om ook bij afkeuring, tegenslagen of (voor)oordelen van anderen zich bewust te blijven geroepen te zijn om mee te werken aan het goede nieuws in het rijk van God, dat is en komende is.   

Héleen Broekema

Hooglied 4.16-5.8

zij -16

Ontwaak, noordenwind

en kom, wind uit het zuiden,

waai geur door mijn tuin,

dan kan mijn liefste komen

om zijn vruchten te plukken.

5.1.- Hij

Ik kom in mijn hof,

mijn zusje, en daar oogst ik

mirre en balsem.

Ik snoep er zoet honing

en drink volop wijn en melk.

Meisjes:

Eet, vriend en vriendin,

drink daar overvloedig bij,

wordt liefde dronken.

2 – Zij

Ik sliep, maar mijn hart

waakte; ik hoorde mijn lief:

'Doe open, zusje.'

Hij hield aan: duifje, mijn hoofd

is vochtig van de nachtdauw.'

3

Ik zei: 'Ik slaap al

moet ik me weer aankleden,

wil je dat echt wel?

Mijn voeten zijn gewassen,

moet ik ze weer vuil maken?'

4

Daar stak hij zijn hand

door een kiertje naar binnen;

ik stond te trillen.

5

Opgestaan ben ik

om voor hem ope te doen

met druipende hand.

Geurige mirre vloeide

 op de grendel van de deur.

6

De deur ging open,

maar mijn lief was verdwenen,

bijna viel ik flauw.

Ik zocht hem maar ik vond hem niet;

ik riep hem, maar geen antwoord.

7

Wie kwam ik tegen

De wachters op hun ronde.

Zij verwonde mij

en rukten mijn sluier af,

die gemene muurwachters.

8

Ik vraag je, meisjes

wat vertellen jullie hem

als jullie hem zien?

Ik bezweer je, zegt hem dan

dat ik ziek van liefde ben.

 

Uit: Gerard van Boomen Hartstocht en bedachtzaamheid.

Hooglied en Prediker in Haikus' en Tanka's.

Skandalon 2011