27 december 2015

27 december 2015

Bijbellezingen: Jesaja 61,10-62,3                               Galaten 3,23-4,7                               Lucas 2,33-4

Het ligt voor de hand op de zondag na het kerstfeest een bijbelgedeelte te kiezen dat dicht tegen het kerstevangelie aan ligt. Na het bericht over de geboorte volgt in Lucas 2 het getuigenis van twee getuigen over het Kind. De verwondering omgeeft zijn leven vanaf het begin. Die verwondering (in de NBV-vertaling van 2: 33 wordt gesproken over ‘verbaasd’) vloeit deels voort uit een niet kunnen begrijpen, maar eveneens uit een diep ontzag voor Gods ingrijpen.

Een van de kernwoorden van de pericopen Luc. 2,25-35 en Luc 2,36-40 is thaumadzo, verwonderen.
Van oorsprong worden hiermee twee betekenissen uitgedrukt: het zich verwonderen en bewonderen. Ook ten aanzien van Gods daden kan daarvan sprake zijn. Al in Lucas 2,18 wordt dit werkwoord gebruikt om de reactie van mensen op de woorden van de herders te omschrijven (ook hier gebruikt het NBV het woord ‘verbazen’ als vertaling). In Lucas 2,33 wordt de houding van Jozef en Maria tegenover de profetie van Simeon met dit werkwoord aangeduid. In het eerste geval is er duidelijk sprake van het ontzag van de mens tegenover Gods daden; tegelijkertijd speelt de gedachte van het niet begrijpen mee. Deze verwondering kan het uitgangspunt zijn van diep geloof, maar kan ook veranderen in twijfel en zelfs afkeer. In Lucas 2,33 speelt de notie van bewondering mee: Jozef en Maria staan door de voorafgaande gebeurtenissen open voor Gods openbaring. In wezen heeft Simeon –zijn naam betekent verhoring - hun geen echt nieuwe dingen gezegd. Hij heeft wel heel duidelijk Jezus’ betekenis voor alle volken uitgesproken. Dat was hiervoor reeds aangeduid, met name in de engelenzang, maar in Lucas 2-31,32,wordt de universele betekenis van de Messias, als gevolg van de plaats van Israël in Gods heilsplan, helder uitgedrukt. De verwondering van Jozef en Maria heeft dus niet zo zeer betrekking op een nieuwe verkondiging aangaande hun kind, maar is de uiting van verering, bewondering en aanbidding voor de – naar menselijke begrippen - niet te vatten wegen van God (vgl. ook Luc. 2,51). Het messiaanse heil is door de Heer bereid in en voor Israël. Het heil voor de volkeren is er alleen door de bemiddeling van Israël. Dat is de boodschap van het loflied van Simeon (Luc. 2,29-32). Het lijkt me belangrijk dit in de preek nog eens te onderstrepen, omdat in de kerk te dikwijls nog aan deze duidelijke bijbelse verkondiging wordt voorbijgegaan. Tegelijkertijd wordt in deze woorden van Simeon de spanning duidelijk die Jezus’ leven steeds begeleidt en ook daarna in het bestaan van de christenen zo’n belangrijke rol speelt: het heil is ons reeds in de komst van Jezus gegeven, maar het is nog niet volledig werkelijkheid in deze wereld. We wachten nog op de voltooiing van het in Hem in principe nu al aanwezig zijn van Gods Koninkrijk.
Van Hanna wordt vermeld dat zij profetes is, van Simeon wordt dit niet met zoveel woorden gezegd, maar zijn loflied laat zien dat hij zeker over profetische gaven beschikte. In de verzen 25-27 drukt Lucas nadrukkelijk uit dat Simeon leeft onder het beslag van Gods Geest. Terzijde merk ik op dat Lucas meer dan de andere evangelieschrijvers de nadruk legt op de werking van de Geest. De Geest leidt tot het ware inzicht met betrekking tot Jezus. Over Simeon en Hanna wordt verder in het Nieuwe Testament niets meer vernomen. Van Simeon wordt gezegd dat hij de vertroosting van Israël verwachtte (Luc 2, 25). Hanna verwachtte de bevrijding voor Jeruzalem ( Luc 2,38). De hier vermelde messiasverwachting was in die dagen zeer levendig.
Doordat in de verzen 34 en 35  de smart van de moeder wordt voorzegd, wordt  zo indirect het toekomstig lijden van Jezus geprofeteerd. Dat is de wijze waarop God bij de mensen wil zijn. We zien dat ook in het lijden van Israël. Jesaja 42 verkondigt dat het lot van Gods volk is ingesloten in het lot van de volken. Door Israël wil God het heil schenken aan heel de mensheid.
Voor ik overga tot de beschrijving van het optreden van Hanna, wijs ik nog even op de parallellie tussen Simeon en Anna: beiden hebben ze profetische gaven, beiden hebben een relatie met de tempel, in beide gevallen is er sprake van de vertroosting, respectievelijk de verlossing van Jeruzalem, dat wil zeggen het messiaanse heil voor Israël.
Wat opvalt in de beschrijving van het optreden van Simeon en Anna is dat er niet gesproken wordt over de officiële vertegenwoordigers van Israël. Het lijkt er toch verdacht veel op dat zij als het er op aankomt verstek laten gaan. Maarten Luther schrijft over Hanna (Ev. Ausl. 1.S. 270): ‘dass sie das arme Kind als den rechten Heiland erkannte, wo doch ohne Zweifel Priester da gewesen sind, die das Opfer von Maria und Joseph empfingen und dennoch das Kind nicht erkannten und vielleicht fur Weibergeschwatz hielten alles, was sie von Simeon und Hanna hörteten und sahen.’ De bijbelcommentator W. Luthi (Das Lukasevangelium, S. 64)schreef: Hoewel priesters en levieten de lossing voltrokken zullen hebben, lette men er op: ‘den eigentlichen, den prophetischen Dienst werden hier zwei Laien tun: Simeon und Hanna’.
Van Hanna wordt gezegd dat zij uit de stam Aser kwam, ook al uit het Noorden, uit Galilea, wat in de toekomst Jezus’ werkterrein zal zijn. Bovendien staat in Genesis 30,13 dat Lea bij de geboorte van Aser zegt: ‘Alle dochters zullen mij gelukkig prijzen.’ Er staat ook, dat zij een dochter van Fanuël was. Dat is nog geheimzinniger, want het komt voor in Genesis 32,32 en is daar een (een letter-) andere spelling voor Pniël in Genesis 32,31! Ook Hanna heeft, net als de vader van Aser, Jacob, het aangezicht Gos gezien in dit kind. Van dat soort verborgen tekenen is ook het evangelie van Lucas, evenals trouwens zijn boek Handelingen, vol, maar het valt voor ons niet altijd mee ze te zien.
De verzen 39 en 40 bevatten grote woorden: in vers 39, voltooid, alles, de wet van de Heer. In vers 40 vervuld met wijsheid (sophia) en genade (charis theou).
De schrijver van het Lucasevangelie is er alles aan gelegen om zo volledig mogelijk te zijn. Om maar geen misverstanden een kans te geven. Vandaar dat hij in vers 39 nadrukkelijk zegt dat ze ‘alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden gedaan.’ In vers 40 horen we dat Jezus opgroeit in wijsheid en dat Gods genade op hem rust. Wijsheid moeten we hier niet filosofisch interpreteren, maar theologisch: Jezus groeit op in Gods wijsheid. Zo wordt Hij meer en meer Gods meewerkende Zoon aan de bouw van Zijn Koninkrijk.
 

Aanwijzingen voor de preek:
Wat verwacht men na alle kerstdrukte van de preek? Het is goed daar heel nuchter over te doen: Kerstmis is niet anders dan het begin van wat nu vervolgens doorgaat en herkend gaat worden allereerst in Jeruzalem door die enkelingen die het zien. Zien wij als gemeente met hen mee en laten we ons op deze wijze betrekken bij Gods Rijk?
Dat doorgaan, opgroeien, herkend worden, verwondering  (Luc. 2,47) staat wel geheel en al in het kader van de eerdere belofte. De grote woorden, de lofzeggingen, de woorden die Maria in haar hart bewaart, het duidt alles op de overtuiging, dat ook reeds het begin van Jezus’ bestaande vervulling inluidt.
Maar dan wel de vervulling van wat Israël en zij die met Israël meeluisterden al gehoord hadden. Het Nieuwe Testament legt het Oude niet uit, maar omgekeerd: wie Jezus is en wat daar gaat gebeuren wordt ons uitgelegd door het Oude Testament. Simeon en Hanna loven God niet omdat Hij het nu heel anders gaat doen, maar omdat het juist datgene is wat zij al verwachtten.
De pastorale betekenis daarvan is ook de betrouwbaarheid van de woorden. Het voor ons gevoel eindeloze geduld dat van ons geloof en vertrouwen gevraagd wordt - de eerste volgelingen ervoeren het trouwens ook al zo, zie bijvoorbeeld 2 Petrus 3,3f - kan alleen worden volgehouden door een stug blijven bij de woorden die gezegd zijn. Daarbij gelden die paar glasheldere woorden  van Luther: ’Du hast keinen Gott der sich ändert’, ook niet als Hij berouw heeft van het kwaad en zich dus lijkt te veranderen. Juist dat berouw bewijst wat Luther zegt, en Jona vat dat kribbig samen: ‘ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig, groot van goedertierenheid en berouw hebbend over het kwaad.’

Lies van der Zee