18 mei 2014

5e zondag van Pasen

Dueteronomium 6:20-25 
“Wanneer je zoon je morgen de vraag stelt: “Wat is dat met de inzettingen van de Ene, onze God?” De lezingen staan nog in het teken van Pasen, het grote feest van de Bevrijding: de doortocht door de Rode Zee, het nieuwe begin met de geboden van de Ene. Een weg uit de slavernij, die naar het leven voert. Het hele bestaan staat in het teken van die bevrijding. Leven vóór het aangezicht van God-met-ons. Wat vragen ónze kinderen ons, denk ik daarbij. Ze zien ons vallen en opstaan, leven met de dubbelzinnigheid van onze bevrijding, de grote en ook de kleine. Ze zien ons hulpeloos tegenover de dubbelzinnigheid van elke bevrijding, waarbij veel offers gebracht worden: ook door de vijand, de farao en zijn legermacht. Voor de slaven die ontkomen zijn volgt een lange tocht door de woestijn, op weg naar het Land van Belofte waar te leven valt. En ook voor ons is de tocht lang: tussen integriteit en mededogen of als mensen die ons verlies proberen te verbergen, vaak toch nog meedrijvend met de stroom van het Nieuwe Egypte of Nieuw Babylon: en dat staat voor het ophemelen van het grote geld, voor de prestigieuze bouwwerken en het ophouden van je stand. Voor velen geldt dit niet: ze leven aan de onderkant. In de mythen van onze tijd staat dit verhaal van Bevrijding recht overeind, het is richtingwijzend. Het beschrijft geen eigenmachtige overwinning over een tegenstander: het is een redding waaruit een rechtvaardig leven voortvloeit. Ook ons wijst dat een weg, samen met onze geestelijke voorouders die Jezus volgden.

Psalm 66 Juich voor God, heel de aarde! Het gaat over alle mensen, de “zoons van Adam” (Eva moeten we er maar even bij denken in een mannencultuur). En dan gaat het over dat ene volk, dat zichzelf niet bevrijdde uit de slavernij, maar dat zijn handen uitstak naar de redding uit het geweld: “Wij kwamen in vuur en in water, U hebt ons uitgeleid naar de overvloed!”

 

 

 

 

1 Petrus 2:1-10 Een brief uit de begintijd van de gemeenten die zich “Christenen” gingen noemen. Het is niet zeker dat hij van Simon Petrus is, één van Jezus’ eerste volgelingen. De auteur schrijft aan “vreemdelingen in de verstrooiing,” mensen die niet bij “het volk,” de ‘am hoorden, maar die nu een priesterlijke rol vervullen. De nadruk op een levensstijl uit één stuk wijst op een Joodse achtergrond. Het is niet duidelijk of Jeruzalem al gevallen is onder het geweld van de Romeinen. Hij heeft het over een huis van God, waarin mensen levende stenen zijn en citeert Jesaja: “De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, werd de hoeksteen.” Dat betrekt hij op Jezus. Wat hij zegt over die jonge gemeente, klinkt als één harmonisch geheel,

Evangelie naar Johannes 14 vers 1-14
Jezus spreekt over zijn eenheid met de Vader. Johannes, zo poëtisch als hij is, komt hier al met woorden die gebruikt zijn voor de latere leer over Vader, Zoon en Heilige Geest. Van dit Evangelie weten we dat het geschreven is na de val van Jeruzalem. Het volk Israël is verstrooid, de jonge kerk raakt los van haar wortels, ze is als een kind dat op eigen benen moet staan in een vijandige omgeving. Niet voor niets ligt hier de volle nadruk op de liefde die Vader en Zoon verbindt, en die de “mensen van de weg” bij elkaar houdt in tijden van vervolging.
Een thema voor gelovigen die overleven door de kracht van de Geest.

Janna F. Postma