22 november 2015

laatste zondag kerkelijk jaar 22 november 2015

Bijbellezingen: Sefanja 1, 14-2,3  Openbaring 1, 1-8 Marcus 13, 14-27

Ik heb me voor het maken van deze preekschets vooral verdiept in de dissertatie van Den Heyer: (Heyer, D.C. den, Exegetische methoden in discussie. Een analyse van Marcus 10:46- 13:37. Kampen).
In dit boek keert Den Heyer zich tegen de historisch-kritische richting en kiest voor de structuur- analyse. Op beide vormen van exegetiseren kom ik zo meteen terug.

De historisch-kritische methode

De exegeten die deze methodiek gebruiken kunnen - zo blijkt uit hun commentaren - het niet eens worden over de functie van Marcus 13 in het totaal van het evangelie. Er zijn veel hypothesen opgesteld over de plaats van deze rede. Daarbij hebben de ´Jezusbeelden´ van exegeten een grote rol gespeeld. Calvijn bijvoorbeeld heeft grote moeite gehad met apocalyptische stof , die we zeker in Marcus 13 tegenkomen. Calvijn probeert dan ook de apocalyptische stof te spiritualiseren.
Binnen de historisch-kritische beweging wordt meestal ontkend dat Jezus iets met de joodse apocalyptiek van doen heeft. Bijgevolg vinden exegeten van deze richting dat Marcus 13 een ‘Fremdkorper’ is in het totaal van het evangelie. Daarbij ziet de historisch-kritische richting in Marcus 13 een onsamenhangend verhaal, opgebouwd uit alle mogelijke brokstukken. Een van de vertegenwoordigers van genoemde richting is Rudolf Bultmann1. Deze is van grote invloed geweest op het verstaan van Marcus 13. Hij acht de apocalyptiek niet van wezenlijk belang voor het verstaan van de verkondiging van Jezus. Daarentegen stelt de exegeet Käsemann dat de apocalyptiek de moeder van alle christelijke theologie is.2 Bultmann stelt dat we in Marcus 13 te maken hebben met een zogenaamde ‘kleine apocalyps’ (een vlammend pamflet van joodsen huize). De exegeet Pesch werkt dat uit en meent dat het ‘pamflet’ geschreven is in 39/40 toen Caligula de tempel dreigde te ontheiligen. In 41 stierf Caligula en verloor het pamflet zijn actualiteit. Later gaan joods-christelijke groepen dit pamflet (omdat hierin gesproken wordt over de mensenzoon) als een oorspronkelijke profetie van Jezus zien, welke in de jaren 66-70 weer nieuwe actualiteit krijgt door onder andere de verwoesting van de tempel. De doelstelling van de schrijver van het Marcus-evangelie zou dan volgens de historisch-kritische richting zijn: overspannen apocalyptische verwachtingen te corrigeren. Steeds opnieuw blijkt bij exegeten van deze richting het zogenaamde ‘ Minimaal-kriterium’ van Bultmann te fungeren. Deze stelt dat alleen dat wat ‘echt’ van Jezus is en dus niet afgeleid kan worden uit het joodse denken en uit de voorstellingen van de latere christengemeenschappen, serieus te nemen valt.

Structuur analyse

Uitgangspunt voor structuuranalytisch werkende exegeten is de gedachte dat elke taaluiting een structuur heeft, op een bepaalde manier wordt opgebouwd door middel van woorden. De bedoeling van de schrijver of de spreker kan niet weergegeven worden door de som van de afzonderlijke woorden en/ of zinnen, maar uitsluitend door het geordend geheel van het verhaal of van de rede waarin woorden en zinnen op een bepaalde manier functioneren. Het geheel is meer dan de som van de afzonderlijke delen. De volgorde van woorden en zinnen is niet toevallig of omkeerbaar, met elkaar vormen ze een netwerk van relaties. De structuur is beslissend voor de semantiek: Waarom heeft de schrijver deze ordening gekozen? Waarom heeft de schrijver zijn gedachten op deze wijze onder woorden gebracht?

Laten we deze vragen eens aan de verzen 14-27 van Marcus 13 stellen en zulks in het bredere verband van Marcus 13. De structuur ziet er dan als volgt uit:

  • 1-4 Inleiding

  • vss 5-23 Apocalyptisch, waarschuwend gedeelte

  • vss 24-27 Komst van de Zoon des Mensen

  • vss 28-37 Gelijkenissen.

Den Heyer deelt de verzen als volgt in aan de hand van kernwoorden:
a. De verzen 5,6. Kernwoord: blepete (oppassen) voor verleiders.
b. De verzen 7,8. Kernwoord: hotan de akousete (wanneer jullie horen – namelijk berichten over oorlogen)
c. De verzen 9-13. Kernwoord: blepete , oppassen. bb. De verzen 14-20. Kernwoord: hotan de idete, wanneer jullie zien aa. De verzen 21-23a. Kernwoord: blepete, oppassen voor verleider . Waar de parallellie van a en aa bijna volkomen is, vormt bb een verheviging tegenover b. De verzen 5/23 vertonen een a b bb en aa structuur, waarbij het opvalt dat op het middelste gedeelte de meeste nadruk ligt. De verzen 24-27 vormen het centrum van de gehele rede.

In de verzen 14-20 wordt ingegaan op de vraag van de discipelen naar het wanneer van de eindtijd. Was er in vers 7 nog sprake van horen, nu is er sprake van zien. De geheimzinnige uitdrukking ´gruwel der verwoesting´ (of zoals de NBV-vertaling weergeeft ´de verwoestende gruwel’) is afkomstig uit het boek Daniël (Dan.9,27; 11,31. Het Griekse woord voor ‘gruwel’ is bdelama. Dat is weer een vertaling van het Hebreeuwse woord sjikkoes, dat afgodsbeeld betekent (alles wat met afgoderij te maken heeft).De auteur van het Daniëlboek gebruikt dit woord voor het Zeusaltaar dat door Antiochus Epiphanes in de tempel is geplaatst. Deze ontheiliging was voor de Makkabeeën het sein in opstand te komen (zie Makk.1, 58 en volgende). Het woord eremosis kan verwoesting betekenen, maar ook ontheiliging. Dat kan een ontheiliging van buiten af zijn (door de Romeinen), maar ook van binnenuit. De tempel functioneert niet meer zoals ze moet functioneren. Dan gaat het over de corruptie van het beste (zie B. Hemelsoet, Marcus, Kampen 1977, p. 83-87). Opvallend is de oproep om te vluchten. Niet opstand is het antwoord. Maar hals over de kop vluchten. Dat is een bekend motief uit de profeten en de apocalyptische literatuur. De vlucht van de vrome op de dag van de toorn van de Heer (zie bijv.Gen. 19, 17; Jer. 4,29; Openb. 12, 6).
Zo vluchtte de gemeente van Qumran uit Jeruzalem, omdat zij de tempel als een verontreinigde plaats beschouwde door de dienst van de goddeloze priesters (zie Den Heyer,a.w., pag. 186). Ook de oproep om te vluchten is vermaning, een oproep om aan het onheil te ontkomen. Eveneens wordt het gebed gezien als een activiteit van de gemeente tegen de verdrukking (tlipsis) in. Zonder het barmhartige antwoord van God op het kyrie van de gemeente gaat alle vlees (dat staat in Marc. 13,20) ten onder. Vers 20 is de enige plaats waar Marcus spreekt over uitverkorenen. In de verzen 21/23 komt naar voren wat ook reeds in de verzen 5 en 6 is gezegd, maar nu nog pregnanter. Het onderscheidingscriterium tussen ´waar´ en ´vals´ ligt niet in de tekenen, maar in het teken van de Mensenzoon.

De verzen 24 tot en met 27. De tijd na de verdrukking wordt geschilderd in ´chaostermen´. De schepping raakt van zijn plaats, functioneert niet meer zoals het moet. Profetische beelden illustreren dat (zie Jes. 13, 10 en Joël 2, 10). Het zijn in deze verzen allemaal voorstellingen die horen bij de beschrijving van de Dag van de Heer. Opvallend is dat op het moment dat de hemelse lichten uitgevallen zijn en er niets meer te zien is, de Mensenzoon, de Zoon des Mensen verschijnt, het teken van Gods trouw.
Bij het lezen van en preken over Marcus 13 mag niet vergeten worden dat: ‘de context waarin de evangelist de rede van Jezus over de toekomst geplaatst heeft, aangeeft hoe zij gelezen en uitgelegd dient te worden. Niet als een reportage van de laatste fase van de wereldgeschiedenis, niet als een blauwdruk waaruit wij kunnen afleiden wanneer precies… het einde van de wereld zal komen. Dan wordt namelijk vergeten dat Marcus 13 vlak voor het lijdensverhaal staat en niet daarna. Marcus 13 ziet niet over het lijden van Jezus heen naar de parousie, alsof de toekomstverwachting niet bepaald zou worden door lijden en opstanding, maar alleen in combinatie met het lijdensverhaal kan op de juiste wijze gesproken worden over de komst van de Zoon des Mensen’. (Den Heye,r a.w. pag. 205; zie ook K. Barth. KD !!!,2. pag 602 f)

Aanwijzigingen voor de preek

1. Voor veel hoorders zal zo’n tekst als Marcus 13 verwarring oproepen en misschien wel angst. Alleen al daarom lijkt het me goed een preekvoorbereidingsgroep te starten die zich buigt over de tekst. Het is dan aan de voorganger om uit het besprokene dat te halen wat de meeste vragen oproept en dat in haar/zijn preek te verwerken. Ik denk dat het niet anders kan dan dat de voorganger de nodige informatie over dit stuk tekst in haar of zijn preek verwerkt.

2. Het is 22 november ook de dag van de voleindiging. Die kan aan de hand van Marcus 13 goed toegelicht worden. Een spannende vraag voor deze zondag is: Zijn we wel een verwachtende gemeente of toch meer een afwachtende gemeente?

3. Hoe overbrug je de afstand tussen de situatie toen en nu? Wij hebben thans te maken met een grote instroom van vluchtelingen in Europa. Den Heyer laat zijn exegese van Marcus 13 beginnen in Marcus 10 vers 45: Dat roept de vraag op hoe het met het dienen van de gemeente gaat ten aanzien van bijvoorbeeld onze dienst aan vluchtelingen.
 

Lies van der Zee


 


 


 

 


 


 


 


 


 


 


 

 

 


 

1 Bultmann, Theologie des Neuen Testaments, Tübingen 1965.

2 Käsemann, E,. Zum Thema der urchristlichen Apokalyptik. In: Exegetische Versuche und Besinnungen, Göttingen 1964, p. 105-131.